← België

Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging

In het kort

Dit Koninklijk Besluit heeft als doel de Europese Richtlijnen 2009/65/EG, 2010/43/EU en 2010/44/EU gedeeltelijk om te zetten in Belgisch recht voor bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging. Het vervangt het Koninklijk Besluit van 4 maart 2005 en creëert een nieuw wettelijk kader voor deze instellingen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

12 NOVEMBER 2012. - Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit dat wij de eer hebben U ter ondertekening voor te leggen, heeft de gedeeltelijke omzetting tot doel van Richtlijn 2009/65/EG

(1)alsook van de zogenaamde niveau II-Richtlijnen 2010/43/EU
(2)en 2010/44/EU
(3), en dit wat de geldende wettelijke regeling betreft voor de Belgische instellingen voor collectieve belegging die beantwoorden aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en beleggen in financiële instrumenten en liquide middelen. I. Algemene beschouwingen Het ontwerp dat U is voorgelegd, vervangt met ingang van de datum van zijn inwerkingtreding - en behoudens de overgangsregeling vastgesteld in de artikelen 229 tot 234 - het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging (hierna « het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten » genoemd). Het ontwerpbesluit heeft in de eerste plaats tot doel om, samen met de bepalingen van de wet van 3 augustus 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/08/2012 pub. 19/10/2012 numac 2012003296 bron federale overheidsdienst financien, federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie en federale overheidsdienst justitie Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 03/08/2012 pub. 18/02/2015 numac 2015000044 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 03/08/2012 pub. 24/08/2012 numac 2012003256 bron federale overheidsdienst financien, federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie en federale overheidsdienst justitie Wet tot invoering van een wettelijke regeling voor Belgische covered bonds sluiten betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles (hierna « de wet » genoemd), een nieuw wettelijk kader te creëren voor de activiteiten van twee categorieën van Belgische instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming. Het besluit geldt enerzijds voor de zogenaamde « geharmoniseerde » Belgische instellingen voor collectieve belegging die m.a.w. voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en, anderzijds, voor de instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die beleggen in financiële instrumenten en liquide middelen. Daarnaast werkt het besluit eveneens het wettelijk kader uit voor de geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging die afkomstig zijn uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en hun rechten van deelneming in België aanbieden aan het publiek, alsook voor de buitenlandse instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die, zonder te voldoen
(4)aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG, in België rechten van deelneming aanbieden aan het publiek. Op te merken valt dat de bovenvermelde richtlijnen ook regels inhouden voor de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging. De omzetting van deze regels gebeurt niet door het voorliggende ontwerpbesluit maar door een koninklijk besluit dat betrekking heeft op de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging. Het onderhavige ontwerpbesluit strekt er evenmin toe het statuut vast te stellen van de openbare instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming (zoals de openbare privaks of de vastgoedbevaks), noch van de private of institutionele instellingen voor collectieve belegging. Op wetgevingstechnisch vlak sluit de gekozen benadering in het kader van de omzetting van Richtlijn 2009/65/EG en van de niveau II-richtlijnen tot aanvulling van die richtlijn (Richtlijnen 2010/43/EU en 2010/44/EU), en in het kader van de herschrijving van de geldende wetteksten, aan bij de sinds 1990 gevolgde benadering inzake instellingen voor collectieve belegging. De algemene beginselen die de materie beheersen, worden toegelicht in de wet, terwijl de specifieke regels die gelden voor de diverse categorieën van instellingen voor collectieve belegging, bij koninklijk besluit worden vastgesteld. In dat verband wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de wet
(5), naar de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten
(6)en naar de desbetreffende toelichtingen in de memorie van toelichting bij de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles sluiten betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles
(7). Deze benadering - waarbij de wet de voor alle instellingen voor collectieve belegging geldende regels vaststelt, terwijl de specifieke regels die voortvloeien uit de aard van de activa waaruit de desbetreffende categorie van toegelaten beleggingen is samengesteld, bij koninklijk besluit worden vastgesteld - maakt het niet alleen mogelijk rekening te houden met de specifieke kenmerken van het beheer van de verschillende categorieën van toegelaten beleggingen, maar biedt ook de nodige soepelheid om te kunnen inspelen op de toekomstige wetgevende evoluties op Europees niveau. Tot slot sluit deze benadering aan bij het extreem technische en gedetailleerde karakter van de geldende reglementering voor de instellingen voor collectieve belegging : zij laat immers toe een onderscheid te maken tussen de algemene regels en de daaruit voortvloeiende specifieke regels. Deze structuur is ook verantwoord in het licht van de op Europees vlak gehanteerde benadering in het kader van de zogenaamde « Lamfalussy »-methode. Bij die procedure die bij de opstelling van de Europese financiële reglementering wordt toegepast, worden de algemene beginselen vastgesteld in de zogenaamde « richtlijnen van niveau I » die, volgens de medebeslissingsprocedure, door het Europees Parlement en de Raad worden goedgekeurd. Daarna keurt de Commissie de zogenaamde « richtlijnen van niveau II » goed, i.e. de uitvoeringsrichtlijnen die de technische aspecten regelen. Zoals onderstreept in de memorie van toelichting bij de wet
(8), leek het opportuun om niveau I en niveau II ook binnen de Belgische context van elkaar te onderscheiden, met name gelet op de gedetailleerdheid van de bepalingen van de richtlijnen van niveau II en de termijn waarbinnen de bepalingen van die richtlijnen kunnen worden gewijzigd. Bovendien moet worden opgemerkt dat de Richtlijnen 2010/43/EU en 2010/44/EU, die gedeeltelijk worden omgezet via een deel van de bepalingen van dit ontwerp, op uiterst precieze en gedetailleerde wijze zijn opgesteld, zodat de manoeuvreerruimte die bij het omzettingsproces aan de lidstaten wordt gelaten, bijzonder klein is. De Koning beschikt in de praktijk dus slechts over een zeer beperkte vrijheid bij de uitoefening van de hem door de wet toegekende machtigingen. Buiten het domein van de instellingen voor collectieve belegging kunnen wij verwijzen naar de gelijkaardige benadering die in België werd gevolgd bij de omzetting van Richtlijn 2004/39/EG (de zogenaamde Mifid-richtlijn)
(9)en de uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG
(10). De structuur van het ontwerpbesluit is gemodelleerd op de structuur van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten en bevat 237 bepalingen die als volgt zijn voorgesteld : TITEL I. - Algemene bepalingen TITEL II. - Belgische openbare instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die opteren voor de beleggingen die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG of die beleggen in effecten en liquide middelen HOOFDSTUK I. - Bedrijfsvergunning Afdeling I. - Inschrijvingsvoorwaarden Onderafdeling I. - Inhoud van het beheerreglement of de statuten Onderafdeling II. - De bewaarder A. Algemene bepalingen B. Taken C. Master-feederconstructies D. Instelling voor collectieve belegging beheerd door een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte Onderafdeling III. - Administratieve procedures en controlemechanismen Onderafdeling IV. - De commissaris Afdeling II. - Prospectus en essentiële beleggersinformatie over het openbaar aanbod van effecten en stukken met betrekking tot het openbaar aanbod van effecten Onderafdeling I. - Prospectus en essentiële beleggersinformatie Onderafdeling II. - Berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening Afdeling I. - Beleggingsbeleid Onderafdeling I. - Algemeen Onderafdeling II. - Instellingen voor collectieve belegging die beantwoorden aan de voorwaarden van de Richtlijn 2009/65/EG Onderafdeling III. - Instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die beleggen in financiële instrumenten en liquide middelen Afdeling II. - Master-feederconstructies Onderafdeling I. - Beleggingsbeleid en goedkeuring Onderafdeling II. - Overeenkomst tussen feeder en master en interne bedrijfsvoeringsregels van de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging A. Overeenkomst tussen master en feeder B. Interne bedrijfsvoeringsregels van de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging Onderafdeling III. - Procedure bij vereffening, fusie of splitsing van de master of bij uittreding van de laatste feeder Onderafdeling IV. - Verplichtingen en bevoegde autoriteiten Afdeling III. - Verplichtingen en verbodsbepalingen Onderafdeling I. - Provisies en kosten Onderafdeling II. - Gedragsregels Onderafdeling III. - Voorkoming van belangenconflicten Onderafdeling IV. - Andere verbodsbepalingen en verplichtingen Onderafdeling V. - Ontbinding, vereffening en fusie en andere herstructureringen van instellingen voor collectieve belegging en van compartimenten A. Ontbinding en vereffening van instellingen voor collectieve belegging en van hun compartimenten B. Fusie en andere herstructureringen van instellingen voor collectieve belegging en van compartimenten Afdeling IV. - Uitgifte en openbaar aanbod van effecten van een instelling voor collectieve belegging Onderafdeling I. - Behandeling van aanvragen tot uitgifte, inkoop dan wel compartimentswijziging Onderafdeling II. - Berekening van de netto-inventariswaarde van rechten van deelneming en schorsing ervan; maatregelen bij foutieve berekening van de netto-inventariswaarde van rechten van deelneming Onderafdeling III. - Nadere regels inzake de uitgifte en openbaar aanbod van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging Afdeling V. - Periodieke informatie en boekhouding HOOFDSTUK III. - Verhandeling in een andere lidstaat van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG TITEL III. - Instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht HOOFDSTUK I. - Instellingen voor collectieve belegging naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG HOOFDSTUK II. - Instellingen voor collectieve belegging naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die niet voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en instellingen voor collectieve belegging naar het recht van staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte Afdeling I. - Bepalingen die van toepassing zijn op instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht met een veranderlijk aantal rechten van deelneming Afdeling II. - Bepalingen die van toepassing zijn op instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht met vast aantal rechten van deelneming TITEL IV. - Wijzigingsbepalingen en diverse bepalingen TITEL V. - Overgangsbepalingen en inwerkingtreding II. Commentaar bij de artikelen TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1 Artikel 1 van het ontwerp preciseert dat het besluit zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/65/EG, 2010/43/EU en 2010/44/EU. In de wet zijn de bepalingen opgenomen die de Koning de nodige machtiging verlenen voor het transponeren van deze richtlijnen. Artikel 2 In dit artikel zijn een aantal definities opgenomen. Daarnaast gelden voor dit besluit ook de definities die zijn vastgesteld in artikel 3 van de wet. Het merendeel van de definities in dit artikel zijn ongewijzigd overgenomen uit de Richtlijnen 2009/65/EG, 2010/43/EU en 2010/44/EU. TITEL II. - Belgische openbare instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die opteren voor de beleggingen die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG of die beleggen in effecten en liquide middelen Artikel 3 In deze bepaling wordt nauwgezet vastgelegd op welke instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht het ontwerpbesluit van toepassing is. In het toepassingsgebied vallen namelijk de zogenaamde geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging, i.e. de instellingen die beantwoorden aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG, evenals de instellingen voor collectieve belegging die ervoor geopteerd hebben om hun financiële middelen te beleggen in de categorie van toegelaten beleggingen bedoeld in artikel 7, eerste lid, 2° van de wet (financiële instrumenten en liquide middelen).Op dit punt wordt er door het onderhavige besluit geen enkele wijziging aangebracht in het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten. HOOFDSTUK I. - Bedrijfsvergunning Afdeling I. - Inschrijvingsvoorwaarden Onderafdeling I. - Inhoud van het beheerreglement of de statuten Artikelen 4 tot 7 Deze bepalingen nemen de artikelen 4 tot 7 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten over. Ze zijn aangepast, op basis van artikel 8, § 2, 3°, van de wet, aan de mogelijkheid voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen om klassen van rechten van deelneming op te richten. In artikel 6 werden ook wijzigingen aangebracht. Hieronder vindt men een korte bespreking van deze wijzigingen. Op te merken valt dat de term 'aandelenklasse' doorheen de wetgeving vervangen wordt door de algemenere term 'klasse van rechten van deelneming'. Deze term omvat zowel de aandelenklassen van beleggingsvennootschappen als de klassen van rechten van deelneming van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Artikel 6, § 3, poneert in het eerste lid het beginsel dat de bijdrage van een klasse van rechten van deelneming in de beheerkosten van de instelling voor collectieve belegging niet onbestaand of verwaarloosbaar mag zijn in vergelijking met de bijdrage van andere klassen van rechten van deelneming. Vervolgens wordt de regel van het eerste lid in een tweede lid enigszins versoepeld voor twee specifieke gevallen. Het eerste geval betreft de klassen van rechten van deelneming waarin enkel mag worden belegd door instellingen voor collectieve belegging waarvoor het beheer wordt waargenomen door dezelfde vennootschap als diegene die de beheertaken uitoefent als bedoeld in artikel 3, 22°,
  1. a)van de wet (portefeuillebeheer) voor de instelling voor collectieve belegging waartoe de betrokken klasse van rechten van deelneming behoort en die daarvoor een niet-verwaarloosbare bijdrage storten. Het tweede geval betreft de klassen van rechten van deelneming waarin enkel mag worden belegd door beleggers die de rechten van deelneming verwerven en aanhouden op grond van een overeenkomst van discretionair beheer die is afgesloten met de vennootschap die de beheertaken uitoefent als bedoeld in artikel 3, 22°,
  2. a)van de wet (portefeuillebeheer) voor de instelling voor collectieve belegging waartoe de betrokken klasse van rechten van deelneming behoort en die daarvoor een niet-verwaarloosbare bijdrage storten. In deze beide gevallen preciseert het besluit dat de regel van artikel 6, § 3, eerste lid niet van toepassing is. Dankzij deze versoepeling kan worden vermeden dat de beheerkosten tweemaal zouden worden aangerekend aan bepaalde deelnemers (of dat er compensatiemechanismen zouden moeten worden ingevoerd binnen de betrokken groep van vennootschappen). Onderafdeling II. - De bewaarder A. Algemene bepalingen Artikelen 8 en 9 Deze artikelen nemen de bepalingen in verband met de bewaarder over van de artikelen 8 en 10 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten. B. Taken Artikel 10 Deze bepaling neemt artikel 9 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten over. Zoals voorheen kan de opdracht van de bewaarder slechts worden beëindigd wanneer de FSMA haar goedkeuring heeft verleend aan de vervanging of wanneer de instelling voor collectieve belegging niet langer op de lijst is ingeschreven. C. Master-feederconstructies Artikelen 11 en 12 Als een feeder een andere bewaarder heeft dan haar master, moeten beide bewaarders een overeenkomst tot uitwisseling van informatie aangaan. De inhoud van deze overeenkomst wordt, in uitvoering van artikel 53, § 1 van de wet, in deze artikelen vastgelegd. Deze verplichting wordt ingevoerd om te zorgen voor een toereikende informatie-uitwisseling tussen de bewaarder van de master en de bewaarder van de feeder. Zij waarborgt aldus de goede werking van de master-feederconstructies. Artikel 13 Dit artikel voert een bijkomende rapporteringsplicht in voor de instelling die optreedt als bewaarder van een master, namelijk in geval van onregelmatigheden die de bewaarder bij de master constateert en die geacht worden een negatief effect te zullen hebben op de feeder. Verschillende voorbeelden van dergelijke onregelmatigheden worden opgesomd in het artikel, zonder dat het gaat om een exhaustieve lijst. Deze rapportering beoogt de bescherming van de feeder. Om die reden is geen rapportering vereist wanneer deze onregelmatigheden geen negatief effect op de feeder hebben. D. Instelling voor collectieve belegging beheerd door een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte Artikelen 14 tot 21 De bepalingen in dit punt D zijn opgesteld met toepassing van artikel 54, tweede lid van de wet. Zij zorgen voor de omzetting van de artikelen 30 tot 36 van Richtlijn 2010/43/EU. Zij bepalen de inhoud van de overeenkomst die de bewaarder moet afsluiten met de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging als die afkomstig is uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Deze overeenkomst moet borg staan voor een goede informatie-uitwisseling tussen de bewaarder en de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging. Onderafdeling III Administratieve procedures en controlemechanismen De bepalingen in deze Onderafdeling zorgen voor de omzetting van de artikelen 12, 38, 39 en 40 van Richtlijn 2010/43/EU die inzonderheid uitvoering geven aan de artikelen 12 en 51 van Richtlijn 2009/65/EG. Artikel 22 In beginsel zijn de bepalingen van Richtlijn 2010/43/EU van toepassing op de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging. De omzetting van deze bepalingen gebeurt dan ook in principe door het ontwerpbesluit dat betrekking heeft op de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging. Artikel 2, lid 2 van Richtlijn 2010/43/EU verklaart de artikelen 12, 38, 39 en 40 van Richtlijn 2010/43/EU evenwel mutatis mutandis van toepassing op de beleggingsvennootschappen die geen beheervennootschap hebben aangesteld conform artikel 44 van de wet (de zogenaamde « zelfbeheerde » instellingen voor collectieve belegging). Op te merken valt dat in het ontwerpbesluit op een aantal punten enigszins anders wordt geformuleerd dan de verwoording van de bepalingen van Richtlijn 2010/43/EU. De context van de beleggingsvennootschappen is immers niet volkomen identiek aan die van de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging. Als activiteit nemen deze laatste namelijk de beheertaken waar voor instellingen voor collectieve belegging. Zij verlenen dus diensten aan derden, daar waar een zelfbeheerde instelling voor collectieve belegging in de praktijk beleggingen voor eigen rekening verricht. Artikel 23 Dit artikel, opgesteld op grond van de machtiging aan de Koning vervat in artikel 41, § 6 van de wet, transponeert artikel 12 van Richtlijn 2010/43/EU en bepaalt de verplichtingen waaraan de zelfbeheerde beleggingsvennootschappen zijn onderworpen voor het invoeren van een permanente risicobeheerfunctie. Het is van wezenlijk belang om de onafhankelijkheid van de risicobeheerfunctie ten aanzien van de operationele diensten te waarborgen teneinde de risicobeheerfunctie in staat te stellen haar rol naar behoren te vervullen. Conform artikel 12, lid 2, tweede alinea van Richtlijn 2010/43/EU, laat het ontwerpbesluit de FSMA toe afwijkingen te verlenen van de verplichting om een permanente risicobeheerfunctie in te stellen en in stand te houden. Aan het verlenen van een dergelijke afwijking kunnen voorwaarden gekoppeld worden. Deze mogelijkheid kadert in het beginsel dat de beheerstructuur van een instelling voor collectieve belegging moet zijn afgestemd op de omvang van haar activiteiten en op de risico's die zij loopt. Het ontwerp stelt dat de beleggingsvennootschap, ook al werd een dergelijke afwijking verleend, inzonderheid moet kunnen aantonen dat er specifieke beschermingsmaatregelen tegen belangenconflicten zijn genomen die de onafhankelijke uitoefening van de risicobeheeractiviteiten mogelijk maken. Deze mogelijkheid voor de beleggingsvennootschappen om een afwijking te verkrijgen van bepaalde voorwaarden, sluit aan bij artikel 41 van de wet waarin met name is gepreciseerd dat de beheerstructuur van een beleggingsvennootschap moet zijn afgestemd op de activiteiten die zij uitoefent of voornemens is uit te oefenen. In § 3 van dit artikel worden de opdrachten van de risicobeheerfunctie belicht. Artikelen 24, 25 en 26 Deze artikelen, genomen op grond van de machtiging die artikel 41, § 6 van de wet verleent aan de Koning, zorgen voor de omzetting van de artikelen 38, 39 en 40 van Richtlijn 2010/43/EG. Zij bevatten de vereisten waaraan de instelling voor collectieve belegging moet voldoen op het vlak van het risicobeheerbeleid. Dit beleid moet inzonderheid zijn afgestemd op de aard, de omvang en de complexiteit van het bedrijf van de betrokken beleggingsvennootschap. Het risicobeheerbeleid zal geregeld moeten worden herzien en gecontroleerd. De beleggingsvennootschappen zullen eveneens passende en doeltreffende risicometingstechnieken moeten aanwenden om op elk ogenblik de risico's te kunnen meten die zij lopen of zouden kunnen lopen, en om erop toe te zien dat de limieten op het vlak van het totale risico en het tegenpartijrisico niet worden overschreden. Deze bepalingen hangen nauw samen met de artikelen 58 tot 62 en 76 tot 80, die meer bepaald gewijd zijn aan de berekening van het totale risico en aan de problematiek van de waardering van de waarde van de OTC-derivaten. Onderafdeling IV. - De commissaris Artikelen 27 en 28 Deze artikelen hebben betrekking op de specifieke verplichtingen voor de commissaris bij een master-feederconstructie. Als een feeder een andere commissaris heeft dan haar master, moeten beide commissarissen een overeenkomst tot uitwisseling van informatie aangaan. Deze overeenkomst moet de commissaris van de feeder in staat stellen alle relevante informatie en documenten te ontvangen die hij nodig heeft om zijn taken te kunnen uitvoeren. De inhoud van deze overeenkomst wordt, in uitvoering van artikel 107, § 1 van de wet, in deze artikelen vastgelegd. In navolging van de geldende verplichting voor de bewaarders van de master en van de feeder om een overeenkomst tot uitwisseling van informatie af te sluiten, is deze verplichting voor de commissaris erop gericht de goede werking van de master-feederconstructie te waarborgen. Afdeling II. - Prospectus en essentiële beleggersinformatie over het openbaar aanbod van effecten en stukken met betrekking tot het openbaar aanbod van effecten Onderafdeling I. - Prospectus en essentiële beleggersinformatie Artikel 29 Dit artikel is gebaseerd op artikel 10/1 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten. De bepaling is aangepast aan het feit dat geen vereenvoudigd prospectus meer moet worden opgesteld, maar een document met essentiële beleggersinformatie. Artikel 30 De inhoud van het prospectus wordt omschreven in bijlage A. Voor de instellingen voor collectieve belegging met compartimenten ondergaat de vorm van het prospectus een wijziging in vergelijking met het regime onder het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten. Voortaan wordt slechts één prospectus opgesteld voor de instelling voor collectieve belegging; er wordt dus geen prospectus meer opgesteld per compartiment. Bepaalde gegevens uit bijlage A gelden voor de volledige instelling voor collectieve belegging. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de oprichtingsdatum van de instelling voor collectieve belegging, haar commissaris of haar bewaarder. Andere gegevens die op basis van bijlage A moeten worden opgenomen in het prospectus, zoals het beleggingsbeleid, het risicoprofiel of bepaalde kosten, kunnen voor ieder compartiment verschillend zijn. Uiteraard worden deze laatste gegevens specifiek toegepast op ieder compartiment afzonderlijk. Praktisch gezien kan een instelling voor collectieve belegging met compartimenten in een eerste deel de gegevens eigen aan de instelling opnemen, terwijl een tweede deel per compartiment een fiche bevat met de gegevens die eigen zijn aan het compartiment. Bij het prospectus wordt voortaan, naast het beheerreglement of de statuten, ook het laatst gepubliceerde jaarverslag gevoegd. Het prospectus bevat immers voor bepaalde financiële gegevens, zoals historische rendementen of de omloopsnelheid van de portefeuille, een verwijzing naar het jaarverslag. Het hechten van het jaarverslag aan het prospectus is dan ook de meest efficiënte manier om te verzekeren dat de belegger die het prospectus raadpleegt, ook toegang krijgt tot deze financiële gegevens. De verplichting om het prospectus aan te passen binnen een maand na de publicatie van het jaarverslag (zoals voorgeschreven door artikel 11, laatste lid van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten) heeft dan ook geen reden van bestaan meer. Artikel 31 Dit artikel bevat de belangrijkste elementen die de essentiële beleggersinformatie moet bevatten. Meer gedetailleerde bepalingen over de vorm en de inhoud van de essentiële beleggersinformatie worden opgenomen in Verordening 583/2010 van de Commissie van 1 juli 2010 tot uitvoering van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft essentiële beleggersinformatie en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan als de essentiële beleggersinformatie of het prospectus op een andere duurzame drager dan papier of via een website wordt verstrekt (hierna « Verordening 583/2010 »). Terwijl Verordening 583/2010 rechtstreeks van toepassing is op instellingen voor collectieve beleggingen die hebben geopteerd voor de categorie van toegelaten beleggingen bedoeld bij artikel 7, eerste lid, 1° van de wet (geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging), wordt deze verordening via de derde paragraaf van artikel 31 ook van toepassing verklaard op instellingen voor collectieve belegging die hebben geopteerd voor de categorie van toegelaten beleggingen bedoeld bij artikel 7, eerste lid, 2° van de wet (financiële instrumenten en liquide middelen). Deze bepaling, die eveneens van toepassing is op de instellingen voor collectieve belegging die geopteerd hebben voor de categorie van toegestane beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, 2° van de wet, geeft immers duidelijk aan dat het document met essentiële beleggersinformatie moet worden opgesteld conform de regels die zijn vastgelegd in Verordening 583/2010. Deze benadering ligt in de lijn van het beleid dat in België traditioneel wordt gevolgd en erin bestaat de geldende regeling voor de instellingen voor collectieve belegging die geopteerd hebben voor de categorie van toegelaten beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, 2° van de wet, in de mate van het mogelijke af te stemmen op de geldende regeling voor de geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging. Artikelen 32 en 33 Deze artikelen leggen de modaliteiten vast van de terbeschikkingstelling van de essentiële beleggersinformatie, het prospectus, de statuten of het beheerreglement en de periodieke verslagen. De essentiële beleggersinformatie moet kosteloos en geruime tijd voor de voorgenomen inschrijving worden verstrekt aan de beleggers. De andere documenten kunnen op verzoek van de inschrijver kosteloos worden verkregen voor de sluiting van de overeenkomst. Het koninklijk besluit preciseert de mogelijkheid om de verschillende documenten op een andere wijze dan via een papieren afschrift te verstrekken. Wel kan de belegger steeds kosteloos een papieren afschrift verkrijgen van deze documenten. Indien een belegger bij zijn verzoek om een prospectus te ontvangen enkel belangstelling vertoont voor een bepaald compartiment, is het mogelijk om hem enkel de gegevens van het prospectus te bezorgen die eigen zijn aan de instelling voor collectieve belegging enerzijds en deze die eigen zijn aan het compartiment in kwestie (de 'fiche' van het compartiment waarvan sprake in de commentaar bij artikel 30) anderzijds. Het aldus geven van meer gerichte documentatie aan de belegger, kan leiden tot een effectievere informatie van deze laatste. Artikel 34 Dit artikel is genomen in uitvoering van artikel 60, § 1, tweede lid van de wet en bevat de bijwerkingen aan het prospectus en de essentiële beleggersinformatie die kunnen worden gepubliceerd zonder voorafgaande goedkeuring door de FSMA. De instelling voor collectieve belegging die van deze mogelijkheid gebruik maakt, dient enkel een nieuwe versie van het bijgewerkte document in kwestie over te maken aan de FSMA vooraleer deze nieuwe versie in werking treedt. De wijzigingen die in deze bepaling worden opgesomd, zijn formele wijzigingen die niet van significatief belang zijn voor de informatieverstrekking aan de beleggers. Onderafdeling II. - Berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging Artikelen 35 tot 46 De bepalingen van Onderafdeling II bevatten een regeling over de berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging. Ze worden uitgevaardigd op basis van artikel 64, § 1, 1° van de wet en zijn grotendeels geïnspireerd op de artikelen 15 tot 26 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten. De nodige aanpassingen werden aangebracht om rekening te houden met onder meer de verplichting om een document met essentiële beleggersinformatie op te stellen en de mogelijkheid om een master-feederconstructie te creëren. De wijzigingen die zijn aangebracht in artikel 37, § 1 ten aanzien van de overeenstemmende tekst van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten, zijn erop gericht de geldende wettelijke regeling voor de berichten en reclame over een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging in overeenstemming te brengen met de bepalingen van artikel 8, § 2 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 15/08/2002 numac 2002021304 bron federale overheidsdienst kanselarij en algemene diensten Wet tot wijziging van de wet betreffende de afschaffing of herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, gecoördineerd op 13 maart 1991 sluiten0 tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten. De rol wordt gepreciseerd van de compliancefunctie die in voorkomend geval werd opgericht bij instellingen die hetzij een ontwerp van bovenvermelde stukken opstellen, hetzij een dergelijk ontwerp ter goedkeuring voorleggen aan de FSMA. De compliancefunctie moet de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat dit ontwerp voldoet aan de voorwaarden van de wet en van het koninklijk besluit. Deze bepaling is niet van toepassing op instellingen die niet verplicht zijn om een compliancefunctie op te richten, zoals tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten. De lijst van verplichte vermeldingen in alle geviseerde berichten, reclame en andere stukken werd licht aangepast. Zo dient voortaan te worden vermeld in welke taal het prospectus, de essentiële beleggersinformatie en de periodieke verslagen verkrijgbaar zijn. Dit betreft geen exhaustieve vermelding van alle talen waarin deze documenten beschikbaar zijn, doch de vermelding van minstens één taal waarin de geviseerde bestemmeling van het bericht, de reclame of het ander stuk deze documenten in België kan raadplegen. Bovendien dient systematisch het vereiste minimumbedrag of het minimum aantal rechten van deelneming bij de inschrijving te worden vermeld en moet de plaats worden opgenomen waar de netto-inventariswaarde wordt bekendgemaakt. Voor deze laatste verplichting volstaat de vermelding van één plaats waar de netto-inventariswaarde wordt bekendgemaakt, ook al wordt deze op meerdere plaatsen bekendgemaakt. De verplichting vloeit onder meer voort uit de vaststelling dat steeds meer instellingen voor collectieve belegging hun netto-inventariswaarde exclusief publiceren op een overeenkomstig artikel 194 door de FSMA toegelaten website, en niet in een of meer dagbladen, waardoor het voor de belegger niet altijd eenvoudig is te weten waar hij deze kan raadplegen. Artikel 42 heeft betrekking op de vermelding van rendementen, lopende kosten of risico- en opbrengstindicatoren in berichten of reclame. De voorwaarden waaraan dergelijke vermeldingen moeten voldoen, zijn respectievelijk vastgelegd in bijlage B van het ontwerp en in Verordening 583/2010. Het ontwerp laat toe om ook een andere risico-indicator te vermelden dan vastgesteld conform Verordening 583/2010. In artikel 46 wordt voortaan verwezen naar het begrip 'gestructureerde instelling voor collectieve belegging' als gedefinieerd in artikel 36, lid 1, tweede alinea van Verordening 583/2010. HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening Afdeling I. - Beleggingsbeleid Artikelen 47 tot 87 Deze afdeling betreffende het beleggingsbeleid is uitgevaardigd op basis van artikel 74 van de wet en herneemt grotendeels de bepalingen van de artikelen 27 tot 57 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten. Op verschillende domeinen werd het regime aangepast in functie van artikel 51 van Richtlijn 2009/65/EG en van de artikelen 41 tot 44 van Richtlijn 2010/43/EU, aanpassingen die werden doorgetrokken naar instellingen voor collectieve belegging die hebben geopteerd voor de categorie van toegelaten beleggingen bedoeld bij artikel 7, eerste lid, 2° van de wet. Het betreft onder meer verschillende bepalingen over : - de berekening van het totale risico van een instelling voor collectieve belegging dat betrekking heeft op derivaten (artikelen 58 en 59; artikelen 76 en 77); - de berekening van het tegenpartijrisico bij beleggingen in derivaten en de concentratie van beleggingen in één uitgevende instelling (artikelen 60 en 62, § 6; artikelen 78 en 80, § 6). Er wordt voortaan gepreciseerd dat de zekerheden die instelling voor collectieve belegging ontvangen om hun tegenpartijrisico te beperken, aan de spreidingsregels moeten voldoen; - procedures voor de berekening van de waarde van OTC-derivaten (artikel 61; artikel 79). Bovendien wordt gepreciseerd dat feeders niet onderworpen zijn aan de bepalingen van de tweede en derde Onderafdeling, behalve wanneer dit voorzien is in Afdeling II. Afdeling II. - Master-feederconstructies Deze afdeling werd geformuleerd in uitvoering van de artikelen 74, 77, 78, 79, § 3 en 80 van de wet. Onderafdeling I. - Beleggingsbeleid en goedkeuring Artikelen 88 en 89 Deze artikelen bevatten de regels inzake het beleggingsbeleid van de feeder. Er wordt verwezen naar de artikelen 76 en volgende van de wet, alsook naar de commentaar die bij deze bepalingen is gegeven in de memorie van toelichting bij de wet. Een feeder is een instelling voor collectieve belegging die minstens 85 % van haar activa belegt in rechten van deelneming van een master. De wet staat toe dat een dergelijke structuur zowel voor instellingen voor collectieve belegging die hebben geopteerd voor de categorie van toegelaten beleggingen voorzien in artikel 7, eerste lid, 1° van de wet en die dus voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG (de geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging) als voor instellingen voor collectieve belegging die hebben geopteerd voor de categorie van toegelaten beleggingen voorzien in artikel 7, eerste lid, 2° van de wet en die dus niet voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG, gebruikt wordt. Overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2009/65/EG, kan dit voor geharmoniseerde feeders zowel een Belgische als een geharmoniseerde master uit een andere lidstaat te zijn. De wet staat bovendien toe dat master-feederconstructies worden gebruikt voor ICB's die niet voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG omdat zij beleggen in een andere categorie van toegelaten belegging dan degene voorzien in artikel 7, eerste lid, 1° van de wet. Voor dergelijke niet-geharmoniseerde feeders dient dit een Belgische geharmoniseerde of niet-geharmoniseerde master te zijn. Bijgevolg is geen master-feederconstructie mogelijk waarbij een Belgische niet-geharmoniseerde feeder belegt in een buitenlandse master. Dit wordt verantwoord door de afwezigheid op Europees niveau van een harmonisatie voor een dergelijke master-feederconstructie, waardoor geen grensoverschrijdende constructies geregeld kunnen worden op het vlak van onder meer informatie-uitwisseling en samenwerking tussen master en feeder en waardoor de belegging van een Belgische niet-geharmoniseerde feeder in een buitenlandse master niet voldoende garanties zou bieden op het vlak van de beleggersbescherming. Voor meer uitleg over deze problematiek kan worden verwezen naar de Memorie van toelichting bij de wet. Een feeder mag maximaal 15 % van haar activa beleggen in andere activa; hierop zijn de bepalingen van artikel 89 van toepassing. Artikel 90 Dit artikel legt de modaliteiten vast van de procedure die een instelling voor collectieve belegging moet volgen indien ze in het kader van een master-feederconstructie wil beleggen in een master. Een dergelijke belegging impliceert dat de beleggingslimieten worden overschreden die respectievelijk in de artikelen 65, § 1 en 83, § 1 van het ontwerp zijn vastgesteld (verbod om meer dan 20 % van de activa te beleggen in de rechten van deelneming van één enkele instelling voor collectieve belegging). Met het oog op de bescherming van de beleggers in deze instelling voor collectieve belegging is een voorafgaande goedkeuring vanwege de FSMA vereist voor de belegging van de feeder in de master. Deze goedkeuring is enkel vereist bij de oorspronkelijke inschrijving, waarbij de feeder het voor beleggingen in een andere instelling voor collectieve belegging gestelde plafond overschrijdt. De FSMA keurt de oprichting van een dergelijke constructie goed of af en baseert zich hiervoor op een dossier dat is samengesteld uit de documenten bedoeld in § 3 waaruit moet blijken dat de wettelijke en reglementaire bepalingen over de master-feederconstructie zijn nageleefd. Onderafdeling II. - Overeenkomst tussen feeder en master en interne bedrijfsvoeringsregels van de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging A. Overeenkomst tussen master en feeder Artikelen 91 tot 98 Deze artikelen preciseren de inhoud van de overeenkomst die dient te worden gesloten tussen de master en de feeder met het oog op onder meer een correcte informatie-uitwisseling tussen beide. De overeenkomst, dan wel de interne bedrijfsvoeringsregels (indien de master en de feeder dezelfde beheervennootschap hebben - zie infra, bespreking van de bepalingen van punt B), moeten in werking zijn getreden vooraleer de feeder boven de krachtens de artikelen 65, § 1 en 83, § 1 geldende limieten kan beleggen in de master. Voor zover de regelingen voor verhandeling tussen de master en de feeder niet verschillen van die welke van toepassing zijn op alle deelnemers van de master die geen feeder zijn en die regelingen in het prospectus van de master zijn vastgesteld, en teneinde de administratieve last te verminderen, dienen deze standaardregelingen voor verhandeling niet in de overeenkomst tussen de master en de feeder te worden overgenomen, maar kan daarin naar de relevante gedeelten van het prospectus van de master worden verwezen. De overeenkomst kan in de mogelijkheid voorzien om de overdracht van activa in natura te laten plaatsvinden, wat de betrokken instellingen voor collectieve belegging moet toelaten om kosten te beperken. Deze mogelijkheid kan zowel worden voorzien bij de overdracht van activa van de feeder naar de master, bijvoorbeeld bij de inschrijving van een feeder die reeds activiteiten heeft als instelling voor collectieve belegging, als bij de overdracht van activa van de master naar de feeder, bijvoorbeeld bij uitbetaling van de vereffeningsopbrengst van de master aan de feeder. B. Interne bedrijfsvoeringsregels van de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging Artikelen 99 tot 103 Deze artikelen, opgesteld op grond van artikel 78, derde lid van de wet, zetten de artikelen 15 tot 19 van Richtlijn 2010/43/EG om. Ingeval de master en de feeder dezelfde beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging hebben, zijn de bepalingen van punt A supra niet van toepassing. De betrokken beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging moet evenwel interne bedrijfsvoeringsregels invoeren die met name de relaties regelen tussen de feeder en de master, en erop gericht zijn te vermijden dat belangenconflicten zouden optreden tussen de master en de feeder of tussen de feeder en andere deelnemers in de master. Onderafdeling III. - Procedure bij vereffening, fusie of splitsing van de master of bij uittreding van de laatste feeder Artikelen 104 tot 107 Bij een vereffening, fusie of splitsing van een master, dienen haar feeders over hun toekomst te beslissen. Naargelang het geval kunnen de feeders zelf overgaan tot vereffening, feeder blijven van dezelfde master, feeder worden van een andere master of zich omvormen tot een instelling voor collectieve belegging die niet de hoedanigheid van feeder heeft. In deze gevallen dient de feeder een dossier in bij de FSMA volgens de modaliteiten opgenomen in de artikelen 104 tot 107, waarover de FSMA zich binnen 15 werkdagen uitspreekt. Bovendien heeft de feeder de verplichting om de nodige informatie te verstrekken aan verschillende andere partijen (waaronder de deelnemers). Onderafdeling IV. - Verplichtingen en bevoegde autoriteiten Artikelen 108 tot 110 Deze artikelen bevatten diverse verplichtingen voor de feeder die betrekking hebben op het verstrekken van informatie en documentatie aan haar bewaarder en beleggers en aan de FSMA. Artikel 111 Een instelling die reeds werkzaamheden als instelling voor collectieve belegging uitoefent, heeft de mogelijkheid om zich om te vormen tot een feeder. Bovendien kan een bestaande feeder beslissen om te beleggen in een andere master. Aangezien een dergelijke wijziging tot een fundamentele aanpassing van het beleggingsbeleid leidt, dient de betrokken instelling voor collectieve belegging haar deelnemers voldoende informatie te verstrekken, zodat deze in staat zijn te beslissen of zij hun belegging behouden. Artikel 111 beschrijft de informatie die in dit geval aan de deelnemers moet worden versterkt, evenals de termijn en de wijze van mededeling. Artikelen 112 tot 114 Deze artikelen bevatten diverse verplichtingen van toepassing op feeders, masters en de FSMA, waaronder de verplichting van de feeder om effectief de werkzaamheden van de master te controleren. Afdeling III. - Verplichtingen en verbodsbepalingen Onderafdeling I. - Provisies en kosten Artikel 115 Dit artikel neemt de bepalingen van artikel 58 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten over. Artikel 116 Dit artikel neemt de bepalingen van artikel 59 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten over. Daarenboven wordt een verbod ingevoerd voor masters om provisies of kosten in rekening te brengen voor inschrijving, compartimentswijziging of uittreding met betrekking tot beleggingen in haar rechten van deelneming door feeders. Onverminderd de toepassing van andere bepalingen, kan de master dergelijke provisies en kosten wel aanrekenen aan andere beleggers. Artikelen 117 Dit artikel neemt de bepalingen van artikel 60 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten over. Artikel 118 De regeling inzake 'soft commissions', opgenomen in artikel 61 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten, wordt opgeheven en vervangen door artikel 118 van het ontwerp, dat een ruimere draagwijdte heeft. Deze nieuwe bepaling transponeert artikel 29 van Richtlijn 2010/43/EU. Volgens de eerste paragraaf van dit artikel worden de personen aan wie bepaalde beheertaken van een instelling voor collectieve belegging zijn toevertrouwd, niet geacht zich op loyale, billijke en professionele wijze in te zetten voor de belangen van de instelling voor collectieve belegging indien aan of door hen vergoedingen, provisies en niet-geldelijke voordelen worden betaald of verschaft, tenzij deze vergoedingen, provisies en niet-geldelijke voordelen aan bepaalde in deze paragraaf vermelde voorwaarden voldoen. Geviseerd worden enkel de personen aan wie het beheer van de beleggingsportefeuille en/of de administratie van een instelling voor collectieve belegging is toevertrouwd. Het kan hierbij zowel gaan om een 'zelfbeheerde' instelling voor collectieve belegging, die met toepassing van artikel 42 van de wet bepaalde beheertaken heeft toevertrouwd aan deze personen, als om een instelling voor collectieve belegging met een aangestelde beheervennootschap. In dit laatste geval zal de aangestelde beheervennootschap geviseerd zijn, evenals de personen aan wie de beheervennootschap zelf desgevallend de beheertaken in kwestie heeft toevertrouwd. De personen aan wie de verhandeling van de effecten van de instelling voor collectieve belegging wordt toevertrouwd, worden bijgevolg niet geviseerd door deze bepalingen. Bovendien is de regeling enkel van toepassing op de vergoedingen, provisies en niet-geldelijke voordelen die aan of door de geviseerde personen worden betaald of verschaft voor de verrichting van activiteiten in verband met het beheer van de beleggingsportefeuille en/of de administratie van de instelling voor collectieve belegging. De activiteiten die deze personen zouden uitoefenen inzake de verhandeling van de effecten van de instelling voor collectieve belegging, vallen niet onder de regeling. De andere paragrafen van het artikel bevatten verdere vereisten inzake transparantie. Onder meer in het prospectus en het jaarverslag moeten bepaalde gegevens worden opgenomen. De verplichting voor de begunstigde om minstens halfjaarlijks de FSMA en het bestuursorgaan van de instelling voor collectieve belegging te rapporteren over de ontvangen voordelen valt weg. Wel dient de begunstigde van de vergoedingen, provisies en niet-geldelijke voordelen de gegevens inzake de ontvangst van deze voordelen ter beschikking te houden van de FSMA. Artikel 119 Deze bepaling bevat een regeling van de situatie waarbij de beheerder van de beleggingsportefeuille van een instelling voor collectieve belegging (beheertaak bedoeld in artikel 3, 22°,
  3. a)van de wet) zijn beheervergoeding deelt met een distributeur van de instelling voor collectieve belegging. Retrocessies van de beheervergoeding aan mandatarissen die instaan voor andere beheertaken dan distributie worden, in tegenstelling tot voorheen, niet geviseerd door deze bepaling. De regeling is grotendeels dezelfde als deze opgenomen in artikel 62 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten, met dien verstande dat het nu enkel van toepassing is op de beheerders die hun beheervergoeding delen met de distributeur. Artikel 118 (dat artikel 29 van Richtlijn 2010/43/EU omzet) is immers van toepassing op de andere gevallen. Artikel 120 Deze bepaling neemt artikel 63 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten over. Onderafdeling II. - Gedragsregels De bepalingen van deze Onderafdeling zetten de artikelen 22 tot 27 van Richtlijn 2010/43/EU om waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 14 van Richtlijn 2009/65/EG. Deze ontwerpbepalingen zijn vastgesteld op grond van de machtiging die aan de Koning is verleend door artikel 84 van de wet. Artikel 121 Artikel 2, lid 2 van Richtlijn 2010/43/EU verklaart Hoofdstuk IV (« Gedragsregels ») van toepassing op de beleggingsvennootschappen die geen beheervennootschap hebben aangesteld conform artikel 44 van de wet. Voor het overige wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 22 wat het toepassingsgebied betreft van de onderhavige Onderafdeling. Artikelen 122 en 123 De beleggingsvennootschappen moeten handelen overeenkomstig het beginsel van de gelijkheid tussen de deelnemers en in het belang van de deelnemers. Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan het fundamentele beginsel, geponeerd in artikel 9 van de wet, dat elke instelling voor collectieve belegging wordt beheerd in het uitsluitende belang van de houders van effecten die door haar zijn uitgegeven. De artikelen die hier worden toegelicht, hebben betrekking op de verschillende aspecten van deze verplichting. Op te merken valt dat deze bepalingen anders zijn geformuleerd dan de overeenstemmende bepalingen van het ontwerp van besluit met betrekking tot de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, omdat zij elk in een andere context zullen moeten worden toegepast (beleggingsvennootschappen, geen beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging). De verschillende aspecten die worden uitgediept zijn de volgende. Enerzijds is er de verplichting om de deelnemers op billijke wijze te behandelen, wat inhoudt dat erop wordt toegezien dat zij op gelijke wijze worden behandeld, dat wanpraktijken voorkomen worden die de stabiliteit en de integriteit van de markten ongunstig beïnvloeden, dat billijke, correcte en transparante prijsbepalingsmodellen en waarderingssystemen worden toegepast en dat er geen onnodige kosten worden aangerekend aan de deelnemers. Anderzijds moeten de verschillende facetten van het bedrijf van de beleggingsvennootschap nauwgezet worden opgevolgd, inzonderheid wat de eigenlijke beheerfunctie betreft (selectie en follow-up van de beleggingen) en het risicobeheer. Tevens wordt vereist dat de beleggingsvennootschappen beschikken over voldoende kennis van en inzicht in de activa waarin zij hebben belegd. Artikel 124 Deze bepaling bevat de verplichting voor de beleggingsvennootschappen om de deelnemers een bericht te sturen waarmee zij bevestigen dat hun inschrijvings- en inkooporders zijn uitgevoerd. Artikelen 125 en 126 In deze artikelen is de verplichting tot best execution opgenomen die de instellingen voor collectieve belegging moeten naleven bij het beheer van hun portefeuille. Daarbij worden twee gevallen onderscheiden : enerzijds de situatie waarin de beleggingsvennootschap de beleggingsbeslissingen zelf uitvoert (zonder een beroep te doen op de diensten van een andere entiteit) en, anderzijds, de meer klassieke situatie waarin de beleggingsvennootschap uitvoeringsorders doorgeeft aan andere entiteiten. We merken hierbij op dat beide hypotheses enigszins afwijken van het traditionele concept van de 'best execution'-verplichting waarbij er een dienstverlener en een cliënt optreden. Die klassieke opstelling vinden we terug in de relatie tussen een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging en de beheerde instelling voor collectieve belegging, maar niet in geval van een zelfbeheerde instelling voor collectieve belegging. Hoewel de hypothese die hier wordt beoogd dus verschilt van het klassieke concept, heeft de Europese wetgever ons inziens met artikel 2, lid 2 van Richtlijn 2010/43/EU deze verplichting mutatis mutandis willen opleggen aan de beleggingsvennootschappen die geen beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging hebben aangesteld conform artikel 44 van de wet. Artikel 127 Dit artikel gaat nader in op de geldende vereisten voor de verwerking van de orders : de portefeuilletransacties moeten immers onmiddellijk en billijk worden uitgevoerd. Onderafdeling III. - Voorkoming van belangenconflicten De artikelen 129 tot 133 van deze Onderafdeling zetten de artikelen 17 tot 21 van Richtlijn 2010/43/EU om die uitvoering geven aan de artikelen 12 en 14 van Richtlijn 2009/65/EG. Deze bepalingen zijn vastgesteld op grond van de machtiging die aan de Koning is verleend door artikel 82 van de wet. Daarnaast nemen de artikelen 134 tot 137 de bepalingen over van de artikelen 64 tot 67 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten. Artikel 128 Voor het overige wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen 22 en 121, wat het toepassingsgebied van deze Onderafdeling betreft. Artikelen 129 tot 137 Allereerst worden in deze artikelen een aantal situaties opgesomd die, als zij zich voordoen, kunnen leiden tot belangenconflicten. Dit is geenszins een exhaustieve lijst. Zij wil louter een hulp bieden om de mogelijke soorten belangenconflicten die zich kunnen voordoen in de beleggingsvennootschap gemakkelijker te onderkennen. Voorts wordt gepreciseerd dat de beleggingsvennootschappen een beleid inzake belangenconflicten moeten uitwerken, waarbij zij mogelijke conflictsituaties moeten identificeren en maatregelen en procedures moeten vaststellen voor het beheer van dergelijke conflicten. Artikel 131 bevat een aantal vereisten in verband met de te nemen maatregelen en te volgen procedures ingeval zich een belangenconflict voordoet. Deze vereisten houden inzonderheid in dat er geen enkel direct verband mag bestaan tussen de vergoeding van personen die bij een bepaalde activiteit betrokken zijn en personen die bij een andere activiteit betrokken zijn wanneer, met betrekking tot deze activiteiten, een belangenconflict kan ontstaan, alsook dat maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen of het risico te beperken dat de ene persoon een ongepaste invloed zou uitoefenen op de andere. Voorts wordt gepreciseerd dat andere maatregelen getroffen moeten worden indien de vereisten waarin het besluit voorziet ontoereikend blijken om de vereiste mate van onafhankelijkheid te garanderen. Als de ingevoerde organisatorische maatregelen niet volstaan om te garanderen dat het risico zal worden vermeden dat de belangen van de deelnemers worden geschaad, moeten de effectieve leiders gewaarschuwd worden teneinde hen toe te laten bijkomende maatregelen te treffen. In dergelijk geval dienen de deelnemers hiervan in kennis te worden gesteld. Daarnaast eist het besluit eveneens dat passende en doeltreffende strategieën worden uitgewerkt voor de uitoefening van de stemrechten. Ingeval de uitoefening van het stemrecht de aanleiding vormt of kan vormen voor een belangenconflict, dient in het jaarverslag te worden verantwoord hoe het stemrecht werd uitgeoefend of waarom het niet werd uitgeoefend. Tot slot neemt het besluit de bepalingen van de artikelen 64 tot 66 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten integraal over. Onderafdeling IV. - Andere verbodsbepalingen en verplichtingen Artikel 138 Deze bepaling is gebaseerd op artikel 68 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten, dat op enkele plaatsen werd aangepast. Een instelling voor collectieve belegging die de term « gewaarborgd kapitaal » of een gelijkaardige term wenst te gebruiken ( § 1), dient voortaan in het prospectus niet enkel de identiteit te beschrijven van diegene die de waarborg verleent, doch ook diens kredietwaardigheid. In dit kader kan onder meer de 'credit rating' worden vermeld van degene die de waarborg verleent. Tevens worden de voorwaarden aangepast waaraan een instelling voor collectieve belegging moet voldoen indien deze de term « kapitaalbescherming » of « beschermd kapitaal » of een gelijkaardige term wenst te gebruiken ( § 2). Indien een instelling voor collectieve belegging een beleggingsstrategie vastlegt waarbij belegd wordt in schuldinstrumenten die zijn uitgegeven of gewaarborgd door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, mogen de schuldinstrumenten uitgegeven door eenzelfde lidstaat voortaan niet meer dan 20 % van de activa van de instelling voor collectieve belegging vertegenwoordigen. Deze limiet wordt enkel nagegaan op het ogenblik van inschrijving van de instelling voor collectieve belegging, zowel voor geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging (zie nieuw artikel 60, § 1, tweede lid), als voor niet-geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging (zie aangepast artikel 78, § 1, tweede lid). Zij zal dus noodzakelijkerwijze geen toepassing vinden op de instellingen voor collectieve belegging die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit al zijn ingeschreven. In afwijking hiervan kan een instelling voor collectieve belegging een beleggingsstrategie vastleggen waarbij dergelijke schuldinstrumenten meer dan 20 % van haar activa vertegenwoordigen ( § 2, tweede lid). Van deze mogelijkheid mag een instelling voor collectieve belegging echter alleen gebruik maken indien zij kan aantonen dat haar beleggingsstrategie een bescherming biedt aan haar deelnemers die gelijkwaardig is aan de bescherming waarvan de deelnemers in de instellingen voor collectieve belegging die deze begrenzing wel naleven, genieten. Hiertoe kan het desgevallend nodig zijn dat de beleggingsstrategie van bij aanvang voldoende marge voorziet om gedurende de looptijd de samenstelling van de portefeuille te wijzigen of bijkomende zekerheden in te bouwen. Verder kan hier ook worden gewezen op de zorgvuldigheidsvereisten die worden ingevoerd in artikel 123 van het ontwerp en in artikel 17 van het ontwerp van koninklijk besluit met betrekking tot de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, en die onverkort van toepassing zijn op de instellingen voor collectieve belegging bedoeld in deze bepaling. Artikel 139 Deze bepaling neemt artikel 69 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten over. Artikel 140 Een instelling voor collectieve belegging die wenst te beleggen in OTC-derivaten heeft de verplichting om een specifiek activiteitenprogramma op te stellen. Voortaan moet dit activiteitenprogramma echter niet meer ter goedkeuring worden voorgelegd aan de FSMA, doch volstaat het om dit voorafgaandelijk aan de beleggingen in OTC-derivaten mee te delen aan de FSMA. Artikelen 141 tot 146 Deze bepalingen nemen de artikelen 70 tot 74 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten over. Onderafdeling V. - Ontbinding, vereffening en fusie en andere herstructureringen van instellingen voor collectieve belegging en van compartimenten Onderafdeling V bevat de regeling inzake ontbinding, vereffening en fusie en andere herstructureringen van instellingen voor collectieve belegging en van hun compartimenten. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 84 van de wet. De wet bepaalt in artikel 16 dat beveks zijn onderworpen aan het Wetboek van vennootschappen, tenzij daarvan wordt afgeweken door of krachtens de wet of het Wetboek van vennootschappen. Het Wetboek van vennootschappen zelf bevat inderdaad verscheidene bepalingen die voorzien in een uitsluiting van of vrijstelling voor beveks (bijvoorbeeld artikel 772/1 inzake grensoverschrijdende fusies). Artikel 16 van de wet laat de uitsluitingen of vrijstellingen die zijn vervat in het Wetboek van vennootschappen onverlet. Daarnaast bevat de wet uitzonderingen op de principiële toepasselijkheid van het Wetboek van vennootschappen op beveks. Tot slot bevat ook dit besluit meerdere uitzonderingen op de principiële toepasselijkheid van het Wetboek van vennootschappen op beveks. Die uitzonderingen zijn gebaseerd op artikel 84 van de wet, en vormen voor doeleinden van artikel 16 van de wet dus afwijkingen krachtens de wet. In geval van ontbinding, vereffening, fusie of andere herstructurering van een gemeenschappelijk beleggingsfonds of van een compartiment van een bevek of gemeenschappelijk beleggingsfonds, zijn volgens de artikelen 11, § 6, 12, § 3 en 17, § 3, van de wet de bepalingen van boek IV, titel IX, of boek XI van het Wetboek van vennootschappen, voor zover van toepassing op beveks en met uitzondering van artikel 195bis van het Wetboek van vennootschappen, van overeenkomstige toepassing. Artikel 147 preciseert in dat opzicht dat de verwijzingen in Onderafdeling IV naar het Wetboek van vennootschappen naar analogie betrekking hebben op gemeenschappelijke beleggingsfondsen en op compartimenten van beveks en van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Inzake de toepasselijkheid van het Wetboek van vennootschappen op gemeenschappelijke beleggingsfondsen, heeft de samenlezing van deze bepalingen tot gevolg dat : - een artikel van het Wetboek van vennootschappen dat niet van toepassing is op beveks, evenmin van toepassing is op gemeenschappelijke beleggingsfondsen; - een artikel van het Wetboek van vennootschappen dat van toepassing is op beveks, van overeenkomstige toepassing is op gemeenschappelijke beleggingsfondsen; - indien artikel a van het Wetboek van vennootschappen verwijst naar artikel b van het Wetboek van vennootschappen en de toepasselijkheid van artikel b op beveks niet uitdrukkelijk is uitgesloten, het artikel b zowel op beveks als op gemeenschappelijke beleggingsfondsen van toepassing is; - indien artikel a van het Wetboek van vennootschappen verwijst naar artikel b van het Wetboek van vennootschappen, maar de toepasselijkheid van artikel b op beveks uitdrukkelijk is uitgesloten, het artikel b noch op beveks noch op gemeenschappelijke beleggingsfondsen van toepassing is. Artikel 147 Dit artikel preciseert dat de verwijzingen in de artikelen van deze Onderafdeling naar de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen eveneens betrekking hebben op gemeenschappelijke beleggingsfondsen en op compartimenten van instellingen voor collectieve belegging. A. Ontbinding en vereffening van instellingen voor collectieve belegging en van hun compartimenten Artikelen 148 tot 158 Deze artikelen leggen de regeling vast bij ontbinding en vereffening van instellingen voor collectieve belegging en hun compartimenten. Deze is grotendeels identiek aan de regeling opgenomen in het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten. Enkele aanpassingen zijn te noteren. In de eerste plaats is de regeling aangepast aan de mogelijkheid voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen om compartimenten op te richten. Bovendien werd via artikel 152 een specifieke bepaling ingevoerd voor de vereffening van een master. Het besluit tot ontbinding van een master mag ten vroegste in werking treden drie maanden nadat de master al haar deelnemers en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder in kennis heeft gesteld van het bindende besluit tot ontbinding, dat in principe wordt genomen door de bevoegde algemene vergadering van deelnemers. In tegenstelling tot andere vereffeningen, wordt in dit geval op basis van artikel 196 de bepaling van de netto-inventariswaarde, evenals de uitvoering van de aanvragen tot uitgifte en inkoop van de rechten van deelneming dan wel compartimentswijziging niet geschorst. Hierdoor wordt vermeden dat de deelnemers gedurende meer dan drie maanden 'geblokkeerd' zijn in de master en kunnen deelnemers toch uittreden gedurende de vereffeningsprocedure. De mogelijkheid bestaat dat de deelnemers, nadat ze geïnformeerd zijn over de intentie of beslissing tot ontbinding, overgaan tot de inkoop van een substantieel aantal rechten van deelneming. Dit zou tot gevolg hebben dat de kosten verbonden aan de ontbinding gedragen moeten worden door een beperkt aantal overblijvende deelnemers. Om te vermijden dat de overblijvende deelnemers het geheel van deze kosten moeten dragen, heeft de master de verplichting om de nodige kosten te provisioneren vooraleer het oproepingsbericht wordt gepubliceerd dat de bevoegde algemene vergadering bijeenroept die zich over de ontbinding zal moeten uitspreken. Indien de kosten achteraf hoger blijken dan de provisionering, dienen de bijkomende kosten te worden gedragen door de personen die hiertoe in het prospectus zijn aangeduid. Tot slot werd de inhoud en formulering van artikel 83 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 31/03/2005 numac 2005022268 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor wat betreft hun opdrachten inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 30/03/2005 numac 2005000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling over de gemeentes van de vreemdelingen bedoeld in artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 januari 2000 sluiten licht aangepast in artikel 156. Via deze aanpassing wordt getracht een uniforme toepassing van de regel te verzekeren. B. Fusie en andere herstructureringen van instellingen voor collectieve belegging en van compartimenten Artikelen 159 tot 188 De regeling inzake fusie en andere herstructureringen van instellingen voor collectieve belegging en van compartimenten is sterk gewijzigd in functie van de regeling die Richtlijn 2009/65/EG invoert op het vlak van grensoverschrijdende fusies tussen (compartimenten van) geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging. Het uitgangspunt van deze regeling blijft het Wetboek van vennootschappen, maar de toepassing van meerdere bepalingen van het Wetboek van vennootschappen wordt op basis van artikel 84 van de wet uitgesloten. Teneinde de leesbaarheid van de tekst te verhogen, is in onderdeel B van Onderafdeling V systematisch enkel sprake van instellingen voor collectieve belegging, zonder dat daaraan telkens de uitdrukkelijke vermelding wordt toegevoegd dat ook compartimenten aan dezelfde regeling onderworpen zijn. Dat vloeit immers voort uit artikel 159, dat preciseert dat voor de toepassing van onderdeel B compartimenten worden beschouwd als instellingen voor collectieve belegging. Ook in dit verslag wordt dezelfde benadering gevolgd en worden dus doorgaans enkel de instellingen voor collectieve belegging vermeld (zonder daarbij telkens ook de compartimenten te vermelden). Artikel 160 bevat de verschillende categorieën van herstructureringen waarvoor onderdeel B van Onderafdeling V een regeling voorziet. De categorie opgenomen onder 1° is een restcategorie en viseert uiteenlopende hypotheses. Deze betreffen met name : - alle andere herstructureringen dan fusies tussen Belgische instellingen voor collectieve belegging, zoals splitsing of inbreng of overdracht van algemeenheid; - fusies waarbij enkel Belgische instellingen voor collectieve beleggingen betrokken zijn, maar waarbij niet alle instellingen voor collectieve belegging ICBE's zijn; - fusies waarbij enkel Belgische ICBE's zijn betrokken, maar geen enkele van deze instellingen voor collectieve belegging de mogelijkheid heeft om haar rechten van deelneming in een andere lidstaat te verhandelen. De categorieën 2° tot en met 5° hebben betrekking op fusies (niet op andere herstructureringen) waarbij enkel ICBE's betrokken zijn en waaraan een grensoverschrijdend aspect is verbonden (ofwel omdat zowel Belgische als buitenlandse ICBE's betrokken zijn, ofwel omdat minstens een van de betrokken Belgische ICBE's de mogelijkheid heeft om haar rechten van deelneming in een andere lidstaat te verhandelen). Het onderscheid tussen de onderscheiden categorieën is daarbij gebaseerd op het land van herkomst van de betrokken ICBE's, op de rol van de Belgische of buitenlandse ICBE's als op te slorpen dan wel verkrijgende instelling voor collectieve belegging en op het soort fusie. Zo is de categorie 4° de enige waarin de verkrijgende instelling voor collectieve belegging geen Belgische ICBE is. Categorie 6° betreft de bijzondere vorm van fusies zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, p), iii) van Richtlijn 2009/65/EG die inhoudt dat de op te slorpen ICB's niet meteen ophouden te bestaan. Belgische ICBE's kunnen enkel als verkrijgende ICB betrokken zijn bij dergelijke fusies (niet als op te slorpen ICB). Ter bescherming van de deelnemers voorziet artikel 161 dat de fusie of andere herstructurering niet tot gevolg mag hebben dat de deelnemer van een ICBE deelnemer zou worden van een instelling voor collectieve belegging die geen ICBE is. Eveneens ter bescherming van de deelnemers wordt voorzien dat de fusie of andere herstructurering enkel is toegelaten op voorwaarde dat de rechten van deelneming van de verkrijgende instelling voor collectieve belegging verhandeld kunnen worden in alle lidstaten waarin de op te slorpen, te splitsen, inbrengende of overdragende instellingen voor collectieve belegging gerechtigd waren hun rechten van deelneming te verhandelen. Artikel 162 voorziet dat de bijzondere vorm van fusies zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, p), iii) van Richtlijn 2009/65/EG (categorie 6° uit artikel 160) in hoofde van de verkrijgende (Belgische) ICBE en in hoofde van de deelnemers van de op te slorpen (buitenlandse) ICBE's wordt behandeld als een gewone fusie (naar gelang van het geval, door overname of door oprichting), met dien verstande dat niet het ganse vermogen van de op te slorpen ICBE (of ICBE'
  4. s)overgaat op de verkrijgende ICBE, doch enkel de netto-activa. Dat de op te slorpen ICBE's in dat geval blijven bestaan tot ze kwijting hebben gekregen voor hun uitstaande schulden, vloeit voort uit de buitenlandse wetgeving die dat soort fusies in hoofde van de op te slorpen ICBE('
  5. s)regelt. Via artikel 163 wordt onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid ingevoerd om over te gaan tot de fusie van één enkel compartiment of één enkel gemeenschappelijk beleggingsfonds door oprichting van een compartiment van een andere instelling voor collectieve belegging. Dit vormt een uitzondering op artikel 672 Wetboek van vennootschappen, dat voor het overige van overeenkomstige toepassing is. Deze nieuwe bepaling maakt het mogelijk om instellingen voor collectieve belegging op een efficiëntere wijze te structureren. Voorheen kon hetzelfde resultaat immers slechts bereikt worden via een procedure in twee fases, namelijk via de inbreng van het vermogen van een compartiment of gemeenschappelijk beleggingsfonds in een nieuw compartiment (van een andere instelling voor collectieve belegging) in een eerste fase, gevolgd door de ontbinding en vereffening van de inbrengende entiteit in een tweede fase. Ter bescherming van de deelnemers is dit enkel mogelijk op voorwaarde dat zij voor elk recht van deelneming in hun bezit recht hebben op één recht van deelneming van hetzelfde type (bv. kapitalisatie of uitkering) en van een gelijkaardige aandelenklasse (zoals gedefinieerd in artikel 5) van het verkrijgende compartiment. De artikelen 166, 169, 170 en 186 tot 188 bevatten regels over de tussenkomst van de FSMA bij de in artikel 160 bedoelde fusies en andere herstructureringen. Deze regels houden (voor de door de richtlijn geviseerde fusies bedoeld in artikel 160, 2° tot 6° ) rekening met de bevoegdheidsverdeling tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst van de betrokken ICBE's. Het zijn immers de bevoegde autoriteiten van lidstaat van herkomst van de op te slorpen ICBE's die de fusie voorafgaandelijk moeten goedkeuren, zij het dat deze goedkeuring niet kan worden verleend indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de verkrijgende ICBE laat weten dat zij de aan de deelnemers van de verkrijgende ICBE te verstrekken informatie ontoereikend vindt. Daarom schrijft de eerste paragraaf van artikel 166 voor dat Belgische instellingen voor collectieve belegging die bij de fusies of andere herstructureringen betrokken zijn als op te slorpen, te splitsen, inbrengende of overdragende instelling voor collectieve belegging (wat enkel het geval is in de hypotheses bedoeld in artikel 160, 1° tot 4° ), een voorafgaandelijke kennisgeving en dossier moeten bezorgen aan de FSMA met het oog op het bekomen van de goedkeuring. De tweede paragraaf legt ook de voorlegging van een aantal andere documenten - die krachtens de Belgische wetgeving moeten worden opgesteld maar niet zijn voorzien door de richtlijn - aan de FSMA op (zoals de oproeping voor de algemene vergadering en het ontwerp van persbericht over de afloop van de voorgenomen herstructurering). Paragraaf 3 legt die laatste verplichting ook op in de gevallen waarin de Belgische instellingen voor collectieve belegging enkel betrokken zijn als verkrijgende instellingen voor collectieve belegging. Artikel 167 schrijft voor dat alle bij de herstructurering betrokken instellingen voor collectieve belegging een gemeenschappelijk voorstel van fusie of andere herstructurering moeten opstellen. Artikel 167 schrijft de inhoud van die voorstellen voor. Op dat vlak wordt afgeweken van de normale voorschriften van het Wetboek van vennootschappen. Bovendien wordt door artikel 167, § 2, afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een bijzonder verslag van het bestuursorgaan over de fusie of andere herstructurering. Die verslagen bieden immers geen toegevoegde waarde voor de bescherming van de houders van rechten van deelneming in het licht van de informatie die specifiek voor instellingen voor collectieve belegging al dient te worden opgenomen (
  6. i)in het voorstel van fusie of andere herstructurering en (
  7. ii)in het informatiedocument dat aan elk van de deelnemers moet worden bezorgd.Bovendien strookt de inhoud van de verslagen die worden voorgeschreven door het Wetboek van vennootschappen niet met de werkwijze die geldt bij fusies of andere herstructureringen van instellingen voor collectieve belegging, inzonderheid voor wat betreft de vaststelling van de ruilverhouding of vergoeding (zie hierna). Hetzelfde geldt voor de verslagen over de inbreng in natura, in de mate althans dat het Wetboek van vennootschappen nog voorziet in de opstelling daarvan in het kader van de herstructurering. De bewaarders van de bij de herstructurering betrokken instellingen voor collectieve belegging hebben als taak om te controleren of een aantal van de in het gemeenschappelijke voorstel van fusie (of andere herstructurering) opgenomen gegevens in overeenstemming zijn met de wetgeving en met de statuten of het beheerreglement (artikel 171). De nieuwe regeling ter bepaling van de ruilverhouding (bij fusie of splitsing) of de vergoeding (bij inbreng of overdracht van algemeenheid) verdient ook te worden toegelicht. Deze regeling is afgestemd op het systeem voorzien door de richtlijn. Onder de nieuwe regeling (van artikel 167) dient het fusievoorstel (of voorstel van andere herstructurering) enkel de berekeningsmethode voor de ruilverhouding of vergoeding te bevatten, en niet de concrete ruilverhouding of vergoeding. Daarnaast dient het voorstel ook de criteria te bevatten die zijn vastgesteld voor de waardering van de activa en de passiva. De berekeningsmethode voor de bepaling van de ruilverhouding of vergoeding alsook de waarderingscriteria moeten worden gevalideerd door een bewaarder of een onafhankelijke auditor (artikel 172). De goedkeuring van de fusie of herstructurering door de deelnemers gebeurt op grond van die informatie, maar zonder dat de concrete ruilverhouding of vergoeding op dat moment al gekend is. Die worden immers pas berekend en gevalideerd na goedkeuring van de fusie of herstructurering door de deelnemers (artikelen 172 en 181). Het uitgangspunt van die aanpak is dat het belangrijker is : - dat de deelnemers weten dat de ruilverhouding of vergoeding zal zijn gebaseerd op de waarderingscriteria en de berekeningsmethode die zij goedkeuren; - dat de concrete waardering en berekening zal worden gevalideerd door een bewaarder of onafhankelijke auditor (die op dat vlak dus een belangrijke verantwoordelijkheid draagt); en - dat de berekening en validering plaatsvinden op een tijdstip dat dicht aansluit bij het tijdstip waarop de rechten van deelneming effectief zullen worden omgeruild (of de vergoeding effectief zal worden betaald); dan dat de deelnemers een concrete ruilverhouding of vergoeding kunnen goedkeuren waarvan de werkelijke waarde mogelijkerwijze nog aanzienlijk varieert tussen het tijdstip van de goedkeuring en het tijdstip waarop de fusie of herstructurering effectief ingaat. Concreet is het voor de deelnemers bijvoorbeeld belangrijker dat zij weten dat zij in ruil voor hun rechten van deelneming in de op te slorpen instelling voor collectieve belegging een aantal rechten van deelneming krijgen van de verkrijgende instelling voor collectieve belegging dat rekening houdt met de intrinsieke waardes op een tijdstip dat nauw aansluit bij het tijdstip van de omruiling, dan dat zij weten of zij per bestaande recht van deelneming nu 2,3 dan wel 2,4 rechten van deelneming van de verkrijgende instelling voor collectieve belegging krijgen. De deelnemers zullen achteraf wel op de hoogte worden gebracht van de precieze ruilverhouding of vergoeding via het persbericht dat moet worden gepubliceerd wanneer de herstructurering is voltrokken (artikel 183). De soepele voorschriften over de identiteit van de bewaarder of onafhankelijke auditor die een verslag dient op te stellen, zorgen er ook voor dat alvast de Belgische regels niet beletten dat één enkel verslag wordt opgesteld voor alle betrokken instellingen voor collectieve belegging (zoals voorzien door overweging
(31)van de richtlijn). Dat verslag vervangt het verslag van de commissaris zoals voorgeschreven door het Wetboek van vennootschappen (artikel 172, § 2). Nieuw is ook de verplichting voor de bij de herstructurering betrokken instellingen voor collectieve belegging om hun deelnemers individueel via een informatiedocument te informeren over de voorgenomen herstructurering. Deze verplichting, opgenomen in artikel 173, rust zowel op de op te slorpen, te splitsen, inbrengende en overdragende instelling voor collectieve belegging als op de verkrijgende instelling voor collectieve belegging. De inhoud van het document, waarvan de informatie beknopt en in niet-technische bewoordingen moet zijn vastgesteld, wordt gedetailleerd omschreven in artikel 173. De betrokken instellingen voor collectieve belegging mogen het document aanvullen met andere voor de herstructurering relevante informatie. Ook als het informatiedocument wordt aangevuld met een samenvatting van de herstructureringsoperatie, ontheft dit de instelling voor collectieve belegging niet van de verplichting om in de rest van het informatiedocument het gebruik van lange of technische toelichtingen te vermijden. Dit informatiedocument mag pas aan de deelnemers worden bezorgd na goedkeuring van de voorgenomen herstructurering door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de op te slorpen ICBE's (of, in het geval van een andere herstructurering dan een fusie, na goedkeuring door de FSMA) (artikel 174). Anderzijds dient dit informatiedocument ook tijdig te worden bezorgd aan de deelnemers, zodat zij over voldoende tijd beschikken om desgevallend hun recht uit te oefenen om hun rechten van deelneming te laten inkopen of terugbetalen of eventueel te laten omzetten (overeenkomstig artikel 179). Artikel 177 bepaalt dat de informatie aan de deelnemers moet worden verstrekt op papier of, onder bepaalde voorwaarden, op een andere duurzame drager. Deze laatste mogelijkheid viseert bijvoorbeeld het gebruik van e-mail en moet het mogelijk maken om de informatie op een kostenefficiëntere wijze te verspreiden. De voorwaarden waaronder dit is toegelaten, stemmen overeen met die van artikel 5 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 15/08/2002 numac 2002021304 bron federale overheidsdienst kanselarij en algemene diensten Wet tot wijziging van de wet betreffende de afschaffing of herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, gecoördineerd op 13 maart 1991 sluiten0 tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten. De instelling voor collectieve belegging kan haar deelnemers rechtstreeks informeren, dan wel via een tussenpersoon. In bepaalde omstandigheden kent de instelling voor collectieve belegging de identiteit van (sommige van) haar deelnemers immers niet. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor de houders van gedematerialiseerde rechten van deelneming die zijn ingeschreven bij een rekeninghouder. In dat geval kan de instelling voor collectieve belegging de informatie bezorgen aan de keten van de rekeninghouders, die zelf de informatie doorgeven aan de bij of via hen ingeschreven deelnemers. Wel moet gewaarborgd worden dat alle deelnemers de informatie te gepasten tijde ontvangen. Tot eind 2013 dient een bij de herstructurering betrokken instelling voor collectieve belegging het informatiedocument enkel te bezorgen aan houders van rechten van deelneming die gedematerialiseerd of op naam zijn. Gezien de moeilijkheden om houders van rechten van deelneming aan toonder te identificeren en contacteren, zijn de instellingen voor collectieve belegging niet verplicht om het document ook aan deze deelnemers te verstrekken. Omdat het informatiedocument niet verplicht moet worden bezorgd aan de houders van rechten van deelneming aan toonder, moet de oproeping tot de algemene vergadering tot eind december 2013 in beginsel een aantal bijkomende vermeldingen bevatten (artikel 229). Indien

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.