7 DECEMBER 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Dames en heren, Het besluit van de Vlaamse Regering geeft, wat de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeente- en provinciepersoneel betreft, uitvoering aan artikel 116, § 1, van het gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 23/11/1999 numac 1999015206 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdend instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek Chili, en administratieve schikking houdende de modaliteiten van toepassing van de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek Chili, gedaan te Brussel op 9 september 1996
(2)type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde sluiten7 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 30/06/1998 numac 1998015016 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst over het Wegvervoer tussen het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Athene op 11 juni 1992 sluiten4 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalde bovendien dat de woorden « financieel beheerder » tot de inwerkingtreding van artikel 76, § 1, eerste lid, van het gemeentedecreet zowel in het gemeentedecreet als in de organieke wet op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn gelezen moeten worden als « ontvanger ». De combinatie van die elementen leidt ertoe dat in artikel 235 een overgangsbepaling wordt opgenomen voor de lezing en de toepassing van dit besluit. Artikel 20 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/11/1998 pub. 12/01/1999 numac 1998010076 bron ministerie van justitie Wet tot invoering van de wettelijke samenwoning sluiten5 tot hervorming der instellingen levert de juridische grondslag voor die overgangsbepaling. Hieronder volgt artikelsgewijs een nadere toelichting in de volgorde van de titels, hoofdstukken en verdere onderverdelingen van dit besluit. TITEL I. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied Artikel 1 Artikel 1, 1° en 2° Artikel 1, 1° en 2°, sluiten aan bij artikel 102 van het gemeentedecreet en artikel 98 van het provinciedecreet. Die artikelen stellen de draagwijdte van de titel personeel in de decreten vast. Dat zijn de leden van het gemeentepersoneel en de leden van het provinciepersoneel, onder voorbehoud van : - de toepassing van specifieke bepalingen over de gemeentesecretaris, de financieel beheerder van de gemeente, de provinciegriffier en de financieel beheerder van de provincie; - de bijzondere regelingen die door of krachtens andere wettelijke of decretale bepalingen zijn vastgesteld. Wat in het gemeentedecreet en in het provinciedecreet al geregeld is over de functies van gemeentesecretaris en financieel beheerder van de gemeente en van provinciegriffier en financieel beheerder van de provincie, komt daarom niet meer aan bod in dit besluit. Onder dat voorbehoud en rekening houdend met de noodzaak van enkele specifieke regels en van uitzonderingen, geldt de rechtspositieregeling van het gewone personeel echter ook voor de gemeentesecretaris, de financieel beheerder, de adjunct-gemeentesecretaris en de provinciegriffier en de financieel beheerder van de provincie. Dat komt tot uitdrukking in de vermelding van artikel 76, § 1, van het gemeentedecreet en artikel 74 van het provinciedecreet in de punten 1° en 2° van dit artikel. Zoals hierboven vermeld, moet tot aan de inwerkingtreding van artikel 76, § 1, van het gemeentedecreet « gemeentesecretaris » in dit besluit gelezen worden als « secretaris » en « financieel beheerder » gelezen worden als « ontvanger ». Zie hiervoor ook de overgangsbepaling in artikel 235. Het voorbehoud van « bijzondere regelingen die door of krachtens andere wettelijke of decretale bepalingen zijn vastgesteld » in artikel 102 van het gemeentedecreet en artikel 98 van het provinciedecreet slaat op de volgende personeelscategorieën : - het gemeentelijke of het provinciale gesubsidieerde onderwijspersoneel (gemeenschapsbevoegdheid); - het gemeentelijke brandweerpersoneel, vermeld in de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming (federale bevoegdheid). Het besluit is niet van toepassing op die personeelsgroepen. Artikel 102, tweede lid, van het gemeentedecreet en artikel 98, tweede lid, van het provinciedecreet stellen het volgende vast : « Voor het gemeentelijk (provinciaal) onderwijzend personeel dat niet gesubsidieerd wordt, bepaalt de gemeenteraad de afwijkingen van de rechtspositieregeling, bedoeld in artikel 105, § 2, (101, § 2) rekening houdend met de onderwijsopdracht. Die afwijkingen moeten in overeenstemming zijn met de decreten en besluiten betreffende het onderwijs. » Die decretale bepalingen zijn doorslaggevend voor de rechtspositie van het niet-gesubsidieerd onderwijzend personeel. 'Onderwijzend personeel' is volgens de toelichting bij de decreten 'personeel met een onderwijsopdracht'. Het gaat dus niet om ondersteunend administratief of technisch personeel dat niet gesubsidieerd wordt. Het besluit bevat geen opsomming van de aangelegenheden waarover afwijkende bepalingen voor het onderwijzend personeel vastgesteld mogen worden. De raden bepalen dat zelf, rekening houdend met de concrete situatie. De mogelijkheid van afwijking geldt ook voor de bepalingen van dit besluit die niet toepasbaar zijn op onderwijzend personeel, zoals de rangindeling. Sommige decreten bevatten bepalingen over bepaalde personeelsfuncties bij de gemeenten en de provincies. Voorbeelden daarvan zijn de provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, de sportfunctionarissen en de cultuurbeleidscoördinator. Die bepalingen werden door het gemeentedecreet en het provinciedecreet niet opgeheven en blijven van toepassing. Ook dat wordt bedoeld met « bijzondere regelingen die door of krachtens andere... of decretale bepalingen zijn vastgesteld ». In het tweede en het derde lid van artikel 1 worden bepaalde personeelsgroepen op diverse punten onttrokken aan het toepassingsgebied van dit besluit. Op het verplegend, verzorgend, medisch, paramedisch en begeleidend personeel van een gemeentelijke gezondheidsinstelling die door de federale overheid gefinancierd wordt, zijn niet de graden en rangen, vermeld in artikel 7, van toepassing, noch de salarisschalen en functionele loopbanen vermeld in artikel 111. Voor die instellingen gelden daarentegen de functies, salarisschalen en functionele loopbanen zoals voor het personeel van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn dat tewerkgesteld is in een federaal gefinancierde gezondheidsinstelling. Hetzelfde geldt voor sommige toelagen en sommige vormen van afwezigheid, zoals de arbeidsduurvermindering en de maatregelen inzake eindeloopbaan. Dat punt slaat in concreto op enkele gemeentelijke gezondheidsinstellingen voor revalidatie die door de federale overheid (RIZIV) gefinancierd worden en die onderworpen zijn aan een aantal specifieke bepalingen die samenhangen met die federale financiering. Die bepalingen zijn verwerkt in de plaatselijke rechtspositieregelingen van het OCMW-personeel van andere, door diezelfde federale overheid gefinancierde gezondheidsinstellingen, zoals een ROB of een RVT. Enkele gemeenten en een provincie hebben een erkende voorziening voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap. Het betreft meer bepaald een semi-internaat, een bezigheidshome of een nursing home. Op het personeel van die instellingen zijn de soorten functies van toepassing, zoals bepaald in de regelgeving van de Vlaamse overheid betreffende de erkenning en de subsidiëring van de voorzieningen voor personen met een handicap. Voor dat personeel worden de salarisschalen van dit besluit gekozen die verenigbaar zijn met de erkennings- en subsidiëringsnormen. Met de 'soorten functies' worden het begeleidend, verzorgend, medisch en paramedisch personeel bedoeld, dat gesubsidieerd wordt op grond van de specifieke regels van de Vlaamse overheid (koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, en latere wijzigingen, en het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van het semi-internaat werken). Artikel 1, 3° In punt 3° wordt een limitatieve opsomming gegeven van artikelen die uitsluitend van toepassing zijn op de OCMW-secretaris en de OCMW-ontvanger. HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen Artikel 2 De definitie in 4° houdt rekening met een eventuele delegatie van de bevoegdheid voor aanstelling en ontslag van het personeel aan het college, respectievelijk de deputatie, en verder aan de gemeentesecretaris of de provinciegriffier (zie artikel 106 van het gemeentedecreet en artikel 112 van het provinciedecreet in relatie tot de artikelen 43 en 58 van het gemeentedecreet en het provinciedecreet). De omschrijving van hoofd van het personeel in 6° is in overeenstemming met de bevoegdheidsomschrijving van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap in artikel 221 en 222 van het gemeentedecreet en in artikel 215 en 216 van het provinciedecreet. Op grond van artikel 86 van het gemeentedecreet en artikel 83 van het provinciedecreet is het hoofd van het personeel van het intern verzelfstandigd agentschap bevoegd voor het dagelijkse personeelsbeheer binnen het agentschap. De gemeentesecretaris is op grond van artikel 275, § 3, 5°, ook het hoofd van het personeel van het gemeentepersoneel in de districten. Hij is dus ook bevoegd voor het dagelijkse personeelsbeheer van de districten. De definities in 8°, 9°, 10°,11°, 12° en 13° omschrijven de diverse personeelscategorieën in het besluit De wetgevingstechnische voorschriften houden in dat de terminologie van het besluit aansluit bij die van de hogere regeling, in casu het gemeentedecreet en het provinciedecreet. De formulering van de algemene bepalingen over de diverse personeelscategorieën vindt haar grondslag in artikel 105 van het gemeentedecreet en artikel 101 van het provinciedecreet. Daarin is sprake van 'het personeel' in algemene zin (§ 1) en vervolgens van 'het personeel in statutair dienstverband' (§ 2) en van de personeelsleden in contractueel verband' (§ 3). Het gemeentedecreet en het provinciedecreet gebruiken die bewoordingen niet alleen in de titel personeel maar ook in andere titels. De rechtspositieregeling en de contractuele personeelsleden De decreten vertrekken, in tegenstelling tot het APKB, dat overigens niet van toepassing is op de gemeenten en de provincies, niet vanuit een volledige dichotomie tussen ambtenaren enerzijds en contractuele personeelsleden anderzijds. Hoewel het gemeentedecreet en het provinciedecreet de contractuele tewerkstelling bepalen als een afwijking van de algemene regel van de statutaire tewerkstelling, zijn de omstandigheden waarin contractueel personeel ingeschakeld kan worden uitgebreid. De activiteiten die door een andere overheid gesubsidieerd worden, vermeld in artikel 104, § 2, 4°, van het gemeentedecreet en artikel 100, § 2, 4°, van het provinciedecreet zijn bijvoorbeeld legio. De contractuele aanstellingen op grond van artikel 104, § 2, 3°, 4°, 5° en 6°, zijn bovendien niet noodzakelijk tijdelijke aanstellingen. Uit de bepalingen van artikel 104 van het gemeentedecreet en artikel 100 van het provinciedecreet kan men bovendien niet afleiden dat de contractuele tewerkstelling een 'minderwaardige' of 'abnormale' vorm van tewerkstelling zou zijn. De twee vormen van tewerkstelling staan naast elkaar. De contractuele personeelsleden worden in dit besluit in principe op gelijke voet behandeld met de statutaire personeelsleden. De bepaling van artikel 105, § 3, van het gemeentedecreet en van artikel 101, § 3, van het provinciedecreet legt daarvoor een bindende juridische grondslag. Behalve voor de materies die uitdrukkelijk uitgesloten worden, zijn de regels voor de in artikel 105, § 2, respectievelijk artikel 101, § 2, opgesomde materies van overeenkomstige toepassing op de contractuele personeelsleden. De decreetgever heeft er niettemin rekening mee gehouden dat bepaalde gedeelten van de rechtspositieregeling wegens het primaat van het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht niet van toepassing zijn of gemaakt kunnen worden op de contractuele personeelsleden. Artikel 105, § 2, en artikel 101, § 2, van het gemeentedecreet, respectievelijk het provinciedecreet, stellen : « § 2. De rechtspositieregeling voor het personeel in statutair dienstverband regelt minstens : 1°... ... 12° ». In punt 1° tot en met 12° staan de minimaal te regelen materies voor het statutaire personeel. Voor welke materies gelden de regels wel voor de contractuele personeelsleden en voor welke materies niet? Daarvoor zijn artikel 105, § 3, van het gemeentedecreet en artikel 101, § 3, van het provinciedecreet, richtinggevend. Die artikelen luiden : « Het bepaalde in § 2, met uitzondering van 7°, 10°, 11° en 12°, is van overeenkomstige toepassing op de rechtspositie van de personeelsleden in contractueel verband. » De decretaal vastgestelde uitzonderingen hebben betrekking op : - de administratieve standen en de (weerslag op
- de)anciënniteit; de dienstbeëindiging (7°); - de tuchtregels (10°); - de overgangsregels voor de in dienst zijnde statutaire personeelsleden (11°); - het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid en de ambtsneerlegging (12°). De vermelde uitzonderingen volgen uit het primaat van het arbeidsrecht in die aangelegenheden. Naast de hierboven opgesomde aangelegenheden, zijn er, zoals vermeld, nog andere beperkingen aan de volledige gelijkschakeling van de statutaire en contractuele personeelsleden, waaraan dit besluit niet voorbij kan gaan. Zo hebben de bepalingen van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/11/1998 pub. 12/01/1999 numac 1998010076 bron ministerie van justitie Wet tot invoering van de wettelijke samenwoning sluiten7 betreffende de arbeidsovereenkomsten een dwingend effect op de proeftijd van de contractanten, op de functiewijziging, op bepaalde verloven, op de ziektecontrole, op het ontslag Onder voorbehoud van die beperkingen, is de strekking van dit besluit dat de rechtspositieregeling van de personeelsleden in contractueel verband « op overeenkomstige wijze » geregeld wordt, dat wil zeggen, identiek of nagenoeg identiek, als voor de vast aangestelde statutaire personeelsleden. Dat slaat in het bijzonder op de regels voor de statutaire personeelsleden over de aangelegenheden, opgesomd in de punten 1° tot en met 6°, en 8° en 9°, van de artikelen 105, § 2 en 101, § 2. De consequentie daarvan is dat de statutaire en de contractuele personeelsleden gelijk zijn voor : 1° de bezoldiging en de salarisschalen;2° de toekenning van toelagen en vergoedingen;3° de voorwaarden en procedures voor aanwerving en bevordering;4° de bekendmaking van de vacatures en de proeftijd;5° de evaluatie;6° de organisatie van de loopbaan van de personeelsleden en van de interne personeelsmobiliteit; ... 8° de arbeidsduur, het verlof en de afwezigheden;9° de onverenigbaarheden en de beperkingen en voorwaarden voor cumulatie De vormgeving van dit besluit vertrekt van die maximale gelijkstelling met respect voor artikel 6 van de arbeidsovereenkomstenwet.Alleen waar dat wegens arbeidsrechtelijke of andere juridische belemmeringen niet mogelijk is, wordt van dat uitgangspunt afgeweken. De afwijking kan verschillende vormen aannemen : ofwel wordt er een afzonderlijke bepaling vastgesteld voor het contractuele personeelslid, ofwel wordt er geen bepaling opgenomen omdat de Vlaamse Regering daartoe niet bevoegd is. Uit dat laatste volgt echter niet automatisch dat het contractuele personeelslid uit de boot valt. Zo wordt de proeftijd voor contractuele personeelsleden na aanwerving niet geregeld in dit besluit omdat de Vlaamse Regering daartoe niet bevoegd is. Toch zullen die personeelsleden meestal wel een proeftijd hebben, maar dan binnen de krijtlijnen van de wet op de arbeidsovereenkomsten. In dat geval vervangt een andere regeling die voorrang heeft, de regeling van de statutaire personeelsleden. Bepaalde personeelsbewegingen krijgen een ander gevolg : een bevordering of een herplaatsing als gevolg van interne personeelsmobiliteit in een contractuele betrekking moet uitgevoerd worden conform de wet op de arbeidsovereenkomsten. De definities, vermeld in artikel 2, 8° tot en met 13°, leveren het instrument om vorm te geven aan de verschillen. Die definities zijn dan ook een essentiële 'leeswijzer' voor het besluit. Ze definiëren de overkoepelende term 'het personeelslid' (8°) en de volgende personeelscategorieën : - het statutaire personeelslid (9°); - het statutaire personeelslid op proef (10°); - het vast aangestelde statutaire personeelslid (11°); - het contractuele personeelslid (12°); - het contractuele personeelslid op proef (13°). De termen slaan dus op een categorie van personeelsleden. Ter informatie voegen we hieraan toe dat « het vast aangestelde statutaire personeelslid » in dit besluit overeenstemt met : - de definitie van 'ambtenaar' in het APKB (dat echter niet van toepassing is); - de personen die « in vast verband benoemd zijn », vermeld in artikel 9 en 10 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die de socialezekerheidsregeling vaststelt van de verschillende personeelscategorieën. Definitie in 15° en 16° Zie hiervoor de commentaar bij artikel 7, laatste lid. Definitie in 17° - voltijds en volledige prestaties De omschrijving van voltijds en van volledige prestaties is nodig voor de bepalingen in de rechtspositieregeling over de anciënniteiten. De salarisschalen tegen 100 % hebben bovendien betrekking op 38 uren voor volledige prestaties en 1976 uren op jaarbasis. Hieruit mag niet het misverstand ontstaan dat de definitie van voltijdse prestaties en volledige prestaties gelijkstaat met een dwingende vaststelling van de minimale wekelijkse arbeidsduur van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel. Dat is niet de draagwijdte van een definitie. Die minimale wekelijkse arbeidsduur wordt vastgesteld door de bevoegde raden binnen de perken van de daarvoor geldende federale wetgeving (Arbeidstijdwet en Arbeidswet). TITEL II. - De personeelsformatie Artikel 3 Artikel 3 stelt vast dat de bepalingen van titel II niet van toepassing zijn op de gemeentesecretaris, de adjunct-gemeentesecretaris, de financieel beheerder van de gemeente, de provinciegriffier en de financieel beheerder van de provincie. Titel II betreft artikel 4, 5, 6 en 7 over de personeelsformatie. De uitsluiting van de toepassing van titel II betekent het volgende. De raad stelt de betrekkingen van de topambtenaren vast in de personeelsformatie. De raad doet dat echter niet op grond van dit uitvoeringsbesluit, maar op grond van artikel 76 tot en met 84 van het gemeentedecreet en artikel 74 tot en met 81 van het provinciedecreet. Voor de toepassing van artikel 80 van het gemeentedecreet, dat de grondslag legt voor een deeltijdse betrekking van gemeentesecretaris en financieel beheerder van de gemeente stelt de Vlaamse Regering de voorwaarden vast in een afzonderlijk besluit en niet in dit besluit. Artikel 4 en artikel 5 Algemene toelichting De omschrijving van personeelsformatie in artikel 103 van het gemeentedecreet en artikel 99 van het provinciedecreet moet door de Vlaamse Regering nader ingevuld worden. Die invulling door het besluit moet een antwoord geven op de vraag : Welke « soorten betrekkingen » worden in de personeelsformatie opgenomen? De betrekkingen die ingesteld worden ter uitvoering van werkgelegenheidsmaatregelen, vormen een expliciete uitzondering : de decreten bepalen dat die betrekkingen niet in de personeelsformatie worden opgenomen. Uit de commentaar bij de vermelde artikelen in de memorie van toelichting blijkt ook dat de decreetgever ervan uitgaat dat betrekkingen die gecreëerd worden om een plotse opstoot van werk of een tijdelijke toename van het werk op te vangen, niet thuishoren in de personeelsformatie. Het betreft taken die in de gemeenten en provincies vaak opgenomen worden door jobstudenten, seizoenspersoneel of tijdelijk personeel voor evenementen. Ook de lesuren van het niet-gesubsidieerde gemeentelijk of provinciaal onderwijzend personeel, die van jaar tot jaar kunnen wisselen naargelang van het gesubsidieerde lestijdenpakket, worden niet in de personeelsformatie opgenomen. Vervangingen van afwezige personeelsleden zijn per definitie geen betrekkingen. Met inachtneming van die uitzonderingen wordt in dit besluit een invulling gegeven aan « de soorten betrekkingen ». Dat zijn de statutaire betrekkingen en alle andere contractuele betrekkingen. Dat laatste slaat zowel op bestendige (duurzame, stabiele) contractuele betrekkingen als op tijdelijke betrekkingen, ingesteld voor de uitvoering van projecten. De omstandigheden waarin die soorten betrekkingen kunnen voorkomen, staan opgesomd in artikel 104, § 2, 3° tot en met 6°, van het gemeentedecreet en in artikel 100, § 2, 3° tot en met 6°, van het provinciedecreet. De personeelsformatie heeft de waarde van een plan op het operationele niveau. Ze stelt de « personele middelen » vast voor de uitvoering van het beleid zoals het op dat ogenblik uitgetekend en bekend is. De planningshorizon is dus relatief beperkt. De formatie is bovendien een veranderlijk beheersinstrument. Ze wordt bijgestuurd naarmate de opvattingen over de dienstverlening evolueren en het werkvolume of de werkprocessen veranderen. Essentieel is dat de formatie vastgesteld wordt op strikt functionele grondslagen en niet op basis van particuliere belangen, zoals individuele bevorderingsmogelijkheden of niet erg realistische desiderata van diensthoofden. De grenzen van de personeelsformatie worden bovendien aangegeven door de betaalbaarheid ervan. Nadere commentaar bij artikel 4 en artikel 5 Aansluitend bij de formulering in het gemeentedecreet (artikel 103) en het provinciedecreet (artikel 99) wordt de term betrekkingen gebruikt in de titel personeelsformatie (terminologische aansluiting bij de hogere regelgeving). 'Betrekking' wordt ook verder in het besluit gebruikt als dat refereert aan de personeelsformatie of in de gevallen waar de bewoordingen uit het decreet letterlijk worden overgenomen. Voorbeelden daarvan zijn : een vacante betrekking van de personeelsformatie, « de betrekkingen die ingesteld worden ter uitvoering van de werkgelegenheidsmaatregelen van de hogere overheden ». Vanaf titel III, hoofdstuk II, waarmee de behandeling van de humanresourcescyclus aanvangt en verder worden 'betrekking' en 'functie' in het besluit zonder betekenisverschil door elkaar gebruikt. Geen enkele betrekking van de personeelsformatie wordt vastgesteld buiten het stelsel van graden. Graad is naast niveau een fundamenteel element van de personeelsformatie, wat de 'soorten betrekkingen' betreft, waarvan sprake in artikel 103 van het gemeentedecreet en artikel 99 van het provinciedecreet. Conform de definitie van graad in artikel 2, 14°, is de graad een verzamelnaam voor een groep van gelijkwaardige functies. Die verzameling bestaat eventueel ook uit één enkele functie. Graad en functie zijn dus niet dezelfde begrippen. Het onderscheid tussen beide heeft betekenis voor het loopbaanstelsel dat plaatselijk uitgetekend wordt binnen de krijtlijnen van dit besluit. De oude toezichtsdecreten (decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten en decreet van 22 februari 1995 tot regeling van het administratief toezicht op de provincies in het Vlaamse Gewest, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2002) definieerden de personeelsformatie als de opsomming van de graden en van het aantal voltijdse en deeltijdse betrekkingen per graad. Dit besluit bepaalt echter dat het aantal betrekkingen wordt uitgedrukt in voltijdse equivalenten. Dat moet in principe een soepelere personeelsbezetting mogelijk maken. De formulering in artikel 4 belet niet dat de gemeenteraad of de provincieraad in de formatie echter aangeeft welke en hoeveel betrekkingen er deeltijds vervuld kunnen worden, zoals ze dat gewoon zijn te doen voor bepaalde activiteiten (bibliotheek, poetsdienst... ). De keuze ter zake is aan de besturen zelf. Artikel 5, § 1 : statutaire en contractuele betrekkingen Naast graad en niveau is ook het dienstverband (statutair of contractueel) een indelingscriterium voor de betrekkingen in de personeelsformatie. De contractuele betrekkingen zijn de betrekkingen die ingesteld worden met toepassing van artikel 104, § 2, 3°, 4°, 5° en 6°, van het gemeentedecreet en artikel 100, § 2, 3°, 4°, 5° en 6°, van het provinciedecreet. (Zie ook onder algemene commentaar.) Ter illustratie hierbij enkele voorbeelden van contractuele betrekkingen die bestendig kunnen zijn : - betrekkingen in de sectoren cultuur, jeugd, sport (artikel 104, § 2, 4°, respectievelijk artikel 100, § 2, 4°); - poetspersoneel, cateringpersoneel (artikel 104, § 2, 3°, respectievelijk artikel 100, § 2, 3°); - bepaalde expertfuncties... Voorbeelden van activiteiten die vaak op projectmatige basis georganiseerd worden : - stadsvernieuwingsprojecten; - projecten, gericht op sociale doelgroepen; - ... Artikel 5, § 2, 1° : betrekkingen die bestemd zijn voor Er wordt in dit besluit geen enkele organisatorische indeling van de betrekkingen opgelegd, behalve in de gevallen waar de decreetgever dat zelf gedaan heeft. Dat wordt aangegeven in artikel 5, § 2, 1°, met de betrekkingen die bestemd zijn voor'. De decretale grondslagen voor de opsomming in dat artikel wordt hieronder nader toegelicht. Hoewel de overeenstemmende bepalingen van het decreet rechtstreeks van toepassing zijn, geeft het besluit de opsomming voor de duidelijkheid en het gebruiksgemak toch weer. Artikel 103, derde lid, van het gemeentedecreet en artikel 99, derde lid, van het provinciedecreet bepalen dat er in de personeelsformatie een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen het personeel van de « gemeentelijke diensten » of de « provinciale diensten » en het « kabinets- en fractiepersoneel ». Voor het kabinets- en fractiepersoneel heeft de Vlaamse Regering ter uitvoering van artikel 104, § 3, van het gemeentedecreet en artikel 100, § 3, van het provinciedecreet de nadere regels vastgesteld in het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/04/1836 pub. 07/12/2000 numac 2000000913 bron ministerie van binnenlandse zaken Provinciewet. - Duitse vertaling sluiten2 tot vaststelling van de regels inzake aanwerving en terbeschikkingstelling van het kabinets- en fractiepersoneel in de gemeenten en de provincies (Belgisch Staatsblad van 23 januari 2007). Het besluit verwijst in concreto naar artikel 3 van dat besluit dat luidt : »Art. 3.De raad stelt de betrekkingen voor het kabinets- en fractiepersoneel in de personeelsformatie vast. » Artikel 221, § 1, van het gemeentedecreet en artikel 215, § 1, van het provinciedecreet omschrijven intern verzelfstandigd agentschappen als diensten zonder eigen rechtspersoonlijkheid die door de gemeente of de provincie belast zijn met welbepaalde beleidsuitvoerende taken van gemeentelijk of provinciaal belang en die beschikken over een precies omschreven operationele autonomie (artikel 222 van het gemeentedecreet en artikel 216 van het provinciedecreet). Het agentschap wordt beheerd buiten de algemene diensten. Het is dus alleszins een afzonderlijke dienst. Rekening houdend met de situering van het intern verzelfstandigd agentschap als afzonderlijke dienst naast de algemene diensten, en met de operationele autonomie ervan, is het logisch dat het op de personeelsformatie een zelfstandige plaats krijgt. Dat schept immers duidelijkheid over de personele middelen die voor de autonome' werking ervan nodig zijn, wat aansluit bij de betekenis van personeelsformatie. Het intern verzelfstandigd agentschap staat trouwens onder de leiding van het « hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap ». De vaststelling van de voorbehouden betrekkingen heeft geen gevolgen voor de loopbaan of de rechtspositieregeling van het personeel. De decreten onttrekken het intern verzelfstandigd agentschap immers op geen enkele wijze aan de toepassing van de overige bepalingen van de titel personeel. Artikel 287, eerste lid, van het gemeentedecreet bepaalt dat elke districtsraad een voorstel doet voor de samenstelling van een eigen personeelsformatie die rekening houdt met de eigen behoeften en die als zodanig deel uitmaakt van de personeelsformatie die de gemeenteraad vaststelt voor het geheel van de gemeentelijke diensten. Artikel 287, derde lid, voegt daaraan toe dat de vaststelling van een eigen personeelsformatie voor de districten geen afbreuk doet aan het feit dat het districtspersoneel deel uitmaakt van het gemeentelijke personeelsbestand en toegang heeft tot andere betrekkingen dan die van de districtsformatie. Ongeacht de toewijzing aan het intern verzelfstandigd agentschap of het district, is het personeel in die betrekkingen dus onderworpen aan de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel, respectievelijk het provinciepersoneel, en maakt het integraal deel uit van het gemeentelijke of het provinciale personeelsbestand. De decreten benadrukken dat expliciet. Sommige decreten of besluiten van de Vlaamse Regering leggen de vaststelling van bepaalde betrekkingen op, al dan niet in het kader van regels voor erkenning en subsidiëring van diensten. Zo moet de erkende en gesubsidieerde sportdienst formatieplaatsen vaststellen voor een of meer sportfunctionarissen en moet de 'statutaire personeelsformatie van de openbare bibliotheek' de functie van bibliothecaris instellen naast bepaalde functies van de niveaus A en B. Die regels veronderstellen dat de betrekkingen voor die diensten een herkenbare plaats op de formatie krijgen. Artikel 5, § 2, 2° : bezette statutaire betrekkingen die overtallig zijn Het is mogelijk dat een of meer permanente betrekkingen in de personeelsformatie geschrapt worden. Hoe wordt dat opgevangen als die betrekking of die betrekkingen nog effectief ingenomen zijn? Dat kan op verschillende manieren : - Het bestuur laat de activiteiten van de personeelsleden die een geschrapte betrekking bekleden, doorlopen, zolang die personeelsleden in dienst zijn of tot ze veranderen van betrekking. Die overgangsregeling biedt een garantie dat alle personeelsleden hun rechten en loopbaanaanspraken behouden. Ze maken integraal deel uit van het actieve personeelsbestand. De afgeschafte betrekkingen blijven deel uitmaken van de personeelsformatie zolang ze bezet zijn, aangezien ze financieel nog ten laste van het bestuur zijn. Ze kunnen niet meer opnieuw vervuld worden bij het vertrek van de titularis ervan. - Als het bestuur nog vacatures in dezelfde rang heeft, kunnen de personeelsleden desgewenst onmiddellijk in die vacatures herplaatst worden. De geschrapte betrekkingen worden dan in mindering gebracht op de personeelsformatie. - Als het bestuur de administratieve toestand 'disponibiliteit wegens ambtsopheffing' in de rechtspositieregeling heeft opgenomen, kan het de statutaire personeelsleden van de afgeschafte betrekkingen in de stand disponibiliteit wegens ambtsopheffing plaatsen, waarbij die personeelsleden een wachtgeld genieten. De personeelsleden werken dan niet meer voor het bestuur, maar blijven wel beschikbaar voor een eventuele herplaatsing binnen het bestuur als de mogelijkheid daartoe zich aandient. Bij de keuze voor de eerste oplossing staan de overtallige betrekkingen in overgangsregeling in de personeelsformatie. Dezelfde overgangsregeling wordt ook gebruikt als techniek bij de herwaardering van een of meer betrekkingen. Er worden evenveel betrekkingen als men wenst te herwaarderen opgenomen in de overgangsregeling. Daarnaast wordt een gelijk aantal betrekkingen vastgesteld in de andere rang waarin men de betrekkingen wenst te situeren. De toegang tot die betrekkingen wordt geblokkeerd zolang als nodig is. De personeelsleden die de betrekkingen bezetten die het voorwerp zijn van herwaardering, behouden echter hun betrekking, evenals hun administratieve rechten en loopbaanaanspraken. Een betrekking die opgenomen is in een overgangsregeling, verdwijnt dus slechts met het vertrek van de titularis ervan. Artikel 6 De bestaande niveau-indeling van de graden blijft behouden. De niveau-indeling impliceert dat de betrekkingen ingedeeld worden volgens de algemene competenties die ervoor vereist zijn. De algemene toelatingsvoorwaarden bepalen dat alleen de erkende diploma's, vermeld op de lijst in bijlage I van dit besluit, toegang geven tot de betrekkingen. De lijst die van toepassing is op het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid wordt in die bijlage overgenomen. Artikel 7 In dit artikel worden de graden per niveau gerangschikt in een hiërarchische rangorde. Dat zijn de rangen per niveau. Inhoudelijk geeft de rang aan hoe de graden ten opzichte van elkaar geschikt worden. Aan een graad van een hogere rang in een niveau is in de regel een hogere salarisschaal verbonden. Dat is niet nieuw in vergelijking met de bestaande situatie : de indeling is precies dezelfde als de bestaande hiërarchische indeling van de graden in de bestaande plaatselijke rechtspositieregelingen. De vormgeving ervan met een vast kenmerk is ingegeven door praktische overwegingen. Het gebruik ervan in dit besluit vergemakkelijkt de verwijzingen naar welbepaalde graden of soorten graden in de rechtspositieregeling. Dat is des te belangrijker omdat er in dit besluit niet gekozen wordt voor uniforme graadbenamingen en functiebenamingen die aan de gemeenten en de provincies opgelegd worden. Dat zou overigens niet eenvoudig zijn. Wat in de ene gemeente nu afdelingschef heet, heet in een andere gemeente adjunct van de directeur of bestuurssecretaris. De benaming administratief assistent kan in een bepaalde gemeente slaan op de basisgraad van niveau C en in een andere gemeente op een basisgraad van niveau D enzovoort. Vandaar dat voor de vormgeving van dit besluit gekozen wordt voor een abstract algemeen kader, waarin elke graad een plaats kan krijgen, ongeacht de benaming ervoor. De begrippen 'rang', 'salarisschaal' en 'functionele loopbaan' verschillen bovendien van elkaar en staan voor verschillende concepten. Aan dezelfde rang kunnen verschillende salarisschalen en functionele loopbanen verbonden zijn, bijvoorbeeld C1-C3 en C1-C2. De rangindeling wordt weerspiegeld in de formatie. De rangindeling is daarnaast ook een aspect van de rechtspositieregeling, meer bepaald van de 'organisatie van de loopbaan', waarvan sprake in artikel 105, § 2, 6°, van het gemeentedecreet en artikel 101, § 2, 6°, van het provinciedecreet. Bij de toepassing van dit abstracte raamkader op de plaatselijke rechtspositieregeling worden de rangen ingevuld met de graadbenamingen die men plaatselijk heeft gekozen, bijvoorbeeld medewerker en hoofdmedewerker. Schematisch moet men zich dit abstracte kader, toegepast op het bestaande stelsel van niveaus, graden en salarisschalen, als volgt voorstellen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Het voorlaatste lid van artikel 7 bepaalt dat er geen andere rangen ingesteld kunnen worden. Het tweede en derde lid van artikel 1 bieden daarop een uitzonderingsgrond voor de daarin genoemde instellingen. Doorslaggevend voor de keuze van graad en niveau zijn de taakinhoud en het functieprofiel, zoals weergegeven in de functiebeschrijving. Artikel 7, laatste lid : functiebeschrijving De functiebeschrijving heeft voor de vaststelling van de personeelsformatie zowel de betekenis van formatieplaatsbeschrijving als van functiewaarderingsinstrument. Dat maakt de kwaliteit ervan erg belangrijk. Voor een correcte situering van een functie in een graad en een niveau is de kwaliteit en de consistente opmaak van de functiebeschrijvingen essentieel. Een algemene definitie van 'functiebeschrijving' vindt men in artikel 2, 15° en 16° (competenties). Die omschrijving zegt niets over hoe die functiebeschrijvingen plaatselijk ontworpen worden. De gemeente en de provincie bepalen zelf welke standaard ze hanteren voor de opmaak van de functiebeschrijvingen. Functiebeschrijvingen kunnen algemeen per graad, of specifiek functie per functie vastgesteld worden, ze kunnen een algemeen en een specifiek gedeelte bevatten, ze kunnen meer of minder gedetailleerd zijn 'Belangrijk is dat de gekozen standaard consistent toegepast wordt op alle functiebeschrijvingen. We vestigen er de aandacht op dat sommige bepalingen in het gemeentedecreet en in het provinciedecreet over het budgethouderschap, over de bevoegdheid van de rekenplichtige (artikelen 159 en 163, respectievelijk 155 en 159) en over het lidmaatschap van het managementteam (artikel 96, respectievelijk 92) impliceren dat die taken of verantwoordelijkheden vastgelegd worden in de functiebeschrijving. De vermelding daarvan in de functiebeschrijvingen hangt uiteraard samen met de inwerkingtreding van die bepalingen van het gemeentedecreet en van het provinciedecreet. Ook de bevoegdheid tot 'uitoefening van het gezag van het bestuur', of de 'verantwoordelijkheid voor de vrijwaring van de belangen van het bestuur' moet expliciet in de functiebeschrijving worden vermeld. Dat aspect is namelijk essentieel om te bepalen of de toegang tot die functie voorbehouden is voor Belgen. De rechtspraak van het Europese Hof van Justitie laat er geen misverstand over bestaan dat een algemene benaming of titel of rang daarover geen uitsluitsel geeft. Alleen de concrete functie-inhoud is een aanvaard criterium om te bepalen of de Belgische nationaliteit vereist is. De functiebeschrijving beperkt zich tot wat wezenlijk is voor de functie als zodanig en is dus niet afgestemd op occasionele taken en uitzonderlijke toestanden. Functiebeschrijvingen mogen, tot slot, geen tegenspraken bevatten met bepalingen in de rechtspositieregeling of andere reglementaire teksten. Formele toegangsvoorwaarden tot de betrekkingen horen thuis in de rechtspositieregeling, waarvoor de raad bevoegd is. Hoewel de functiebeschrijvingen als instrument gebruikt worden voor de situering van betrekkingen in de personeelsformatie, maken ze als zodanig geen deel uit van de personeelsformatie, noch van de rechtspositieregeling. Ze worden conform de in het bestuur gekozen standaard opgesteld door het management of de personeelsdienst onder eindverantwoordelijkheid van het hoofd van het personeel. De vaststelling van de functiebeschrijvingen door de raden als onderdeel van de personeelsformatie of van de rechtspositieregeling zou niet alleen afbreuk doen aan de hoedanigheid van aanstellende overheid van het college of van de gemeentesecretaris of de provinciegriffier bij concrete aanstellingen, maar zou ook erg onpraktisch worden. De geringste wijziging zou dan aan de raden voorgelegd moeten worden. De enige uitzondering op die algemene optie betreft de decretale graden (zie artikel 24). De vaststelling van de personeelsformatie is krachtens artikel 43, § 2, 4°, van het gemeentedecreet en van het provinciedecreet het exclusieve prerogatief van de gemeenteraad of van de provincieraad. Artikel 87, § 4, van het gemeentedecreet en artikel 84, § 4, van het provinciedecreet bepalen dat de gemeentesecretaris, respectievelijk de provinciegriffier, in overleg met het managementteam zorgen voor het opstellen van het voorontwerp van de personeelsformatie. De districtsraad stelt het formatievoorstel voor het district vast. Het « voorontwerp van personeelsformatie » en « het formatievoorstel van de districtsraad » zijn instrumenten voor het topmanagement ter ondersteuning van het besluitvormingsproces over de personeelsformatie. Het ligt voor de hand dat het voorontwerp van personeelsformatie of het voorstel van formatie van de districtsraad als voorbereidend document voor de raden een groter rechtstreeks nut zal hebben als het vastgesteld wordt volgens de criteria in artikel 4, 5, 6 en 7, en als daarbij de gegevens gevoegd worden, die de raad informeren en in staat stellen om te beslissen met kennis van zaken. De volgende informatieve gegevens lijken daarbij onontbeerlijk : een overzichtslijst van de betrekkingen en van de bezetting ervan, het overzicht van de formatiewijzigingen en een toelichting daarbij, de motivering van de financiële haalbaarheid van de nieuwe personeelsformatie. Voor de kostprijsberekening wordt geen standaardformule opgelegd aan de gemeenten en de provincies. De gemeenten en de provincies bepalen zelf een zo realistisch mogelijke berekeningswijze. De besturen hebben zelf als eerste betrokken partij alle belang bij een goed inzicht in de financiële implicaties van de formatievaststellingen. De motivering van de financiële haalbaarheid is daarnaast van belang tegen de achtergrond van de bepalingen van artikel 117 van het gemeentedecreet en artikel 113 van het provinciedecreet over het toezicht op de personeelsformaties. Die artikelen bepalen dat de toezichthoudende overheid de personeelsformatie zal schorsen, c.q. vernietigen als de besluiten over de personeelsformatie « worden aangenomen zonder dat de financiële haalbaarheid ten aanzien van de financiële nota van het meerjarenplan wordt aangetoond. » Zolang het nieuwe financiële stelsel van de gemeenten en de provincies nog niet in werking is getreden, moet de financiële haalbaarheid aangetoond worden in het licht van de begroting en het meerjarenplan. Ook daarbij gaat het om een berekeningswijze die zo goed als mogelijk de realiteit benadert. TITEL III. - De loopbaan HOOFDSTUK I. - De procedures voor de vervulling van betrekkingen Algemene toelichting Deze titel stelt de basisregels vast voor diverse personeelsbewegingen die zich kunnen afspelen binnen het geschetste abstracte raamkader van niveaus, graden en rangen. Er worden enkele aspecten van de humanresourcescyclus in geregeld zoals de instroom en de horizontale of verticale doorstroming en enkele HR-instrumenten die daarbij gebruikt worden, zoals vorming, evaluatie en de diverse administratieve anciënniteiten. Een en ander stemt overeen met de volgende aspecten van de rechtspositieregeling, vermeld in artikel 105, § 2, van het gemeentedecreet en in artikel 101, § 2, van het provinciedecreet : « 3° de voorwaarden en procedures voor aanwerving en bevordering. Die procedures waarborgen de objectiviteit van de aanwervingen en bevorderingen en de gelijke behandeling van de kandidaten. Alle personeelsleden worden steeds op proef aangesteld; » « 4° de bekendmaking van de vacatures en de proeftijd; » « 5° de evaluatie, de wijze van aanwijzing van de evaluatoren, de daarbij behorende procedures, de periodiciteit en de rechtsgevolgen ervan, rekening houdend met de aard van de functie; » « 6° de organisatie van de loopbaan van de personeelsleden en van de interne mobiliteit ». We herhalen dat het gemeentedecreet en het provinciedecreet de vaststelling van de regels in die punten, en met name ook in punt 6° over de organisatie van de loopbaan en van de interne personeelsmobiliteit, niet voorbehouden hebben voor de statutaire personeelsleden. Ze hebben integendeel de grondslag gelegd voor een gelijkschakeling van de regels voor het statutaire en het contractuele personeel wat het hele loopbaanstelsel betreft. Artikel 8 Artikel 8, § 1, stelt de diverse toegangswegen tot de betrekkingen bij de gemeenten en provincies vast. « Met behoud van de toepassing van de specifieke regels per procedure » betekent dat dit hoofdstuk samen gelezen moet worden met de regels die per procedure in hoofdstuk II (de aanwerving), hoofdstuk IX (de bevordering) en in hoofdstuk X (interne personeelsmobiliteit) werden vastgesteld. De bepaling 'ongeacht haar rangindeling' impliceert dat alle betrekkingen in principe toegankelijk zijn door aanwerving. Voorheen was aanwerving de regel voor de betrekkingen in de basisgraden van een niveau en bevordering de regel voor de betrekkingen in de hogere rangen van elk niveau. Betrekkingen in hogere rangen binnen elk niveau waren zo automatisch 'bevorderingsbetrekkingen'. Daarop waren slechts enkele uitzonderingen mogelijk. Het besluit opteert voor een principieel open keuze voor de toegangsweg tot de betrekkingen. Een essentiële aanvulling is de vermelding van de interne personeelsmobiliteit als specifieke toegangsweg naar de betrekkingen. De aanvulling is niet alleen logisch met het oog op de volledigheid, ze berust ook op een keuze om de interne personeelsmobiliteit te bevorderen. De interne personeelsmobiliteit biedt immers extra kansen voor personeelsleden. De keuze wordt overgelaten aan de aanstellende overheid, die bevoegd is voor de vacantverklaring van de betrekkingen (§ 2, tweede lid). Ze krijgt hier een gamma aan keuzemogelijkheden aangeboden. Artikel 8, § 1, 4°, maakt immers ook een combinatie van procedures mogelijk. Naargelang van de gekozen toegangsweg wordt een beperkter, een ruimer, of een ander rekruteringsveld aangesproken. Op voorwaarde dat men de specificiteit van elke procedure respecteert, kan een vacature als volgt vervuld worden : - door aanwerving; - door bevordering; - door interne personeelsmobiliteit; - door aanwerving én bevordering; - door aanwerving en interne personeelsmobiliteit; - door interne personeelsmobiliteit en bevordering; - door aanwerving, bevordering en interne personeelsmobiliteit. De « ambtshalve herplaatsing » waarvan sprake is in titel V, hoort niet in dit rijtje thuis. De ambtshalve herplaatsing is een oplossing voor specifieke probleemsituaties, maar geen algemene wijze voor het vervullen van een vacature. De ambtshalve herplaatsing gaat trouwens niet gepaard met een vacantverklaring en met een oproep aan kandidaten, zoals de hierboven vermeld procedures. Artikel 100 stelt echter wel vast dat de ambtshalve herplaatsing van een overtallig personeelslid na opheffing van een betrekking voorrang heeft op de toepassing van de procedures, vermeld in dit artikel en in artikel 9. Artikel 199 stelt dezelfde voorrangsregel in voor personeelsleden die zich al in de stand disponibiliteit wegens ambtsopheffing bevinden. Als bevordering aan een proeftijd onderworpen wordt, stelt het besluit bij ongunstige evaluatie van die proeftijd ook een ambtshalve terugkeer vast naar de vorige graad en, zo mogelijk, naar de vorige functie. Dat laatste is gemakkelijker als de proeftijden niet te lang zijn, zodat de aanstellende overheid daarmee rekening kan houden in haar bezettingsplan. Bij de combinatie van procedures verloopt elke procedure afzonderlijk volgens de daartoe geldende regels. Essentieel is echter dat de selectie bij elke procedure focust op precies dezelfde selectiecriteria en competentievereisten voor de functie. Elke afzonderlijke procedure levert geselecteerde kandidaten op. Die worden met elkaar vergeleken om uit te maken wie de meest geschikte kandidaat is voor de functie. Bij de vergelijking worden niet alleen resultaten van selectietechnieken betrokken, maar het geheel van de titels en verdiensten. De organisatie van een afzonderlijke aanwervings- en bevorderingsprocedure brengt extra onkosten mee voor de afzonderlijke selectieactiviteiten. Daarom kiezen besturen er vaak voor om de kandidaten gelijktijdig aan de selectie te onderwerpen. In dat geval is artikel 19, § 2, eerste lid, van toepassing, dat onder meer stelt dat de externe en de interne kandidaten aan dezelfde selectieproeven onderworpen worden. Het is niet in alle omstandigheden nodig om uitgebreide selecties te organiseren. Als het bestuur beschikt over een wervingsreserve voor een vacante functie, moet het eerst een beroep doen op de wervingsreserve voor het een nieuwe selectie kan organiseren. Als de bevorderingsprocedure van toepassing is, kan gekozen worden uit een nog geldig bestand van geslaagde kandidaten van een vorige bevorderingsprocedure. Zie ook de commentaar bij artikel 74. Artikel 9 De raden kunnen vaststellen dat bepaalde vacatures alleen maar of bij voorrang door bevordering of door interne personeelsmobiliteit of door de combinatie daarvan vervuld worden. Het artikel somt de mogelijkheden op. Dat houdt onder meer in dat de raden desgewenst 'bevorderingsbetrekkingen' kunnen instellen. « Bij voorrang » betekent dat eerst het interne rekruteringsveld wordt aangeboord, voor de aanstellende overheid een beroep mag doen op de externe arbeidsmarkt. De raden kiezen in voorkomend geval zelf de betrekkingen of de groep van betrekkingen waarop dat van toepassing is. Die werkwijze past in een motiverend personeelsbeleid dat maximaal gebruikmaakt van de knowhow en de competenties die bij de personeelsleden aanwezig zijn. Ze kan ook het sluitstuk vormen van de door het bestuur geleverde inspanningen voor de ontwikkeling van de interne competenties. Artikel 9 somt de interne procedures en de mogelijke combinatie van interne procedures op. De implicatie van de voorrang voor een bepaalde procedure is dat de aanstellende overheid geen keuze heeft tussen diverse procedures, maar gebonden is aan de voorrangsprocedure die de raad heeft vastgesteld. Alleen voor de toepassing van het punt 4° in artikel 9 maakt de aanstellende overheid zelf de keuze. HOOFDSTUK II. - De aanwerving Afdeling I. - De algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden Algemene opmerking Voor de duidelijkheid en het gebruiksgemak worden alle dwingende algemene toelatingsvoorwaarden in dit besluit vermeld, ook al worden enkele daarvan opgelegd door hogere rechtsnormen of door federale bepalingen. In dat geval verwijzen we voor de rechtsgronden naar de puntsgewijze commentaar bij artikel 10 en artikel 11 van dit besluit. De voorwaarde dat een kandidaat aan de dienstplichtwetten moet voldoen, wordt niet opgenomen in dit besluit. Bij de wet van 14 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/11/1998 pub. 12/01/1999 numac 1998010076 bron ministerie van justitie Wet tot invoering van de wettelijke samenwoning sluiten3 houdende administratieve vereenvoudiging II werd artikel 100 in de gecoördineerde dienstplichtwetten van 30 april 1962 geschrapt. Dat artikel luidde : »Niemand kan tot een betrekking aan de Staat, de provincie of de gemeente worden toegelaten tenzij hij het bewijs levert dat hij aan de dienstplichtwetten heeft voldaan. » Uit de schrapping van dat artikel volgt dat het college van de gemeente waar de kandidaat als inwoner is ingeschreven, dat dienstplichtbewijs niet meer moet afleveren. Die elementen maken de voorwaarde in de huidige context, waarin de dienstplichtwetten bovendien opgeschort zijn, vrij zinloos. In afwachting van verdere uitklaring van de wettelijke situatie door de federale overheid wordt om die redenen de voorwaarde dat de kandidaat aan de dienstplichtwetten voldaan moet hebben, niet opgenomen in dit besluit. Artikel 10 Dit artikel vermeldt de algemene toelatingsvoorwaarden voor de functies. Het toepassingsgebied ervan strekt zich uit tot alle functies, zonder uitzondering. Het gedrag waarvan sprake is in artikel 10, 1°, werd vroeger getoetst aan de hand van het zogeheten getuigschrift van goed zedelijk gedrag. Recente onderrichtingen hebben deze benaming vervangen door het « uittreksel uit het strafregister » (Omzendbrief nr. 095 van 2 februari 2007 - Belgisch Staatsblad, 9 februari 2007). Daarmee wordt het gemeentelijke strafregister bedoeld van de gemeente waar de kandidaat als inwoner ingeschreven is. Bij de toetsing van het gedrag moet de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gerespecteerd worden. Er mogen geen andere moraliteitsonderzoeken meer uitgevoerd worden, noch opmerkingen toegevoegd worden op het uittreksel uit het strafregister. Voor meer informatie over de wijze van aanvragen en uitreiken van dat uittreksel, over de soorten uittreksels en over het gebruik ervan, verwijzen we naar de besluiten en omzendbrieven van de federale overheid (ministerie van Justitie). Als er op het uittreksel ongunstige vermeldingen voorkomen, kan de kandidaat daarover een schriftelijke toelichting voorleggen aan de aanstellende overheid. Die beschikt bij haar beoordeling van de kandidaturen over een appreciatiebevoegdheid. Ze zal bij eventuele ongunstige vermeldingen die informatie toetsen aan de gedragsvereisten van de betrekking (dienstbelang) en aan de overheidscontext (waardigheid van de openbare functie) en zich voor de toelating van de kandidaat laten leiden door redelijkheid en evenredigheid. De aanstellende overheid kan daarbij rekening houden met het tewerkstellingsverband. Voor de tewerkstelling in een werkgelegenheidsmaatregel van een hogere overheid kan ze als uitgangspunt hanteren dat die tewerkstelling ook een kans op reclassering en re-integratie kan bieden. Zo hoeft de vermelding van een veroordeling niet noodzakelijk te leiden tot de uitsluiting van een kandidaat. De voorwaarde over de burgerlijke en politieke rechten, vermeld in artikel 10, 2°, is daarentegen wel imperatief en betekent dat een kandidaat niet op strafrechtelijke grond uit zijn burgerlijke en politieke rechten mag ontzet zijn. Voor kandidaten die de Belgische nationaliteit niet hebben, houdt de bepaling in dat ze in het land waarvan ze de nationaliteit hebben, niet op strafrechtelijke grond uit de burgerlijke en politieke rechten ontzet mogen zijn. Er is een relatie tussen de algemene toelatingsvoorwaarden voor een betrekking bij een gemeentebestuur of een provinciebestuur, vermeld in artikel 10 enerzijds, en de redenen voor het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid, vermeld in artikel 104, anderzijds. Artikel 10,3° : nationaliteitsvereiste De Raad van State heeft in zijn advies 43.608/3 bij het ontwerpbesluit van 14 september 2007 voorgesteld om de nationaliteitsvereiste te schrappen. In eerste instantie vond de Raad de verwijzing naar de 'Europese en Belgische wetgeving ter zake' in het ontwerp niet duidelijk en in tweede instantie is de raad het niet eens met het onderscheid dat het ontwerp maakt naargelang de aard van het dienstverband (statutaire tewerkstelling versus contractuele tewerkstelling). De opvatting van de Raad van State dat de nationaliteitsvereiste op dezelfde wijze geldt voor statutaire en contractuele personeelsleden leidt de Raad ook logischerwijze tot de conclusie dat de Vlaamse Regering niet bevoegd is om de afwijking in artikel 10, 3°
- b)voor de contractuele personeelsleden vast te stellen. Alleen de decreetgever kan dat, en dan nog op een wijze dat de uitzonderingen op de nationaliteitsvereiste opgesomd worden, aldus de Raad van State. Omwille van de beleidscontinuïteit en de continuïteit in de bestaande praktijk, opteert de Vlaamse Regering in dit besluit, in afwachting van de herziening van artikel 10 van de Grondwet voor het volgende : - de nationaliteitsvereiste voor de statutaire personeelsleden wordt volledig uitgewerkt conform het vigerende recht, zodat de onduidelijkheid waarnaar de Raad van State verwijst opgeheven wordt; - de regel over de nationaliteitsvereiste voor de contractuele personeelsleden blijft, in navolging van de federale en ook van de Vlaamse overheid, behouden. (Zie KB van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten en Vlaams Personeelsstatuut). De commentaar hieronder moet tegen die achtergrond gezien worden. Statutaire tewerkstelling : artikel 10,3°,
- a)Voor het statutaire personeelslid wordt toepassing gemaakt van de geldende Europese en Belgische wetgeving. Artikel 39, lid 4, van het EU-verdrag stelt het principe van het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie (EU) vast. De overeenkomst van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) breidt het toepassingsgebied van artikel 39 uit tot de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie. Het genoemde artikel 39, EU-verdrag, heeft een rechtstreekse uitwerking in het Belgische recht en heeft voorrang op artikel 10 van de Belgische Grondwet dat, onder voorbehoud van wettelijk bepaalde uitzonderingen, de voorwaarde van de Belgische nationaliteit oplegt. Het Europese Hof van Justitie heeft door consistente rechtspraak een interpretatie gegeven aan de draagwijdte van het vrije verkeer en de mate waarin het mag worden ingeperkt. Alleen de betrekkingen waarvan de functiebeschrijving aangeeft dat ze hoofdzakelijk de bevoegdheid tot rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het gezag van het bestuur of de verantwoordelijkheid voor de bescherming van de algemene belangen van het bestuur inhouden, zijn voorbehouden voor Belgen. De algemene regel is dat functies openstaan voor de onderdanen van die EU-lidstaten en lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland, die op grond van de Belgische wetgeving toegang hebben tot het wettige verblijf in België en een algemeen geldende toegang hebben tot de Belgische arbeidsmarkt. De verplichting om de Belgische nationaliteit te hebben, heeft in die zin een beperkte draagwijdte. Alleen om functiespecifieke redenen die blijken uit de functiebeschrijving is een betrekking voorbehouden voor Belgen. Het gaat dus niet op om op een rechtlijnige wijze aan alle betrekkingen van een bepaalde graad of van een bepaald niveau het bezit van de Belgische nationaliteit te koppelen. Het wordt de raden aanbevolen om aan de hand van de functiebeschrijvingen een limitatieve lijst vast te stellen van de statutaire betrekkingen die voor Belgen zijn voorbehouden. Tot die betrekkingen behoren op grond van hun decretale taakstelling alvast de betrekkingen van gemeentesecretaris, adjunct-gemeentesecretaris en financieel beheerder van de gemeente en van provinciegriffier en financieel beheerder van de provincie. De betrekkingen die niet voorbehouden zijn aan Belgen, zijn toegankelijk voor kandidaten die onderdaan zijn van een lidstaat van de EU of van de Europese Economische Ruimte (EER), op de wijze zoals door het Europese en het Belgische recht werd bepaald. Met de landen die deel uitmaken van de EER, maar geen deel uitmaken van de EU worden in de huidige stand van zaken bedoeld : Noorwegen, IJsland, Liechtenstein. Met de onderdanen uit een lidstaat van de EU die toegelaten zijn tot de Belgische arbeidsmarkt worden bedoeld : - alle onderdanen van de oudere lidstaten die voor 1 mei 2004 al toegang hadden tot de betrekkingen bij de overheid op basis van artikel 39, lid 4, van het EG-verdrag, dat het vrije verkeer van werknemers als supranationale rechtsregel heeft ingesteld. - de onderdanen van Cyprus en Malta. Voor hen geldt op basis van hun toetredingsakte tot de EU vanaf 1 mei 2004 hetzelfde principe van het vrije verkeer van werknemers. Sinds 1 mei 2006 loopt een tweede overgangsperiode waarbij tot 1 mei 2009 de onderdanen van de volgende lidstaten nog uitgesloten zijn van het vrije verkeer van werknemers : Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slowakije, Slovenië en Polen (koninklijk besluit van 24 april 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, naar aanleiding van de verlenging van de overgangsbepalingen die werden ingevoerd bij de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie - Belgisch Staatsblad, 28 april 2006). Voor de op 1 januari 2007 toegetreden landen Roemenië en Bulgarije is op 1 januari 2006 een eerste overgangsperiode gestart, die eveneens loopt tot 1 mei 2009 ( koninklijk besluit van 19 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 23/11/1999 numac 1999015206 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdend instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek Chili, en administratieve schikking houdende de modaliteiten van toepassing van de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek Chili, gedaan te Brussel op 9 september 1996
(2)type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde sluiten1 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers naar aanleiding van de toetreding tot de Europese Unie van Bulgarije en Roemenië - Belgisch Staatsblad, 28 december 2006). Een laatste verlenging met twee jaar van die overgangsperiodes is na 1 mei 2009 mogelijk, maar tegen 1 mei 2011 ten laatste moet het vrije verkeer voor al de vermelde EU-lidstaten een feit zijn. De overheden moeten de ontwikkeling van de wetgeving dan ook volgen. Vertaald naar de plaatselijke rechtspositieregeling komt dat voor de statutaire functie, bedoeld in artikel 10, 3°, a), op de datum van 1 januari 2007 neer op de volgende regel. De kandidaat moet : - Belg zijn, als de uit te oefenen functie een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname aan de uitoefening van het openbaar gezag inhoudt of werkzaamheden omvat die strekken tot de vrijwaring van de belangen van het bestuur; - anders, onderdaan zijn van een van de volgende landen : 1° een van de volgende EU-lidstaten en EER-lidstaten : België, Cyprus, Duitsland, Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, IJsland Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk of Zweden;2° de Zwitserse Bondsstaat. Omdat er veel overtredingen van de regel van het vrije verkeer van werknemers werden vastgesteld, heeft de Europese Commissie in haar Publicatieblad EEG (C72/2, 18 maart 1988) van 18 maart 1988 verdere aanwijzingen gegeven voor de interpretatie van die regel. Hieronder volgen in punt 2° enkele aanwijzingen uit het Publicatieblad, die eerder reeds opgenomen werden in de omzendbrief WEL-97/04 betreffende de uitvoering van de beslissing van de Interministeriële Conferentie voor het Migrantenbeleid van 6 november
- De Belgische nationaliteit wordt gevraagd : 1° om functiespecifieke redenen : - voor de gemeentesecretaris en de financieel beheerder; - voor de adjunct-gemeentesecretaris; 2° vanwege concrete bevoegdheden, verantwoordelijkheden of taken : - voor functies waaraan op grond van een wet, decreet, koninklijk besluit of besluit van de Vlaamse Regering een bevoegdheid tot verbaliseren is verbonden (milieupolitie, bouwpolitie...); - voor de functies die het opstellen, uitvoeren en controleren van de uitvoering van juridische akten (contracten, vergunningen) inhouden (stedenbouwkundig ambtenaar, controleur uitbestede werken...); - voor functies die het toezicht op ondergeschikte besturen inhouden (kerkfabrieken). Volgens de Europese Commissie (zie Publicatieblad) mag in de volgende gevallen de Belgische nationaliteit niet opgelegd worden : - voor functies in organen die belast zijn met commerciële diensten (bepaald soort overheidsbedrijven); - voor de functies in de sociale, culturele en sportieve dienstverlening; - voor de publieke gezondheidszorg; - voor de meeste lagere functies. Artikel 10 van de Grondwet legt de Belgische nationaliteit op onder voorbehoud van de « uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld ». Een poging van de Vlaamse decreetgever in 2003 om voor de vaste, statutaire betrekkingen die uitzonderingen in de vorm van functiegroepen te omschrijven voor de diensten van de Vlaamse overheid en van de diverse lokale overheden in Vlaanderen, strandde op een negatief advies daarover van de Raad van State, volgens dewelke de uitzonderingen telkens in concreto omschreven moeten worden. Het spreekt voor zich dat het ondoenbaar is een lijst van concrete, specifieke functies van de 308 Vlaamse gemeenten en de 5 Vlaamse provincies op te nemen in een decreet. Artikel 10 van de Grondwet werd voor herziening vatbaar verklaard (Verklaring tot herziening van de Grondwet van 4 en 9 april 2003 en recente verklaring tot herziening van de Grond wet van 27 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/11/1998 pub. 12/01/1999 numac 1998010076 bron ministerie van justitie Wet tot invoering van de wettelijke samenwoning sluiten6 en 1 mei 2007). Hoewel er voor die herziening verscheidene politieke initiatieven genomen werden, waarbij de regels voor de toegang tot statutaire functies voor legaal in het land verblijvende en algemeen tot de arbeidsmarkt toegelaten niet-EER-onderdanen afgestemd zouden worden op die voor EER-onderdanen, resulteerden die niet in een effectieve wijziging. Dit besluit houdt zich voor de statutaire personeelsleden aan de juridische status quo. Contractuele tewerkstelling Vroeger waren de mogelijkheden voor contractuele tewerkstelling bij de gemeenten en provincies beperkt tot tijdelijke opdrachten, vervangingen en de gereglementeerde tewerkstellingsmaatregelen. Opeenvolgende omzendbrieven van de overheden verduidelijkten dat de nationaliteitsvereiste in het toenmalige artikel 6 van de Grondwet niet van toepassing was op de contractuele personeelsleden (Rondzendbrief van 16 november 1990 betreffende de toegang voor vreemdelingen tot betrekkingen bij de gemeentebesturen). Het laatst gebeurde dat in de omzendbrief WEL 97/04 van 27 mei 1997 over de Beslissing van de Interministeriële Conferentie voor het Migrantenbeleid van 6 november 1996 (Belgisch Staatsblad, 25 juni 1997). Het gemeentedecreet en het provinciedecreet behouden die mogelijkheden voor contractuele tewerkstelling, maar breiden ze verder aanzienlijk uit. Als een vacant mandaat bovendien door een persoon extern aan het bestuur vervuld wordt, gebeurt dat in een contractueel dienstverband. Dat laatste kan betekenen dat de decretale graden via het mandaat bezet worden door een contractant. Die situatie leidt tot een nuancering van het vroegere beleid, uitgedrukt in de omzendbrief WEL 97/04 van 27 mei 1997, die, volledig in de lijn van eerdere interpretaties van het betreffende grondwetsartikel, stelde dat er geen nationaliteitsvereiste geldt bij contractuele tewerkstelling. In de context van de gewijzigde regelgeving is dat standpunt niet volledig meer houdbaar. De decreten sluiten immers niet uit dat contractanten functies bekleden die een rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bestuurlijke gezag inhouden of werkzaamheden omvatten ter bescherming van de belangen van het bestuur. Het zou niet logisch zijn als de vereiste van de Belgische nationaliteit in dezelfde situatie wel zou gelden voor statutaire functies en niet voor contractuele functies. Overigens gaat het hier, net als bij statutaire tewerkstelling, slechts over een beperkt aantal gevallen. Ook hier bevelen we de raden aan om aan de hand van de functiebeschrijvingen een limitatieve lijst op te stellen van de contractuele functies waarvoor de Belgische nationaliteit vereist is. Op « de contractuele betrekkingen die ingesteld worden ter uitvoering van werkgelegenheidsmaatregelen van de hogere overheid » (artikel 25 en artikel 27) en op contractuele functies van korte duur (artikel 27) zal meestal geen nationaliteitsvereiste van toepassing zijn. Contractuele functies waarvoor de Belgische nationaliteit niet vereist is, zijn toegankelijk voor kandidaten die tot het wettige verblijf in België zijn toegelaten en die wettelijk tot de Belgische arbeidsmarkt zijn toegelaten. Dat betekent dat die betrekkingen toegankelijk zijn voor kandidaten met bijvoorbeeld de Turkse of de Marokkaanse nationaliteit, die legaal in België verblijven en een algemene toegang tot de arbeidsmarkt hebben. In afwachting van een aanpassing van artikel 10 van de Grondwet waarbij onder meer ook alle twijfels over de draagwijdte ervan (cfr. contractuelen) weggewerkt worden, volgt dit besluit in artikel 10, 3°b), op de zogenaamde gezagsfuncties na, de door de Belgische overheden voorheen ontwikkelde interpretatie van artikel 10 van de Grondwet en de bestaande beleidslijnen ten aanzien van de contractuele personeelsleden. Artikel 10, 4° : medische geschiktheid Deze materie behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid. De verplichtingen zijn terug te vinden in de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 30/06/1998 numac 1998015016 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst over het Wegvervoer tussen het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Athene op 11 juni 1992 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en haar uitvoeringsbesluiten. Het koninklijk besluit van 28 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 30/06/1998 numac 1998015016 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst over het Wegvervoer tussen het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Athene op 11 juni 1992 sluiten9 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers bepaalt in artikel 26 dat de volgende werknemers aan een voorafgaande gezondheidsbeoordeling onderworpen zijn : - werknemers die in dienst worden genomen in een veiligheidsfunctie of in een functie die een verhoogde waakzaamheid veronderstelt; - werknemers die in een activiteit met een specifiek risico worden aangesteld; - werknemers waaraan men een grotere kwetsbaarheid toekent, die een groter toezicht op de gezondheid en een bijzondere bescherming rechtvaardigt (bijvoorbeeld jongeren, gehandicapte werknemers...); - werknemers die in een activiteit tewerkgesteld worden die verbonden is met voedingswaren. In tegenstelling tot vroegere onderrichtingen wordt de gemeente of de provincie niet meer verplicht alle kandidaten zonder onderscheid voor hun aanstelling aan een onderzoek te onderwerpen naar hun medische geschiktheid. De vereiste van medische geschiktheid in dit besluit slaat enkel op wat wettelijk verplicht is. De raden bepalen desgewenst zelf in de rechtspositieregeling of er in de andere gevallen, of in een beperkt aantal andere gevallen, een voorafgaandelijk gezondheidsonderzoek vereist is. Voor alles wat nuttig mag zijn, verwijzen we nog naar de wet van 28 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/11/1998 pub. 12/01/1999 numac 1998010076 bron ministerie van justitie Wet tot invoering van de wettelijke samenwoning sluiten1 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd. De aannemings- en geschiktheidsonderzoeken mogen krachtens die wet alleen uitgevoerd worden door een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, en dus niet meer door de federale gezondheidsdienst Medex (voorheen Administratieve Gezondheidsdienst). De preventieadviseur-arbeidsgeneesheer behoort tot « de afdeling belast met het medische toezicht van de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk of de afdeling belast met het medische toezicht van de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk, waarop de werkgever een beroep doet ». Voor het moment waarop de in dit besluit vastgestelde medische geschiktheid moet vaststaan, verwijzen we eveneens naar het koninklijk besluit van 28 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 30/06/1998 numac 1998015016 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst over het Wegvervoer tussen het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Athene op 11 juni 1992 sluiten9, meer bepaald naar artikel
- Dat artikel stelt het moment vast « vooraleer de werknemer effectief tewerkgesteld wordt ». Die bepaling geldt zowel bij statutaire als bij contractuele tewerkstelling. Artikel 27 nuanceert dat wel nader voor de contractuele tewerkstelling. Artikel 11 Artikel 11, § 1, 1°, De bepalingen van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken moeten strikt nageleefd worden. Als een kandidaat zijn diploma niet in het Nederlandstalige onderwijs heeft behaald, is alleen SELOR bevoegd om de taalkennis vast te stellen. Artikel 11, § 1, 2°, moet samen gelezen worden met artikel
- De ene bepaling stelt vast dat de kandidaat van zijn kant moet slagen voor de selectieprocedure om voor aanwerving in aanmerking te komen, de andere bepaling stelt vast dat aan elke aanwerving een selectieprocedure voorafgaat. Daaraan is het bestuur dus gehouden. Onder selectieprocedure wordt verstaan : de selectieproef of -proeven. Er is ook een verband met artikel 13, dat de voorwaarden vaststelt waaraan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de selectieproeven verleend kan worden. De voorwaarde van het slagen voor de selectie is bovendien niet van toepassing bij : - de waarneming van de functie van gemeentesecretaris, adjunct-gemeentesecretaris, financieel beheerder en provinciegriffier; - eventueel bij de vervangingen, vermeld in artikel 26; - voor de waarneming van een hogere functie als vermeld in titel IV, hoofdstuk III. De selectie kan in de gevallen, bepaald in dit besluit, afgestemd worden op een specifieke doelgroep of rekening houden met de beperkte tewerkstellingsduur. Het gaat om : - kansengroepen in het werkgelegenheidsbeleid (artikel 25 en 27); - tewerkstelling voor een duur die beperkt is tot één of twee jaar (artikel 27); - personen met een arbeidshandicap (artikel 30). Artikel 11, § 2, Artikel 11, § 2, stelt de diplomavoorwaarden vast waaraan de kandidaten moeten voldoen naargelang van het niveau van de functie. Voor de functies in de rang Cx (C4-C5) valt het bezit van een getuigschrift van de bestuursschool of van een attest van een aanvullende opleiding als verplichting weg. Voor de aanwerving in de hogere rangen geldt echter als extra voorwaarde dat de kandidaten een minimumaantal jaren relevante beroepservaring moeten hebben. Er werd niet nader bepaald in welke sector die ervaring verworven moet zijn. Dat kan dus zowel in de privésector zijn als in de overheidssector of in de hoedanigheid van zelfstandige. Het is logisch dat de raden bij de vaststelling van de ervaringsvereiste oog zullen hebben voor de samenhang van de rechtspositieregeling, in casu voor de anciënniteiten die vereist zijn bij eventuele bevordering. Met 'relevante beroepservaring' wordt in dit artikel bedoeld : werkervaring in een functie die én naar diplomaniveau én naar functie-inhoud betekenisvol is voor de vacante functie bij het bestuur. Artikel 11, § 2, voorlaatste lid, verwijst naar de bijlage met de erkende diploma's die toegang geven tot de functies bij de gemeenten en de provincies. De bijlage is niet langer ontleend aan het 'statuut van het rijkspersoneel'. Ze is dezelfde als die voor het personeel van de diensten van de Vlaamse Regering. De diploma's die afgeleverd werden voor de inwerkingtreding van de Bolognarichtlijn, blijven uiteraard geldig. In de bijlage wordt ook verwezen naar de wetgeving op grond waarvan buitenlandse diploma's in aanmerking komen voor toegang tot de betrekkingen bij de gemeenten en provincies. Met 'aanvullende voorwaarden' in artikel 11, § 2, laatste lid, wordt bijvoorbeeld bedoeld : - een bepaalde expertise als het over een expertfunctie gaat; - specifieke ervaring (professioneel, maar ook als vrijwilliger) voor toegang tot de basisgraad (bijv. jeugdmedewerker); - een bepaald attest, brevet of getuigschrift. Dat laatste kan desgewenst ook een vaktechnische scholingsvereiste zijn voor vaklui van niveau D. Het gaat om formele voorwaarden voor de toegang tot de functie die voor iedere kandidaat gelden. De Raad van State merkte in zijn advies op dat alleen de gemeenteraden en provincieraden bevoegd zijn om dergelijke formele voorwaarden vast te stellen. Artikel 12 De diplomavereiste blijft de regel voor niveau A, B en C. Ze staat inhoudelijk voor een maatschappelijk erkend, algemeen niveau van capaciteiten, en voor verworven kennis en vaardigheden. Artikel 12 bepaalt echter dat de raden voor functies in die niveaus in uitzonderlijke omstandigheden kunnen afwijken van het principe van de diplomavereiste. Dat kan op grond van vooraf vastgestelde, objectieve criteria. Dergelijke criteria kunnen bijvoorbeeld zijn : - gegevens van de regionale overheid over schaarste op de arbeidsmarkt om bepaalde betrekkingen te vervullen (knelpuntberoepen); - cijfergegevens die de ondervertegenwoordiging van bepaalde, in de tewerkstellingsmaatregelen van de hogere overheden vermelde kansengroepen in de plaatselijke tewerkstelling aantonen, in relatie tot regionale indicatoren over de aanwezigheid van die kansengroepen in de werkloosheid; - bepaalde functiespecifieke criteria (bijvoorbeeld om personen die kunnen tolken vanuit bepaalde vreemde talen te kunnen rekruteren). De nadruk ligt op het uitzonderlijke karakter van die procedure en op het objectieve karakter van de criteria om er toepassing van te maken. De raad legt de regels daarvoor vast. Om te vermijden dat er op een willekeurige wijze of 'ad hoc' toepassing van gemaakt wordt, kan de raad de functies opsommen waarbij de diplomavereiste bij aanwerving kan vervallen. Voor de toepassing van dit artikel moeten de kandidaten relevante beroepservaring hebben en geldt bovendien een specifieke selectieproef die waarborgen moet bieden voor de kwaliteit van de aanwervingen zonder diplomavereiste : de niveau- of capaciteitstest, die nagaat of een kandidaat kan functioneren op het niveau van de functie. Een en ander wordt nader geregeld in artikel 19, § 2, tweede lid, en in artikel 20, tweede lid. Artikel 13 Dit artikel legt de grondslag om vrijstelling te verlenen van selectieproeven in welomschreven omstandigheden. De mogelijke vrijstelling geldt alleen bij de selectie voor een functie van dezelfde graad bij het bestuur. De raad stelt die mogelijkheid al dan niet in de rechtspositieregeling vast. Het tweede lid bepaalt dat bij uitbreiding van prestaties sowieso een vrijstelling van de selectie verleend wordt. De aanstellende overheid verleent de vrijstelling. Op dat principe wordt een uitzondering gemaakt voor de aanstellingen door de raad (bijvoorbeeld van leden van het managementteam, als de aanstellingsbevoegdheid niet gedelegeerd is aan het college of de deputatie). In die gevallen beslist het uitvoerend orgaan van het bestuur over de vrijstelling. Afdeling II. - De aanwervingsprocedure Artikel 14 Artikel 14, § 1, stelt vast dat elke aanwerving, dus zowel voor statutaire als voor contractuele functies, gepaard gaat met een voorafgaande externe bekendmaking en een oproep tot kandidaten. De Raad van State stelde in zijn advies : « Een ander aspect van het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt is het beginsel dat voorafgaand aan de aanwerving een openbare oproep tot de kandidaten wordt bekendgemaakt. » Afwijkingen daarvan zijn slechts verantwoord als daarvoor « een rechtens aanvaardbare verantwoording kan worden gegeven ». Het onderscheidingscriterium moet, aldus de Raad van State, pertinent zijn en evenredig tot het doel van het gemaakte onderscheid. Enkele uitzonderingen op de algemene regel van de externe bekendmaking zijn vastgesteld in artikel 14, §
- Ook artikel 25, 26 en 27 bieden een grondslag voor mogelijke uitzonderingen op de normale procedurevoorschriften, evenals de aanwerving van personen met een arbeidshandicap (artikel 29 en 30). In artikel 14, § 2 worden twee gevallen vermeld waarbij de externe oproep tot kandidaten niet van toepassing is : - als een beroep gedaan wordt op een bestaande wervingsreserve die nog geldig is voor de vacante functie; - bij uitbreiding van de wekelijkse prestaties van een deeltijdse betrekking in de personeelsformatie. De raden zijn vrij om in de plaatselijke rechtspositieregeling voor de aanstellende overheid de grondslag te leggen voor het gebruik van wervingsreserves. Artikel 22 van het besluit regelt dat. Een wervingsreserve voor een bepaalde graad of functie betekent dat de aanwervingsprocedure die eraan vooraf gegaan is, als rechtsgeldig erkend wordt voor elke vacature in die graad of functie, althans voor een bepaalde duur. De initiële bekendmaking op basis waarvan de reserve aangelegd wordt, maakt overigens melding van de wervingsreserve. Kandidaten worden dus niet alleen voor een bepaalde betrekking aangetrokken, maar ook met het oog op de vaststelling van een reserve. Het eigene van een wervingsreserve is precies dat de aanstellende overheid geld en tijd kan besparen omdat ze geen nieuwe bekendmaking en selectie moet uitvoeren. Die werkwijze respecteert bovendien het vertrouwensbeginsel en de fair play ten aanzien van de kandidaten die een plaats gekregen hebben op de wervingsreserve. De regel die van toepassing is bij uitbreiding van de prestatieregeling van betrekkingen in de personeelsformatie sluit aan bij de wijze waarop het aantal betrekkingen volgens artikel 4 van het besluit uitgedrukt wordt, namelijk in voltijdse equivalenten. De werkwijze in artikel 4 beoogt een soepele bezetting van de personeelsformatie. In samenhang met artikel 4 en de bedoeling ervan, wordt er in het besluit voor de vervulling van deeltijdse betrekkingen geen uitzondering vastgesteld op de normale aanwervings- en selectieprocedures. De prestatieregeling is niet pertinent voor de aard, de inhoud en de waarde van de aanwervings- en selectieprocedure. De regeling in artikel 14, § 2 moet daarvoor ook samen gelezen worden met artikel 13 van het besluit, dat in bepaalde gevallen, waaronder de uitbreiding van de prestatieregeling, vrijstelling verleent van een nieuwe selectie. Zonder die vrijstelling zouden personeelsleden in een deeltijdse betrekking bij elke prestatie-uitbreiding van hun betrekking een identieke aanwervings- en selectieprocedure moeten doorlopen als degene die ze al met succes doorlopen hebben. Er is wel een regeling voor het geval er meerdere gegadigden zijn voor de extra uren. De raad stelt de algemene regels voor de externe bekendmaking vast. Dit besluit bevat dus, in tegenstelling tot vroegere onderrichtingen, geen algemeen geldend voorschrift om het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad te publiceren. Dat voorschrift gold overigens voor de toepassing van de Prioriteitswetten die inmiddels afgeschaft zijn. Het besluit bevat geen nadere voorschriften over de aard van het medium waarmee de vacature bekendgemaakt wordt of over het aantal publicaties of de kanalen' waarin dat moet gebeuren. De bekendmaking van de vacature is een wervende activiteit waarbij het eerste contact met potentiële kandidaten gelegd wordt. De informatie erin moet niet alleen correct zijn, ze moet vooral haar doel bereiken : de juiste kandidaten aantrekken. Artikel 14, § 1, biedt de raden ruimte om de algemene regels vast te stellen die als raamkader dienst doen voor de aanstellende overheid. Enkele voorbeelden van bekendmakingskanalen : - nationaal verschijnende kranten of weekbladen; - regionaal verschijnende kranten of weekbladen; - gespecialiseerde tijdschriften van beroepsgroepen of van beroepsorganisaties; - zelfgeproduceerde media (affiches, folders...); - de VDAB (WIS-computer); - gemeentelijke website; - plaatselijke radio of regionale TV. De aanstellende overheden moeten er echter wel voor zorgen dat personen die geen toegang tot elektronische media hebben, niet uitgesloten worden. De aanwervingsprocedure richt zich tot de arbeidsmarkt in haar geheel (artikel 8). Het getuigt van een fair personeelsbeleid om interne personeelsleden in een precaire vorm van tewerkstelling te informeren over de vacatures die hen toelaten hun kans te wagen voor een tewerkstelling met een duurzaam perspectief. Het is ook mogelijk personen die na een spontane sollicitatie opgenomen zijn in een sollicitantenbestand op de hoogte te brengen van vacatures en selecties (vgl. examenagenda Selor). Het is uiteraard niet de bedoeling dat die kandidaten bevoordeeld worden. Beide acties zijn aannemelijk als onderdeel van een open externe bekendmakingsstrategie. Bijzondere aandachtspunten voor de inhoud van het vacaturebericht zijn het dienstverband (een statutaire betrekking of een contractuele betrekking) en eventueel de prestatieregeling (voltijds of deeltijds). Beide elementen hebben allicht een impact op de kandidaturen. Relevant zijn ook de algemene omschrijving van de voorwaarden en de vermelding van het contactpunt waar de kandidaat meer informatie kan verkrijgen over de functie-inhoud en de arbeidsvoorwaarden. Correcte informatie over het te verwachten loon is belangrijk voor kandidaten, meer bepaald inzake de wel en niet meerekenbare anciënniteiten. Als er een wervingsreserve wordt aangelegd, is de ver