← België

Wet tot omzetting van richtlijn 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019, van richtlijn 2019/879 van het Europees Parlement en d

In het kort

Deze wet zet verschillende Europese richtlijnen om in Belgisch recht, voornamelijk gericht op het versterken van het toezicht op financiële instellingen en het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering. Het doel is onder meer om bij te dragen aan het herstel na de COVID-19-crisis en de stabiliteit van de financiële sector te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

11 JULI 2021. - Wet tot omzetting van richtlijn 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019, van richtlijn 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019, van richtlijn 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019, van richtlijn 2019/2177 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2019, van richtlijn 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 en houdende diverse bepalingen

(1)FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1 - Algemene bepalingen Artikel 1.De bepalingen van deze wet regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Art. 2.§
  1. Deze wet voorziet in de omzetting van richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen en in de omzetting, wat betreft de omzettingstermijn van die richtlijn 2019/878, van artikel 2 van richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/878 wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-crisis. §
  2. Deze wet voorziet in de omzetting van richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en richtlijn 98/26/EG. §
  3. De artikelen 303 tot 309 van deze wet zorgen voor de omzetting in Belgisch recht, wat de wijzigingen van richtlijn (EU) 2015/849 betreft, van de bepalingen van richtlijn 2019/2177 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 tot wijziging van richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten, en van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering. §
  4. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU. HOOFDSTUK 2 - Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België Art. 3.In artikel 35, § 3 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij de wet van 13 maart 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten2, worden de woorden "de artikelen 12, § 1" vervangen door de woorden "de artikelen 8, 12, § 1". Art. 4.In artikel 36/6, § 2, 2° van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1, worden de woorden ", met inbegrip van de criteria voor de toepassing van het evenredigheidsbeginsel bedoeld in het vierde lid van het genoemde artikel 142," ingevoegd tussen de woorden "en beursvennootschappen" en de woorden "en in de artikelen 318 tot 321 van de wet van 13 maart 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten2". Art. 5.In artikel 36/11, § 6 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003196 bron federale overheidsdienst financien Wet tot invoering van mechanismen voor een macropridentieel beleid en tot vaststelling van de specifieke taken van de Nationale Bank van België in het kader van haar opdracht om bij te dragen tot de stabiliteit van de financiële sector type wet prom. 25/04/2014 pub. 14/05/2014 numac 2014009199 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen betreffende Justitie type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten, wordt het eerste lid vervangen als volgt: "De Sanctiecommissie maakt haar beslissingen nominatief bekend op de website van de Bank voor een duur van minstens vijf jaar, tenzij deze bekendmaking de financiële stabiliteit of een lopend strafrechtelijk onderzoek of een lopende strafrechtelijke procedure in het gedrang dreigt te brengen of onevenredig nadeel dreigt te berokkenen aan de betrokken personen of instellingen. In dat geval wordt de beslissing niet-nominatief bekendgemaakt op de website van de Bank. Indien er een beroep is ingesteld tegen de sanctiebeslissing, wordt zij niet-nominatief bekendgemaakt in afwachting van de uitslag van de beroepsprocedures, met de vermelding dat dit beroep is ingesteld. Latere informatie over de uitkomst van het beroep, met inbegrip van een beslissing tot vernietiging van de sanctiebeslissing, wordt eveneens bekendgemaakt.". Art. 6.Artikel 36/14, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2020Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten9, wordt aangevuld met de bepaling onder 26°, luidende: "26° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de financiële inlichtingeneenheden bedoeld in artikel 4, 15° van de wet van 18 september 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten3 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.". Art. 7.In dezelfde wet wordt artikel 36/15, opgeheven bij de wet van 20 juli 2020Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten9, hersteld als volgt: "Art. 36/15.§
  5. In afwijking van artikel 35 en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie mag de Bank ook vertrouwelijke informatie meedelen: 1° aan het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, met het oog op beoordelingen voor het Financial Sector Assessment Programme;2° aan de Bank voor Internationale Betalingen, met het oog op kwantitatieve effectenstudies;3° aan de Raad voor financiële stabiliteit, met het oog op zijn controlefunctie. §
  6. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken instelling en indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het verzoek is naar behoren gemotiveerd in het licht van de specifieke taken die door de verzoekende instelling in overeenstemming met haar opdrachten worden verricht en de meegedeelde informatie is bijgevolg beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van deze taken;2° het verzoek is nauwkeurig genoeg wat de aard, reikwijdte en vorm van de gevraagde informatie, alsook de wijze van mededeling ervan betreft;3° de informatie wordt uitsluitend meegedeeld aan de personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de specifieke taak;4° de verzoekende instelling is wat de informatie betreft aan een beroepsgeheim gebonden dat te vergelijken is met dat als bedoeld in artikel
  7. §
  8. De mededeling van vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 mag enkel in geaggregeerde of geanonimiseerde vorm gebeuren, of, bij ontstentenis, door tot deze informatie toegang te geven in de lokalen van de Bank. §
  9. Voor zover de mededeling van informatie de verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt, voldoet de verwerking van persoonsgegevens door de verzoekende instelling aan de voorschriften van Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).". Art. 8.In dezelfde wet wordt het opschrift van Hoofdstuk IV/4 als volgt vervangen: "Hoofdstuk IV/
  10. Specifieke opdrachten van de Bank in verband met het voorkomen en het beheer van crisissen en risico's in de financiële sector.". Art. 9.In Hoofdstuk IV/4 van dezelfde wet wordt een artikel 36/48 ingevoegd, luidende: "Art. 36/48.De Bank oefent de opdrachten uit waarmee zij als sectorale overheid voor de sector financiën is belast krachtens de wet van 1 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2011 pub. 15/07/2011 numac 2011000399 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren type wet prom. 01/07/2011 pub. 31/10/2011 numac 2011000679 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de beveiliging en de bescherming van kritieke infrastructuren. - Duitse vertaling sluiten betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren.". Art. 10.In hetzelfde Hoofdstuk IV/4 wordt een artikel 36/49 ingevoegd, luidende: "Art. 36/49.De Bank wordt aangeduid als administratieve overheid in de zin van artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 05/09/2002 numac 2002009809 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot aanvulling van artikel 33, § 1, eerste lid van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002015133 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Republiek Roemenië inzake politiesamenwerking, en ondertekende Bijlage, gedaan te Boekarest op 14 april 1999
(2)type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002009820 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen type wet prom. 02/08/2002 pub. 07/08/2002 numac 2002009716 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties sluiten0 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. De Bank is bevoegd voor de entiteiten van de sector financiën die zij als kritieke infrastructuur identificeert krachtens de wet van 1 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2011 pub. 15/07/2011 numac 2011000399 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren type wet prom. 01/07/2011 pub. 31/10/2011 numac 2011000679 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de beveiliging en de bescherming van kritieke infrastructuren. - Duitse vertaling sluiten betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren." Art. 11.In hetzelfde Hoofdstuk IV/4 wordt een artikel 36/50 ingevoegd, luidende: "Art. 36/50.§
  1. De Bank oefent de opdrachten bedoeld in dit hoofdstuk uitsluitend in het algemeen belang uit. De Bank, de leden van haar organen en haar personeelsleden zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun beslissingen, niet-optreden, handelingen of gedragingen in het kader van de uitoefening van deze opdrachten, behalve in geval van bedrog of zware fout. §
  2. De Bank kan de werkingskosten die betrekking hebben op haar opdrachten bedoeld in de eerste paragraaf verhalen op de entiteiten ten aanzien waarvan zij die opdrachten uitoefent, volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning. De Bank kan de Algemene Administratie van de inning en invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën belasten met de inning van de onbetaalde vergoedingen.". HOOFDSTUK 3 - Wijzigingen van de wet van 28 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten houdende omzetting van richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen Art. 12.In artikel 1/1 van de wet van 28 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten houdende omzetting van richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen, laatst gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt: "3° "centrale tegenpartij": een centrale tegenpartij als bedoeld in artikel 2, punt 1) van Verordening (EU) nr.648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;"; 2° in het bepaalde onder 6° worden de woorden "of een systeemexploitant" vervangen door de woorden ", een systeemexploitant of een clearinglid van een centrale tegenpartij waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 648/2012". HOOFDSTUK 4 - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 05/09/2002 numac 2002009809 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot aanvulling van artikel 33, § 1, eerste lid van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002015133 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Republiek Roemenië inzake politiesamenwerking, en ondertekende Bijlage, gedaan te Boekarest op 14 april 1999
(2)type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002009820 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen type wet prom. 02/08/2002 pub. 07/08/2002 numac 2002009716 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties sluiten betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten Art. 13.In artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 05/09/2002 numac 2002009809 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot aanvulling van artikel 33, § 1, eerste lid van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002015133 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Republiek Roemenië inzake politiesamenwerking, en ondertekende Bijlage, gedaan te Boekarest op 14 april 1999
(2)type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002009820 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen type wet prom. 02/08/2002 pub. 07/08/2002 numac 2002009716 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties sluiten betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, laatst gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten8, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° er wordt een bepaling onder 10° /1 ingevoegd, luidende: "10° /1 "lidstaat": een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER)";2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 73° tot 76°, luidende: "73° "Verordening 575/2013": Verordening (EU) Nr.575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; 74° "achtergesteld in aanmerking komend passief": een in aanmerking komend passief dat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 72bis van Verordening 575/2013, met uitzondering van artikel 72bis, lid 1, punt b), en artikel 72ter, leden 3 tot 5, van die Verordening;75° "aanvullend-tier 1-instrumenten": de instrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van Verordening 575/2013;76° "tier 2-instrumenten": de instrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening 575/2013". Art. 14.In dezelfde wet wordt een artikel 30quater ingevoegd, luidende: "Art. 30quater.Onverminderd de regels die van toepassing zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, zijn alle verkopen en andere overdrachten onder levenden, om niet of onder bezwarende titel, aan niet-professionele cliënten, van achtergestelde in aanmerking komende passiva, van aanvullend-tier 1-instrumenten of van tier 2-instrumenten met een minimumdenominatiebedrag van minder dan 100 000 euro, op het Belgisch grondgebied of vanuit België verboden.". HOOFDSTUK 5 - Wijzigingen van de wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/2011 pub. 30/12/2011 numac 2011021115 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten op het Afwikkelingsfonds Art. 15.In artikel 6/1, § 4 van de wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/2011 pub. 30/12/2011 numac 2011021115 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten op het Afwikkelingsfonds, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten0, worden de woorden "in aanmerking komende verplichtingen" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden". HOOFDSTUK 6 - Wijzigingen in de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003196 bron federale overheidsdienst financien Wet tot invoering van mechanismen voor een macropridentieel beleid en tot vaststelling van de specifieke taken van de Nationale Bank van België in het kader van haar opdracht om bij te dragen tot de stabiliteit van de financiële sector type wet prom. 25/04/2014 pub. 14/05/2014 numac 2014009199 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen betreffende Justitie type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen Art. 16.In het opschrift van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003196 bron federale overheidsdienst financien Wet tot invoering van mechanismen voor een macropridentieel beleid en tot vaststelling van de specifieke taken van de Nationale Bank van België in het kader van haar opdracht om bij te dragen tot de stabiliteit van de financiële sector type wet prom. 25/04/2014 pub. 14/05/2014 numac 2014009199 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen betreffende Justitie type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt. Art. 17.In artikel 1 van dezelfde wet worden de paragrafen 2 en 3 vervangen als volgt: " § 2. Om het spaarderspubliek, de beleggers en de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te beschermen, regelt deze wet de vestiging en de werkzaamheden van, alsook het toezicht op in België werkzame kredietinstellingen, en hun eventuele afwikkeling. Hiertoe bepaalt zij de toezichtsopdracht van de Nationale Bank van België, in haar hoedanigheid van nationale bevoegde autoriteit, met name in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme. De Boeken I tot XI en de Bijlagen I tot VI bij deze wet zorgen voor de gedeeltelijke, tot de kredietinstellingen beperkte omzetting - van Richtlijn 2013/36/EU; - van richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat ("FICOD I"-Richtlijn), hierna "de FICOD I-Richtlijn" genoemd; - van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad, hierna "Richtlijn 2014/59/EU" genoemd; - van Richtlijn 2014/65/EU; - van richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels, hierna "Richtlijn 2014/49/EU" genoemd; evenals - van richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels, hierna "Richtlijn 97/9/EG" genoemd. § 3. Onder "kredietinstelling" wordt verstaan: 1° een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening;en 2° een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het verrichten van beleggingsdiensten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, indien:
  1. a)de onderneming is geen grondstoffen- en emissierechtenhandelaar, instelling voor collectieve belegging, alternatieve instelling voor collectieve belegging of verzekeringsonderneming;
  2. b)aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: (
  3. i)de totale waarde van de geconsolideerde activa van de onderneming is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard euro; (
  4. ii)de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard euro, maar de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen die groep, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard euro aan totale activa bezitten, en die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of meer dan 30 miljard euro bedraagt; of (iii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard euro, maar de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen de groep die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of meer dan 30 miljard euro bedraagt, wanneer de consoliderende toezichthouder in overleg met het college van bevoegde autoriteiten daartoe beslist om potentiële risico's van omzeiling van de regelgeving en potentiële risico's voor de financiële stabiliteit van de Europese Unie aan te pakken; en
  5. c)de onderneming valt niet onder de vrijstellingen bedoeld in artikel 4, § 1 van de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1. Voor de toepassing van punt 2°, b), onder (
  6. ii)en (iii), worden, wanneer de onderneming deel uitmaakt van een groep uit een derde land, de totale activa van ieder bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan een vergunning is verleend in de Europese Unie in de zin van artikel 218/1, § 2, 2° meegerekend in de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen van de groep. Voor de toepassing van deze wet worden diensten die bestaan in het in ontvangst nemen van terugbetaalbare geldmiddelen en het verlenen van kredieten en die uitsluitend worden aangeboden of verstrekt aan Amerikaanse onderdanen die tewerkgesteld zijn in de militaire bases, of bij de ondersteunende diensten ervan, van het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa (SHAPE) die aanwezig zijn op het Belgische grondgebied in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), of bij de vertegenwoordiging van de regering van de Verenigde Staten op het Belgische grondgebied, evenals aan dergelijke personen die gepensioneerd zijn, en aan personen die deel uitmaken van het gezin van de voornoemde Amerikaanse onderdanen, beschouwd als diensten die niet aan het publiek in België worden aangeboden of verstrekt.". Art. 18.In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt: "4° de toezichthouder: de Bank of de Europese Centrale Bank, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens de GTM-verordening, voor wat betreft het toezicht op de kredietinstellingen;"; 2° er wordt een bepaling onder 8° /8 ingevoegd, luidende: "8° /8 Richtlijn 2015/849/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie;"; 3° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt: "10° bevoegde autoriteit: een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van Richtlijn 2013/36/EU officieel erkend is door het nationaal recht van een lidstaat en die op grond van dat nationaal recht gemachtigd is toezicht uit te oefenen op kredietinstellingen in het kader van het toezichtstelsel van die staat, evenals, in voorkomend geval, de Europese Centrale Bank, uit hoofde van haar bevoegdheden in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme;"; 4° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt: "12° autoriteit van een derde land: een autoriteit die belast is met het toezicht op de kredietinstellingen in een derde land;"; 5° er wordt een bepaling onder 24° /2 ingevoegd, luidende: "24° /2 wet van 18 september 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten3: de wet van 18 september 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten3 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;"; 6° de bepaling onder 30° wordt vervangen als volgt: "30° significante kredietinstelling: een kredietinstelling die voldoet aan minstens een van de volgende voorwaarden:
  7. a)een systeemrelevante kredietinstelling;
  8. b)een kredietinstelling die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staat;
  9. c)een kredietinstelling waarvan de waarde van de activa bepaald op grond van artikel 24 van Verordening nr.575/2013 gemiddeld en op individuele basis, of, indien niet beschikbaar, op geconsolideerde basis, meer dan 5 miljard euro bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar. De toezichthouder kan beslissen dat een kredietinstelling die voldoet aan de voorwaarde onder
  10. b)en die de onder
  11. c)bepaalde drempel niet overschrijdt als niet significante kredietinstelling wordt aangemerkt wegens haar omvang, haar interne organisatie en de aard, de omvang, de complexiteit en het grensoverschrijdende karakter van haar werkzaamheden;"; 7° er wordt een bepaling onder 33° /1 ingevoegd, luidende: "33° /1 beursvennootschap: een beleggingsonderneming naar Belgisch of buitenlands recht waarvan de werkzaamheden met name bestaan in het verrichten:
  12. a)van beleggingsdiensten die bestaan in: - het handelen voor eigen rekening; - het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie; - het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie; - het uitbaten van multilaterale handelsfaciliteiten; of - het uitbaten van georganiseerde handelsfaciliteiten; en/of;
  13. b)van nevendiensten die bestaan in: - bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarnemingsdiensten en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer en met uitzondering van het centraal aanhouden van effectenrekeningen op het hoogste niveau; - het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een transactie in één of meer financiële instrumenten te verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt, betrokken is; - valutawisseldiensten voor zover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten; of - diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten; voor zover aan geen enkele van de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°,
  14. b)is voldaan."; 8° de bepaling onder 38° wordt vervangen als volgt: "38° financiële holding: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, en die geen gemengde financiële holding is.De dochterondernemingen van een financiële instelling zijn hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen indien ten minste één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is en indien meer dan 50 % van het eigen vermogen, de geconsolideerde activa, de inkomsten, het personeel van de financiële instelling of een andere indicator die als relevant wordt beschouwd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding is gevestigd, en, indien dit een andere autoriteit is, in overleg met de consoliderende toezichthouder, verbonden is met dochterondernemingen die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;"; 9° de bepaling onder 41° wordt vervangen als volgt: "41° financiële instelling: een onderneming die geen kredietinstelling en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot 12 en punt 15 van de in artikel 4 opgenomen lijst;"; 10° de bepaling onder 46° wordt vervangen als volgt: "46° kritieke functies: de werkzaamheden, diensten of verrichtingen van een kredietinstelling waarvan het waarschijnlijk is dat de onderbreking tot een verstoring leidt, in België of in een of meer andere lidstaten, van diensten die essentieel zijn voor de reële economie, of de financiële stabiliteit verstoort, wegens de omvang, het marktaandeel, de verwevenheid met entiteiten binnen en buiten de groep, de complexiteit of de grensoverschrijdende werkzaamheden van de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt, met bijzondere aandacht voor de vervangbaarheid van die werkzaamheden, diensten of verrichtingen;"; 11° de bepaling onder 50° wordt vervangen als volgt: "50° herstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 108 wordt opgesteld door een kredietinstelling;"; 12° de bepaling onder 51° wordt vervangen als volgt: "51° afwikkelingsplan: een plan dat overeenkomstig artikel 226 voor een kredietinstelling wordt opgesteld door de afwikkelingsautoriteit;"; 13° de bepaling onder 53° wordt vervangen als volgt: "53° afwikkelbaarheid: de mogelijkheid voor een afwikkelingsautoriteit om een kredietinstelling, een groep als bedoeld in artikel 423, 12° of een entiteit als bedoeld in artikel 424 af te wikkelen;"; 14° de bepaling onder 56° wordt vervangen als volgt: "56° saneringsmaatregelen: de maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen en van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten.Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen bestaan deze maatregelen in:
  15. a)de afwikkelingsinstrumenten en de desbetreffende afwikkelingsbevoegdheden als bedoeld in Boek II, Titel VIII;
  16. b)de in artikel 236, § 1, 1° bedoelde aanstelling van een speciaal commissaris;
  17. c)de schorsing of het verbod tot uitoefening van alle of een deel van de werkzaamheden, als bedoeld in artikel 236, § 1, 4° ;"; 15° de bepaling onder 57° wordt vervangen als volgt: "57° saneringsautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van saneringsmaatregelen. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen zijn dit de afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder wat hun respectieve bevoegdheid inzake saneringsmaatregelen betreft;"; 16° de bepaling onder 59° wordt vervangen als volgt: "59° liquidatieprocedure: een collectieve procedure die door administratieve of rechterlijke autoriteiten wordt ingeleid en gecontroleerd teneinde de activa van een kredietinstelling onder toezicht van deze autoriteiten te gelde te maken.Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen stemt een dergelijke procedure overeen met een faillissement als geregeld bij Boek XX van het wetboek van economisch recht;"; 17° de bepaling onder 60° wordt vervangen als volgt: "60° vereffening: de tegeldemaking van de activa van een kredietinstelling volgens een liquidatieprocedure;"; 18° de bepaling onder 61° wordt vervangen als volgt: "61° liquidatieautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen is dit de insolventierechtbank wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen betreft;"; 19° de bepaling onder 63° wordt vervangen als volgt: "63° strategische beslissing: 1) een beslissing genomen door een kredietinstelling of door een entiteit waarover zij controle heeft, wanneer deze beslissing een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de instelling, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de instelling, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de instelling, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere instelling, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing, of in de mate dat zij leidt tot de initiële toelating van de kapitaalvertegenwoordigende effecten tot de handel op een handelsplatform.Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de instellingen, of, in voorkomend geval, de groep waartoe ze behoren. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar; 2) elke beslissing die gelijkaardige gevolgen heeft voor de kredietinstelling en die genomen wordt door een aandeelhouder die controle uitoefent over de instelling;"; 20° de bepaling onder 64° wordt vervangen als volgt: "64° bijkantoor: een bedrijfszetel die een deel zonder rechtspersoonlijkheid vormt en rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, handelingen verricht die specifiek zijn voor de werkzaamheden van een kredietinstelling;verschillende bedrijfszetels in eenzelfde staat van een kredietinstelling met maatschappelijke zetel in een andere staat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;"; 21° de bepaling onder 67° wordt vervangen als volgt: "67° uitzonderlijke overheidssteun: elke staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die aan een kredietinstelling wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit van deze kredietinstelling te vrijwaren of te herstellen;"; 22° de bepaling onder 75° wordt vervangen als volgt: "75° derde bemiddelaar: een bemiddelaar als bedoeld in artikel 65/1 waarbij een kredietinstelling tegoeden van cliënten deponeert;"; 23° de bepaling onder 83° wordt vervangen als volgt: "83° onafhankelijk bestuurder of onafhankelijk lid van het wettelijk bestuursorgaan: personen die voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Bankautoriteit, in voorkomend geval samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, en aan de volgende criteria:
  18. a)gedurende een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan hun benoeming, noch in de kredietinstelling, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, een mandaat van uitvoerend lid van het bestuursorgaan, een functie van lid van de directieraad of van het directiecomité of van persoon belast met het dagelijks bestuur hebben uitgeoefend;
  19. b)niet meer dan drie opeenvolgende mandaten als niet uitvoerend lid in het bestuursorgaan hebben uitgeoefend, zonder dat dit tijdvak langer mag zijn dan twaalf jaar;
  20. c)gedurende een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan hun benoeming, geen deel hebben uitgemaakt van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/09/1948 pub. 06/07/2010 numac 2010000388 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende organisatie van het bedrijfsleven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende organisatie van het bedrijfsleven, van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
  21. d)geen vergoeding of ander belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen of hebben ontvangen van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, buiten de tantièmes en de vergoeding die zij eventueel ontvangen of hebben ontvangen als niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of als lid van het toezichthoudend orgaan;
  22. e)
  23. i)geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de kredietinstelling;
  24. ii)indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen: - mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde kredietinstelling worden aangehouden door vennootschappen waarover de onafhankelijke bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten of van een soort aandelen van de kredietinstelling; of - mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het onafhankelijk lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan; - in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;
  25. f)geen significante zakelijke relatie hebben of in het voorbije boekjaar hebben gehad met de kredietinstelling of met een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen of Verenigingen, noch rechtstreeks noch als vennoot, aandeelhouder, lid van het bestuursorgaan of lid van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/09/1948 pub. 06/07/2010 numac 2010000388 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende organisatie van het bedrijfsleven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende organisatie van het bedrijfsleven, van een vennootschap of persoon die een dergelijke relatie onderhoudt;
  26. g)in de voorbije drie jaar geen vennoot of werknemer zijn geweest van de huidige of vorige commissaris van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
  27. h)geen uitvoerend lid zijn van het bestuursorgaan van een andere vennootschap waarin een uitvoerend lid van het bestuursorgaan van de kredietinstelling zitting heeft in de hoedanigheid van niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of lid van het toezichthoudend orgaan, en geen andere belangrijke banden hebben met de uitvoerende leden van het bestuursorgaan van de kredietinstelling uit hoofde van functies bij andere vennootschappen of organen;
  28. i)geen echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwanten tot de tweede graad hebben die in de kredietinstelling of in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, een mandaat van lid van het bestuursorgaan, lid van de directieraad, lid van het directiecomité, persoon belast met het dagelijks bestuur of lid van het leidinggevend personeel, in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/09/1948 pub. 06/07/2010 numac 2010000388 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende organisatie van het bedrijfsleven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende organisatie van het bedrijfsleven, uitoefenen, of die zich in een van de andere in de punten
  29. a)tot
  30. h)beschreven gevallen bevinden. Het benoemingsbesluit maakt melding van de motieven op grond waarvan de hoedanigheid van onafhankelijk bestuurder wordt toegekend. De Koning, alsook de statuten, kunnen in bijkomende of strengere criteria voorzien. Mits hiervoor een terdege onderbouwde rechtvaardiging wordt verstrekt en onder voorbehoud van een andersluidende beoordeling door de toezichthouder, die de gegrondheid van deze rechtvaardiging verifieert, kan een kredietinstelling van de voornoemde criteria afwijken.;"; 24° het wordt aangevuld met een bepaling onder 84°, luidende: "84° grondstoffen- en emissierechtenhandelaar: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten met betrekking tot grondstoffenderivaten of grondstofgerelateerde derivatencontracten als bedoeld in de punten e), f), g), i en
  31. j)van artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 05/09/2002 numac 2002009809 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot aanvulling van artikel 33, § 1, eerste lid van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002015133 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Republiek Roemenië inzake politiesamenwerking, en ondertekende Bijlage, gedaan te Boekarest op 14 april 1999
(2)type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002009820 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen type wet prom. 02/08/2002 pub. 07/08/2002 numac 2002009716 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties sluiten of emissierechtengerelateerde derivatencontracten als bedoeld in punt
  1. d)van dat artikel, of emissierechten als bedoeld in punt
  2. k)van dat artikel;"; 25° het wordt aangevuld met de bepalingen onder 85°, 86°, 87°, 88°, 89°, 90°, 91°, 92° en 93°, luidende: "85° groep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling is en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;86° groep uit een derde land: een groep waarvan de moederonderneming onder een derde land ressorteert;87° genderneutraal beloningsbeleid: een beloningsbeleid dat gebaseerd is op gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid;88° MSI: een mondiaal systeemrelevante kredietinstelling als bedoeld in artikel 12, tweede lid van Bijlage IV;89° BSI: een binnenlandse systeemrelevante instelling als bedoeld in artikel 12, derde lid van Bijlage IV;90° risico van buitensporige hefboomwerking: het risico dat voortvloeit uit de kwetsbaarheid van een instelling als gevolg van een hefboomwerking of mogelijke hefboomwerking die onbedoelde corrigerende maatregelen in haar bedrijfsplan kan vereisen, met inbegrip van noodverkopen van activa die in verliezen of waarderingsaanpassingen in haar resterende activa kunnen resulteren;91° hefboomratio: het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1,
  3. d)van Verordening nr.575/2013; 92° hefboomratiobuffer: het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr.575/2013; 93° niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling of niet-EU MSI: een mondiaal systeemrelevante kredietinstelling of bankgroep (MSB) die geen MSI is en is opgenomen in de lijst met MSB's die wordt bekendgemaakt door de Raad voor financiële stabiliteit;". Art. 19.In artikel 8 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt: "Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de toezichthouder gestelde voorwaarden en waarin met name het programma van werkzaamheden is opgenomen, in het bijzonder de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen alsook de organisatiestructuur van de instelling, inzonderheid een beschrijving van de in artikel 21, § 1 bedoelde regelingen, processen en mechanismen, en de nauwe banden die zij heeft met andere personen, waarbij met name de moederondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings binnen de groep worden vermeld. In de aanvraag wordt ook vermeld of de voorgenomen werkzaamheden de in de punten 1° of 2° van artikel 1, § 3, eerste lid bedoelde werkzaamheden zijn. De aanvragers moeten bovendien alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.". Art. 20.Artikel 12 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten4, wordt aangevuld met een lid, luidende: "Indien de vergunning wordt verleend, wordt in de beslissing over de vergunning vermeld of de kredietinstelling een vergunning verkrijgt als kredietinstelling in de zin van punt 1° of punt 2° van artikel 1, § 3, eerste lid.". Art. 21.In artikel 14 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt: "De toezichthouders stellen een lijst op van de kredietinstellingen waaraan krachtens dit Boek een vergunning is verleend, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2° van artikel 1, § 3, eerste lid. Die lijst alsook de bijlage bedoeld in het tweede lid en alle daarin aangebrachte wijzigingen, worden op hun website bekendgemaakt en ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.". Art. 22.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk I, Afdeling II van dezelfde wet wordt een artikel 14/1 ingevoegd, luidende: "Art. 14/1.Wanneer een onderneming die een vergunning als beursvennootschap heeft verkregen, voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moet zij overeenkomstig artikel 8 een vergunningsaanvraag indienen uiterlijk op de dag waarop: 1° het gemiddelde van haar maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, gelijk is aan of meer bedraagt dan 30 miljard euro;of 2° hoewel het gemiddelde van haar maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, minder bedraagt dan 30 miljard euro, de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen in de groep waartoe de beursvennootschap behoort, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard euro aan totale activa bezitten en die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard euro, beide berekend als gemiddelde over een periode van twaalf opeenvolgende maanden. De artikelen 9 tot 14 zijn van toepassing op deze aanvraag, met dien verstande dat de toezichthouder garandeert dat de vergunningsprocedure zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie die in het kader van het vorige toezichtsstatuut is verkregen. De in het eerste lid bedoelde ondernemingen mogen de in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, bedoelde activiteiten blijven uitoefenen totdat de overeenkomstig het eerste lid gevraagde vergunning wordt verkregen of geweigerd, met dien verstande dat zij tot op die datum onderworpen blijven aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van Boek XII en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan.". Art. 23.Artikel 19, § 1 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende: "De toezichthouder gaat met name na of aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan als hij goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met die kredietinstelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop.". Art. 24.Artikel 21 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten4, wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende: " § 5. Wanneer aan een kredietinstelling ontheffing is verleend met toepassing van artikel 7 van Verordening nr. 575/2013, bepaalt de toezichthouder in welke mate en op welke wijze de kredietinstelling ook kan worden vrijgesteld van de verplichtingen van dit artikel.". Art. 25.In artikel 31, § 2, eerste lid, 1°, van dezelfde wet wordt het tweede lid aangevuld met de woorden "en worden meegedeeld aan de toezichthouder, zodat hij de nodige vergelijkende analyses kan uitvoeren van de praktijken op het gebied van diversiteit. De toezichthouder geeft deze informatie door aan de Europese Bankautoriteit.". Art. 26.In artikel 33 van dezelfde wet, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt: " § 1. Kredietinstellingen die niet significant zijn, zijn vrijgesteld van de verplichting om binnen hun wettelijk bestuursorgaan de twee comités als bedoeld in de artikelen 30 en 31 op te richten en kunnen bovendien bepalen dat één enkel comité instaat voor de taken van de comités bedoeld in de artikelen 28 en 29.". Art. 27.Artikel 44 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1, wordt vervangen als volgt: "Art. 44.Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, moeten aansluiten bij een collectieve depositobeschermingsregeling overeenkomstig artikel 380 van deze wet. Wanneer deze kredietinstellingen beleggingsdiensten en/of -activiteiten verrichten moeten zij bovendien aansluiten bij een collectieve beleggersbeschermingsregeling overeenkomstig artikel 384/2 van deze wet. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moeten aansluiten bij een collectieve beleggersbeschermingsregeling overeenkomstig artikel 384/2 van deze wet.". Art. 28.Artikel 47 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1, wordt aangevuld met een lid, luidende: "Onverminderd het vierde en vijfde lid wordt, wanneer de voorgenomen wijzigingen in de kapitaalstructuur leiden tot de gelijktijdige indiening van een aanvraag tot goedkeuring van een financiële holding of een gemengde financiële holding overeenkomstig artikel 212/1 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert, de in het tweede lid bedoelde beoordelingsperiode opgeschort tot het einde van de in die artikelen bedoelde goedkeuringsprocedure.". Art. 29.Artikel 49 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende: "In het geval bedoeld in artikel 47, zesde lid zorgt de Bank, voor zover nodig en voor zover het een andere bevoegde autoriteit is, voor passende coördinatie met de consoliderende toezichthouder die met toepassing van artikel 171 is aangewezen en/of met de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.". Art. 30.In artikel 59 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten8, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: " § 1.Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 21, met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I, en in de artikelen 64 tot 66, evenals, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de specifieke organisatieregeling bedoeld in de artikelen 65, § 3, tweede lid, 65/1 en 74/1."; 2° in paragraaf 2, worden de woorden "minstens eenmaal per jaar" opgeheven;3° in paragraaf 2 worden de woorden ", evenals, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de specifieke organisatieregeling bedoeld in de artikelen 65, § 3, tweede lid, 65/1 en 74/1" ingevoegd tussen de woorden "en in de artikelen 64 tot 66" en de woorden ", en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen";4° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende: "Voor de kredietinstellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan, vindt de rapportering ten minste eenmaal per jaar plaats. Voor de overige kredietinstellingen vindt de rapportering ten minste om de twee jaar plaats. In het jaar waarin geen volledige rapportering plaatsvindt als bedoeld in het eerste lid van deze paragraaf, dient alsnog een beknopte samenvatting te worden gerapporteerd, waarvan de minimale inhoud wordt bepaald in de door de toezichthouder vastgelegde richtsnoeren.". Art. 31.In artikel 65 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1, wordt paragraaf 3 aangevuld met een lid, luidende: "Wanneer een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geldmiddelen aanhoudt die aan een cliënt toebehoren, treft zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren en om te voorkomen dat de geldmiddelen die aan de cliënt toebehoren voor haar eigen rekening gebruikt worden.". Art. 32.In artikel 65/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt: " § 2. De Koning kan, na advies van de Bank, nadere voorwaarden en regels vaststellen voor de in paragraaf 1 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van financiële instrumenten bij kredietinstellingen en voor het deponeren van gelden bij kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, overeenkomstig artikel 74/1.". Art. 33.Artikel 67 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten4, vervangen als volgt: "Art. 67.Het beloningsbeleid dat conform artikel 56, § 5 en artikel 41, § 1, 1°, wordt vastgelegd, strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling, en omvat maatregelen om belangenconflicten te vermijden. Het beloningsbeleid dient genderneutraal te zijn. Bij de opstelling en de toepassing van hun beloningsbeleid nemen de instellingen de vereisten van Bijlage II in acht op een wijze die aansluit bij de omvang en de interne organisatie van de instelling en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van haar werkzaamheden. Het beloningsbeleid heeft betrekking op de categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling. Voor de toepassing van het tweede lid, omvatten categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling, ten minste: 1° alle leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding;2° personeelsleden met leidinggevende verantwoordelijkheid over de controlefuncties of de essentiële bedrijfseenheden van de instelling;3° personeelsleden die in het voorgaande boekjaar recht hadden op een significante beloning, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  4. a)de beloning van het personeelslid is gelijk aan of hoger dan 500 000 euro en gelijk aan of hoger dan de gemiddelde beloning die wordt toegekend aan de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding van de instelling, als bedoeld in 1° ;
  5. b)het personeelslid verricht de beroepswerkzaamheid in een essentiële bedrijfseenheid en de werkzaamheden zijn van dien aard dat zij een aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van de betrokken bedrijfseenheid.". Art. 34.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III van dezelfde wet wordt het opschrift van Afdeling VI vervangen als volgt: "Afdeling VI. Verrichtingen van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° ,die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard". Art. 35.In artikel 72, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten8, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt: "4° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° en 5° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten, een invloed van betekenis kunnen uitoefenen of een functie uitoefenen als bedoeld in 1° ;"; 2° in het tweede lid worden de woorden "worden ook ter kennis gebracht" vervangen door de woorden "worden behoorlijk gedocumenteerd en ter kennis gebracht";3° in het vierde lid worden de woorden "100 000 euro" vervangen door de woorden "500 000 euro". Art. 36.In de artikelen 72, 72/1, 73, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten8, en 74 van dezelfde wet wordt het woord "kredietinstelling" telkens vervangen door de woorden "kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, " en wordt het woord "kredietinstellingen" telkens vervangen door de woorden "kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° ". Art. 37.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een Afdeling VI/1 ingevoegd met als opschrift "Verrichtingen van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard en aanhouden van tegoeden van cliënten". Art. 38.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling VI/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 74/1 ingevoegd, luidende: "Art. 74/1.§ 1. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, mogen van hun cliënten geen gelddeposito's ontvangen, met uitzondering van zichtdeposito's en vernieuwbare termijndeposito's op ten hoogste drie maanden, die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen. De duur van vernieuwde termijndeposito's mag niet langer zijn dan één jaar, tenzij voor de betrokken deposito's een langere duur noodzakelijk is in het kader van een met de cliënt gesloten overeenkomst voor vermogensbeheer. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde deposito's dienen te worden geplaatst bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van: 1° centrale bank;2° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die onder een andere lidstaat ressorteert;3° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, die onder een derde land ressorteert;4° erkend geldmarktfonds. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor onmiddellijk opeisbare geldmiddelen, noch voor binnen een maximumtermijn van drie werkdagen opeisbare geldmiddelen of voor geldmiddelen die ter dekking van verplichtingen van cliënten zijn verstrekt. De in het eerste lid bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die op een gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan. § 3. Indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, worden de geldmiddelen die met toepassing van paragraaf 2 zijn geplaatst op een gezamenlijke cliëntenrekening of op een geïndividualiseerde rekening die de identificatie van individuele cliënten toelaat, met uitzondering van de deposito's die door hun titularis konden worden teruggevorderd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de deposito's als bedoeld in paragraaf 1, met uitsluiting van de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde deposito's. § 4. De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de voorwaarden en modaliteiten vaststellen waaraan de door cliënten bij kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geplaatste deposito's moeten voldoen, evenals de voorwaarden en modaliteiten voor de beleggingen die kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, met deze geldmiddelen mogen verrichten, met name de risicoconcentratielimieten met betrekking tot de belegging van deze geldmiddelen. Deze voorwaarden en modaliteiten hebben tevens betrekking op de regels inzake de organisatie, de bescherming van en de informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze geldmiddelen door de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, en hun belegging bij derden betreft. Om de tegoeden van de cliënten te vrijwaren, kan de Koning, na advies van de Bank en de FSMA, in uitzonderlijke omstandigheden organisatorische vereisten opleggen in aanvulling op de vereisten van de artikelen 65 en 65/1 en van dit artikel. Deze vereisten moeten objectief gerechtvaardigd en evenredig zijn teneinde specifieke risico's voor de bescherming van de belegger of voor de integriteit van de markt die van bijzonder belang zijn in de omstandigheden die eigen zijn aan de Belgische marktstructuur, te ondervangen. Indien van deze machtiging gebruik wordt gemaakt, wordt de Europese Commissie daarvan in kennis gesteld overeenkomstig artikel 16, lid 11, van Richtlijn 2014/65/EU.". Art. 39.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling VI/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 74/2 ingevoegd, luidende: "Art. 74/2.Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks leningen of kredieten verstrekken, met uitzondering van: 1° leningen en kredieten in de zin van artikel 2, 2°, 2 van de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1;2° voorschotten aan ondernemingen waarin de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, een deelneming bezit, als wederbelegging van haar eigen vermogen;3° het lenen van financiële instrumenten; 4° leningen aan de effectenbeursvennootschappen en de vennootschappen die de gereglementeerde markten besturen, op voorwaarde dat ze er vennoot of lid van zijn.". Art. 40.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling VI/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 74/3 ingevoegd, luidende: "Art. 74/3.De artikelen 72, 72/1 en 73 zijn van toepassing op kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°. ". Art. 41.Artikel 76 van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende: "Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden te beperken tot de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing. Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2 °, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden uit te breiden om de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, te kunnen uitoefenen, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing.". Art. 42.In artikel 77, eerste lid, 1°, van dezelfde wet worden de woorden "van een kredietinstelling" opgeheven Art. 43.In artikel 79 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt: "Belgische covered bonds mogen enkel worden uitgegeven door kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, en mits de toezichthouder hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven.". Art. 44.In artikel 87, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden "de som van de eigenvermogensvereisten die haar zijn opgelegd krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013" vervangen door de woorden "het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening nr. 575/2013". Art. 45.In artikel 95 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 december 2015Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/12/2015 pub. 07/07/2016 numac 2016000405 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 18/12/2015 pub. 30/12/2015 numac 2015011510 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad type wet prom. 18/12/2015 pub. 28/12/2015 numac 2015003486 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende fiscale en diverse bepalingen type wet prom. 18/12/2015 pub. 29/12/2015 numac 2015003464 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële bepalingen, houdende de oprichting van een administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie "Sociale activiteiten", en houdende een bepaling inzake de gelijkheid van vrouwen en mannen sluiten, wordt het eerste lid vervangen als volgt: "Onverminderd de naleving van het reglementair eigenvermogensvereiste bepaald in artikel 92, lid 1, onder
  6. a)tot en met
  7. c)van Verordening nr. 575/2013, van het vereiste bepaald door of krachtens de artikelen 98, 149, en 150 en 150/5 voor andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, van de norm inzake totale verliesabsorptiecapaciteit bepaald in de artikelen 92bis en 92ter van Verordening nr. 575/2013 en van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bepaald in artikel 267/3, moet een kredietinstelling door middel van tier 1-kernkapitaalbestanddelen voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, zoals dit vereiste bepaald is in artikel 96. Een moederkredietinstelling voldoet bovendien aan dit vereiste op basis van haar geconsolideerde positie, volgens de modaliteiten bepaald in Deel 1, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013.". Art. 46.In artikel 96, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 december 2015Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/12/2015 pub. 07/07/2016 numac 2016000405 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 18/12/2015 pub. 30/12/2015 numac 2015011510 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad type wet prom. 18/12/2015 pub. 28/12/2015 numac 2015003486 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende fiscale en diverse bepalingen type wet prom. 18/12/2015 pub. 29/12/2015 numac 2015003464 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële bepalingen, houdende de oprichting van een administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie "Sociale activiteiten", en houdende een bepaling inzake de gelijkheid van vrouwen en mannen sluiten, worden volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: "De tier 1-kernkapitaal die worden gebruikt om te voldoen aan een van de in de punten 1°, tot en met 4° van deze paragraaf bedoelde vereisten, worden niet in aanmerking genomen om te voldoen aan een van de andere van deze vereisten."; 2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt: " § 4.Een kredietinstelling, een moederkredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, die tegelijkertijd onderworpen is aan het met toepassing van paragraaf 3 geldende vereiste en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, moet voldoen aan de som van deze vereisten."; 3° de paragrafen 5 en 6 worden opgeheven Art.47. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V van dezelfde wet, wordt een Afdeling II/1 ingevoegd, getiteld "Hefboomratiobuffervereiste". Art. 48.In Afdeling II/1, ingevoegd bij artikel 47, wordt een artikel 96/1 ingevoegd, luidende: "Art. 96/1.Onverminderd de naleving van het hefboomratiovereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1, onder
  8. d)van Verordening nr. 575/2013 moet een MSI voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste volgens de modaliteiten bepaald in artikel 92, lid; 1bis van die Verordening.". Art. 49.In artikel 97 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt: "De Bank is de nationale autoriteit die belast is met de toepassing van artikelen 124, lid 2, 164, lid 6 en 458 van Verordening nr. 575/2013." Art. 50.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V van dezelfde wet wordt het opschrift van Afdeling V vervangen als volgt: "Afdeling V - Maatregelen strekkende tot wedersamenstelling van het eigen vermogen". Art. 51.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdeling V van dezelfde wet, wordt het opschrift van Onderafdeling I vervangen als volgt: "Onderafdeling I - Beperkingen op uitkeringen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen in geval van niet-naleving van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer". Art. 52.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdeling V Onderafdeling I van dezelfde wet, wordt een artikel 98/1 ingevoegd, luidende: "Art. 98/1.Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een kredietinstelling geacht niet te voldoen aan het globaal vereiste van een tier1-kernkapitaalbuffer als zij over onvoldoende eigen vermogen van voldoende hoge kwaliteit beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96 en aan elk van de vereisten van artikel 92, lid 1, onder
  9. a)tot en met
  10. c)van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.". Art. 53.In artikel 100 van dezelfde wet worden de woorden "artikelen 101 tot 103" vervangen door de woorden "artikelen 101, 102 en 103". Art. 54.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdeling V van dezelfde wet, wordt een Onderafdeling I/1 ingevoegd luidende "Beperkingen op uitkeringen die betrekking hebben op een van de kernkapitaalbestanddelen in geval van niet-naleving van het hefboomratiobuffervereiste". Art. 55.In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/1 ingevoegd, luidende: "Art. 102/1.Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een MSI geacht niet te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als zij over onvoldoende kernkapitaal beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013 en aan het vereiste van artikel 92, lid 1, onder
  11. d)van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.". Art. 56.In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/2 ingevoegd, luidende: "Art. 102/2.Een MSI mag slechts uitkeringen doen die betrekking hebben op een van de kernkapitaalbestanddelen indien zij voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013. Bovendien mogen deze uitkeringen niet tot gevolg hebben dat het kernkapitaal daalt tot een niveau dat niet langer voldoet aan het voormeld hefboomratiobuffervereiste.". Art. 57.In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/3 ingevoegd, luidende: "Art. 102/3.In afwijking van artikel 102/2, eerste lid, kan een MSI die niet voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste niettemin een uitkering met betrekking tot kernkapitaalbestanddelen verrichten indien zij voldoet aan de in de artikelen 102/4, 102/5 en tot 103 bepaalde voorwaarden. Te dien einde berekent de MSI vooraf het met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag of "H-MUB" en deelt zij dit bedrag mee aan de toezichthouder. De berekeningsmodaliteiten van het H-MUB die in acht moeten worden genomen door de instelling worden bepaald in artikel 1/1 van Bijlage V bij deze wet.". Art. 58.In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/4 ingevoegd, luidende: "Art. 102/4.§ 1. Een MSI als bedoeld in artikel 102/3 mag de volgende handelingen slechts verrichten ten belope van het H-MUB:
  12. a)een uitkering verrichten als bezoldiging of een betaling verrichten als terugbetaling of wederinkoop van tier 1-kernkapitaalbestanddelen;
  13. b)betalingen verrichten die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaalbestanddelen;
  14. c)zich verbinden tot de betaling van variabele beloningen of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen. § 2. Bovendien mag een MSI als bedoeld in artikel 102/3 slechts een variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen betalen ten belope van het H-MUB, zelfs indien de betalingsverplichting werd aangegaan op een moment dat de instelling voldeed aan het hefboomratiobuffervereiste. § 3. Wanneer zij voornemens is een van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde handelingen te verrichten, brengt de MSI haar voornemen ter kennis van de toezichthouder en verstrekt zij de in artikel 2/1 van Bijlage V vermelde informatie, met een rechtvaardiging voor de inachtneming van de niet-overschrijding van het H-MUB.". Art. 59.In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/5 ingevoegd, luidende: "Art. 102/5.De MSI's passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en, in voorkomend geval, het H-MUB, nauwkeurig worden berekend, en verstrekken de bewijsstukken hiervoor. Zij zijn in staat de nauwkeurigheid van deze berekening aan te tonen aan de toezichthouder indien hij hierom verzoekt.". Art. 60.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdeling V van dezelfde wet, wordt een Onderafdeling I/2 ingevoegd die artikel 103 bevat luidende "Gemeenschappelijke bepaling". Art. 61.In Artikel 103 van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten8 worden de woorden "deze Onderafdeling" vervangen door de woorden "de Onderafdelingen I en I/1". Art. 62.In artikel 104 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt: "Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan het in artikel 96 bedoeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of, in het geval van een MSI, aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr.575/2013, informeert zij de toezichthouder hiervan en stelt zij een kapitaalconserveringsplan op dat strekt tot verhoging van het eigen vermogen of, in voorkomend geval, dat maatregelen bevat die de verlaging van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of van het hefboomratiobuffervereiste van de instelling tot gevolg hebben, door de verlaging van haar risicoprofiel."; 2° Artikel 104 wordt aangevuld met een lid, luidende: "De in het kapitaalconserveringsplan te verstrekken informatie is opgenomen in artikel 4 van Bijlage V bij deze wet.". Art. 63.In artikel 105 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt aangevuld met de woorden "en/of aan het hefboomratiobuffervereiste";2° in paragraaf 2 worden de woorden "en/of aan het hefboomratiobuffervereiste" ingevoegd tussen de woorden "het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer" en de woorden "binnen voormelde termijn, kan de toezichthouder";3° paragraaf 2 wordt aangevuld met de woorden "en/of artikel 102/4". Art. 64.In artikel 111 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende: "In afwijking op het eerste lid, dienen de kredietinstellingen het herstelplan ten minste om de twee jaar te actualiseren indien hen vereenvoudigde verplichtingen werden toegestaan ingevolge de door de toezichthouder gemaakte analyse met toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) nr.2019/348 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria voor het beoordelen van het effect van het falen van een instelling op de financiële markten, op andere instellingen en op de financieringsvoorwaarden."; 2° het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen als volgt: "De toezichthouder kan, wanneer de omstandigheden dit vereisen, van de kredietinstelling eisen dat zij haar herstelplan vaker actualiseert dan bepaald in de vorige leden.In elk geval eist de toezichthouder een actualisering van het herstelplan indien de hypotheses die in het herstelplan zijn beschreven anders zijn dan de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het nemen van maatregelen bedoeld in artikel 234, § 2.". Art. 65.Artikel 113, § 4, eerste lid van dezelfde wet wordt aangevuld met de woorden "De toezichthouder verricht deze beoordeling na raadpleging, indien passend, van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiële autoriteit.". Art. 66.Artikel 117 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: "Art. 117.Dit Hoofdstuk is van toepassing op kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, die deposito's aantrekken of schuldinstrumenten uitgeven die gedekt zijn door de Belgische depositobeschermingsregeling bedoeld in artikel 380.". Art. 67.In artikel 126, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1, wordt het tweede lid vervangen als volgt: "Wanneer aldus handelsactiviteiten voor eigen rekening aan een verbonden onderneming naar Belgisch recht worden overgedragen, dient deze een vergunning als kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° of als beursvennootschap te hebben verkregen overeenkomstig de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten1.". Art. 68.Artikel 138 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 november 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten4, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende: " § 2. De toezichthouder werkt nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten en raadpleegt deze autoriteiten wanneer deze wet of Verordening nr. 575/2013 dit vereist, en onder meer bij de opmaak van afwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 226.". Art. 69.In artikel 142 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt: "Aan de hand van de criteria van artikel 143 gaat de toezichthouder na of de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en van Verordening nr.575/2013 zijn nageleefd. Hij evalueert de risico's waaraan de kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn, de risico's die in voorkomend geval aan het licht zijn gekomen tijdens stresstests die met toepassing van artikel 148 zijn uitgevoerd, en het passende karakter, in het licht van de genoemde risico's, van het prospectieve beheer van het eigen vermogen en van de liquiditeit, als bedoeld in artikel 94."; 2° Artikel 142 wordt aangevuld met een lid, luidende: "Bij die evaluatie houdt de toezichthouder rekening met het evenredigheidsbeginsel volgens de criteria die overeenkomstig artikel 36/6, § 2, 2°, van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten zijn bekendgemaakt.". Art. 70.In dezelfde wet wordt een artikel 142/1 ingevoegd, luidende: "Art. 142/1.De toezichthouder kan de in artikel 142 bedoelde evaluatieprocedure aanpassen voor kredietinstellingen die een vergelijkbaar risicoprofiel hebben doordat hun bedrijfsmodellen of de geografische locatie van hun risicoblootstellingen vergelijkbaar zijn. Bij deze aanpassing, die kan inhouden dat gebruik wordt gemaakt van risicogeoriënteerde referentie-indicatoren en kwantitatieve indicatoren, dient niettemin rekening te worden gehouden met de specifieke risico's waaraan elke kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn en wordt geen afbreuk gedaan aan het bijzondere karakter van de betrokken instelling wat de krachtens artikel 149 opgelegde maatregelen betreft. Wanneer de toezichthouder gebruik maakt van de in het eerste lid bepaalde mogelijkheid, stelt hij de EBA daarvan in kennis.". Art. 71.In dezelfde wet wordt een artikel 142/2 ingevoegd, luidende: "Art. 142/2.Wanneer de toezichthouder op grond van de in artikel 142 bedoelde toetsing en evaluatie, in het bijzonder van de governanceregeling, het bedrijfsmodel en de werkzaamheden, goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met de kredietinstelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop, stelt hij de EBA en, wanneer de toezichthouder niet de Bank is, de Bank in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op de naleving door de kredietinstelling van de wet van 18 september 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten3, onverwijld in kennis daarvan. In geval van een mogelijk verhoogd risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme, stellen de toezichthouder en, in voorkomend geval, de Bank, zich met elkaar in verbinding en stellen zij de EBA onverwijld in kennis van hun gemeenschappelijke beoordeling, onverminderd de toepassing van om het even welke maatregel waarin deze wet of de wet van 18 september 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten3 voorziet.". Art. 72.In artikel 143, § 1 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 10° wordt opgeheven;2° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt: "12° de blootstelling van de instelling aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille. Onverminderd artikel 149 legt de toezichthouder ten minste in de volgende gevallen maatregelen op om de vastgestelde situatie te verhelpen: - indien de in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde economische waarde van het eigen vermogen met meer dan 15 % van het tier 1-kapitaal van de instelling afneemt ten gevolge van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de zes op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld; - indien een instelling te maken heeft met een grote daling van haar in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde nettorentebaten als gevolg van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de twee op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld. Niettegenstaande het tweede lid is de toezichthouder niet verplicht prudentiële of herstelmaatregelen te nemen als hij op basis van de in deze paragraaf bedoelde toetsing en evaluatie van oordeel is dat de instelling het renterisico voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de instelling niet overmatig is blootgesteld aan dit risico. Voor de toepassing van dit punt 12° beschikt de toezichthouder ook over de mogelijkheid tot het nader bepalen van hypothesen voor modellering en parameters, behalve die welke zijn vastgelegd door de EBA op grond van artikel 98, lid 5bis, onder b), van Richtlijn 2013/36/EU, die de instellingen in aanmerking moeten nemen bij hun berekening van de economische waarde van het eigen vermogen krachtens artikel 6, paragraaf 1 van Bijlage I.". Art. 73.In artikel 146 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 74.In artikel 147 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende: - 2/1.De toezichthouder controleert, op basis van de informatie die de kredietinstellingen overeenkomstig paragraaf 1 hebben ingediend, het bereik van de risicogewogen posten of, in voorkomend geval, van de eigenvermogensvereisten, behalve voor operationeel risico, voor de blootstellingen of transacties die het resultaat zijn van de interne benaderingen van de betrokken kredietinstellingen. Aan de hand van het verslag dat op grond van artikel 78, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU door de EBA wordt opgesteld, wordt ten minste eenmaal per jaar een vergelijkende analyse van de kwaliteit van deze benaderingen uitgevoerd, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan: 1° benaderingen die significante verschillen in de eigenvermogensvereisten voor dezelfde blootstelling vertonen; 2° benaderingen met een bijzonder hoge of bijzonder lage diversificatie, alsook benaderingen met een significante en systematische onderwaardering van de eigenvermogensvereisten."; 2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt: " § 3.De toezichthouder eist corrigerende maatregelen indien hij vaststelt dat de interne benadering die door een kredietinstelling wordt gebruikt, significant afwijkt van de andere benaderingen waarvan gebruik wordt gemaakt in de sector en indien hij aantoont dat deze benadering tot onderwaardering leidt van de eigenvermogensvereisten voor de betrokken instelling, die niet toegeschreven kan worden aan verschillen in de onderliggende risico's waaraan deze instelling is blootgesteld."; 3° artikel 147 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende: " § 4.De toezichthouder ziet erop toe dat de in paragraaf 3 bedoelde corrigerende maatregelen niet leiden tot standaardisering of een neiging om bepaalde methoden te gebruiken, geen ongerechtvaardigde prikkels creëren en geen imitatiegedrag uitlokken.". Art. 75.Artikel 149 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: "Art. 149.Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht, alsook in geval van toepassing van artikel 143, § 1, 11° of 12° of artikel 145, § 3 kan de toezichthouder volgens de in artikel 150 bepaalde modaliteiten aan de betrokken kredietinstelling een specifiek eigenvermogensvereiste opleggen bovenop de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens Verordening nr. 575/2013, de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en artikel 95, om rekening te houden met de risico's waaraan die kredietinstelling blootgesteld is of kan zijn. De toezichthouder bepaalt hoe de betrokken kredietinstelling aan dit specifiek eigenvermogensvereiste moet voldoen. Daartoe kan de toezichthouder ook alle andere in artikel 234, § 2 bedoelde maatregelen opleggen. Onverminderd artikel 18 van Verordening nr. 575/2013 kan de toezichthouder bovendien eisen dat een gereglementeerde of niet-gereglementeerde onderneming in de consolidatieperimeter wordt opgenomen wanneer het risicoprofiel van de kredietinstelling op geconsolideerde of, in voorkomend geval, gesubconsolideerde basis, zoals dat uit de consolidatieperimeter blijkt, niet adequaat is.". Art. 76.Artikel 150 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: "Art. 150.§ 1. Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht en van het in de artikelen 144 en 145 bedoelde onderzoek van de interne benaderingen legt de toezichthouder in de volgende gevallen het in artikel 149, eerste lid bedoeld specifiek eigenvermogensvereiste op: 1° de kredietinstelling houdt risico's in die niet of onvoldoende gedekt zijn door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr.575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, zoals gespecificeerd in artikel 150/1, in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en in artikel 95; 2° de in artikel 143, § 1, 11° bedoelde waardeverminderingen zijn onvoldoende om de kredietinstelling in staat te stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden;3° uit het overeenkomstig artikel 145, § 3 verrichte onderzoek blijkt dat de niet-naleving van de voorwaarden voor de toepassing van een toegestane interne benadering als gevolg kan hebben dat de betrokken instelling niet langer voldoet aan de toepasselijke reglementaire eigenvermogensvereisten;4° de kredietinstelling heeft herhaaldelijk nagelaten een toereikend niveau van aanvullend eigen vermogen vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 150/5, § 3 meegedeelde aanbevelingen voor aanvullend eigen vermogen;5° elke andere kredietinstellingsspecifieke situatie die volgens de beoordeling van de toezichthouder aanleiding geeft tot materiële risico's. § 2. De in artikel 149, eerste lid bedoelde maatregel wordt alleen opgelegd ter dekking van de risico's die de betrokken kredietinstelling door haar activiteiten loopt, met inbegrip van het effect van veranderingen in de economische situatie en ontwikkelingen op de financiële markten op haar risicoprofiel.". Art. 77.In dezelfde wet wordt een artikel 150/1 ingevoegd, luidende: "Art. 150/1.§ 1. Voor de toepassing van artikel 150, § 1, 1°, worden risico's of aspecten van risico's alleen geacht niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 te zijn gedekt, wanneer de bedragen, de categorieën, de verdeling en/of de kwaliteit van het eigen vermogen dat nodig is om aan deze eigenvermogensvereisten te voldoen, van een lager niveau zijn dan deze die de toezichthouder toereikend acht, rekening houdend met het in artikel 94 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten. Het eigen vermogen dat door de toezichthouder toereikend wordt geacht dekt alle risico's of aspecten van risico's die op grond van de in paragraaf 2 bedoelde beoordeling als wezenlijk zijn aangemerkt en die niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 zijn gedekt. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 beoordeelt de toezichthouder, rekening houdend met het risicoprofiel van elke individuele instelling, de risico's waaraan de kredietinstelling is blootgesteld, met inbegrip van: 1° de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die uitdrukkelijk niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr.575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 of die niet uitdrukkelijk aan bod komen in deze vereisten; 2° de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's di

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.