← België

Koninklijk besluit tot vaststelling van de concurrerende inschrijvingsprocedure, de voorwaarden en de procedure tot toekenning van de domeinconcessies

Kort samengevat

Dit besluit regelt de procedure en voorwaarden voor het toekennen van concessies voor de bouw en exploitatie van installaties voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Belgische zeegebieden. Het doel is om meer hernieuwbare energie op het Belgische net te brengen en de CO2-uitstoot te verminderen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst

3 JUNI

  1. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de concurrerende inschrijvingsprocedure, de voorwaarden en de procedure tot toekenning van de domeinconcessies en de algemene voorwaarden voor het gebruik van de kavels voor de bouw en exploitatie van een installatie voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat u wordt voorgelegd beoogt uitvoering te geven aan artikel 6/3, § 3, van de wet van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999000502 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van artikel 77, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen type wet prom. 29/04/1999 pub. 24/06/1999 numac 1999022439 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen sluiten betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna de "elektriciteitswet"), zoals ingevoegd bij de wet van 12 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten4 en laatst gewijzigd bij de wet van 19 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten9, waarbij machtiging wordt gegeven aan de Koning om "het verloop van de concurrerende inschrijvingsprocedure, de voorwaarden en procedure tot toekenning van de domeinconcessies en de algemene voorwaarden voor het gebruik van de kavels" te bepalen. Dit betreft de in paragraaf 1 van hetzelfde artikel bedoelde domeinconcessies voor de bouw en exploitatie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de zeegebieden die onder de rechtsbevoegdheid van België vallen. De bedoelde kavels zijn de kavels waarvan de locatie, de omvang en het aantal zullen worden vastgesteld bij ministerieel besluit genomen in uitvoering van artikel 6/4 van de elektriciteitswet. Het koninklijk besluit van 22 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 11/08/2004 numac 2004015109 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de volgende Verdragen : type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli
  2. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september
  3. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni
  4. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november
  5. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 type wet prom. 17/02/2002 pub. 04/11/2004 numac 2004015200 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de volgende Verdragen :
  6. Overeenkomst betreffende de bouw en de exploitatie van een Europese Synchrotronstralingsinstallatie, en Bijlagen, opgemaakt te Parijs op 16 december 1988;
  7. Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de gezamenlijke deelname aan de Europese Synchrotronstralingsinstallatie alsook de wijze van uitvoering daarvan, en Uitwisseling van brieven, ondertekend te Brussel op 12 november 1990;
  8. Protocol van toetreding van het Koninkrijk der Nederlanden tot de Overeenkomst van 16 december 1988 betreffende de bouw en de exploitatie van een Europese installatie voor synchrotronstraling, en Bijlage, opgemaakt te Parijs op 9 december
  9. - Erratum . Addendum (II) sluiten4 tot vaststelling van het marien ruimtelijk plan voor de periode van 2020 tot 2026 in de Belgische zeegebieden (hierna "marien ruimtelijk plan 2020-2026) heeft een zone afgebakend, bestemd voor de toekenning van domeinconcessies voor de bouw en exploitatie van installaties voor de productie en opslag van energie uit hernieuwbare bronnen en voor de toekenning van domeinconcessies voor de bouw en exploitatie van installaties voor de transmissie van elektriciteit, bestaande uit drie gebieden: Noordhinder Noord, Noordhinder Zuid en Fairybank, tezamen de "Prinses Elisabeth-zone" (PEZ) genoemd. De ontwikkeling van de PEZ voor het opwekken van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen laat toe om een aanzienlijke hoeveelheid extra hernieuwbare energie op het Belgische net te brengen, met een grote bijkomende vermindering van CO2-uitstoot en talrijke andere maatschappelijke, sociale, economische en klimaatvoordelen. Artikel 6/3, § 3, van de elektriciteitswet belast de Koning onder meer met het vaststellen van de ontvankelijkheidscriteria waaraan de kandidaten van de concurrerende inschrijvingsprocedure moeten voldoen (2° ) en met het vaststellen van de objectieve, niet-discriminerende en transparante toekenningscriteria op basis waarvan een rangorde wordt opgemaakt en de domeinconcessie wordt toegewezen (3° ). Daarnaast wordt de Koning ook gelast om, in voorkomend geval, de financiële steun te bepalen waar de concessiehouder overeenkomstig artikel 7 van de elektriciteitswet aanspraak op kan maken voor een maximale duurtijd van twintig jaar (10° ). Mede op basis van aanbevelingen van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG) en van een stakeholderconsultatie werden tenderprincipes voor de PEZ uitgewerkt. Deze beginselen werden getoetst aan de volgende doelstellingen, die ervoor moeten zorgen dat de ontwikkeling van de PEZ gepaard gaat met de grootst mogelijke sociale welvaartswinst. Het gaat om de volgende doelstellingen: - zorgen voor de hoogst mogelijke injectie van hernieuwbare energie in het Belgische net; - de risico's voor investeerders beperken, zodat hernieuwbare elektriciteit tegen de laagst mogelijke kost kan worden geproduceerd; - de laagst mogelijke elektriciteitsprijs hebben voor alle Belgische consumenten met de mogelijkheid van PPA's (Power Purchase Agreements) met vaste prijzen voor onze industrie en burgers; - burgerparticipatie mogelijk maken en dit ook via hernieuwbare energiegemeenschappen; - overwinsten ("windfall profits") vermijden. Er zijn twee aanbestedingsfasen gepland met een eerste aanbesteding voor een eerste lot van maximaal 700 MW (PEZ I) en een tweede fase voor de twee andere loten van maximaal 1400 MW (PEZ II en III) die in het ministerieel besluit bedoeld in artikel 6/4 van de elektriciteitswet gedetailleerd zullen worden beschreven. De betrokken domeinconcessieovereenkomsten zijn niet onderworpen aan de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten0 betreffende de concessieovereenkomsten. Immers, domeinconcessies in de zin van het Belgisch administratief recht worden, krachtens de preambule van Richtlijn 2014/23/EU en de memorie van toelichting van de Concessiewet, uitdrukkelijk van het toepassingsgebied van deze regelgeving uitgesloten. Deze uitsluiting kan van toepassing worden geacht, op voorwaarde dat het wetsontwerp, de uitvoeringsbesluiten en het bestek voor de concurrerende inschrijvingsprocedure geen al te gedetailleerde eisen inzake de bouw en de exploitatie van de productie-installaties (zullen) vooropstellen. De titularis van de domeinconcessie dient bij het ontplooien van zijn activiteiten op de betrokken kavels, over een aanzienlijke vrijheid te beschikken. Er zal dan ook over gewaakt worden dat de concessiedocumenten geen al te gedetailleerde technische voorschriften (of specificaties) omvatten voor het bouwen of voor de exploitatie van de productie-installaties, behoudens deze gerelateerd aan de aansluiting van de installaties op de Modular Offshore Grid of gerelateerd aan de milieuvergunning. Het is de bedoeling dat de concessiehouder diens gebruiksrecht ten volle voor de private bouw en exploitatie van productie-installaties kan benutten. Er zal bij het opstellen van de concessiedocumenten dus een restrictieve invulling gegeven worden aan de technische en functionele specificaties bedoeld in artikel 27, § 1, 4° van dit besluit. In de inmiddels ingediende aanvraag tot verkrijging van een milieuvergunning, die bedoeld is om aan de concessiehouder te worden overgedragen, wordt voornoemde vergunning verzocht voor een zo ruim mogelijk voorwerp van een toekomstig project zoals bedoeld in artikel 6/3 van de elektriciteits wet van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999000502 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van artikel 77, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen type wet prom. 29/04/1999 pub. 24/06/1999 numac 1999022439 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen sluiten, waarbij voor verscheidene scenario's en parameters van dergelijk project (bijvoorbeeld aantal installaties, individueel vermogen, hoogte, enz.) in ruime bandbreedtes is voorzien teneinde rekening te houden met de steeds evoluerende markt en in het bijzonder teneinde de vrijheid van de concessiehouder om zelf invulling te geven aan zijn gebruiksrecht zo weinig mogelijk te beperken en zodoende een maximale vrijheidsgraad te laten aan de concessiehouder.. Overeenkomstig artikel 6/3, § 3 van de elektriciteits wet van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999000502 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van artikel 77, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen type wet prom. 29/04/1999 pub. 24/06/1999 numac 1999022439 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen sluiten kunnen de concessiedocumenten wel algemene voorwaarden bevatten voor het gebruik van de kavels zoals een minimum te installeren productiecapaciteit, de regels inzake het sluiten van een contractuele band, de toegelaten activiteiten naast de productie van elektriciteit en de vereisten inzake een deugdelijk plan van aanpak op basis waarvan een haalbare en tijdige realisatie en een behoorlijke bouw, exploitatie en ontmanteling redelijkerwijze kan verwacht worden. De concessiedocumenten zullen eveneens een verwijzing bevatten naar een model milieuvergunning alsook naar een model aansluitingscontract die onder bepaalde voorwaarden en binnen bandbreedtes op vlak van bepaalde parameters de private realisatie en private exploitatie van de productie-installaties zullen toelaten. De evaluatie van de door de inschrijver vooropgestelde technieken en middelen in functie van de ontwikkeling van productie-installaties alsook de termijn van realisatie, is ingegeven vanuit de bedoeling om een grote waarschijnlijkheid van realisatie binnen een redelijke termijn na te streven mede in het licht van de Europese doelstellingen waardoor België gebonden is. Indien uit de beschrijving van de door de inschrijver vooropgestelde technieken en middelen de beoogde bijkomende geïnstalleerde capaciteit bijvoorbeeld redelijkerwijze niet technisch haalbaar zou kunnen worden geacht en/of risico's voor de veiligheid met zich zou meebrengen, zou daaraan een gepast gevolg kunnen worden gegeven. Aangezien er voor de procedureregels niet kon teruggevallen worden op de concessiewet of de wet overheidsopdrachten, werkt dit besluit conform artikel 6/3, § 3 van de elekriciteitswet een sui generis regeling uit. Daarbij werd waar passend soms inspiratie gezocht in de voormelde wetgeving, maar dit heeft geen invloed op de juridische kwalificatie van de domeinconcessies. De formele overeenkomsten doen geen afbreuk aan het inhoudelijk onderscheid. De inschrijvers krijgen negen maanden de tijd om hun offerte voor te bereiden, waarna de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie (FOD Economie) drie maanden de tijd krijgt voor de evaluatie van de inschrijvers, die desgewenst met drie maanden kan worden verlengd. Van de inschrijvers wordt dan verwacht dat uiterlijk achtenveertig maanden na de bekendmaking van het winnende bod de volledige productie-installatie operationeel is, dus alle productie-eenheden in dienst genomen zijn. De concessieduur bedraagt veertig jaar (artikel 6/3, § 2, van de elektriciteitswet, zoals gewijzigd door de wet van 23 oktober 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten6), daarin inbegrepen de bouwfase, de exploitatiefase en de ontmantelingsfase. De bouwfase moet voltooid worden binnen de vier jaar. De ontmantelingsfase begint ten laatste vierentwintig maanden voor het verstrijken van de concessieduur en de ontmanteling moet ten laatste bij het verstrijken van de concessieduur voltooid zijn. De volgende ontvankelijkheidscriteria werden weerhouden:
  10. technische capaciteit;
  11. financiële capaciteit;
  12. vereisten inzake netaansluiting;
  13. maximale uitoefenprijs (strike price);
  14. minimaal geïnstalleerde capaciteit;
  15. minimaal aandeel burgerparticipatie;
  16. cyberveiligheid;
  17. uitsluitingsgronden. Wat betreft de gunningscriteria, zullen de kandidaturen geëvalueerd worden op basis van de prijs en het aandeel burgerparticipatie, als volgt: - 90,0000 punten voor het criterium "prijs"; - 10,0000 punten voor het aandeel burgerparticipatie (voor indirecte burgerparticipatie enkel de percentages boven op het minimum aandeel van 1% van de totale investeringskosten). Op basis van aanbevelingen van de CREG wordt als financieringsmechanisme gekozen voor een tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen ("two-sided contract for difference") (zie studie (F)2247 van de CREG van 17 juni 2021), maar met de mogelijkheid om een deel van de elektriciteitsproductie te verkopen via een contract met een afnemer ("power purchase agreement", PPA) aan een vaste prijs. Het aandeel van de productie dat via een PPA aan vaste prijs mag worden verkocht is in principe beperkt tot 50%. Een extra mogelijkheid om PPA's aan vaste prijs af te sluiten voor een bijkomend aandeel van 25% is specifiek voorbehouden voor burgers, kmo's en lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen en verenigingen, voor zover deze voldoen aan de voorwaarden voor directe burgerparticipatie zoals bepaald in artikel 21, § 3, van het voorliggende besluit. Deze mogelijkheid laat ook hernieuwbare energiegemeenschappen toe om PPA's aan vaste prijs af te sluiten. Een tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen is een ondersteuningsmechanisme waarbij een vast inkomstenniveau (de "strike price") wordt gegarandeerd op basis van de via de groothandelsmarkt geïnde inkomsten. Indien de elektriciteitsprijs op de groothandelsmarkt lager is dan de strike price, dan betaalt de overheid het verschil aan de begunstigde; is de elektriciteitsprijs hoger dan de strike price, dan betaalt de begunstigde het verschil aan de overheid. Tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen spelen een belangrijke rol bij het dichten van de financieringskloof en het verlagen van het risico van investeringen in hernieuwbare energie. Een tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen voorziet in een gegarandeerde prijs voor de opgewekte elektriciteit, waardoor het risico voor investeerders afneemt, de stabiliteit van de inkomstenstroom toeneemt en prikkels worden gecreëerd voor kostenverlagingen en innovatie. Tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen verlagen de kapitaalkosten van project gefinancierde activa door zekerheid over de inkomsten te bieden. De kosten van schulden (rentetarieven) en de zekerheid van inkomsten zijn de belangrijkste elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de verlaging van de kapitaalkosten. Aanvullende factoren zijn gebaseerd op de stabiliteit van de regelgeving, die bepalend is voor het risico van investeren in een specifieke markt. Concessiehouders die ondersteund worden door een tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen kunnen hun toekomstige inkomsten zeer nauwkeurig voorspellen. En dat geeft banken het vertrouwen dat ze hun leningen kunnen terugbetalen. De hervorming van de EU-regels voor de elektriciteitsmarkt, waarover het Europees Parlement en de Raad op 13 december 2023 een akkoord hebben bereikt (Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordeningen (EU) 2019/943 en (EU) 2019/942 en van Richtlijnen (EU) 2018/2001 en (EU) 2019/944 ter verbetering van het opzet van de elektriciteitsmarkt, 2023/0077(COD)), bevordert het gebruik van tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen en van PPA's als complementaire instrumenten die gericht zijn op het vergroten van de voordelen van goedkope elektriciteitsopwekking voor verbruikers. Volgens de nieuwe regels zullen tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen verplicht worden voor met overheidsmiddelen gefinancierde investeringen in nieuwe installaties voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. De optie van "nulsubsidieregeling" ("zero bid") werd eveneens onderzocht maar uiteindelijk niet weerhouden. Bij een zero bid krijgt de winnaar van de concurrerende inschrijvingsprocedure geen financiële ondersteuning van de overheid. Dit is weliswaar gunstig voor de overheidsfinanciën, maar drijft de financieringskosten op. Met tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen zijn banken vaak bereid tot 80% van de aanloopkosten voor de bouw van een windpark of andere installatie voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energie te lenen. Maar bij blootstelling aan (fluctuerende en marktgestuurde) marktprijzen voor elektriciteit kunnen bankleningen beperkt blijven tot misschien maar 25% van het totale bedrag dat nodig is om een productie-installatie te bouwen. De rest zal moeten worden gefinancierd met eigen vermogen, een veel duurdere manier om de investeringskost te voorzien. De financieringskosten maken een groot deel uit van de totale kosten van projecten en de impact is aanzienlijk. Wanneer een offshore productie-installatie die door een tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen wordt ondersteund, hypothetisch, een elektriciteitskost zou hebben van 50 euro/MWh, dan zal diezelfde productie-installatie die zonder dergelijke steun wordt gebouwd, doorgaans een elektriciteitskost van ongeveer 92 euro/MWh hebben. Volgens de CREG zou de keuze voor een zero-bid mechanisme het deelnemersveld beperken en vooral in het voordeel spelen van nutsbedrijven met een productieportefeuille in België. Dit leidt tot hogere prijzen. Bovendien is er geen afroming van eventuele overwinsten. Een tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen zorgt daarentegen voor een gelijk speelveld ("level playing field") voor alle partijen, inclusief kleinere of nieuwe partijen en partijen die onafhankelijk zijn van nutsbedrijven met een productieportefeuille in België. Om de financiële ondersteuning door de overheid te beperken zonder echter afbreuk te doen aan het gelijk speelveld, werd in de mogelijkheid voorzien om stroom te verkopen via PPA's aan vaste afnameprijs. De referentieprijs is in dit geval niet de groothandelsprijs op de day-ahead markt (zoals voor het volume van de productie dat buiten de vaste prijs PPA's wordt verkocht), maar de vaste prijs van de PPA min de kosten verbonden aan het afsluiten van een dergelijk contract, die geplafonneerd worden op 3 €/MWh. Voor de stroom die via deze vaste prijs PPA's verkocht wordt, ontvangt de concessiehouder geen steun, maar blijft een terugbetalingsverplichting van kracht indien de referentieprijs, nl. vaste prijs van de PPA min 3€/MWh, hoger ligt dan de strike price. De concessiehouder ontvangt geen vergoeding van de overheid indien deze referentieprijs lager is dan de strike price. Tijdens de eerste zes maanden na de toekenning van de domeinconcessie kunnen PPA's aan vaste prijs afgesloten worden zonder competitief toewijzingsproces, op voorwaarde dat zij een minimumduur van 20 jaar hebben. Daarna moeten de vaste prijs PPA's via een transparant en niet-discriminerend competitief proces toegekend worden. Deze verplichting geldt voor de duur van de ondersteuningsperiode. Door de mogelijkheid te bieden om een deel van de productie aan een hogere prijs te verkopen in het kader van vaste prijs PPA's, is er een prikkel voor de inschrijvers om elektriciteit direct te verkopen aan eindgebruikers. De terugbetaling van de inkomsten uit deze PPA's wordt geactiveerd vanaf de strike price vermeerderd met 3 euro per MWh (d.w.z. als de referentieprijs, die gelijk is aan de vaste prijs van de PPA min drie euro per MWh hoger is dan de strike price) om te vermijden dat grote nutsbedrijven en andere financieel sterkere partijen de domeinconcessie in de wacht zouden kunnen slepen door een zeer lage strike price te bieden met de bedoeling om voor veel hogere prijzen PPA's af te sluiten. Dit zou leiden tot de uitsluiting van kleinere, nieuwe of onafhankelijke partijen die niet in dezelfde mate toegang hebben tot de PPA-markt als andere partijen. Om dezelfde reden wordt ook de omvang van het volume dat onder vaste prijs PPA's gecontracteerd mag worden, beperkt tot 50% van de totale elektriciteitsproductie. Een extra volume van maximum 25% is echter toegestaan voor vaste prijs PPA's met burgers, kmo's en lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen en verenigingen. Dit is gelinkt aan de voorwaarden voor directe burgerparticipatie om de deelnemers in het project ook toegang te geven tot hernieuwbare elektriciteit en dit volgens de geest van hernieuwbare energiegemeenschappen. Een aandeel van 25% kan niet via vaste prijs PPA's verkocht worden om voldoende liquiditeit in de markt te houden. Voor de financiering van een offshore project met concessieduur tot veertig jaar, is een ondersteuningsperiode van twintig jaar aangewezen, zodat voldoende investeringszekerheid kan gegeven worden om de strike price zo laag mogelijk te houden en om ook de elektriciteitsprijs naar de industrie en de burgers zo laag mogelijk te houden. Bovendien wordt het ondersteuningsmechanisme waarin dit besluit voorziet, vastgesteld in een welbepaalde marktcontext; deze marktcontext - en de regels die erop van toepassing zijn - kunnen echter in de loop van de tijd veranderen. Zo kunnen bijvoorbeeld de regels die van toepassing zijn op de definitie van zones voor het indienen van biedingen, regeling of onevenwichten, de regels die van toepassing zijn op het beheer van onevenwichten, de regels die van toepassing zijn op het beheer van congestie op het net, enz. evolueren in overeenstemming met de vereisten van het regulatoire kader op Europees en Belgisch niveau. Het ondersteuningsmechanisme waarin dit besluit voorziet, is zodanig opgezet dat het kan inspelen op mogelijke toekomstige veranderingen in deze marktcontext. Opmerkelijk is het feit dat het gebaseerd is op steun voor productiecapaciteit en de opname van een component om het risico op buitensporige onevenwichtskosten te beperken (met behoud van een stimulans om de verwachte productie in evenwicht te houden). In het kader van de werkgroep die door de transmissienetbeheerder is opgericht (de Princess Elisabeth Zone Task Force, waarvan de werkzaamheden openbaar en toegankelijk zijn via de website van de beheerder), hebben er al besprekingen en uitwisselingen plaatsgevonden over deze verschillende onderwerpen met alle marktspelers. Het is essentieel dat de kandidaat-projectpromotoren zich bewust zijn van deze mogelijke veranderingen in de marktcontext en van de manier waarop dit ondersteuningsmechanisme de potentiële economische risico's ervan wil beperken. Naast de prijs wordt ook de mate van burgerparticipatie weerhouden als toekenningscriterium. Een minimum van 1% van de CAPEX van het volledige project moet worden opengesteld voor burgerparticipatie. Dit geeft uitvoering aan artikel 6/3, § 3, 9°, van de elektriciteitswet zoals laatst gewijzigd 19 december 2023 dat bepaalt dat bij koninklijk besluit dient te worden vastgesteld: "de mate waarin en de wijze waarop burgerparticipatie kan worden voorzien en hernieuwbare energiegemeenschappen kunnen worden betrokken door de titularis van een domeinconcessie, alsook het minimaal te behalen percentage burgerparticipatie". Artikel 6/3, § 3, 9°, van de elektriciteitswet is een omzetting van EU-recht, hetgeen primeert op nationaal recht, inclusief de Belgische Grondwet. Door burgerparticipatie op te nemen worden verplichtingen uit het EU-recht nageleefd: namelijk een gelijk speelveld creëren voor hernieuwbare energiegemeenschappen en het stimuleren van deelname daarvan in tenders, zoals bepaald in overweging 26 van de Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (hierna "RED II"): "De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hernieuwbare-energiegemeenschappen op gelijke voet met grote partijen kunnen deelnemen aan beschikbare steunregelingen. Daartoe moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om maatregelen te nemen, waaronder het verstrekken van informatie en van technische en financiële ondersteuning, om administratieve voorwaarden te beperken, op gemeenschappen gerichte inschrijvingscriteria op te nemen, op maat gesneden inschrijvingsintervallen voor hernieuwbare energiegemeenschappen in te stellen, of toe te staan dat hernieuwbare-energiegemeenschappen worden vergoed met rechtstreekse steun wanneer zij voldoen aan de eisen voor kleine installaties.". Artikel 4, lid 8, van RED II bepaalt dat aanbestedingsprocedures in staat moeten zijn om te zorgen voor een lokaal draagvlak. Een van de elementen die in staat is om dergelijk lokaal draagvlak te vergoten zijn hernieuwbare energiegemeenschappen, zoals uiteengezet in overweging 70 van RED II: "De participatie van lokale burgers en autoriteiten aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie via hernieuwbare-energiegemeenschappen heeft tot aanzienlijk meer lokaal draagvlak voor hernieuwbare energie en toegang tot extra particulier kapitaal geleid, met als resultaat lokale investeringen, meer keuze voor de consument en meer participatie van burgers in de energietransitie. Deze lokale betrokkenheid is des te essentiëler wanneer de hernieuwbare-energiecapaciteit toeneemt. Maatregelen om hernieuwbare-energiegemeenschappen in staat te stellen op gelijke voet te concurreren met andere producenten, hebben ook ten doel de participatie van plaatselijke burgers aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie, en bijgevolg ook het draagvlak voor hernieuwbare energie, te doen toenemen.". Zo is er bijvoorbeeld de Renewable Energy Support Scheme (RSSS) uit Ireland

(1). Deze steun is toegekend in de vorm van veilingen. De RSSS had daarbij enkele kenmerken ten voordele van hernieuwbare energiegemeenschappen. Zo vormden deze hernieuwbare energiegemeenschappen een voorkeurscategorie tijdens de eerste veiling. Daarnaast waren de gekwalificeerde hernieuwbare energiegemeenschappen onderworpen aan enkele vereenvoudigde vereisten zoals: "
  1. a)geen verplichting om biedingsgaranties te stellen in de veilingen (voor projecten die alleen meedingen in de categorie communautaire preferentie);
  2. b)geen verplichting om een uitvoeringszekerheid te stellen als de veiling succesvol is (voor projecten die alleen meedingen in de communautaire preferentiecategorie);en
  3. c)geen vereiste om de investeringsmogelijkheid aan te bieden in de "Renewable Electricity participatieregeling" (zie paragraaf 2.6.2.2).". Ten slotte werd ook voorzien in subsidies en soft loans voor de hernieuwbare energiegemeenschappen. Volgens de Europese Commissie was dit niet in strijd met overweging 126 van de EEAG dat stelt: "[...] de steun wordt toegekend volgens een concurrerende inschrijvingsprocedure op grond van duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria [...]". De Europese Commissie geeft als reden hiervoor het volgende: "
(129)The Commission concludes that the preference category for renewable energy communities can be considered compatible with the requirements of EEAG point 126, and the other features for renewable energy communities can be considered proportionate. This is because Ireland has explained that renewable energy communities have longer term potential, and has proposed controls to limit the size of benefitting projects, evaluate the costs and benefits of these features and the preference category, and limit their size and cost unless sufficient benefits can be quantified.". Een staatssteun regeling voor hernieuwbare energie waarbij specifieke maatregelen ten voordele van hernieuwbare energiegemeenschappen genomen worden is aldus beoordeeld als in overeenstemming met de staatssteunregels en de EEAG. Ook andere landen (Duitsland, Frankrijk en Denemarken) aanvaarden andere kwalificatiecriteria (bepaalde vergunningen niet nodig), voorwaarden (langere realisatietermijn) en steun (bv. hogere steun, extra bonus) voor energiegemeenschappen. In Vlaanderen wordt in aanbestedingen als kwalitatief criterium soms burgerparticipatie gebruikt, bijvoorbeeld in raamcontracten van het Vlaams Energiebedrijf. Burgerparticipatie als verplicht criterium in een concurrerende inschrijvingsprocedure voor een domeinconcessie op de Noordzee is in overeenstemming met het eigendomsrecht. Aangezien geen enkele private ontwikkelaar exclusieve rechten heeft voor de Prinses Elisabeth-zone, wordt er geen bestaand eigendom onteigend. Er bestaat hierin een wezenlijk verschil tussen ontwikkeling van wind op land en op zee. Op land betreft het percelen waarvan private personen eigenaar zijn. Projectontwikkelaars sluiten met deze private grondeigenaars een opstalovereenkomst voor de bouw van een windturbine en dit wordt dan beschouwd als een zakelijk recht. Projectontwikkelaars staan weigerachtig om dit zakelijk recht ook te gebruiken/delen voor burgerparticipatie, en hiertoe gedwongen worden, via omgevingsvergunningen, zou kunnen worden beschouwd als een (gedeeltelijke) onteigening van hun zakelijk recht. De situatie is echter verschillend wanneer de overheid eigenaar is van de grond. In dat geval kan de overheid beslissen (via een concurrerende inschrijvingsprocedure) om slechts een recht van opstal toe te kennen aan een partij die ook burgerparticipatie voorziet. Dat is overigens al toegepast in meerdere steden/gemeenten, zowel voor wind- als zonne-energie. De overheid beslist dan, o.a. op basis van kwalitatieve criteria, welke projectontwikkelaar dit zakelijk recht krijgt. Dit geval (aanbesteding door gemeentelijke overheid) komt goed overeen met het voornemen van de federale regering om een projectontwikkelaar te selecteren bij de toewijzing van een domeinconcessie in de Noordzee. Het betreft hier immers geen grond in eigendom van een private grondeigenaars, maar grond/terrein waarvan de overheid eigenaar is of minstens waarover de overheid de soevereine bevoegdheid heeft om de economische activiteiten te regelen. Burgerparticipatie als verplicht criterium in een concurrerende inschrijvingsprocedure voor een domeinconcessie op de Noordzee is in overeenstemming met het Europees beginsel van vrij verkeer van kapitaal. De overheid legt een voorwaarde op voor een bepaalde en beperkte kapitaalstroom die vanuit een maatschappelijk oogpunt gewenst is, namelijk burgers sterker betrekken bij de energietransitie. Het gaat over kapitaal dat anders de kans niet krijgt om mee te investeren. De overheid creëert een level playing field, zich baserend op het Europees concept van energiegemeenschappen - in toepassing van RED II. Bovendien is de burgerparticipatie niet beperkt tot personen die in België wonen, maar opengesteld naar alle burgers van de EU. Er wordt expliciet voorzien dat de burgerparticipatie open moet staan voor alle burgers die hierbij een verantwoordelijkheid willen opnemen, zonder enige discriminatie op basis van gender, sociale afkomst, ras, politieke voorkeur of religie. Burgerparticipatie als verplicht criterium in een concurrerende inschrijvingsprocedure voor een domeinconcessie op de Noordzee is in overeenstemming met het beginsel van vrijheid vereniging en vrijheid van onderneming zoals voorzien in de Belgische Grondwet. Deze beginselen impliceren dat een ondernemer zelf kan beslissen hoe hij zich organiseert. Dat betekent niet dat de overheid geen voorwaarden kan opleggen aan een onderneming via een aanbestedingsprocedure, een concessie, sociale wetgeving, .... De overheid kan echter niet beslissen over hoe de onderneming zichzelf organiseert om aan die wettelijke voorwaarden tegemoet te komen. Daar waar er via omgevingsvergunningen mogelijks geen sociaaleconomische voorwaarden (bijvoorbeeld burgerparticipatie) statutaire vereisten (NV, CV, BV, ...) of financiële vereisten kunnen worden opgelegd, kan er bij aanbestedingsprocedures of toewijzingsprocedures van concessiezones wel gebruik gemaakt worden van sociaaleconomische criteria (arbeidsnormen, innovatie, burgerparticipatie, ...) op voorwaarde dat voldoende geargumenteerd wordt waarom dat criterium van (maatschappelijk) belang is. Een aanbesteding of concessietoewijzing kan echter geen voorwaarden stellen inzake het statuut van onderneming. Ook de EU-definities van energiegemeenschappen laten dit open: ze stellen socio-economische criteria om erkend te worden als energiegemeenschap, maar laten het open hoe juridische entiteiten (ondernemingen) zichzelf organiseren om hieraan tegemoet te komen. Ook wordt er in dit koninklijk besluit qua financiering voor de minimumparticipatie vrijheid geboden, aangezien dit bijvoorbeeld ook kan via crowdfunding, obligaties of leningen, zonder dat die opsomming limitatief is. Het verplicht stellen van burgerparticipatie als criterium in een concurrerende inschrijvingsprocédure voor een domeinconcessie op de Noordzee vertegenwoordigt de meest doeltreffende weg om het beoogde doel, namelijk het betrekken van burgers bij investeringen, verhoogde acceptatie en steun, etc., te bereiken. Deze verplichting is essentieel omdat het de enige manier is om concreet en meetbaar burgers te laten participeren in de investering van het project. Het dwingt inschrijvers om directe plannen en mogelijkheden voor burgerparticipatie te ontwikkelen, wat resulteert in daadwerkelijke financiële betrokkenheid van de gemeenschap bij het project. Alternatieve benaderingen zouden mogelijk niet hetzelfde niveau van directe financiële participatie van burgers waarborgen. Het is proportioneel aan het doel omdat het stellen van een verplicht criterium voor burgerparticipatie evenredig is aan het belang van het betrekken van de samenleving bij de besluitvorming en investeringen in energieprojecten. Door dit criterium op te nemen, wordt ervoor gezorgd dat elke inschrijver de verantwoordelijkheid neemt voor het inbrengen van een deel van het kapitaal dat openstaat voor burgerparticipatie, wat resulteert in een gebalanceerde betrokkenheid vanuit commerciële en sociale perspectieven. Andere mogelijke benaderingen zouden niet dezelfde directe impact hebben op het daadwerkelijk betrekken van burgers als investeerders in het project. Het verplicht stellen van burgerparticipatie als criterium verzekert een substantiële mate van directe betrokkenheid van burgers bij de financiële aspecten van het energieproject op de Noordzee, waardoor het een unieke en cruciale benadering vormt om dit doel te realiseren. Burgerparticipatie in hernieuwbare energieprojecten beoogt een actieve betrokkenheid van burgers bij de ontwikkeling, financiering, bouw en/of exploitatie van hernieuwbare energieprojecten, zoals wind- of zonneparken. Dit kan in verschillende vormen plaatsvinden. De twee voornaamste vormen zijn: 1) directe burgerparticipatie met rechtstreekse eigendom van de burgers, en mogelijks ook samen met kmo's en lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen en verenigingen in de productie-eenheid en dus betrokkenheid als aandeelhouder.Dit concept wordt ook door de Europese Unie bevorderd via de introductie van de concepten energiegemeenschap van burgers en hernieuwbare energiegemeenschap in respectievelijk de Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en de Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen. Lidstaten moeten onder meer zorgen voor een faciliterend kader voor energiegemeenschappen en moeten rekening houden met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen bij het ontwerpen van steunregelingen. Dit type van burgerparticipatie gaat dus niet enkel over de al dan niet financiële opbrengst als dividend, maar gaat in veel gevallen ook samen met een garantie op de afname van hernieuwbare energie aan een stabiele prijs. Artikel 2, 16), c), van RED II stelt duidelijk dat een hernieuwbare energiegemeenschap als hoofddoel heeft: "het verschaffen van voordelen op milieugebied of op economisch of sociaal gebied aan haar aandeelhouders of leden of aan de lokale gebieden waar zij actief is, en niet het realiseren van winst". Bij de vertaling van het concept `hernieuwbare energiegemeenschap' uit te tenderprincipes werd zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Europeesrechtelijke definitie. Burgers, en mogelijks ook samen met kmo's et lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen en verenigingen kunnen op verschillende manieren aan directe burgerparticipatie doen. Burgers, en mogelijks samen met kmo's en lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen en verenigingen kunnen bijvoorbeeld via een hernieuwbare energiegemeenschap (rechtspersoon) deelnemen in het kapitaal van het project. Via het vehikel van de energiegemeenschap kan dan aan alle criteria van directe burgerparticipatie voldaan worden. In de eerste plaats dienen de winsten van de energiegemeenschap te worden aangewend voor het realiseren van een sociale meerwaarde. Dit omvat het versterken van lokale initiatieven voor de energietransitie, zoals bewustmaking, energielevering, programma's voor elektrificatie, het beheren van energievraag en het aanpakken van energiearmoede. Indien er wordt besloten tot een compensatie, voor de inbreng van het kapitaal, aan de leden van de energiegemeenschap, dan moet dit een bescheiden vergoeding zijn. De CREG kan dit controleren in het kader van de periodieke controle op de naleving van de burgerparticipatie (art. 44). Burgers, en mogelijks samen met kmo's en lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen en verenigingen zouden ook individueel rechtstreeks aandelen in het kapitaal van het project kunnen kopen, mits dan aan de voorwaarden van directe burgerparticipatie is voldaan. In dat geval kan er aan de Burgers, en mogelijks samen met kmo's en lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen en verenigingen niet opgelegd worden hoe zij het dividend zou moeten besteden. 2) indirecte burgerparticipatie, dus een zuivere financiële participatie in het project zonder noodzakelijke eigendom, wat onder andere kan gedaan worden via:
  1. a)beleggingsfondsen;
  2. b)crowdfunding platform;
  3. c)financiële coöperaties. Bij beide concepten is het belangrijk om enerzijds duidelijk te communiceren over de financiële opportuniteiten, maar zeker ook de risico's en om anderzijds ook duidelijk te communiceren over het project om de betrokkenheid zo groot mogelijk te houden. Burgerparticipatie kan bijdragen aan het vergroten van de acceptatie en betrokkenheid van de lokale gemeenschap bij hernieuwbare energieprojecten, waardoor de kans op weerstand en vertraging bij de ontwikkeling van deze projecten kan worden verminderd. Daarnaast kan burgerparticipatie bijdragen aan het mobiliseren van privékapitaal en de versterking van de lokale economie en de lokale energieproductie. Er zijn verschillende voordelen verbonden aan burgerparticipatie in energieprojecten. Voor burgerparticipatie in offshore energieprojecten zijn de belangrijkste voordelen: - verhoogde acceptatie en steun: Burgerparticipatie verhoogt de acceptatie en steun voor energieprojecten, omdat belanghebbenden zich betrokken voelen bij het proces en meer vertrouwen hebben in de beslissingen die worden genomen; - verhogen van bewustzijn: burgerparticipatie in offshore projecten kan de kennis van de productie en beschikbaarheid van hernieuwbare energie verhogen en bijgevolg het bewustzijn van het belang van demand-side-management, ook op niveau van burgers, verhogen; - verbeterde besluitvorming: burgerparticipatie zorgt voor een betere besluitvorming door belanghebbenden te betrekken bij het proces en hun inbreng te verzamelen. Dit helpt bij het identificeren van zorgen en het vinden van oplossingen die acceptabel zijn voor alle partijen. Indien we spreken over een hernieuwbare energiegemeenschap die mee investeert in offshore productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, dan zijn er bijkomende voordelen, zoals: - sociale en economische voordelen: Burgerparticipatie kan leiden tot sociale en economische voordelen, zoals het terugvloeien van winsten naar lokale initiatieven van hernieuwbare energiegemeenschappen en dus het creëren van lokale banen en het verbeteren van de lokale economie. Ook kan het project beter worden afgestemd op de behoeften van de gemeenschap; - toegang tot hernieuwbare energie aan lage vaste prijzen: participatie van burgers creëert de mogelijkheid tot het afsluiten van coöperatieve PPA's die ervoor zorgen dat de hernieuwbare energie aan lage vaste prijzen toegankelijk is voor de participanten. Er zijn in België al vele burgerinitiatieven voor hernieuwbare energie actief, waar burgers op een rechtstreekse wijze in kunnen participeren, en die op zoek zijn naar bijkomende investeringen om hun inclusieve werking rond lokale energietransitie verder te kunnen uitbouwen. Deze burgerinitiatieven hebben de ervaring om burgers te verenigen rond projecten hernieuwbare energie, maar het ontbreekt hen aan de schaalgrootte en kennis om mee te dingen in de tenderprocedure voor projecten inzake offshore productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Daardoor moeten ze noodgedwongen samenwerken in een groter samenwerkingsverband om de vrijwillige participatie van alle Belgische burgers in deze offshore productie mogelijk te maken. Om burgerparticipatie te bevorderen moeten alle inschrijvers zich ertoe verbinden om voor minstens 1% van de investeringskosten (CAPEX) open te stellen voor directe of indirecte burgerparticipatie (als ontvankelijkheidscriterium). Daarnaast kunnen 10 punten verdiend worden door inschrijvers die het aandeel van burgerparticipatie verhogen (als toekenningscriterium). De doelstelling is om in totaal tot 4% van de CAPEX van het project open te stellen voor burgerparticipatie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 6/3, § 3, 9° van de elektriciteitswet, dat bepaalt dat de voorwaarden voor het gebruik van de kavels onder meer betrekking kunnen hebben op "de mate waarin en de wijze waarop burgerparticipatie kan worden voorzien en hernieuwbare energiegemeenschappen kunnen worden betrokken door de titularis van een domeinconcessie alsook het minimaal te behalen percentage burgerparticipatie". Een gedetailleerd participatieplan over hoe deze participatie zal worden bereikt en toegepast, moet in de offerte worden opgenomen, waarbij ook het communicatieplan, dat deel uitmaakt van het participatieplan, voor de burgers moet worden gespecificeerd, met een transparante uiteenzetting van de betrokken risico's en mogelijkheden en het toepasselijke wettelijke kader. Drie jaar na de indienststelling van de installaties zal het beloofde percentage (als toekenningscriterium) worden geverifieerd, rekening houdend met een evaluatie door de bevoegde autoriteit van de door de inschrijver geleverde inspanningen en het volgen van zijn plan van aanpak. Indien de concessiehouder in gebreke blijft, kan een boete opgelegd worden. Artikelsgewijze toelichting TITEL 1. - Algemene bepalingen: definities en voorwerp Artikel 1 definieert een reeks begrippen die in het besluit worden gebruikt. Artikel 2 schrijft voor dat alle aanvragen moeten voldoen aan de ontvankelijkheidscriteria en dat de ontvankelijke aanvragen vervolgens worden geëvalueerd op basis van de toekenningscriteria. Bovendien wordt voorzien in de mogelijkheid voor de Algemene Directie Energie om verduidelijkingen en extra vragen te stellen in het geval van onduidelijkheden in de aanvragen. TITEL 2. - Nadere regels van de concurrerende inschrijvingsprocedure met de voorwaarden en procedure tot toekenning van de domeinconcessies HOOFDSTUK 1. - Ontvankelijkheidscriteria Artikel 3 verduidelijkt dat de inschrijvers de ontvankelijkheidscriteria gedurende de gehele concurrerende inschrijvingsprocedure moeten vervullen. Op basis van de definitie van het begrip "concurrerende inschrijvingsprocedure" omvat dit alle fasen vanaf de voorafgaande marktconsultatie tot en met de sluiting van de domeinconcessie. Een inschrijver kan dus in elk van deze fasen geweerd worden indien hij niet (meer) aan de voorwaarden voldoet. Artikel 4 bepaalt dat er per concurrerende inschrijvingsprocedure voor eenzelfde kavel niet meer dan één aanvraag per inschrijver kan ingediend worden. Dit sluit echter niet uit dat eenzelfde onderneming of burgerinitiatief deelneemt aan verschillende deelnemende consortia, mits daarbij de regels inzake eerlijke mededinging gerespecteerd worden. Om concurrentievervalsing te vermijden zullen personen die bij verschillende deelnemende consortia betrokken zijn desgevallend maatregelen moeten nemen om ongeoorloofde informatie-uitwisseling te vermijden. Om de handhaving van de verplichtingen opgelegd door het besluit mogelijk te maken, bepaalt artikel 5 dat de inschrijver (of, indien de inschrijver een samenwerkingsverband is, elke deelnemer aan dat samenwerkingsverband) een onderneming is met rechtspersoonlijkheid, opgericht overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van een ander land voor zover internationale verdragen waardoor België gebonden is vereisen dat zij toegang hebben tot de Belgische markt, en die beschikt over een centrale administratie, een voornaamste vestiging of maatschappelijke zetel die gevestigd is in een dergelijk land. Tot de relevante internationale verdragen behoren onder meer de GPA-overeenkomst van de WTO en de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Artikel 6 bepaalt dat de inschrijver bij zijn aanvraag ook een aanvraag voegt voor door andere wetgeving vereiste vergunningen en machtigingen. Zo zal iedere aanvraag ook een aanvraag tot verkrijging van een kabelvergunning moeten bevatten. De belangrijkste voorwaarden van die kabelvergunning, zoals deze inzake ingraafdiepte en locatie van kabeltracés, zullen worden opgenomen in de concessiedocumenten die zodoende deel zullen uitmaken van de tenderdocumentatie (cfr. artikel 27, 14° ). De vergunning vereist krachtens de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten7 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden zal worden aangevraagd door de administratie en vervolgens overgedragen aan de inschrijver aan wie de domeinconcessie wordt toegekend. Artikel 7 somt een reeks elementen op die elke aanvraag moet bevatten om ontvankelijk te zijn. Er wordt een maximum "strike price" van 95 €/MWh vastgesteld die alle aanvragen moeten respecteren. Deze maximale strike price is gebaseerd op een studie uitgevoerd door 3E. Aanvragen met een hogere "strike price" worden als niet-ontvankelijk aangemerkt. Gezien de recente belangrijke kostinflatie en de onzekerheid over toekomstige koststijgingen of dalingen, en gezien de tendering van het tweede en derde lot op een later moment zal plaatsvinden, wordt er voorzien in een indexatie van de maximale strike price die wordt ingeschreven in het KB Tender vanaf 1 maart 2024 tot 6 maanden voor het indienen van het bod. Deze indexatie geschiedt volgens de formule bepaald in artikel 7, 2°. Er wordt daarnaast een minimum te installeren productiecapaciteit opgelegd. Deze bedraagt 695 MW voor de kavel PEZ I en 1225 MW voor PEZ II en III. Elke inschrijver moet bewijzen dat de beoogde productie-installaties minstens deze productiecapaciteit zullen bereiken conform de technische specificaties zoals gedefinieerd in artikel 27, 4°. Artikel 27, ° 13 verwijst dan weer naar de aansluitingsvoorwaarden van Elia. Als bijlage bij de tenderdocumentatie zullen er een reeks technische vereisten voor de netaansluiting van het project gedeeld worden, waarvan de inschrijver moet bevestigen dat hij hiervan kennis heeft genomen en het project conform zal realiseren. Elke inschrijver moet ook bevestigen dat hij de voorwaarden van de milieuvergunning zal respecteren. De verbintenistermijn moet minstens zeven maanden bedragen. Een minimum van 1% van de CAPEX van het volledige project moet worden opengesteld voor burgerparticipatie. In geval aandelen worden opengesteld, zal de aankoopprijs van het aandeel gebruikt worden om de procentuele waarde van de CAPEX, zoals ingeschat op het moment van financial close, van het project te bepalen. In geval van indirecte burgerparticipatie geldt de financiële inbreng van burgers ten opzichte van de CAPEX zoals ingeschat op het moment van financial close van het project. Een gedetailleerd burgerparticipatieplan over hoe deze participatie zal worden bereikt en toegepast, moet in de aanvraag worden opgenomen, waarbij ook het communicatieplan, dat deel uitmaakt van het burgerparticipatieplan voor de burgers moet worden gespecificeerd, met een transparante uiteenzetting van de betrokken risico's en mogelijkheden en het toepasselijke wettelijke kader. Deze minimumdrempel zal één jaar na de definitieve overnamedatum worden geëvalueerd. Indien op dat moment niet aan dit minimumpercentage wordt voldaan, zal een niet-bevrijdende boete worden opgelegd om ervoor te zorgen dat dit criterium daadwerkelijk wordt gehaald (zie artikel 54). Het "burgerparticipatieplan" wordt hier in het hoofdstuk "ontvankelijkheidscriteria" voor het eerst vermeld omdat het minimumpercentage van 1% burgerparticipatie een ontvankelijkheidcriterium is, zoals afgesproken in de tenderprincipes. Het stelt op deze plaats duidelijk dat het beschrijft hoe minimum 1% van de totale investeringskosten van het project wordt opengesteld voor directe burgerparticipatie of indirecte burgerparticipatie, of een combinatie van beide. Dit moet duidelijk onderscheiden worden van hoe burgerparticipatie als "toekenningscriterium" (verder onder hoofdstuk 2. - Toekenningscriteria) zal worden geëvalueerd. Een inschrijver kan er bijvoorbeeld voor kiezen om 1% minimumparticipatie te realiseren en een lage score te halen op de 10 punten in de toekenningscriteria. In artikel 21 wordt immers uiteengezet op welke wijze inhoudelijk het burgerparticipatieplan beoordeeld zal worden. Artikel 7,9° is opgesteld als volgt: Alinea 1 verduidelijkt wat het burgerparticipatieplan is (= beschrijving bereiken minimum 1% + visie burgerparticipatie in algemeen) én het stelt dat het communicatieplan daar deel van uitmaakt. In dezelfde zin wordt gedefinieerd wat het communicatieplan is. Alinea 2 somt de ontvankelijkheidsvoorwaarden op waaraan het communicatieplan moet voldoen. Inschrijvers moeten in hun inschrijving ook de volgende elementen opnemen: - een gedetailleerd tijdsschema voor de bouw, exploitatie en ontmanteling van de installaties; - een gedetailleerd plan dat beschrijft hoe de best beschikbare technieken inzake duurzaamheid zullen toegepast worden; - een beschrijving van de technieken en middelen die de inschrijver voor ogen heeft voor de realisatie van de werkzaamheden voor de bouw en de exploitatie van de productie-installatie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken die reeds hun deugdelijkheid hebben bewezen door middel van een typecertificaat of door het gebruik in toepassingen op vergelijkbare schaal als het project en waarbij de impact op het marien milieu zoveel mogelijk wordt beperkt. Hier wordt gevraagd om voor assets waar dit gangbaar is, een typecertificaat te voorzien, zoals bijvoorbeeld een IEC-certificaat voor windturbines. Indien de toekenningsprocedure voor een typecertificaat nog lopende is, moet een bewijs hiervan worden ingediend en moet het certificaat bekomen zijn voor de installatie ; - een beschrijving van de technieken en middelen die de inschrijver beoogt in te zetten voor de ontmanteling en verwijdering van de installaties, waarbij de impact op het marien milieu zoveel mogelijk geminimaliseerd wordt en maximaal ingezet wordt op hergebruik van materialen. Wat betreft het tweede streepje hierboven: In artikel 7, 8° wordt specifiek met betrekking tot het ontwerp van de productie-installatie bedoeld onder artikel 7, 3° verzocht om middels een beschrijving aan te tonen dat gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken met het oog op de meest duurzame keuze op vlak van herkomst, samenstelling en recycleerbaarheid van materialen en met het oog op het naleven van de milieuvergunning, en dat overeenkomstig artikel 53, 9° en 13°.Het valt niet uit te sluiten dat in een later stadium en desgevallend met betrekking tot de tweede of derde inschrijvingsprocedure, in dat opzicht bijkomende eisen zouden voortvloeien uit toekomstig Europees recht dat mogelijks zou resulteren uit bijvoorbeeld het voorstel voor een verordening van het Europees parlement en de raad tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van netto-nul-technologieproducten. Het bovenstaande derde en vierde streepje hebben eveneens betrekking op de productie-installatie bedoeld onder artikel 7, 3°, waarbij de evaluatie van deze criteria mede zal gebeuren in het licht van de verplichtingen van de concessiehouder bedoeld in artikel 53, 4°, 9°, 12° en 13°. De artikelen 8 tot en met 14 sommen een reeks uitsluitingsgronden op. Artikel 8 voorziet in de uitsluiting van inschrijvers die definitief veroordeeld zijn wegens een reeks ernstige misdrijven. Deze uitsluitingsgrond is ook van toepassing wanneer personen die lid zijn van de leidinggevende of toezichthoudende organen van een inschrijver een dergelijke veroordeling hebben opgelopen. De uitsluiting geldt voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van de definitieve veroordeling. Het bewijs dat deze uitsluitingsgrond niet voorhanden is kan geleverd worden met een recent uittreksel uit het strafregister of gelijkwaardig document afgeleverd door een bevoegde instantie van het land van oorsprong. Artikel 9 voorziet in de uitsluiting van ondernemingen die solvabiliteitsproblemen hebben. De inschrijver mag met name niet worden beschouwd als een onderneming in moeilijkheden in de zin van de "Mededeling van de Commissie - Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden". Het bewijs dat de inschrijver zich niet in één van de opgesomde toestanden bevindt kan geleverd worden met een recent bewijs van niet-faillissement of gelijkwaardig document uitgereikt door een bevoegde instantie van het land van oorsprong. Artikel 10 bepaalt dat de minister inschrijvers kan uitsluiten die het voorwerp uitmaken van een procedure tot terugvordering van steun of van een uitstaand bevel tot terugvordering van steun. Het betreft hier inzonderheid de terugvordering van onrechtmatige staatssteun alsook de mogelijke uitsluiting van een inschrijver die gebruik maakt van middelen voortgebracht door producenten of leveranciers die voor de productie daarvan gebruik maakt van buitenlandse subsidies die de interne markt ernstig verstoren in de zin van Verordening (EU) 2022/2560 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren, vastgesteld doormiddel van een besluit van de Europese Commissie overeenkomstig die Verordening. Artikel 11 voorziet in de uitsluiting van inschrijvers met uitstaande schulden inzake belastingen of sociale zekerheid. Deze uitsluitingsgrond is overgenomen uit de wetgeving inzake overheidsopdrachten en de wet concessieovereenkomsten. Dit is standaardpraktijk in aanbestedingen en ondernemingen zijn gekend met het aanvragen van documenten ter staving. De inschrijver die niet aan al zijn verplichtingen inzake de betaling van belastingschulden en sociale zekerheidsbijdragen heeft voldaan, moet aantonen dat:
  4. a)hij geen bijdrageplicht heeft van meer dan 3.000 euro, of
  5. b)hij uitstel van betaling heeft verkregen voor de betaling van deze schuld en dit uitstel strikt naleeft. Indien de inschrijver een bijdrageplicht van meer dan 3.000 euro heeft, toont hij, op straffe van uitsluiting, aan dat hij ten aanzien van een aanbestedende dienst of een openbaar bedrijf over een of meer zekere, opeisbare en van elke verplichting jegens derden vrijgestelde schulden beschikt voor een bedrag dat ten minste gelijk is aan zijn schuld verminderd met 3.000 euro. Indien uit het attest van de aanbestedende dienst niet blijkt dat de inschrijver voldoet aan deze vereisten inzake zijn fiscale en sociale verplichtingen, stelt zij de inschrijver daarvan in kennis. Vanaf de dag na deze kennisgeving beschikt de inschrijver over vijf werkdagen om het bewijs van zijn regularisatie te leveren. Van deze regularisatie kan slechts eenmaal gebruik worden gemaakt. Artikel 12 behoeft geen commentaar. Artikel 13 bevat een aantal algemene facultatieve uitsluitingsgronden, waaronder met name concurrentievervalsende afspraken, beroepsfouten enz. De bepalingen zijn geïnspireerd op artikel 69 van de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten0 inzake overheidsopdrachten en artikel 52 van de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten0 betreffende de concessieovereenkomsten. De beslissing waarbij een inschrijver op basis van één van de in dit artikel vermelde gronden uitgesloten wordt, moet gemotiveerd zijn. Er wordt niet vereist dat de uitsluitingsgrond reeds bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak is vastgesteld. De beslissing tot uitsluiting is echter onderworpen aan een rechterlijke controle ex post, in het kader van een beroep tegen de gunningsbeslissing. De motivering van de beslissing moet afdoende zijn om een effectieve rechterlijke controle toe te laten, waarbij de beslissing getoetst wordt aan onder meer het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Artikel 14 verduidelijkt dat, indien de inschrijver een samenwerkingsverband (consortium) is, de uitsluitingsgronden van de artikelen 8 tot en met 13 van toepassing zijn op elke deelnemer aan dat samenwerkingsverband. Artikel 15 lijst de documenten op die de inschrijver bij zijn aanvraag moet voegen om zijn organisatorische en professionele capaciteit aan te tonen. Dit omvat onder meer de opgave van een organigram dat getuigt van de geschikte profielen waarvan de evaluatie mede zal gebeuren in het licht van de verplichtingen van de concessiehouder bedoeld in artikel 53, 1° en 13°, alsook de opgave van een geschikte financiële structuur waarvan de evaluatie mede zal gebeuren in het licht van de verplichtingen van de concessiehouder bedoeld in artikel 53, 1°, 3°, 4°, 6°, 15° en 17° alsook een beschrijving van hoe de burgerparticipatie in de financiële structuur zal geïntegreerd worden en een verklaring dat de inschrijver de normen inzake cyberveiligheid zal naleven. Er is ook een beschrijving nodig van een veiligheidsbeheersysteem dat ontworpen is om de integriteit van de betrokken installaties te vrijwaren, de openbare veiligheid te garanderen, het milieu te beschermen en een beleid om incidenten te voorkomen in te voeren. De evaluatie van voornoemd veiligheidsbeheersysteem zal mede gebeuren in het licht van de verplichtingen van de concessiehouder bedoeld in artikel 53, 8°, 10°, 11° en 13°. Dit veiligheidsbeheersysteem moet betrekking hebben op de verschillende gevolgen (veiligheid, cyber - inclusief databescherming, gezondheid, milieu) van incidenten die zich in de installaties kunnen voordoen. Dit omvat onder meer de vereiste dat inschrijvers aantonen dat zij een benadering van risicobeoordeling gedurende de levensduur hanteren voor het beheer van cybersecurity- en gegevensbeveiligingsrisico's die voortvloeien uit de werking van hun activa op entiteitsniveau, inclusief de apparatuur die zij verkrijgen van hun toeleveringsketens. Deze risicobeoordeling moet voldoen aan erkende internationale normen zoals ISO, IEEE en IEC of equivalenten. Inschrijvers dienen ook aan te tonen dat zij bij hun risicobeoordeling prioriteit geven aan technologieleveranciers die zich ertoe verbinden gevoelige gegevens alleen op te slaan, te analyseren en te delen in landen die deel uitmaken van de EU douane-unie of ondertekenaars zijn van de Government Procurement Agreement (GPA) en die AVGB-equivalente normen toepassen. Tevens moeten inschrijvers zich ertoe verbinden regelmatige beoordelingen uit te voeren van de cyber- en gegevensbeveiligingsrisico's die mogelijk voortvloeien uit hun exploitatie van de apparatuur die zij installeren naar aanleiding van hun succesvolle deelname aan de veiling. Het valt niet uit te sluiten dat in een later stadium en desgevallend met betrekking tot de tweede of derde inschrijvingsprocedure, in dit opzicht bijkomende eisen zouden voortvloeien uit toekomstig Europees recht dat mogelijks zou resulteren uit bijvoorbeeld het voorstel voor een verordening van het Europees parlement en de raad tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van netto-nul-technologieproducten. Artikel 16 bepaalt de vereisten inzake technische capaciteit. De technische capaciteiten van de inschrijvers zijn belangrijk om het risico op vertraging of niet-uitvoering van de projecten te beperken. De inschrijver moet kunnen aantonen dat hij over een technische ervaring beschikt voor de realisatie van een gelijkaardig project van een significante omvang. Aan deze vereist van technische capaciteit kan worden voldaan door het voorleggen van een referentie met betrekking tot één project dat een productie-installatie voor een totaal geïnstalleerd vermogen van minstens 300 MW als voorwerp heeft of referenties met betrekking tot twee projecten die samen een productie-installatie voor een totaal geïnstalleerd vermogen van minstens 300 MW als voorwerp hebben, waarbij voornoemde projecten werden gerealiseerd in de Europese Economische Ruimte of het Verenigd Koninkrijk en waarvan de eerste productie-eenheid sinds minstens achttien maanden in dienst gesteld is en waarbij uit de projectbeschrijving afdoende blijkt dat de inschrijver een actieve rol in het projectbeheer heeft vervuld en zijn rol dus niet beperkt bleef tot een zuivere financiële deelname. Indien de inschrijver de projecten die als referentie gebruikt worden samen met anderen gerealiseerd heeft, wordt het vermogen van dit (deze) project(
  6. en)bepaald op basis van het procentuele aandeel van de inschrijver in het eigenaarschap van dit (deze) project(en). Het procentuele aandeel wordt dan bepaald op basis van de CAPEX op het moment van financial close. Er is dus sprake van een cumulatieve voorwaarde van zowel minstens 25% financiële participatie als een actieve rol in het projectbeheer. Het is dus niet voldoende om een passieve investeerder te zijn om in aanmerking te komen. Het tweede lid van paragraaf 2 bepaalt immers dat indien de inschrijver een samenwerkingsverband is die de bedoelde referenties voorlegt, de deelnemers aan dat samenwerkingsverband samen een aandeel van minstens 25% in het samenwerkingsverband hebben en bovendien dienen aan te tonen dat ze een actieve rol zullen vervullen in het projectbeheer met betrekking tot het project waarvoor zij in het samenwerkingsverband een aanvraag indienen. Onder "projectbeheer" wordt verstaan de leiding en coördinatie van het ontwerp, de inkoop, de bouw, de installatie en de exploitatie van de installatie (zie definitie in artikel 1, § 2, 15° ), wat overeenstemt met het begrip "Engineering, Procurement, Construction and Installation" (EPCI). Om te voldoen aan de minimale vereiste van 300 MW, mag de inschrijver de hulp van een derde partij inschakelen, op voorwaarde dat hij voor elke derde partij die hij wil betrekken bij het ontwerp, de aankoop, de bouw, de inbedrijfstelling, of de exploitatie van een productie-installatie, minstens één vergelijkbaar project of een projectportfolio van projecten als referentie verstrekt waarin deze derde partij een soortgelijke bijdrage heeft geleverd als vereist is voor het beoogde project. Artikel 17 bepaalt de vereisten inzake financiële capaciteit. Om hun financiële draagkracht aan te tonen, moeten de inschrijvers aan het eind van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend voor ten minste 75 miljoen euro aan activa bezitten voor de kavel PEZ I en 150 miljoen euro voor de kavels PEZ II en III. Een bewijs van financiële stabiliteit van alle inschrijvers zal worden geëist en dient te worden geleverd door middel van een borgstelling van 70 miljoen euro voor de kavel PEZ I en 140 miljoen euro voor de kavel PEZ II. Deze borg moet worden toegevoegd op het moment van de inschrijving. De vrijgave van deze garantie zal beginnen na de voltooide installatie van 50% van de productie-eenheden, op lineaire wijze tot de uiteindelijke vrijgave die zou plaatsvinden wanneer alle turbines in bedrijf zijn gesteld (zie artikel 57). Verder schrijft artikel 17 voor dat onder meer ook een zakelijk plan bij de aanvraag moet worden gevoegd. De evaluatie van voornoemd zakelijk plan en diens realistisch karakter zal mede gebeuren in het licht van de verplichtingen van de concessiehouder bedoeld in artikel 53, 1°, 3°, 4°, 6°, 15° en 17°. HOOFDSTUK 2. - Toekenningscriteria Artikel 18 verduidelijkt dat alle aanvragen eerst getoetst worden aan de ontvankelijkheidscriteria en alleen aanvragen die voldoen aan deze criteria zullen beoordeeld worden aan de hand van de toekenningscriteria. Inschrijvers waarvan de aanvraag niet-ontvankelijk of onregelmatig bevonden wordt krijgen daarvan een kennisgeving overeenkomstig artikel 35. Artikel 19 Voor de beoordeling van de biedingen worden de volgende toekenningscriteria en bijhorende weging gehanteerd: Prijs Innovatie in businessmodel Prix Innovation dans le modèle d'entreprise Punten 90,0000 10,0000 Points 90,0000 10,0000 Het criterium "prijs" heeft betrekking op de hoogte van de strike price. De strike price moet lager zijn dan de maximum strike price (zie artikel 7). Het criterium "innovatie in businessmodel" heeft betrekking op het aandeel directe burgerparticipatie of het aandeel indirecte burgerparticipatie boven op het vereiste minimum van 1% van de CAPEX, zoals bepaald in de ontvankelijkheidscriteria. Artikel 20 Voor het criterium prijs krijgt de aanvraag met de laagste strike price de maximumscore en wordt aan de andere aanvragen een score toegekend in evenredige verhouding van de geboden strike price tot de laagste strike price, waarbij een afwijking van 8% ten opzichte van de laagste strike price gelijkgesteld wordt aan een verschil van 10,0000 punten. De keuze voor deze puntenberekening zorgt ervoor dat de punten die behaald worden voor het toekenningscriterium burgerparticipatie effectief kunnen meespelen in de toekenning van de tender, conform de beleidskeuze om de inschrijvers aan te moedigen om zoveel mogelijk burgerparticipatie toe te laten. Een verschil van 8% in de strike price kan hier nog gecompenseerd worden door een hoge score op het burgerparticipatiecriterium. Indien het verschil in geboden strike price echter te groot is, bv. als de geboden strike price meer dan 8% afwijkt van de laagste strike price, dan kan dit verschil niet meer goedgemaakt worden met de score op het criterium burgerparticipatie. Op deze wijze krijgt dit criterium een gepast gewicht in de puntenberekening, in evenredigheid met de nagestreefde beleidsprioriteiten. De puntenberekening van de strike price wordt volgens de volgende formule proportioneel verdeeld: Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Met: PuntenA: de puntenberekening voor bieder A; BidMinimum: de laagste geboden strike price; BidA: de geboden strike price van bieder A. Hieronder worden een aantal voorbeelden weergegeven die aantonen hoe de puntenverdeling eruit zal zien bij verschillende aanvragen: Voorbeeld 1 Geboden strike price (EUR/MWh) Punten Exemple 1 Strike price offert (EUR/MWh) Points Bieder A 40 90,00 Soumissionnaire A 40 90,00 Bieder B 43 80,63 Soumissionnaire B 43 80,63 Bieder C 45 74,38 Soumissionnaire C 45 74,38 Bieder D 47 68,13 Soumissionnaire D 47 68,13 Bieder E 48 65,00 Soumissionnaire E 48 65,00 Bieder F 50 58,75 Soumissionnaire F 50 58,75 Stel dat in dit voorbeeld bieder A wat betreft de mate van burgerparticipatie slechts 0 punten behaalt. Dan moet bieder B minstens 9,38 punten behalen op de mate van burgerparticipatie om de punten van bieder A te evenaren. Indien bieder B hoger scoort op de mate van burgerparticipatie, wordt de domeinconcessie aan bieder B gegund. Voorbeeld 2 Geboden strike price (EUR/MWh) Punten Exemple 2 Strike price offert (EUR/MWh) Points Bieder A 50 90,00 Soumissionnaire A 50 90,00 Bieder B 51 87,50 Soumissionnaire B 51 87,50 Bieder C 51,6 86,00 Soumissionnaire C 51,6 86,00 Bieder D 52,8 83,00 Soumissionnaire D 52,8 83,00 Bieder E 54 80,00 Soumissionnaire E 54 80,00 Bieder F 55 77,50 Soumissionnaire F 55 77,50 In dit voorbeeld hebben verschillende bieders nog een kans om via burgerparticipatie de domeinconcessie te winnen. Zo moet bieder B slechts 2,51 punten hoger scoren dan bieder A op burgerparticipatie. Ook bieder C moet slechts 4,01 punten hoger op burgerparticipatie. Dit kan doorgetrokken worden naar de andere bieders. Voorbeeld 3 Geboden strike price (EUR/MWh) Punten Exemple 3 Strike price offert (EUR/MWh) Points Bieder A 50 90,00 Soumissionnaire A 50 90,00 Bieder B 54 80,00 Soumissionnaire B 54 80,00 Bieder C 55 77,50 Soumissionnaire C 55 77,50 Bieder D 56 75,00 Soumissionniare D 56 75,00 Bieder E 56,5 73,75 Soumissionnaire E 56,5 73,75 Bieder F 60 65,00 Soumissionnaire F 60 65,00 In dit voorbeeld is het niet meer mogelijk voor bieder B om via burgerparticipatie hoger te scoren dan bieder A. Wanneer in het extreme geval bieder A 0 punten scoort en bieder B 10 dan is er een ex aequo, waardoor bieder A wint. Artikel 21 Om burgerparticipatie te bevorderen kunnen 10 punten verdiend worden door inschrijvers die het aandeel van burgerparticipatie verhogen. In dit kader kan de inschrijver tijdens de aanbestedingsfase een percentage van de CAPEX van het project voor verschillende vormen van burgerparticipatie reserveren. De doelstelling is om in totaal tot 4% van de CAPEX van het project open te stellen voor burgerparticipatie, waarvan 2% door middel van directe burgerparticipatie. Er worden punten toegekend voor de volgende inspanningen inzake burgerparticipatie: - directe of indirecte burgerparticipatie boven op het minimum van 1% burgerparticipatie als ontvankelijkheidscriterium, tot 3% van de CAPEX van het project in het toekenningscriterium en dus een geheel van 4% burgerparticipatie van de CAPEX gerealiseerd in lijn met de doelstelling; - directe burgerparticipatie tot 2% van de CAPEX; - communicatie, sensibilisatie en actieve betrokkenheid opgenomen in een gedetailleerd burgerparticipatieplan; - de combinatie van indirecte en directe burgerparticipatie. In artikel 21, § 1, wordt de puntenverdeling in detail uitgelegd. Deze wordt hier uitgelegd aan de hand van een aantal rekenvoorbeelden. Onder
  7. a)kan tot 3 punten verkregen worden voor burgerparticipatie (ongeacht of het directe of indirecte burgerparticipatie is). Hier wordt enkel gekeken naar de percentages boven op het minimum van 1%. Deze punten worden berekend als volgt: Percent burgerparticipatie Punten Pourcentage de participation citoyenne Points ? 1% 1 ? 1% 1 ? 2% 2 ? 2% 2 ? 3% 3 ? 3% 3 - Voorbeeld 1: Men heeft 1% burgerparticipatie exclusief het minimum van 1%. Dit betekent dat de inschrijver hier 1 punt toegewezen krijgt.
  8. b)tot 4 bijkomende punten verkregen kunnen worden voor directe burgerparticipatie.Hier kijkt men naar het percentage inclusief het minimum van 1%. Deze punten worden berekend als volgt: Percent directe burgerparticipatie Punten Pourcentage de participation citoyenne Points ? 0.5% 1 ? 0.5% 1 ? 1% 3 ? 1% 3 ? 2% 4 ? 2% 4 - Voorbeeld 1: Men heeft 1% directe burgerparticipatie (inclusief het minimum van 1%). Dit betekent dat de inschrijver hier 3 punten toegewezen krijgt.
  9. c)tot 3 punten verkregen kunnen worden voor inspanningen inzake participatie, sensibilisering en actieve betrokkenheid van de burgers, opgenomen in het in artikel 7, 9° bedoelde burgerparticipatieplan, op de wijze nader bepaald in § 2. - Voorbeeld 1: In dit voorbeeld worden er 2 punten toegekend. Het finale resultaat is de som van de stappen a),
  10. b)en c). - Voorbeeld 1: Er wordt 1 punt toegewezen in a), 3 punten in
  11. b)en 2 punten in c). Het totaal verdiende punten is in dit voorbeeld gelijk aan 6. Voorbeeld 2: - A): De inschrijver heeft 3% aan burgerparticipatie (exclusief het minimum van 1%). Hiervoor krijgt de inschrijver 3 punten; - b): De inschrijver heeft 2% directe burgerparticipatie (inclusief het minimum van 1%). De inschrijver krijgt hiervoor 4 punten; -
  12. c)De inschrijver krijgt 2 punten toegewezen voor het burgerparticipatieplan. - Totaal: De inschrijver behaalde in totaal 3+4+2= 9 punten. Voorbeeld 3: - a): De inschrijver heeft 1% aan burgerparticipatie (exclusief het minimum van 1%). Hiervoor krijgt de inschrijver 1 punt; - b): De inschrijver heeft 1% directe burgerparticipatie (inclusief het minimum van 1%). De inschrijver krijgt hiervoor 3 punten; -
  13. c)De inschrijver krijgt 1 punt toegewezen voor het burgerparticipatieplan. - Totaal: De inschrijver behaalde in totaal 1+3+1= 5 punten. De score voor het gedeelte "financiële burgerparticipatie" zal worden bepaald op basis van het % van de CAPEX van het project dat voor burgerparticipatie ter beschikking wordt gesteld. De score voor het gedeelte "communicatie, sensibilisatie en actieve betrokkenheid opgenomen in het plan van aanpak" zal worden toegekend door de AD Energie van de FOD Economie. Artikel 21, § 2, zet uiteen hoe het burgerparticipatieplan zal beoordeeld worden. Het burgerparticipatieplan wordt beoordeeld op 3 punten, evenredig verdeeld, namelijk de mate van transparantie, de mate van toegankelijkheid, de mate van participatie op de volgende wijze: 1° Mate van transparantie: ? Specifiek: het burgerparticipatieplan dient gedetailleerde informatie te verstrekken over het project, waaronder de doelstellingen, scope, betrokken partijen, en de impact op de gemeenschap.De bijdrage aan de energietransitie en de sociale meerwaarde van het project moeten expliciet worden beschreven. ? Meetbaar: de mate van transparantie wordt gemeten aan de hand van de duidelijkheid van de verstrekte informatie alsook de mate van detail en de mate van real time informatie delen, waarbij er criteria worden vastgesteld om de begrijpelijkheid ervan te beoordelen. Het vergroten van het draagvlak voor energietransitie wordt gemeten door middel van de diensten die door de indieners zullen aangeboden worden waaraan deelnemers aan de burgerparticipatie kunnen deelnemen, zoals enquêtes of openbare bijeenkomsten om de perceptie van de leden te peilen. De noodzakelijke investeringen in hernieuwbare elektriciteitsproductie en in flexibiliteit van het toekomstige energiesysteem wordt gemeten a.d.h.v. het ontwikkelen van initiatieven om door middel van de participatie verdere financiële middelen ter beschikking te stellen voor de ontwikkeling van lokale hernieuwbare energieproductie bij zoveel mogelijk deelnemers aan de burgerparticipatie, alsook de initiatieven en het ter beschikking stellen van tools aan alle deelnemers van de burgerparticipatie om actief bij te dragen aan de flexibiliteit van het energiesysteem door bijvoorbeeld het stimuleren van concrete projecten rond demand side management, alsook de initiatieven en het ter beschikking stellen van tools aan alle deelnemers om energie te besparen of voor het installeren van warmtepompen. ? Haalbaar: het plan moet rekening houden met de praktische haalbaarheid binnen de context van het project, waarbij de beschikbaarheid van middelen, informatie en expertise wordt geëvalueerd. Er moet worden aangetoond dat het plan financieel en organisatorisch haalbaar is, en dat het realistisch is om de beoogde mate van transparantie te bereiken. ? Relevant: transparantie wordt als relevant beschouwd omdat het direct bijdraagt aan het succes van burgerparticipatie en de bredere acceptatie van de energietransitie. Het moet duidelijk maken hoe transparantie de betrokkenheid van de gemeenschap versterkt en het vertrouwen in het project bevordert. ? Tijdsgebonden: het plan moet een tijdlijn bevatten waarin duidelijk wordt aangegeven wanneer specifieke informatie wordt verstrekt gedurende het besluitvormingsproces, zodat leden op relevante momenten geïnformeerd zijn. 2° Mate van toegankelijkheid: ? Specifiek: het plan moet concrete maatregelen bevatten, zoals het aanbieden van informatie in meerdere talen, het verstrekken van alternatieve formats (bijv.braille, audio) en het waarborgen van digitale inclusie. Ook de mate van het betrekken van mensen in energie-armoede wordt mee geëvalueerd. ? Meetbaar: toegankelijkheid wordt gemeten aan de hand van de beschikbaarheid van informatie in verschillende talen en formaten. De mate van digitale inclusie wordt beoordeeld door de beoogde participatie van diverse doelgroepen in digitale platforms en bijeenkomsten te meten. ? Haalbaar: het plan moet aantonen dat de voorgestelde toegankelijkheidsmaatregelen financieel en technologisch haalbaar zijn, binnen het vastgestelde budget en de beschikbare technologische mogelijkheden. ? Relevant: toegankelijkheid is relevant omdat het deelname en betrokkenheid van diverse leden bevordert, waardoor een inclusieve en representatieve burgerparticipatie mogelijk wordt. ? Tijdsgebonden: het plan moet een duidelijk tijdskader bevatten waarin de toegankelijkheidsmaatregelen geïmplementeerd worden gedurende het participatieproces, met regelmatige evaluaties om eventuele aanpassingen te kunnen maken. 3° Mate van participatie: ? Specifiek: het plan moet inzicht geven in de besluitvormingsprocessen, zodat de leden begrijpen hoe hun input wordt verwerkt en welke invloed zij kunnen uitoefenen.Het plan moet concrete mechanismen beschrijven, zoals openbare consultaties, inspraakprocedures, workshops, en andere instrumenten om actieve burgerparticipatie te vergemakkelijken en om de besluitvorming ook te laten gebeuren door de leden. ? Meetbaar: de mate van participatie wordt gemeten aan de hand van kwantitatieve gegevens, zoals het aantal deelnemers aan openbare consultaties en inspraakprocedures, evenals kwalitatieve gegevens over de impact van ledeninput op besluitvorming. ? Haalbaar: het plan moet aantonen dat de voorgestelde participatiemechanismen haalbaar zijn binnen de wettelijke kaders en praktische beperkingen, met specifieke aandacht voor de diversiteit van de doelgroepen. ? Relevant: burgerparticipatie wordt als relevant beschouwd omdat het bijdraagt aan democratische besluitvorming en de algemene acceptatie van het project bevordert. ? Tijdsgebonden: het plan moet duidelijk aangeven wanneer en hoe leden kunnen deelnemen aan participatieactiviteiten, evenals wanneer besluiten worden genomen op basis van hun input, om een transparant en gestructureerd proces te waarborgen. De kwalitatieve evaluatie van het burgerparticipatieplan kan rekening houden met concrete voorbeelden van bij voorkeur reeds uitgevoerde projecten. Het communicatieplan dat deel uitmaakt van het burgerparticipatieplan wordt nagekeken bij de controle op de ontvankelijkheidscriteria (onder artikel 7,9° ). Daar wordt immers gecontroleerd - als een checklist - het plan voldoet aan de opgesomde voorwaarden van toegankelijkheid en begrijpbaarheid (a),
  14. b)en c)), transparante, eerlijke en duidelijke communicatie over de opbrengsten en risico's (d)), bescherming persoonsgegevens (e)), naleving financiële wetgeving (prospectus) (f)) en klachtenmechanisme (g)). Artikel 21, § 3, zet de voorwaarden uiteen waaraan directe burgerparticipatie dient te voldoen. Het betreft hier zes voorwaarden, namelijk:
(1)open en vrijwillige deelname,
(2)democratische controle en eigenaarschap,
(3)draagvlakcreatie,
(4)economische participatie van de deelnemende burgers,
(5)autonomie en onafhankelijkheid en
(6)directe burgerparticipatie kan ook voorzien worden door een samenwerkingsverband tussen meerdere burgerinitiatieven voor hernieuwbare energie waartoe de burgers rechtstreeks kunnen toetreden. Bij de vierde voorwaarde van economische participatie kan er naast aandelen in het kapitaal ook gewerkt worden met daaraan gelinkte aandeelhouderslening(en), op voorwaarde dat een equivalent deel van de inbreng van alle aandeelhouders, berekend op aanschaffingswaarde, in de vorm van aandelen en van aandeelhouderslening(
  1. en)aan het project werd verschaft. Dit wil zeggen dat de participanten op dezelfde manier behandeld moeten worden als alle andere aandeelhouders, onder andere inzake dividenden dan wel terugbetalingen. In dat geval mogen aandelen in het kapitaal van het project en eventueel hieraan gelinkte aandeelhouderslening(
  2. en)volwaardig meetellen voor directe burgerparticipatie. Bij deze zesde voorwaarde kan gedacht worden aan een deelname van kmo's, lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen en verenigingen. Dit dient in dezelfde zin begrepen te worden als de vermelding ervan in de definitie van "hernieuwbare-energiegemeenschap" zoals bepaald in artikel 2, 107° elektriciteitswet. HOOFDSTUK 3. - Indiening en behandeling van de aanvragen De artikelen 22 en 23 benadrukken het belang van de gelijke behandeling van alle deelnemers aan de concurrerende inschrijvingsprocedure. Daaruit volgt dat de minister niet op discriminerende wijze informatie mag verstrekken. Aan alle inschrijvers moet dus in alle transparantie dezelfde informatie verstrekt worden. Mits de minister de beginselen van gelijkheid, billijkheid, transparantie en evenredigheid respecteert, is de minister echter vrij om verder, uiteraard binnen de krijtlijnen van dit besluit, de procedure naar eigen goeddunken te organiseren. Niet elk mogelijk detail kan immers in dit besluit geregeld worden. Artikel 24 bepaalt dat het organiseren van de concurrerende inschrijvingsprocedure geen verplichting inhoudt tot het gunnen of het sluiten van de domeinconcessie. Een gelijkaardige bepaling is eveneens terug te vinden in de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten0 inzake overheidsopdrachten (artikel 85) en de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten0 betreffende de concessieovereenkomsten (artikel 56). De concessieverlenende overheid (de minister bevoegd voor Energie en de minister bevoegd voor Noordzee, zie artikel 6/3, § 2, van de elektriciteitswet) kan te allen tijde beslissen om de procedure op te schorten, te annuleren of te herbeginnen. Dit laat onder meer toe om in te spelen op onvoorzienbare omstandigheden die tot gevolg hebben dat de randvoorwaarden voor de uitvoering van de projecten (nog) niet verenigd zijn. In dit stadium van de concurrerende inschrijvingsprocedure kunnen de inschrijvers aldus geen verworven rechten of legitieme verwachtingen doen gelden. Indien de concessieverlenende overheid beslist om de procedure te schorsen, te annuleren of over te doen of om de domeinconcessie niet toe te kennen of te sluiten, blijven de algemene aansprakelijkheidsregels zoals vastgelegd in artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing. Aldus zal de inschrijver moeten aantonen dat er - ondanks het gebrek aan verworven rechten of legitieme verwachtingen in diens hoofde - sprake is van een fout of onzorgvuldigheid in hoofde van de concessieverlenende overheid. Artikel 25 regelt de modaliteiten van de publicatie van de aankondiging van de concurrerende inschrijvingsprocedure. Deze modaliteiten zijn geënt op die welke toegepast worden inzake overheidsopdrachten. Artikel 26 De volledige concessiedocumentatie zal online en kosteloos ter beschikking gesteld worden van geïnteresseerde kandidaten via een internetpagina. Op dezelfde wijze zullen ook de gecertificeerde studies ter beschikking gesteld worden. De toegang tot deze documentatie zal afhankelijk worden gesteld van een eenvoudige registratie op de website, waarbij gebruikers hun contactgegevens moeten opgeven om een toegangscode te bekomen. Dit laat vervolgens toe om aan alle kandidaten gelijke informatie te verschaffen. Kandidaten zullen tot de zestigste dag voor de uiterste datum voor het dienen van de aanvragen vragen kunnen stellen ter verduidelijking van de concessiedocumenten. Deze vragen en de antwoorden erop zullen, desgevallend op geanonimiseerde wijze, aan alle op het platform geregistreerde gebruikers meegedeeld worden, uiterlijk de dertigste dag voor de uiterste datum voor de indiening van de aanvragen. Artikel 27 bepaalt de informatie die de concessiedocumenten ten minste moeten bevatten. Onder de in 4° bedoelde technische en functionele specificaties worden onder meer de functionele en technische vereisten bedoeld opgelegd door o.a. de netwerkbeheerder (waaronder met name de vereisten voor de aansluiting op het transmissienetwerk) en de andere bevoegde instanties. Artikel 27, 12°, bepaalt dat de uitvoeringsvoorwaarden van de domeinconcessie overeenkomstig titel 3 van het besluit in de concessiedocumenten opgenomen moeten worden. De concessiedocumenten kunnen die waar nodig nog verder preciseren. De uitvoeringsvoorwaarden omvatten met name de verplichtingen van de concessiehouder bedoeld in artikel 53. Door in artikel 27, 12°,
  3. a)een verwijzing naar artikel 43 toe te voegen, werd tegemoetgekomen aan de opmerking van de CREG in randnummer 58 van haar advies
(1)
  1. De opsomming van de verplichtingen van de concessiehouder in artikel 53 is echter niet exhaustief. De concessiehouder is er uiteraard toe gehouden om alle verplichtingen die hij krachtens de wet, de uitvoeringsbesluiten van de wet en de concessieovereenkomst te allen tijde te respecteren. Artikel 28 De inschrijvers krijgen negen maanden de tijd om hun aanvraag voor te bereiden. Aanvragen kunnen ten vroegste acht maanden na publicatie ingediend worden. In beperkte gevallen kan de minister de limietdatum en/of het limietuur verdagen. Te laat ingediende aanvragen worden geweerd. De artikelen 29 en 30 bepalen de praktische modaliteiten voor de indiening en opening van de aanvragen. Zo wordt vereist dat de inschrijvers voorzien in een correspondentieadres in België dat schriftelijke correspondentie in het kader van de concurrerende inschrijvingsprocedure toelaat en daarvan melding maken in hun aanvraag. De voornoemde vereiste heeft een legitiem oogmerk (administratieve efficiëntie) en is niet disproportioneel ten opzichte van dit oogmerk (Zie HvJEU 3 december 1974, zaak 33/74, Van Binsbergen, Jur. 1974, p. 1299, pt. 16; zie ook conclusies van advocaat-generaal Mayras in dezelfde zaak, Jur. 1974, p. 1319). Artikel 31 Na de opening van de aanvragen heeft de Algemene Directie Energie drie maanden de tijd om de aanvragen te evalueren. Deze termijn kan in voorkomend geval eenmalig met maximaal drie maanden verlengd worden. De volledige en ontvankelijke aanvragen worden door de Algemene Directie Energie getoetst aan de toekenningscriteria. In dat opzicht wordt er eerst kennisgenomen van de ingediende elementen in het afzonderlijke document met betrekking tot het criterium inzake burgerparticipatie die in een eerste puntenbeoordeling resulteert. Slechts in een tweede stadium wordt kennisgenomen van de ingediende elementen in het afzonderlijk document met betrekking tot het criterium inzake de strike price die in een tweede puntenbeoordeling resulteert. In een derde stadium worden voornoemde twee puntenbeoordelingen samengeteld. De Algemene Directie Energie stelt een evaluatieverslag op. Dit verslag is een voorbereidende handeling en niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. HOOFDSTUK
  2. - Gunning en sluiting van de domeinconcessie Artikel 32 De concessieverlenende overheid kent de domeinconcessie toe aan de inschrijver met de hoogst gerangschikte ontvankelijke en regelmatige aanvraag. De concessieverlenende overheid dient de gunningsbeslissing te nemen op basis van het verslag opgesteld door de Algemene Directie Energie binnen een termijn van één maand na ontvangst. Deze termijn voor de gunningsbeslissing wordt ingesteld om ervoor te zorgen dat, in het geval van de verlenging van de eerste termijn van drie maanden voor de Algemene Directie Energie om het verslag op te stellen met een extra termijn van drie maanden, de verbintenistermijn van de inschrijver bedoeld in artikel 7, 5° niet overschreden wordt. Bij ex aequo geeft de score voor de strike price de doorslag en vervolgens het criterium geïnstalleerd vermogen en vervolgens de timing voor de realisatie van de productie-eenheid. Er wordt een standstill-clausule met betrekking tot staatssteun voorzien. Het tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen zal naar verwachting als staatssteun kwalificeren. Artikel 108
(3)VWEU bepaalt dat een voorgenomen steunmaatregel aangemeld moet worden bij de Europese Commissie en niet tot uitvoering mag gebracht worden voordat de procedure voor de Commissie tot een eindbeslissing heeft geleid. De tenuitvoerlegging van een steunmaatregel wordt geacht plaats te vinden op het ogenblik dat de begunstigde het recht op de steun verwerft. In dit geval is dit bij de toekenning (gunning) van de domeinconcessie. Deze creëert immers het recht op de steun. Zolang de steunmaatregelen niet goedgekeurd zijn door de Commissie, of de termijn voor goedkeuring niet verstreken is, mag de domeinconcessie dus niet toegekend worden. Deze voorwaarde hoeft niet noodzakelijk vervuld te zijn voor de gehele Prinses Elisabeth-zone, maar enkel voor de betrokken kavels. Het is immers niet uitgesloten dat er meerdere aanmeldingen gebeuren en/of afzonderlijke beslissingen genomen worden voor de afzonderlijke kavels. Het aannemen van onderhavig besluit vormt als dusdanig geen schending van de standstillverplichting van artikel 108
(3)VWEU, evenmin als het opstarten van de concurrerende inschrijvingsprocedure. Bij deze stappen wordt immers nog geen recht op steun toegekend aan een inschrijver. Niettemin moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de Europese Commissie voorwaarden stelt aan de goedkeuring van de steunmaatregel die nopen tot aanpassingen van dit besluit. Daarom zal de concurrerende inschrijvingsprocedure niet opgestart worden zolang er geen duidelijkheid is over de voorwaarden die de Commissie eventueel stelt aan de goedkeuring van de steunmaatregel. Artikel 33 Voor elke kavel kan er slechts één domeinconcessie verleend worden met betrekking tot een project voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen van dezelfde aard. Er kunnen bijvoorbeeld wel meer dan één domeinconcessies toegekend worden voor dezelfde kavel of gedeeltelijk overlappende kavels voor verschillende technologieën zoals wind, golfslag, zonne-energie, enz. Om te vermijden dat er een hiaat ontstaat tussen de geldigheidsduur van een eerste domeinconcessie en de geldigheidsduur van een volgende domeinconcessie voor dezelfde kavel, kan naar het einde toe van de concessieduur een nieuwe domeinconcessie toegekend en gesloten worden onder opschortende voorwaarde van het einde van de vorige domeinconcessie. Artikel 34 Er wordt naar gestreefd dat de winnaar van de concurrerende inschrijvingsprocedure tegelijk met de domeinconcessie ook alle nodige vergunningen en machtigingen ontvangt die nodig zijn om zijn project te realiseren. Alle inschrijvers moeten bij hun aanvraag een aanvraag voor deze vergunningen en machtigingen voegen (zie artikel 6 van het besluit). De milieuvergunning zal in eerste instantie aangevraagd worden door de FOD Economie en vervolgens overgedragen worden aan de inschrijver aan wie de domeinconcessie wordt toegekend. In de concessiedocumenten zullen de voorwaarden van de milieuvergunning opgenomen worden. De inschrijvers moeten verzekeren dat hun aanvraag hiermee in overeenstemming is. Artikel 35 bepaalt de inhoud van de kennisgevingen aan de inschrijvers na het nemen van de gunningsbeslissing. De inschrijvers waarvan de aanvraag als onregelmatig of onontvankelijk werd geweerd, ontvangt een uittreksel uit de beslissing met de motieven van de wering. De andere inschrijvers ontvangen de gemotiveerde gunningsbeslissing. De mededeling van de gunningsbeslissing doet nog geen contractuele verbintenis ontstaan ten aanzien van de gekozen inschrijver, dit gebeurt pas bij de sluiting. De mededeling schorst de verbintenistermijn van de inschrijvers, hetzij tot het verstrijken van de in artikel 36 bedoelde standstill-periode, indien er geen vordering tot schorsing wordt ingesteld, hetzij tot de uitspraak over de vordering tot schorsing indien dat wel gebeurt. Artikel 36 stelt een standstill-periode van vijftien dagen vast waarbinnen inschrijvers een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) tegen de gunningsbeslissing kunnen instellen bij de Raad van State. Gelet op de korte termijnen dient de inschrijver die beslist dergelijk beroep in te stellen de concessieverlenende overheid daarvan onmiddellijk te verwittigen via het e-mailadres of ander elektronisch communicatiemiddel dat daartoe door de concessieverlenende overheid ter beschikking wordt gesteld (zoals vermeld in de kennisgeving overeenkomstig artikel 37). De domeinconcessie mag pas gesloten worden, hetzij na het verstrijken van de standstill-periode zonder dat er een vordering tot schorsing werd ingesteld, hetzij na datum van het arrest van de Raad van State waarbij de vordering verworpen wordt. Indien de Raad van State de schorsing beveelt, mag de domeinconcessie uiteraard niet gesloten worden zolang deze schorsing geldt. Artikel 37 Na de sluiting stuurt de minister een kennisgeving van de domeinconcessie aan de concessiehouder per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs. Tegelijkertijd stuurt de minister een kennisgeving van de domeinconcessie aan de CREG. De datum van ontvangst van deze kennisgeving bepaalt het vertrekpunt van de termijnen bedoeld in artikel 39 en dus met name de concessieduur. De sluiting van de domeinconcessie (door de "goedkeuring van de aanvraag") is te onderscheiden van de gunning ervan (door de "gemotiveerde beslissing" bedoeld in artikel 34). De gunning is de beslissing waarbij, op basis van de toekenningscriteria, beslist wordt welke (ontvankelijke) aanvraag als "beste" uit de bus komt (cf. artikel 1, § 2, 10° ). De sluiting is de handeling waardoor een contractuele band ontstaan tussen de concessieverlenende overheid en de gekozen inschrijver (zie artikel 1, § 2, 11°, ). De gunning (aanwijzing van de "winnende" inschrijver) doet daarentegen nog géén contractuele band ontstaan (zoals nog eens benadrukt door artikel 35, derde lid). Tussen de gunning en sluiting is er een standstill-periode (artikel 36) om ruimte te bieden voor eventuele vorderingen tot schorsing. Naar het voorbeeld van de wetgeving inzake overheidsopdrachten (meer bepaald artikel 88 van het koninklijk besluit van 18 april 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 11/08/2004 numac 2004015109 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de volgende Verdragen : type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli
  1. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september
  2. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni
  3. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november
  4. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 type wet prom. 17/02/2002 pub. 04/11/2004 numac 2004015200 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de volgende Verdragen :
  5. Overeenkomst betreffende de bouw en de exploitatie van een Europese Synchrotronstralingsinstallatie, en Bijlagen, opgemaakt te Parijs op 16 december 1988;
  6. Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de gezamenlijke deelname aan de Europese Synchrotronstralingsinstallatie alsook de wijze van uitvoering daarvan, en Uitwisseling van brieven, ondertekend te Brussel op 12 november 1990;
  7. Protocol van toetreding van het Koninkrijk der Nederlanden tot de Overeenkomst van 16 december 1988 betreffende de bouw en de exploitatie van een Europese installatie voor synchrotronstraling, en Bijlage, opgemaakt te Parijs op 9 december
  8. - Erratum . Addendum (II) sluiten3 plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren, "KB plaatsing") wordt de sluiting voltrokken door de kennisgeving van de goedkeuring van de aanvraag. Dat is in principe de goedkeuring van de aanvraag van de inschrijver aan wie de domeinconcessie in de eerste plaats gegund is geweest, tenzij de uitkomst van de procedures die desgevallend in tussentijd gevoerd zijn tot een ander resultaat leidt. Artikel 38 bepaalt de modaliteiten van de publicatie van de resultaten van de concurrerende inschrijvingsprocedure. TITEL
  9. - Uitvoering van de domeinconcessie HOOFDSTUK
  10. - De start en de duur van de domeinconcessie Artikel 6/3, § 2, van de elektriciteitswet, zoals gewijzigd door de wet van 23 oktober 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/01/1999 pub. 12/03/1999 numac 1999022033 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type wet prom. 20/01/1999 pub. 29/04/1999 numac 1999003217 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van begrotingsmiddelen door aanpassing van de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar1998 voor de financiële afhandeling van de verhoging van het quotum van België betreffende de goedkeuring van de resolutie betreffende de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds sluiten6 bepaalt dat de domeinconcessies verleend worden voor een duur van maximum veertig jaar waarin zowel de bouwfase, exploitatiefase en de ontmantelingsfase begrepen moeten zijn. Artikel 39 van het besluit legt de duur van de domeinconcessies vast op veertig jaar en preciseert het vertrekpunt van de concessieduur, namelijk de datum van ontvangst van de kennisgeving van de sluiting van de domeinconcessie. In voorkomend geval wordt de concessieduur geschorst tot het koninklijk besluit betreffende de Modular Offshore Grid gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad. De domeinconcessie wordt ook geschorst totdat alle vereiste vergunningen machtigingen voor de bouw en exploitatie van de beoogde installaties verleend zijn. Indien de vereiste vergunningen en machtigingen niet verleend worden, vervalt de domeinconcessie. Paragraaf 2 van artikel 39 bepaalt de termijnen voor de bouwfase en de ontmantelingsfase. De bouwfase moet binnen de achtenveertig maanden (vier jaar) vanaf de startdatum van de domeinconcessie voltooid worden. Indien de initieel voorziene realisatiemijlpalen niet gehaald worden, kan de minister de financiële garantie voor de daadwerkelijke en tijdige realisatie bedoeld in artikel 17, § 1, 4°, van dit besluit opvragen (zie artikel 47, § 1). Indien de onshore aansluiting nog niet beschikbaar is of bij overmacht kan de minister de termijn van achtenveertig maanden verlengen. Deze verlenging dient tevens rekening te houden met een eventuele vertraging ten gevolge van een verlenging van de evaluatieperiode voorafgaand aan de gunning of een eventuele standstill voorafgaand aan de gunning, waarbij een groter deel van de bouwperiode in de wintermaanden zou terechtkomen, wat gevolgen kan hebben op de eindtermijn aangezien in de wintermaanden niet op zee gewerkt kan worden. Overeenkomstig artikel 39, § 3, moet de ontmantelingsfase ten laatste vierentwintig maanden voor het einde van de concessieduur aangevat worden. De ontmanteling en verwijdering moet hoe dan ook tegen het einde van de concessieduur volledig voltooid zijn. De concessieverlenende overheid kan evenwel toestemming geven om af te wijken van de verplichting tot volledige ontmanteling en verwijdering conform artikel 70, lid 2, van het besluit. Paragraaf 3 van artikel 39 stelt dat de exploitatie niet langer is toegestaan tijdens de voornoemde ontmantelingsfase van vierentwintig maanden. HOOFDSTUK
  11. - Rechten en verplichtingen van de concessiehouder De artikelen 40 tot en met 52 leggen de regels voor het compensatiemechanisme vast op basis van het voorstel van de CREG (C)2582, en het voorstel van de CREG (C)2769, die conform artikel 7, § 1, van de elektriciteitswet voorstelbevoegdheid heeft inzake maatregelen van marktorganisatie. De onderafdeling 1 stelt het principe en de duurtijd vast. De ondersteuningsperiode bedraagt conform artikel 6/3, § 3, 10°, van de elektriciteitswet twintig jaar, geldig vanaf de ingangsdatum, zijnde de datum van afgifte van het conformiteitsattest. Overeenkomstig artikel 39, § 2, is de bouwfase immers voltooid wanneer de indienststelling heeft plaatsgevonden van de laatste productie-eenheid van het project waarvoor de concessiehouder de domeinconcessie heeft gekregen. Deze indienststelling wordt aangetoond door de concessiehouder door het voorleggen van het conformiteitsattest aangevraagd aan en verkregen van een overeenkomstig dit besluit erkende keuringsinstelling. Het conformiteitsattest wordt aangevraagd ten laatste één maand voor het verstrijken van de in artikel 39, § 2, vermelde termijn. De aanvraag van het conformiteitsattest dient zo snel mogelijk te gebeuren na de eerste elektriciteitsproductie van de productie-eenheden. Lid 3 van artikel 40 bevat de bepaling aangaande de maximale enveloppe aan steun waarop de concessiehouder beroep kan doen over de gehele ondersteuningsperiode. Zoals hoger vermeld werd er in de tenderprincipes voor de PEZ beslist om een maximale enveloppe vast te leggen waarvoor de overheid ondersteuning biedt, met als doel het risico voor de overheid zo veel als mogelijk te beperken. Het steunmechanisme is van toepassing op een maximumvolume aan elektriciteit, met name het volume geproduceerd door alle installaties van de domeinconcessie tijdens 80.000 vollasturen en dat binnen de steunperiode van twintig jaar. Voornoemd maximum werd beslist door de ministerraad op 21 februari 2024 op basis van een studie. Eenmaal dit plafond bereikt is, treedt het steunmechanisme buiten werking onverminderd de buitenwerkingtreding van het steunmechanisme bij het verstrijken van de steunperiode. Het recht op compensatie (ten gunste van de concessiehouder of ten gunste van de Staat) wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 41 tot 43 in samenhang met Onderafdeling 2 - Basismechanisme, behalve wat betreft de productievolumes die desgevallend via een vaste prijs PPA worden verkocht. In dat laatste geval zijn de bepalingen van artikel 41 tot 43 in samenhang met Onderafdeling 3 - Optioneel mechanisme van toepassing. In het eerste geval `Basismechanisme' is de referentieprijs voor de berekening de groothandelsprijs op de Day-Ahead markt; in het tweede geval `Optioneel mechanisme' is dat de vaste prijs van de PPA min 3 €/MWh. Daarnaast heeft de concessiehouder in het eerste geval recht op compensatie van het eventuele negatieve verschil tussen de referentieprijs en zijn geboden strike price; in het tweede geval heeft alleen de overheid recht op terugbetaling van het eventuele positieve verschil tussen de referentieprijs (d.w.z. de vaste prijs van de PPA min 3 €/MWh) en de strike price. In beide gevallen wordt de berekening gemaakt op basis van "Available Active Power". Paragraaf 2 van artikel 41 regelt de taken van de CREG met betrekking tot de berekening van het compensatiebedrag. Artikel 42 stelt de basisregel vast voor de betaling van compensatiebedragen. Als het compensatiebedrag positief is, betaalt de Belgische Staat aan de concessiehouder. Bij een negatief bedrag moet de concessiehouder betalen aan de staat. De betalingen moeten binnen zestig dagen na kennisgeving van het compensatiebedrag plaatsvinden, zoals vastgelegd in de overeenkomst. Artikel 43 stelt dat als er een vergoeding wordt toegekend wegens de onbeschikbaarheid van het Modular Offshore Grid, het bedrag van deze vergoeding in mindering gebracht van het compensatiebedrag. Onderafdeling 2 - Basismechanisme Artikel 44 bepaalt de formule die van toepassing is op het gedeelte van de geproduceerde elektriciteit dat niet via vaste prijs PPA's wordt verkocht. Afhankelijk van de elektriciteitsreferentieprijs heeft de concessiehouder hetzij recht op een variabele prijspremie, hetzij een terugbetalingsverplichting. De elektriciteitsreferentieprijs is in dit geval de Day-Ahead-Market (DAM) prijs. Indien deze prijs lager is dan de strike price, heeft de concessiehouder recht op compensatie door de overheid ten belope van het verschil; in het omgekeerde geval, moet hij het verschil terugbetalen aan de overheid. De variabele prijspremie in maand m wordt maandelijks toegepast op elke MWh productie die mogelijk zou zijn geweest, met name de AAP, met inbegrip van onder andere de door de netbeheerder gevraagde inperking, alsmede de negatieve Day-Ahead-Market (DAM) en onevenwichtsprijzen, na correctie voor niet-operationele uren wegens bijvoorbeeld O&M-redenen (operaties en onderhoud). AAPm is het beschikbare actieve vermogen, met name de hoeveelheid elektriciteit die door de concessiehouder wordt opgewekt. Het AAPm is het beschikbare actieve vermogen in maand m en wordt geëvalueerd op basis van alle verzamelde gegevens. De nodige verificaties en bijbehorende correcties zijn van toepassing. De strike price wordt vanaf de start van het project jaarlijks gedeeltelijk geïndexeerd voor 30%. Artikel 45 bevat de formule aangaande de indexering. In een eerste stap wordt een correctie gemaakt voor een veranderende rentevoet, gezien de grote impact op de strike price. In een tweede stap wordt de strike priceupdated vanaf de aanvraag tot aan de financial close, tot maximaal één jaar na de gunning, geïndexeerd met 70% op basis van de raw materials. Hiervoor worden telkens de relevante prijsindexen gehanteerd. Het resultaat van deze indexering is de strike priceintermediate, die gehanteerd wordt voor de jaarlijkse indexering van 30% zoals beschreven in artikel 41, §
  12. Het derde lid bepaalt dat wanneer de domeinconcessie geschorst wordt overeenkomstig artikel 36, § 1, tweede lid, (namelijk de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld bij de Raad van State voorafgaand aan de sluiting van de domeinconcessie), of artikel 39, § 1, tweede of derde lid (namelijk de schorsing van de domeinconcessie zolang de kennisgeving niet gepubliceerd is en de schorsing van de domeinconcessie ingevolge vertraging inzake een bijkomende vergunningen of machtigingen die zijn vereist op grond van andere wetgeving), de strike price geïndexeerd wordt op basis van de index van de consumptieprijzen gedurende de periode van schorsing. Middels de correctiefactor wordt een compensatie voor onbalanskosten voorzien. Dit gebeurt concreet door een correctie voor de onbalanskosten door te voeren op de elektriciteitsreferentieprijs, zoals voorgesteld door de CREG in haar voorstel (c)
  13. Dit zal tot een lagere strike price leiden, aangezien de inschrijvers de onbalanskosten niet moeten opnemen in hun biedingen. Het biedt ook meer zekerheid aan de inschrijvers en vermijdt tegelijkertijd overcompensatie, doordat rekening wordt gehouden met de reële maandelijkse onbalans en niet met een projectie ervan in de bieding voor de komende twintig jaar. De correctiefactor wordt op basis van de gehele Prinses Elisabeth-zone berekend en niet per individuele productie-installatie. Dit verzekert dat doeltreffende prikkels voor de exploitatie aanwezig blijven en de productie-installaties een financiële verantwoordelijkheid behouden voor hun onevenwichten. De productie-installaties hebben er immers belang bij om hun productie zo nauwkeurig mogelijk te voorspellen, waardoor hun individuele onbalanskosten lager zijn dan de correctiefactor, of alleszins niet hoger. Onbalanskosten boven de correctiefactor worden namelijk niet gerecupereerd. Doordat alle individuele productie-installaties een prikkel hebben om hun onevenwichten maximaal te beperken, ontstaat ook een neerwaartse druk op de correctiefactor en dus op de te verlenen steun. De correctiefactor beoogt het afdekken van de risico's met betrekking tot de onbalanskost, zonder daarbij marktverstoringen te creëren te introduceren of afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheid voor balancering bedoeld in artikel 5 van verordening (EU) 2019/
  14. Het in aanmerking nemen van de correctiefactor en het fe

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.