2 MEI 2013. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van het gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd opgesteld De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening van 9 april 2004, gewijzigd bij de ordonnanties van 7 juni 2007, 29 november 2007, 19 maart 2009 en 14 mei 2009, met name de artikelen 7, 25, 26 en 27; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 mei 2001Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/05/2001 pub. 16/06/2001 numac 2001031193 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende sommige bepalingen betreffende het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid sluiten tot goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan (hieronder het "GBP"); Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 januari 2011Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 20/01/2011 pub. 03/03/2011 numac 2011031110 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan sluiten tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het Gewestelijk Bestemmingsplan; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 maart 2012Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 29/03/2012 pub. 02/05/2012 numac 2012031212 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende goedkeuring van het onteigeningsplan van de stad Brussel sluiten tot goedkeuring van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan, dat op 3 mei 2001 werd vastgesteld; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 september 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031467 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan en over het milieu-effectenrapport type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031469 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijk ontwikkelingsplan en over het milieu-effectenrapport sluiten tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan en over het milieu-effectenrapport; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 december 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 16/12/2010 pub. 10/01/2011 numac 2010031603 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toepassing van artikelen 35, § 3 en 48, § 5, van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijk Ordening type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 16/12/2010 pub. 10/01/2011 numac 2010031604 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toepassing van artikelen 18, § 6 en 25, § 6, van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijk Ordening sluiten betreffende de toepassing van artikelen 18, § 6, en 25, § 6, van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijk Ordening; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 februari 2011Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/02/2011 pub. 05/12/2012 numac 2012031788 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende mededeling van de data van de schoolvakanties voor het schooljaar 2011-2012 sluiten houdende mededeling van de data van de schoolvakanties voor het schooljaar 2011-2012; Gelet op het ministerieel besluit van 25 april 2012Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 25/04/2012 pub. 08/05/2012 numac 2012031236 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit tot vaststelling van de aanwijzing van de beambten of degenen belast met het geven van technische uitleg in het kader van het openbaar onderzoek over het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening sluiten tot vaststelling van de aanwijzing van de beambten of degenen belast met het geven van technische uitleg in het kader van het openbaar onderzoek over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan houdende gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan; Gelet op de bezwaren en opmerkingen die naar voren zijn gebracht tijdens het openbaar onderzoek dat plaatsvond van 15 mei 2012 tot en met 13 juli 2012; Gelet op de adviezen van de gemeenten die door de gemeenteraden op de volgende datums zijn uitgebracht : - Anderlecht : 28 juni 2012; - Oudergem : 28 juni 2012; - Sint-Agatha-Berchem : 28 juni 2012; - Stad Brussel : 2 juli 2012; - Evere : 21 juni 2012; - Ganshoren : 28 juni 2012; - Elsene : 21 juni 2012; - Jette : 27 juni 2012; - Koekelberg : 21 juni 2012; - Sint-Jans-Molenbeek : 5 juli 2012; - Sint-Gillis : 28 juni 2012; - Sint-Joost-ten-Node : 27 juni 2012; - Schaarbeek : 10 juli 2012; - Ukkel : 13 juli 2012; - Watermaal-Bosvoorde : 26 juni 2012; - Sint-Lambrechts-Woluwe : 26 juni 2012; - Sint-Pieters-Woluwe : 28 juni 2012; Aangezien de Gemeente Etterbeek geen advies heeft uitgebracht; Aangezien deze adviezen zijn uitgebracht en verzonden binnen de wettelijke termijn bedoeld in artikel 25, § 4 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening; Gelet op het advies van het college van de Gemeente Vorst, uitgebracht op 12 juli 2012; Gelet op de adviezen van de adviesorganen die zijn ingediend op de volgende datums : - de Gewestelijke Mobiliteitscommissie : 21 juni 2012; - de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen : 27 juni 2012; - de Economische en Sociale Raad : 2 juli 2012; - de Raad voor het Leefmilieu : 4 juli 2012; - de Adviesraad voor Huisvesting : 29 juni 2012; Gelet op het advies van het BROH van 13 juli 2012; Gelet op het advies van het Brussels Instituut voor Milieubeheer van 5 juli 2012; Gelet op het advies van het Vlaams Gewest van 6 juli 2012; Gelet op het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie (G.O.C), op 29 oktober 2012 overgemaakt aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; Gelet op het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving, van ......... I. Antwoorden op opmerkingen en bezwaren die werden geformuleerd conform artikel 25, § 4 en § 5 van het BWRO A. NIET-PLAATSGEBONDEN BEZWAREN 1. Algemene opmerkingen 1.1. Goedkeuring van het ontwerp van plan Overwegende dat verscheidene reclamanten verklaren de doelstellingen van de Regering waarop deze wijziging van het GBP steunt, volledig, gedeeltelijk of onder voorbehoud te onderschrijven; 1.2. Methodologie/alternatieven/tekortkomingen Overwegende dat sommige reclamanten de beslissing om over te gaan tot een gedeeltelijke wijziging van het GBP en de dringendheid waarmee deze wijziging wordt doorgevoerd, betwisten; Dat sommige van hen van oordeel zijn dat andere maatregelen nodig zijn om tegemoet te komen aan de behoeften van het Gewest; dat vele reclamanten in dit verband verwijzen naar de opties voor de verdichting van het bebouwde weefsel, de transformatie van leegstaande gebouwen of kantoren tot woongelegenheid, het prioritaire gebruik van de grondreserves, de GGB-ontwikkeling of de verhoging van bestaande gebouwen; Dat anderen stellen dat de wijziging moet volgen op een evaluatie van het GBP en moet steunen op duidelijke parameters; Dat nog anderen menen dat de redenen die de Regering aanhaalt om voor deze wijziging te beslissen, niet zijn aangetoond, ofwel niet relevant zijn, ofwel steunen op foute studies of vaststellingen; Dat sommige reclamanten zich afvragen op welke objectieve basis de Regering de aan herziening onderworpen sites heeft gekozen; Dat andere reclamanten zich zorgen maken over het herbekijken van de engagementen van de Regering zoals eerder bleek bij de werkzaamheden voor het GPDO; Dat anderen tot slot stellen dat het GBP-ontwerp onder meer de uitvoering van het plan voor de internationale ontwikkeling beoogt, dat dit plan niet aan het publiek werd voorgelegd voor advies, en dat er geen enkel antwoord werd gegeven op het feit dat hier slechts twee strategische zones van het PIO aan bod komen; Overwegende dat de GOC sommige van deze argumenten onderschrijft; Dat zij van oordeel is dat het ontwerp van GBP moet steunen op een voorafgaande strategische analyse en een technische haalbaarheidsanalyse (waar, hoe, ...); Dat zij stelt dat het GBP de vertaling moet zijn van een stadsproject, ontwikkeld in het GPDO en dat in dit verband het GBP 2001 voorafgaand moet worden geëvalueerd; Dat zij de relevantie van de demografische prognoses en van de referentiecijfers voor de berekening van het grondpotentieel wenst te verifiëren; Dat zij de haast waarmee de Regering heeft gehandeld en het gebrek aan gegevens over de sociaaleconomische samenstelling van de demografische "boom" betreurt : deze zouden een objectivering mogelijk maken van de behoeften, verdeeld volgens type woning; Overwegende dat de GOC ook de bezwaren deelt met betrekking tot de noodzaak om ook alternatieven te bekijken zoals verdichting en de realisatie van GGB-woongelegenheid; Dat de GOC ook het standpunt deelt inzake het gebrek aan rechtvaardiging vanwege de Regering voor de keuze om slechts twee zones van het PIO te openen van het tiental dat dit plan beoogt; Dat de GOC meent dat de kwestie van herlokalisering en ontwikkeling van industriële activiteiten bestudeerd moest worden, ondanks de wil van de Regering om de stedelijke gemengdheid in te voeren in de zones die nu voor economische activiteit bestemd zijn; Dat zij tot slot van oordeel is dat de Regering een herverdeling moet beogen van de inspanning tot opvang van de bevolking in het kader van een metropoolvisie die het territorium van het Gewest overschrijdt; Overwegende, aangaande de gevolgde methode, dat de ordonnantie van 14 mei 2009 tot wijziging van de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het Brussels Wetboek voor Ruimtelijke Ordening, artikel 27 van het Wetboek heeft gewijzigd om - volgens de memorie van toelichting van het ontwerp van ordonnantie - "zonder discussie de herziening van het GBP toe te staan zonder dat die wijziging noodzakelijkerwijze moet worden voorzien door het GewOP" (Parl. St. s.o. 2008/2009, nr.. A-527/1, p. 4); Dat de memorie van toelichting ook (Ibid., p. 12) eraan herinnert dat de oude titel van artikel 27 aanleiding gaf tot discussie omdat "men zou kunnen interpreteren dat een wijziging in het gewestelijk bestemmingsplan slechts mogelijk zou zijn als ze voorzien wordt in het gewestelijk ontwikkelingsplan. Die interpretatie mag niet worden gevolgd omdat dit de procedure voor de wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan aanzienlijk zou verzwaren; bovendien strookt ze niet met de voorbereidende werkzaamheden van de eerder vermelde ordonnantie van 16 juli 1998. Die stipuleren integendeel dat het gewestelijk ontwikkelingsplan, niettegenstaande de louter indicatieve waarde die het voortaan heeft, desgevallend kan bepalen dat een specifiek punt van het gewestelijk bestemmingsplan moet worden gewijzigd, wat als gevolg heeft dat de Regering, in die hypothese, het ontwerp tot wijziging van het bestemmingsplan moet goedkeuren binnen de voorgeschreven termijn van twaalf maanden na de goedkeuring van het gewestelijk ontwikkelingsplan (Parl. St. s.o. 1997/1998, nr. A-263/2, p. 12) maar zonder dat dit de Regering belet om op eigen initiatief en te allen tijde een besluit te nemen tot wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan. (...) de twee hypotheses die zich kunnen voordoen, worden duidelijk geregeld : - ofwel beslist de Regering tot wijziging van het GBP. In dat geval is ze niet gebonden door enige termijn noch door enig bijzonder voorwerp, en beslist ze op eigen initiatief bij een met redenen omkleed besluit om de wijzigingsprocedure te starten; - ofwel geeft het GewOP aan dat het aangewezen is om het GBP te wijzigen. In dat geval moet de Regering het ontwerp tot wijziging van het GBP inzake de door het GewOP aangeduide voorwerpen goedkeuren binnen de twaalf maanden na de goedkeuring van het GewOP, waarbij de termijn net als in het verleden een termijn van orde is." Overwegende, op basis van de aangehaalde principes, dat de Regering heeft beslist om parallel te handelen, op twee manieren : - op middellange en lange termijn, door te starten met het uitwerken van een nieuw en "duurzaam" gewestelijk ontwikkelingsplan dat, op basis van het stadsproject dat het zal bekrachtigen, bepaalt welke aanpassingen eventueel nodig zijn aan het GBP om de vastgelegde doelstellingen te bereiken; - op korte termijn door te beslissen om het GBP gedeeltelijk te wijzigen om bij te dragen tot een antwoord, binnen de grenzen die het BWRO toewijst aan het GBP, tot bepaalde dringende behoeften die werden geïdentificeerd (planologisch antwoord op de demografische druk die het Gewest kent en op de herverstedelijkingsplannen in de Delta-zone en de Heizelhoogvlakte) en waar het Gewest zonder uitstel op moet reageren; Overwegende dat de Regering, in het kader van deze kortetermijnactie, zich overigens bewust is van het feit dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP alléén niet zal volstaan om een compleet antwoord aan te reiken voor de geïdentificeerde dringende noden; Dat de relevantie van de wijziging van andere reglementen die andere aspecten van het beleid van ruimtelijke ordening of zelfs van ander verbonden beleid betreffen (bijvoorbeeld : verdichting, verhoging van het bouwprofiel of beheer van leegstaande gebouwen), ook bestudeerd zal moeten worden; Dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP niettemin prioritair werd geacht, gezien : - de hiërarchische voorrang van het GBP; - het belang van het positieve effect op de geïdentificeerde dringende behoeften die de gedeeltelijke wijziging van het GBP op zichzelf al zou kunnen hebben; Overwegende, wat de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP aangaat, dat de Regering heeft gedefinieerd in welke mate ze het GBP wil wijzigen met haar besluit van 20 januari 2011 dat de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan opent; Dat zij hiermee het raamwerk heeft uitgetekend voor de actie die ze wil voeren, met rechtvaardiging daarvan door de behoeften die ze heeft geïdentificeerd en waarvoor zij een snel antwoord absoluut noodzakelijk vindt; Dat dit raamwerk meer bepaald de omvang van de actualisering van de feitelijk en wettelijk bestaande situaties, het studiedomein voor het milieueffectenrapport (MER) en de draagwijdte van het openbaar onderzoek bepaalt; Dat van alle wijzigingen die bij het openbaar onderzoek en de raadpleging van de diverse betrokken instanties werden gesuggereerd, degene die niet behoren tot het bereik van het besluit van 20 januari 2011 evenals de stappen van de procedure die eruit zijn voortgevloeid, dus niet in overweging kunnen worden genomen in het kader van deze wijzigingsprocedure; Overwegende, wat de relevantie van de demografische en grondprognoses betreft, dat de uiteenzetting van de motieven van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het GBP zoals op 29 maart 2012 werd uitgevaardigd door de Regering, steunt op de gegevens van het Planbureau inzake demografie; Dat het Planbureau ten tijde van de goedkeuring van het besluit tot gedeeltelijke opening van het GBP voorzag in een stijging met ongeveer 140 000 inwoners tussen 2010 en 2020, naast een voortgezette groei tot in 2040; Dat deze groei gedeeltelijk te verklaren is door een constante natuurlijke aanwas sinds 1995 die, volgens het Planbureau, positief zal blijven tot in 2060; Dat deze demografische extrapolaties sindsdien naar boven zijn herzien tot een geraamde toename met ongeveer 180 000 inwoners tegen 2020; Dat deze ge-update cijfers bevestigen dat een onverwijlde wijziging van het GBP noodzakelijk is; Overwegende, wat betreft de raming van het Brusselse grondpotentieel en zijn potentieel om inwoners op te vangen, dat de studie die voorafgaat aan de uitwerking van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het GBP steunt op redelijke hypotheses, opgesteld volgens de gemiddelde dichtheden van woningen per hectare volgens de soorten territoria; Dat, zoals aangehaald in de memorie van toelichting van het ontwerp van wijziging van het GBP, werd overwogen dat in de centrale territoria en die van de eerste kroon, rekening moest worden gehouden met een dichtheid van minstens 100 woningen per hectare; dat deze dichtheid in de meer externe territoria afneemt tot 50 woningen/ha; dat deze twee dichtheden moeten worden begrepen als minimale gemiddelde dichtheid; Dat het potentieel dat deze studie bereikt, dus een raming is en niet overeenstemt met de globale opvangcapaciteit van het Brussels grondgebied (ze houdt geen rekening met de verdichtingscapaciteit van het stedelijke weefsel of, eenvoudiger, met de leegstaande gebouwen), maar integendeel een vrij duidelijke kijk geeft op de beperktheid van beschikbare grond en daardoor op de noodzaak om een reeks denksporen uit te diepen met het oog op vergroting van het potentieel tot opvang van nieuwe inwoners; Overwegende, wat betreft de bezwaren met betrekking tot de beoogde alternatieven, dat één door de Regering gekozen denkspoor was om het "monofunctionele" aspect van sommige zones te herzien via de gedeeltelijke wijziging van het GBP; Overwegende dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP dus een deel van de oplossingen voor de demografische uitdaging vormt; Dat ander beleid en andere tools, meer bepaald het GPDO, moeten worden gestart voor integratie van andere bespiegelingen : de problematiek van de leegstaande gebouwen, de verdichting van percelen of elementen van bestaande gebouwen via rationalisering en een bezetting die aangepast is aan de beschikbare ruimte enz; 1.3. Procedure 1.3.1. Tegenspraak in de wetgeving Overwegende dat de Adviesraad voor Huisvesting (ARH) de tegenspraak benadrukt wat betreft de termijnen waarbinnen de ARH zijn advies moet indienen, al naargelang men refereert aan het BWRO (art.25, § 4 : 60 dagen, zonder mogelijkheid tot verlenging) of de Huisvestingscode. (art. 107 : 30 dagen, met mogelijkheid tot verlenging van deze termijn); Dat hij bovendien herinnert aan art. 43 § 3 van het BWRO dat de Gemeente het recht geeft om de AHR advies te vragen inzake een ontwerp van BBP of van GewOP, terwijl art. 104 van de Huisvestingscode bepaalt dat dit recht alleen toekomt aan de ministers van de Gewestregering; Dat bij gebrek aan opheldering hiervan, de Adviesraad nooit is ingegaan op de adviesaanvragen van diverse gemeenten aangaande deze materies en in dit geval niet zo diep kan ingaan op de kwesties als hij zou willen; Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze overwegingen niet passen binnen het raam van het ontwerp van GBP; Overwegende dat de termijn waarbinnen de geraadpleegde instanties hun advies moeten geven over een plan tot invoering of wijziging van het GBP speciaal werd vastgelegd in artikel 25, § 4, al. 4, van het BWRO; dat deze, vermits het over een specifieke bepaling gaat, bij tegenspraak zwaarder weegt dan de bepalingen met algemeen bereik van de Huisvestingscode; Overwegende bovendien het feit dat artikel 104, § 1 van de Huisvestingscode bepaalt dat de Regering elk voorontwerp van ordonnantie of reglementair besluit met huisvesting als belangrijkste voorwerp, voor advies moet voorleggen aan de Adviesraad voor Huisvesting, niet aan andere wetteksten verbiedt om andere autoriteiten dan de Regering toe te staan om het advies van de Adviesraad in te winnen; 1.3.2. Wijziging van de plannen (BWRO, art. 24) Overwegende dat de gemeente Grimbergen opmerkt dat in het ontwerp van GBP geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om aan te geven welke wijzigingen moeten worden aangebracht aan de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en aan de bijzondere bestemmingsplannen (BWRO, art.24); ook wordt in de motivering van het ontwerp niet opgegeven om welke redenen mag worden afgeweken van de richtsnoeren die in het GewOP van 2002 worden gegeven voor de GSI; Overwegende dat een andere reclamant de rechtsonzekerheid betreurt die voortspruit uit het ontwerp van GBP, aangezien het vooruitloopt op de wijziging van het GewOP; Overwegende dat de GOC in dit verband benadrukt dat artikel 24 van het BWRO stelt : "[het GBP] kan de wijzigingen vermelden die moeten worden aangebracht aan de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en aan de bijzondere bestemmingsplannen"; dat de Commissie hieruit besluit dat het om een mogelijkheid, niet om een verplichting gaat; Dat zij overigens betreurt dat het BWRO werd gewijzigd om een wijziging van het GBP toe te staan zonder voorafgaande wijziging van het GewOP; Overwegende, ter herinnering, dat krachtens het principe van de normenhiërarchie, bekrachtigd in artikel 159 van de Grondwet, de niet-conforme bepalingen van lagere plannen impliciet worden opgeheven op de dag waarop de gedeeltelijke wijziging van het GBP in werking treedt; dat de Raad van State aan dit principe heeft herinnerd naar aanleiding van het principearrest "Val d'Or" van 10 september 1998; Dat het nadrukkelijke oplijsten van de aan te brengen wijzigingen in de gemeentelijke plannen dus geen juridisch nut heeft; Dat voorts te vrezen valt dat, in de hypothese dat de lijst van te wijzigen gemeentelijke bepalingen niet exhaustief zou zijn, verwarring zou ontstaan vermits een niet-opgelijste gemeentelijke bepaling onterecht kon worden beschouwd als onverminderd geldend en compatibel met het GBP; Dat gezien de extreem moeilijke identificatie van alle mogelijke tegenstellingen tussen het GBP en de gemeentelijke plannen, de waarschijnlijkheidsgraad van het optreden van dergelijke situatie, gecombineerd met de juridische nutteloosheid van die aanpak, een rechtvaardiging vormt voor de keuze van de Regering om geen gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 24 van het BWRO aanreikt om in het GBP de vereiste wijzigingen aan de gemeentelijke ontwikkelingsplannen (GOP'
- s)en bijzondere bestemmingsplannen (BBP'
- s)te vermelden; Dat de Regering bovendien verwijst naar de uitleg van hierboven omtrent de wil van de wetgever rond de wijziging van het GBP zonder voorafgaande wijziging van GewOP; 1.4. Gevolgen van het ontwerp van GBP voor de BBP's die worden opgesteld (nog niet goedgekeurde BBP'
- s)Overwegende dat verschillende gemeenten zich afvragen welk effect de goedkeuring van het GBP zal hebben op toekomstige BBP's, ongeacht of deze al dan niet in redactie zijn; Dat de gemeente Evere betreurt dat ze niet geraadpleegd werd bij de uitwerking van het ontwerp; dat zij het werk had kunnen tonen dat de gemeente heeft verricht inzake de analyse van de verenigbaarheid van de BBP's met het GBP en de evolutie van BBP's sinds de goedkeuring van het GOP; Overwegende dat de gemeente Ganshoren zich over het algemeen vragen stelt bij de toekomst van BBP's die op dit moment worden opgesteld; Overwegende dat de gemeenten Anderlecht en Sint-Gillis zich afvragen of er afwijkende BBP's kunnen worden ingevoerd over sites die niet worden beoogd door het GBP dat zal worden goedgekeurd; Dat meer bepaald de gemeente Sint-Gillis zich vragen stelt bij de rechtsonzekerheid en het risico van impliciete opheffing; Overwegende dat de gemeente Ukkel zich zorgen maakt over de gevolgen van het ontwerp van GBP voor de bijzondere bestemmingsplannen nr. 64 en nr. 66 die worden uitgewerkt en betrekking hebben op gebieden van het GBP waarvoor het ontwerpplan wijzigingen voorstelt die geen rekening houden met de reeds uitgevoerde studies; Overwegende dat de gemeente Jette wijst op de problematiek van de subsidies voor reeds gestarte BBP-studies die niet conform het ontwerp van GBP zijn; Overwegende dat de GOC er vooral aan herinnert dat artikel 42 van het BWRO bepaalt dat aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan voor de uitwerking van een BBP dat afwijkt van het GBP : - er mag geen afbreuk worden gedaan aan de wezenlijke elementen van het GBP; - de afwijking moet gegrond zijn op economische, sociale, culturele of milieubehoeften die niet bestonden op het ogenblik dat het GBP werd aangenomen of goedgekeurd; - er moet worden aangetoond dat de nieuwe bestemming beantwoordt aan de bestaande feitelijke mogelijkheden van aanleg; Dat de GOC niettemin van mening is dat, voor toekomstige BBP's, het verbod om af te wijken van het GBP omdat niet voldaan kan worden aan de tweede voorwaarde van artikel 42, zich zou moeten beperken tot de bepalingen die uitdrukkelijk gewijzigd worden door het ontwerp van wijziging van het GBP; Dat zij er ook aan herinnert dat een algehele herziening van het GBP zal volgen op het GPDO en dat de onderzochte wijziging slechts gedeeltelijk is; Dat zij de Regering vraagt deze interpretatie te bevestigen; Overwegende dat procedures voor invoering van BBP's die lopen op het moment dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP van kracht wordt, kunnen worden voortgezet; dat de principes die worden bevestigd in artikelen 42 (afwijkende BBP'
- s)en 50, § 2 (goedkeuring door de Regering) van het BWRO zullen blijven gelden; Dat het in dit verband essentieel is eraan te herinneren dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP een beperkte draagwijdte heeft, die erop gericht is tegemoet te komen aan bepaalde behoeften waarvoor een dringend antwoord noodzakelijk werd geacht; dat er geen sprake van was om in het kader van deze wijziging alle economische, sociale, culturele of milieubehoeften van het Gewest te heractualiseren; dat deze globale oefening zal plaatsvinden in het toekomstige GPDO en in de wijziging van het GBP die eruit zal kunnen voortvloeien; dat in het kader van deze procedure alleen de behoeften die de gedeeltelijke wijziging van het GBP steunen, het voorwerp hebben gevormd van een actualisering tegenover de situatie die gold ten tijde van de invoering van het GBP; Dat het hierdoor altijd mogelijk zal zijn om onder voorwaarden af te wijken van de letterlijke of grafische bepalingen van het GBP die niets te maken hebben met de gedeeltelijke wijziging ervan; Dat het daarentegen op korte en middellange termijn niet meer mogelijk zal zijn af te wijken van de gewijzigde letterlijke of grafische bepalingen van het GBP, aangezien in dit geval niet kan worden voldaan aan de tweede voorwaarde die wordt opgelegd door artikel 42 van het BWRO; Dat de Regering overigens, indien een ontwerp van BBP een onverenigbaarheid zou vertonen met een wijziging in het GBP en niet meer gewijzigd zou kunnen worden, het BBP niettemin zal kunnen goedkeuren, evenwel met weigering van goedkeuring voor de onverenigbare bepaling; Overwegende dat, waar het de raadpleging van de gemeenten betreft, wordt verwezen naar het antwoord hieronder, onder titel 1.8.; 1.5. Gevolgen van het ontwerp van GBP op de bestaande BBP's (BBP's goedgekeurd onder GBP 2001 of oudere GBP'
- s)Overwegende dat meerdere reclamanten, waaronder gemeenten, zich vragen stellen over de toekomst van de BBP's die werden goedgekeurd op grond van het huidige of zelfs een eerder GBP; Dat de reclamanten preciseringen vragen over de mogelijkheid dat het BBP restrictiever is dan het GBP of vragen dat de impliciete opheffingen van bestaande BBP's en hun milieueffecten worden bestudeerd en dat ze grafisch zouden worden voorgesteld krachtens artikel 24 van het BWRO; Dat anderen herinneren aan de rechtspraak van de Raad van State aangaande opheffing van lagere plannen als gevolg van de invoering van een hoger plan of de inhoud van omzendbrief nr. 15 rond deze kwestie; Dat de GOC vooral eraan herinnert dat omzendbrief nr. 15 moet worden toegepast bij impliciete opheffingen van BBP's; Dat zij in deze optiek herinnert aan het belang van een duidelijk onderscheid tussen de hoofd- en secundaire bestemmingen in de voorschriften; Overwegende dat de GOC ook de aandacht van de Regering vestigt op het arrest van het Europese Gerechtshof van 22 maart 2012; dit arrest stelt dat wanneer een ingetrokken BBP "tot een hiërarchische orde van handelingen inzake ruimtelijke ordening behoort, wanneer deze besluiten bepalingen bevatten die de bestemming van de grond voldoende duidelijk aangeven, deze besluiten zelf het voorwerp van een milieubeoordeling zijn geweest en redelijkerwijze mag worden aangenomen dat in dit verband voldoende rekening is gehouden met de belangen die richtlijn 2001/42 beoogt te beschermen"; de intrekking moet niet onderworpen worden aan een milieubeoordeling in de zin van de richtlijn; Dat de GOC derhalve benadrukt dat in delen van het grondgebied waar BBP's impliciet zouden worden opgeheven, de wijzigingen die worden aangebracht door het ontwerp van GBP van toepassing zijn; en dat deze reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een milieubeoordeling; Overwegende, ter herinnering, dat krachtens het principe van de normenhiërarchie, bekrachtigd in artikel 159 van de Grondwet, de niet-conforme bepalingen van lagere plannen impliciet worden opgeheven op de dag waarop de gedeeltelijke wijziging van het GBP in werking treedt; dat de Raad van State aan dit principe heeft herinnerd naar aanleiding van het principearrest "Val d'Or" van 10 september 1998; Dat, om de verenigbaarheid van bepalingen van verschillende plannen en de gevolgen van een eventuele onverenigbaarheid nauwkeuriger af te bakenen, wordt verwezen naar omzendbrief nr. 15 die het stelsel van impliciete opheffing verduidelijkt (Belgisch Staatsblad, 28.06.2001, p. 22.328); Dat de Regering, inzake haar keuze om de opheffingen van de voorschriften van BBP's als gevolg van de gedeeltelijke wijziging van het GBP niet nadrukkelijk op te sommen, verwijst naar wat hoger werd uiteengezet; Dat de Regering er overigens aan herinnert dat : - in de hypothese dat een bepaling van een BBP impliciet zou worden opgeheven wegens tegenspraak met het gewijzigde GBP, de voorschriften van dit laatste zullen gelden; - de gedeeltelijke wijziging van het BBP het voorwerp was van een zeer volledig MER dat de voorspelbare effecten van de gedeeltelijke wijziging van het BBP bevat; Dat derhalve de effecten van de impliciete opheffing van een bepaling van een BBP door het gedeeltelijk gewijzigde GBP samenvallen met de effecten van dit laatste; 1.6. Gevolgen van het ontwerp van GBP voor de vergunnings- en attestaanvragen die nu worden onderzocht of zeer spoedig worden ingediend Overwegende dat reclamanten vragen hebben bij het begrip "ontwerpplan" en de toepassing van artikel 194 van het BWRO dat bepaalt dat een vergunning wordt geweigerd bij tegenspraak met een dergelijk project; Dat sommige reclamanten in deze bepaling een incoherentie zien met de wijziging van het BWRO van 14 mei 2009 die tot doel had bespreking te vermijden van de juridische effecten van een ontwerp van plan van aanleg dat nog niet aan het advies van het publiek is voorgelegd, om niet te botsen met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus en Richtlijn 2001/42/EG; Overwegende dat andere reclamanten de aandacht vestigen op het effect dat het ontwerp van GBP zal hebben bij toepassing op aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen, stedenbouwkundige attesten of verkavelingsvergunningen in onderzoek; Dat reclamanten in dit verband overgangsmaatregelen wensen voor reeds ingediende aanvragen en zelfs voor aanvragen in voorbereiding; Overwegende dat de GOC akte neemt van de bepalingen van artikelen 153, § 4, en 194, § 1, maar aan de Regering vraagt de datum waarop dit artikel in voege treedt te verhelderen en te rechtvaardigen; Overwegende dat het concept "ontwerp van plan" - hoewel het BWRO dit niet meer definieert sinds de hervorming van 14 mei 1999 - nog altijd wordt gebruikt in artikelen 50, § 2, 1e lid, 153, § 4, en 194, § 1, die de bevoegde autoriteiten verplichten om de goedkeuring van een BBP of de aflevering van een vergunning te weigeren indien ze niet overeenstemmen met een ontwerp van GBP dat werd uitgevaardigd door de regering; dat hierdoor een probleem rijst in de toepassing van de eerder vermelde bepalingen; Dat het desondanks niet aan de Regering toekomt om de bepalingen van het BWRO te interpreteren. Deze hebben wettelijke waarde in het kader van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP, dat een reglementaire waarde heeft; 1.7. Hiërarchie van de plannen Overwegende dat sommige reclamanten betreuren dat de hiërarchie tussen GPDO en GBP niet gerespecteerd werd; dat volgens hen de naleving van deze hiërarchie een betere globale visie op de ontwikkelingsbehoeften mogelijk gemaakt zou hebben, evenals integratie in een ruimer democratisch debat; Dat de Regering, door voorrang te geven aan de reglementaire planning ten nadele van de strategische planning, de goedkeuring van latere strategische opties hypothekeert; Dat de reclamanten van mening zijn dat een complete en onafhankelijke evaluatie van het huidige GBP en zijn leemtes gerealiseerd had moeten worden vóór een nieuw ontwerp van GBP; Dat het project de grote strategische richtsnoeren van het GewOP zeer aanzienlijk wijzigt, zonder behoud van de verworven rechten; Overwegende dat de GOC zich achter het merendeel van deze opmerkingen schaart en het nodig acht een globale visie op de evolutie van het Gewest te ontwikkelen, door de prioriteiten inzake ontwikkeling en ruimtelijke ordening te bepalen, op basis van de economische, sociale, culturele, mobiliteits- en milieueisen; Dat deze analyse zou moeten gebeuren in het kader van het GewOP; Dat de wijzigingen van het GBP die voortkomen uit deze analyse, coherenter en vollediger zouden moeten zijn en betrekking zouden hebben op alle elementen die te maken hebben met de gewestontwikkeling; Dat de Commissie is bovendien van mening dat deze doelstellingen moeten worden weerspiegeld in de verschillende instrumenten voor ruimtelijke ordening; Overwegende dat hierboven, in punt 1.2. een antwoord op deze opmerkingen kan worden gevonden; dat derhalve hiernaar wordt verwezen; 1.8. Raadplegingsprocedure Overwegende dat vele reclamanten, waaronder de Brusselse gemeenten en het Vlaams Gewest betreuren dat er weinig informatie, overleg, raadpleging of dialoog plaatsvond in het kader van de uitwerking van het ontwerp van GBP, voorafgaand aan het openbaar onderzoek; Dat sommigen er de voorkeur aan zouden geven dat het ontwerp van GBP zou worden opgesteld via een meer participatief mechanisme met daarin de verschillende geïnteresseerde betrokkenen (zoals onder andere de adviesorganen, de beroepsverenigingen, de gemeenten met hun administratie en gemeentelijke raden, de omwonenden of de andere gewesten); dat het ontwerp hierdoor andere wijzigingen aan het GBP had kunnen omvatten; Overwegende dat de gemeente Sint-Pieters-Woluwe aanvoert dat de gemeenteraad geen enkele officiële en formele uitnodiging heeft ontvangen om zich uit te spreken over het ontwerp van GBP; Tot slot overwegende dat sommige reclamanten wensen dat de overwegingen over het ontwerp van GBP de geografische grenzen van het Gewest overschrijden en het hele Brusselse hinterland aanspreken; Overwegende dat de GOC deze opmerkingen steunt en de regering aanspoort om een proces van voorafgaand overleg met onder andere de Brusselse gemeenten en de Gewesten op gang te brengen; Dat zij vraagt ook om extra middelen te voorzien zodat er informatiesessies georganiseerd kunnen worden in de gemeenten, door er op te letten dat op een proactieve manier alle lagen van de bevolking bereikt worden, zodat iedereen toegang heeft tot de informatie; Overwegende dat de Regering allereerst verwijst naar de bekrachtigde ontwikkelingen, in punt 1.2. supra, naar de draagwijdte en de motieven van de gedeeltelijke wijziging van het GBP en naar de voortzetting, parallel, in het kader van het GPDO, van de globale bespiegeling over de toekomst van het Gewest waar vele reclamanten blijkens hun wensen naar streven; Dat zij vervolgens benadrukt dat de procedures voor raadpleging van het publiek en de verschillende betrokken instanties en buurgewesten, voorzien door het BWRO in het kader van de wijziging van het GBP, integraal gerespecteerd werden; Dat de Regering in dit verband heeft geoordeeld dat de organisatie (door haar zorgen) van extra participatiemechanismen strijdig ware geweest met de dringendheid waarop ze zich beroept in het kader van deze gedeeltelijke wijziging van het GBP; Overwegende dat de klacht vanwege de gemeente Sint-Pieters-Woluwe niet gegrond is, vermits de brief die de gemeenteraad uitnodigt om zijn advies te formuleren over het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het GBP, samen met een volledig exemplaar van de documenten die aan het openbaar onderzoek werden onderworpen, op 20 mei 2012 door een koerier werd overhandigd aan de gemeente; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat, waar het gaat om de geografische grenzen van de planning, haar bevoegdheden exclusief begrensd zijn tot het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en dat het voor haar dus juridisch onmogelijk is de ruimtelijke ordening buiten die grenzen te reglementeren; Dat het desondanks wenselijk is dat de gewestplannen, hoewel ze uitsluitend het grondgebied van het gewest kunnen dekken, worden opgesteld met oog voor de relaties die het Gewest onderhoudt met zijn hinterland dat gelegen is op het grondgebied van het Waalse en het Vlaamse Gewest; Dat hier rekening is gehouden met deze relaties door het MER, afgemeten aan de gedeeltelijke wijziging van het bestudeerde GBP; Dat de algemenere beoordeling van deze relaties, wat haar betreft, past in het kader van de goedkeuring van het GPDO dat een instrument is voor globale planning van de gewestelijke ontwikkeling in het kader van de duurzame ontwikkeling (art. 17, 1e lid, van het BWRO); Dat overigens de eisen van artikel 25, § 6, van het BWRO werden gerespecteerd; 1.9. Hervorming BWRO 2009 - rechtspraak adviesorganen - essentiële wijzigingen Overwegende dat reclamanten benadrukken dat ingevolge de wijzigingen van het BWRO van 14 mei 2009, het verzoek om advies aan de gemeenteraden tegelijkertijd plaatsvindt met het openbaar onderzoek; dat de gemeenteraden zich derhalve moeten uitspreken zonder kennis te kunnen nemen van de eventuele opmerkingen of bezwaren die hun inwoners hebben gemaakt tijdens het openbaar onderzoek; Dat sommige reclamanten de aandacht van de Regering erop vestigen dat het feit dat de gemeenteraden en overige organen advies moeten uitbrengen terwijl het openbaar onderzoek loopt in plaats van daarna, het risico inhoudt dat het openbaar onderzoek herbegonnen moet worden, aangezien essentiële wijzigingen die worden voorgesteld door een adviesorgaan, zonder dat dit gesteund is op een bezwaar dat naar voren is gebracht tijdens het openbaar onderzoek, niet kunnen worden verwerkt in het definitieve plan zonder de procedure van openbaar onderzoek te moeten herbeginnen; Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat deze wijziging van het BWRO, die is geïnspireerd op het Verdrag van Aarhus betreffende het milieu, het mogelijk moest maken de opmerkingen en adviezen van de organen en gemeenten, die worden ingediend terwijl het openbaar onderzoek aan de gang is, gelijk met deze van de burgers te behandelen; Overwegende dat het advies van de gemeenteraden niet als roeping heeft te dienen als doorgeefluik voor de opmerkingen die het publiek overigens zelf behoorlijk kan overmaken; dat dit advies wordt ingewonnen om de Regering in te lichten over de beoordeling van elke afzonderlijke Brusselse gemeente aangaande het ontwerp van wijziging dat ter studie ligt; dat het voor de gemeenten vanzelfsprekend niet nodig is om vooraf de opmerkingen van hun inwoners te synthetiseren om zich een mening te vormen; Dat het feit dat hun advies voortaan wordt ingewonnen tijdens het openbaar onderzoek en niet erna, dus geen enkele andere consequentie heeft dan deze - positieve - dat de procedure enkele weken verkort wordt; Overwegende dat, indien het openbaar onderzoek moet worden herbegonnen - zoals enkele reclamanten beweren - bij essentiële wijziging van het ontwerp van plan die haar oorsprong niet vindt in een opmerking die tijdens het openbaar onderzoek werd ingediend, men enkel kan vaststellen dat het stadium van de procedure waarin de adviesgevende organen worden uitgenodigd hun advies te formuleren, zonder belang is, vermits het onderzoek in dat geval moet worden herbegonnen, ongeacht de inhoud van de adviezen van deze organen; 1.10. Termijnen voor het uitbrengen van advies - bekendmaking - openbaar onderzoek Overwegende dat sommige reclamanten betreuren dat ze niet meer tijd kregen om het ontwerp van GBP te onderzoeken, kennis te nemen van de bijbehorende documenten en hun bezwaren te formuleren; Overwegende dat andere reclamanten betreuren dat het openbaar onderzoek zich gedeeltelijk afspeelde tijdens een schoolvakantie; Overwegende dat de GOC aanraadt om het openbaar onderzoek voor een plan dat zo belangrijk is, niet te laten plaatsvinden tijdens de schoolvakanties; Overwegende dat het openbaar onderzoek werd georganiseerd conform het voorschrift van het BWRO; Dat het bovendien om een onderzoek over het GBP ging, dat de termijn voor het onderzoek zestig dagen was, en derhalve de langste termijn die het BWRO voorziet; Dat - ter herinnering - bij de goedkeuring van het GBP diezelfde termijn van 60 dagen voor iedere belangstellende persoon ruim volstond om zijn opmerkingen te doen gelden over het nieuwe plan dat het Gewestplan voor het hele Gewest moest vervangen; Dat het onderzoek deze keer enkel een gedeeltelijke wijziging van het GBP betrof, en dus beperkt was in verhouding tot de algemene draagwijdte van het plan; dat de termijn van 60 dagen - waarvan alleen de laatste 13 de zomervakantie overlapten - dus volstonden om alle belangstellende personen - en a fortiori de geraadpleegde organen, die duidelijk over meer middelen en kennis beschikken dan een gewone burger - hun mening op nuttige wijze kenbaar te laten maken; 1.11. Informatieverstrekking - Documenten OO Overwegende dat sommige reclamanten van oordeel zijn dat het project zo gigantisch is dat men het niet gemakkelijk kan doorgronden; Dat anderen klagen over het feit dat het ontwerp van GBP onnauwkeurigheden of fouten bevat die leiden tot verwarring; Dat andere reclamanten van oordeel zijn dat een andere presentatie van de gegevens te verkiezen was; Overwegende dat de GOC van oordeel is dat het MER en alle documenten die aan het onderzoek onderworpen werden, bijzonder moeilijk te begrijpen zijn, en dat zij de Regering derhalve aanraadt om bij volgende plannen te letten op de bondigheid, helderheid en overzichtelijkheid van de algemene structuur van het document; Dat zij inderdaad benadrukt dat de twee delen van het MER moeilijk te begrijpen zijn, en dat ze van mening is dat uitgelegd had moeten worden waarom sommige geanalyseerde opties niet weerhouden zijn; Overwegende dat de volgende documenten aan het openbaar onderzoek werden onderworpen : - het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het GBP; - het MER; - de aanvulling op het MER, met de analyse van de wijzigingen die aan het voorontwerp van plan werden aangebracht als gevolg van de aanbevelingen van het MER; - een niet-technische samenvatting van deze drie documenten - en een verhelderende brochure; Dat de omvang van het MER en van zijn aanvulling groter is, maar te verklaren door de eisen op het vlak van evaluatie van mogelijke gevolgen, opgelegd door het BWRO conform de verplichtingen die werden bekrachtigd door Richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's; 1.12. Vraag om informatie/aanvullende studies Overwegende dat reclamanten kritiek hebben op de methodologie of de realisatie van voorafgaande studies waar het ontwerp van GBP op steunt; Dat sommige van hen van oordeel zijn dat de inhoud van deze studies niet volstaat en dat nieuwe, aanvullende studies gerealiseerd moeten worden, meer bepaald zowel over huisvesting (voor nauwkeurigere bepaling van onder meer de huidige bezettingsgraad van de woningen, de types, groottes en locaties) als over economische ontwikkeling; Dat sommige reclamanten vinden dat een zo ruim mogelijke toegang tot voorafgaande studies gegarandeerd moet worden door ze ter beschikking te stellen van de burgers; Overwegende, tot slot, dat sommige reclamanten betreuren dat het document dat ter onderzoek lag, belangrijke elementen buiten beschouwing laat, zoals de wijkcontracten, de nieuwe ordonnantie inzake leegstaande woningen, de GOMB, het Woningfonds, de SVK's enz.; Overwegende dat de GOC zich grotendeels achter deze bezwaren schaart; dat zij verwijst naar haar advies betreffende de hiërarchie en de beoordeling van de plannen; Dat ze betreurt dat de voorafgaande studies niet voor haar toegankelijk waren (onder andere de studie die gerealiseerd werd door het bureau MSA en IGEAT, met betrekking tot de beoordeling van het grondpotentieel in het BHG); Dat ze anderzijds aanbeveelt andere studies te realiseren; Overwegende dat het werk van de GOC gestart is met een reeks hoorzittingen waar de auteurs van de studie van het kantoor MSA en IGEAT hun werkzaamheden hebben toegelicht en de vragen van de leden van de GOC hebben beantwoord, zoals uitdrukkelijk blijkt uit het voorwoord bij het advies van de Commissie; Dat voorts de resultaten van dit onderzoek naar het Brusselse grondpotentieel en naar het potentieel tot onthaal van inwoners in dit gebied, net zoals de resultaten van elk voorafgaand onderzoek waar het ontwerp van GBP op steunt, werden overgenomen in het MER en in de memorie van toelichting van het besluit van 29 maart 2012; Dat de hele bevolking derhalve heeft kunnen beschikken over een voldoende basis voor optimale afbakening van de intenties van de Regering en van de maatregelen die het ontwerp voorstelt; Dat meer bepaald wat de GOC betreft, zij kennis heeft gehad van alle onderzoeken die als basis dienden voor het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het GBP; Dat zij haar advies dus met kennis van zaken heeft kunnen formuleren; Dat hier bovendien andermaal herhaald moet worden dat de doelstellingen van dit plan beperkt zijn; dat de Regering terdege beseft dat ze rekening moet houden met andere elementen inzake gewestplanning; Dat deze aan bod zullen komen in het kader van de algemene herziening van het GBP die zal volgen na goedkeuring van het GPDO; Dat voor het overige wordt verwezen naar punt 1.2, hierboven, en naar de antwoorden die er worden aangereikt aangaande de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 1.13. Aanpassing van/rekening houden met andere plannen Overwegende dat verscheidene reclamanten goedvinden dat de Regering maatregelen wil nemen om het hoofd te bieden aan de komende uitdagingen; Dat andere reclamanten echter de aandacht vestigen op de gevolgen van een gedeeltelijke wijziging als potentiële bron van incoherentie en onzekerheid; Dat teneinde een globale en coherente visie op ruimtelijke ordening te garanderen ook de herziening van de andere instrumenten inzake ruimtelijke ordening snel voltooid moet zijn, en dat deze coherentie ook nagestreefd moet worden op het niveau van de projecten; Dat voorts de tenuitvoerleggingsprocedures vereenvoudigd moeten worden (termijnen, rechtszekerheid, dichtheidsprincipes, regelgevende instrumenten); Overwegende dat vele reclamanten hameren op de bestaande onderlinge afhankelijkheid van de hier geplande wijziging van het GBP en andere bepalingen zoals de GSV, de Huisvestingscode, het geplande GPDO, verscheidene studies die in uitvoering zijn voor de ruimtelijke ordening (kanaalstudie, denkwerk omtrent de herstructurering rond het Zuidstation, ...), het Schema voor commerciële ontwikkeling, de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende beheer en sanering van verontreinigde bodems en haar uitvoeringsbesluiten, de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving en haar uitvoeringsbesluiten enz.; Dat zij benadrukken dat al deze teksten ofwel aangepast of vervolledigd moeten worden na goedkeuring van het ontwerp van GBP, ofwel in rekening moeten worden genomen bij de uitwerking ervan, teneinde het te wijzigen (bijvoorbeeld door nieuwe definities te integreren of nieuwe doelstellingen voor de beoogde wijziging vast te leggen); Overwegende tot slot dat het BIM eraan herinnert dat de verstedelijkingsprojecten moeten beantwoorden aan de beginselen van duurzame verstedelijking; dat elke wijziging van het GBP derhalve in die richting moet gaan; Overwegende dat de GOC in het algemeen vraagt om te zorgen voor een aanpassing van de verschillende plannen en verordeningen, om coherentie tot stand te brengen tussen alle regels die van toepassing zijn in het BHG; Dat, in het bijzonder, de GOC aan de regering vraagt om, vóór de inwerkingtreding van het gewijzigd GBP, over te gaan tot aanpassing van de normen van het besluit van 21/11/2002 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen, evenals het besluit van 17/12/2009 tot vaststelling van de interventie- en de saneringsnormen inzake bodemverontreiniging, met de bedoeling om elke rechtsonzekerheid te vermijden; Dat de GOC de aandacht van de Regering ook vestigt op het feit dat de GSV moet worden aangepast om rekening te houden met de verdichting van de stad ingevolge de demografische groei en om een link te leggen naar het GBP en diverse titels, zoals titel 1 (Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving) en titel 8 (Parkeren buiten de openbare weg). Ze adviseert de GSV te wijzigen in aansluiting op het GBP dat volgt op het GPDO; Dat de Commissie vraagt bovendien om na te gaan in welke mate rekening moet worden gehouden met het Schema voor commerciële ontwikkeling in het GBP dat het GPDO zal volgen; Dat verder stelt de Commissie vast dat de termijn die verstrijkt voordat een ontwerp concreet vorm krijgt, in bepaalde gevallen zeer lang is; dat zij vraagt om de beslissingenreeks te optimaliseren, met inachtneming van het democratische proces; Overwegende dat de Regering verwijst naar punt 1.2, hoger, en naar de antwoorden die daar worden aangereikt aangaande de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; Dat de Regering overigens, gelijktijdig met de inwerkingtreding van het gewijzigde GBP, zal overgaan tot de herziening van de volgende besluiten die refereren aan de zonering van het GBP : - Het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen; - Het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen het buurtlawaai; - Het besluit van 17 december 2009 tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen inzake verontreinigde bodems; 1.14. Aanbevelingen Overwegende dat een reclamant benadrukt dat grond zeer belangrijk is voor de toekomst van Brussel; dat hij derhalve benadrukt dat het de overheid is die moet beslissen en niet de vastgoedontwikkelaars; Dat hij dus aanraadt het voorzorgsbeginsel toe te passen om te vermijden dat zones van het territorium (bv. het kanaalgebied) als "hippe" plekken worden "aangeboden" aan projectontwikkelaars voor wie de gemeenten al te gemakkelijk hun BBP's wijzigen; Overwegende bovendien dat een reclamant van mening is dat de grondreserve slechts geleidelijk beschikbaar mag worden, volgens een gecontroleerde planning en programma, die beantwoorden aan de behoeften van het Gewest, teneinde speculatie te voorkomen; Overwegende dat de GOC zich aansluit bij deze twee opmerkingen; dat zij verwijst naar haar advies aangaande enerzijds de locatie van productieactiviteiten, en anderzijds de realisatie van richtsnoeren voorafgaand aan de geleidelijke openstelling van zones met verstedelijkingsbestemming; Overwegende dat de Regering zich bewust is van het belang van de grond voor de toekomstige ontwikkeling van het Gewest, en van het feit dat het Gewest nog slechts één grondreservezone telt op zijn grondgebied; dat het feit dat de status daarvan niet op de helling wordt gezet in het kader van de gedeeltelijke wijziging van het GBP overigens bewijst dat de beslissing over de bestemming van deze grond wel degelijk bij de overheden blijft en niet bij de vastgoedontwikkelaars; Dat de beperkte omvang van de geplande bestemmingswijzigingen en de functionele gemengdheid die aan de ontwikkelaars van projecten met een zekere schaal wordt opgelegd, hiervan een ander voorbeeld zijn; 1.15. Materiële fouten Overwegende dat reclamanten, en ook de gemeenten Jette, Sint-Agatha-Berchem, Vorst en Anderlecht hebben vastgesteld dat de titel van het besluit van de Regering van 29 maart 2012 verwijst naar het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP van 3 mei 2011, terwijl dit 3 mei 2001 moet zijn; Overwegende dat de GOC vraagt om de eventuele fouten te verbeteren; Overwegende dat de Regering vaststelt dat een materiële fout werd gemaakt in de titel van haar besluit van 29 maart 2012 dat het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP goedkeurt, waarbij per vergissing naar het jaar 2011 wordt verwezen in plaats van het jaar 2001 als jaar van goedkeuring van het GBP; dat deze fout echter op geen enkele manier enig gevolg kan hebben gehad; Overwegende dat de gemeente Jette geen spoor van publicatie van dit besluit van 29 maart 2012 heeft kunnen vinden in het Belgisch Staatsblad; Dat bepaalde reclamanten van mening zijn dat het publiek mogelijk op een dwaalspoor kan zijn gebracht, door het te verwijzen naar een onbestaand document, wat de lezing en het begrip nog bemoeilijkt; Overwegende dat de gemeenten Jette, Sint-Joost-ten-Node, Sint-Pieters-Woluwe en Anderlecht opmerken dat de gemeenten Sint-Joost-ten-Node en Sint-Pieters-Woluwe in de toelichtingsbrochure niet werden opgenomen in de lijst van de gemeenten die niet betrokken zijn bij de wijzigingen van de GGB; Overwegende dat, wat dit laatste punt betreft, de GOC benadrukt dat de brochure enkel de gemeenten vermeldt die betrokken zijn bij het ontwerp van GBP; Dat zij, aangaande de kwestie van publicatie van het besluit in het Staatsblad, opmerkt dat het BWRO gewijzigd werd, dat het ontwerpplan niet meer het voorwerp uitmaakt van goedkeuring door de Regering en dat het daarom niet gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad; Overwegende dat het tot onderzoek voorgelegde plan tot wijziging van GBP niet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, en dat het BWRO deze formaliteit niet plant; dat het daarentegen werd neergelegd in alle gemeentehuizen zoals het BWRO voorschrijft, en dat het bovendien het voorwerp was van een publicatie op het internet; Overwegende dat de Regering vaststelt dat de toelichtingsbrochure bij het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP en bij het MER naar aanleiding van het openbaar onderzoek sommige gemeenten niet noemt in de lijst van gemeenten die niet betrokken zijn bij de bestemmingswijzigingen die het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP beoogt (blz. 16 van de brochure); dat deze vergetelheid echter niet van aard was enige fout te veroorzaken, temeer daar de toelichtingsbrochure op blz. 14 ook een kaart van het Gewest en zijn 19 gemeenten bevat, met daarop een grafische voorstelling van alle bestemmingswijzigingen volgens het plan tot gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat deze kaart duidelijk toont welke gemeenten niet bij deze bestemmingswijzigingen betrokken zijn; dat de bedoelde brochure overigens een louter didactische waarde heeft en niet tot roeping heeft een element te zijn in het plan tot gedeeltelijke wijziging van het GBP dat aan het publiek wordt voorgelegd en dat als enige document bestemd is om juridische effecten te hebben; 1.16. Andere Overwegende dat een reclamant vaststelt dat het ontwerp van GBP geen enkel belang toekent aan het erfgoed, met name het sociale en industriële erfgoed dat rechtstreeks getroffen wordt door de gebieden waarop het ontwerp betrekking heeft; Overwegende dat de GOC zich bij hem aansluit en vraagt dat een inventaris wordt opgemaakt van het sociale en industriële erfgoed van de betrokken gebieden; Overwegende dat een reclamant benadrukt dat de uitspraak van de minister-president tijdens het colloquium van de ESRBHG in juni 2011, zijnde "de grootste uitdaging van deze stad is van sociale aard", niet voorkomt in het ontwerp van GBP; Overwegende dat de GOC de bezorgdheid van de minister-president deelt en vaststelt dat deze bezorgdheid niet het doel is van het ontwerp van GBP; Overwegende dat in punt 1.2. hierboven een antwoord op deze opmerkingen kan worden gevonden; Overwegende dat de gedeeltelijke wijziging van van het GBP om tegemoet te komen aan de bevolkingsgroei een antwoord inhoudt op een uitdaging van maatschappelijke aard; dat het immers de sociale plicht is van de overheid om enerzijds alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat iedereen kan beschikken over een woning en anderzijds de spanningen op de markt te verminderen door een potentieel aantal bijkomende woningen voor te stellen; Dat de Regering er voorts aan herinnert dat zij, in toepassing van de rechtspraak van de Raad van State, niet gehouden is te antwoorden op bezwaren voor zover deze van planologische aard zijn (cf. o.a. RvS, besluit nr. 191.378 van 12 maart 2009, Somerhausen en Taubert); dat het laatst vermelde bezwaar hieraan niet voldoet maar louter gelegenheidskritiek is; 1.17. Mechanismen om meerwaarden te recupereren Overwegende dat meerdere reclamanten maatregelen wensen om woongelegenheid binnen het bereik te brengen; Dat aldus verschillende mechanismen worden voorgesteld om deze bereikbaarheid te garanderen; Dat in de meeste gevallen wordt voorgesteld een beroep te doen op het mechanisme om meerwaarde te recupereren uit vastgoed; Overwegende dat de GOC zich schaart achter de vragen tot installatie van dergelijk mechanisme om meerwaarde te recupereren; Dat zij betreurt dat een dergelijk mechanisme nog niet werd uitgewerkt samen met het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP, en dat zij vraagt om dit systeem in elk geval in te voeren voordat de wijziging van het GBP wordt goedgekeurd; Overwegende dat de Regering, wat deze bezwaren aangaat, verwijst naar de opmerkingen geformuleerd onder punt 1.2.; Dat op grond van het toepassingsveld van het GBP bovendien geen praktische modaliteiten van een eventuele recuperatie van vastgoedmeerwaarden kunnen worden voorgesteld; Dat een parallelle denkoefening wordt gevoerd over het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten, op grond waarvan de projectontwikkelaars uit de privé-sector ook deschadelijke effecten op zich moeten nemen die hun projecten kunnen hebben op de overheidsfinanciën; dat effectief op dat niveau moet worden opgetreden; 1.18. Afwijkende gemeentelijke plannen Overwegende dat de gemeente Anderlecht erop wijst dat het voor de gemeenten moeilijk is om hun ruimtelijke ontwikkeling te regelen terwijl er op gewestelijk niveau zoveel veranderingen worden doorgevoerd; Dat zij benadrukt dat als gevolg van de herzieningen van het GewOP en van het GBP van 2001 die op dit ontwerp van GBP zullen volgen, de gemeentelijke plannen mogelijk afwijken van die toekomstige nieuwe plannen; Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat omzendbrief nummer 15 moet worden toegepast in het geval van impliciete opheffing van het BBP, en verwijst naar haar hoger vermelde overwegingen; Dat zij preciseert dat de gemeenten voorts zullen moeten beoordelen in hoeverre ze hun gemeentelijke plannen moeten aanpassen zodra het GBP gewijzigd is; Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hoger te vinden is, in punten 1.4 en 1.5, gewijd aan het effect van de wijziging van het GBP op de bestaande BBP's en op deze in voorbereiding; 1.19. Globale/strategische visie van het ontwerp van GBP Overwegende dat sommige reclamanten betreuren dat het ontwerp van GBP niet altijd rekening houdt met het globale karakter van de stedelijke aanleg en de gevolgen van de bevolkingsaangroei op de mobiliteit, de werkgelegenheid, de handel, de behoeften van de ondernemingen; Overwegende dat verscheidene reclamanten benadrukken dat dit ontwerp van GBP slechts een gedeeltelijke wijziging betreft; dat er bijgevolg belangrijkere wijzigingen zullen moeten volgen na de goedkeuring van het GPDO, en dat deze een globalere strategische visie van het Gewest zullen moeten weerspiegelen, in de zin van de ontwikkeling van een grootstedelijk gebied; Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat een globale strategische visie van het Gewest zal worden ontwikkeld binnen het toekomstige GPDO, nog voor er werk wordt gemaakt van een nieuw GBP; Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hoger werd geformuleerd, waar de bezwaren met betrekking tot methodologie en draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP aan bod kwamen; Dat de Regering in herinnering brengt dat de verschillende thema's aangehaald door de reclamanten onderzocht zijn in de context van het MER; 1.20. Economie/Werkgelegenheid Overwegende dat sommige reclamanten de kwestie van werkgelegenheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opwerpen; dat zij vrezen dat de voorgestelde wijzigingen aan het GBP deze zullen schaden; Dat sommige van hen van mening zijn dat het GBP alleszins het behoud en de ontwikkeling van productieactiviteit in het Gewest moet garanderen; Dat sommige reclamanten meer algemeen wijzen op een gebrek aan totaalvisie in het plan tot wijziging, en dat dit laatste volgens hen onvoldoende rekening houdt met de economische en/of sociaaleconomische parameters; dat zij vrezen dat het Gewest zal veranderen in een "slaapstad" wegens de te sterke bescherming voor de woonfunctie; dat zij dus wensen dat andere bestemmingen eveneens voorrang krijgen of dat specifieke maatregelen worden goedgekeurd, zoals de aanleg van terreinen voor industriële productieactiviteiten of voor K.M.O.'s met een functie die inspeelt op huisvesting; Overwegende dat de GOC vindt dat de ontwikkeling van industriële en productieve activiteiten binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet in het gedrang mag komen; dat zij van mening is dat er niet mag worden afgestapt van gebieden die specifiek gereserveerd worden voor de industriële en productieve functie (GSI en GHV); dat deze gebieden bij voorkeur gelegen zijn nabij mobiliteitsassen (spoor-, water- of autoweg) in het noorden, zuiden en oosten van Brussel; Overwegende, wat de OGSO's aangaat, dat de GOC van mening is dat ondernemingen van het type K.M.O. en ZKO het best geschikt zijn om zich in die zones te vestigen; dat daarom aandacht moet gaan naar kleine ondernemingen en ambachten die onmisbaar zijn voor het functioneren van de stad en de wijken en die daarom een plaats hebben in het bewoonde stadsweefsel; Overwegende dat ze ook van mening is dat de ontwikkeling van nieuwe productieve activiteiten van de "groene", "witte" en "creatieve" economie mogelijk gemaakt en gestimuleerd moeten worden, aangezien dit kan zorgen voor een economische dynamiek en mogelijk weinig vervuilend is; Dat de GOC voorts verwijst naar haar advies in het hoofdstuk over gelokaliseerde OGSO's; Overwegende dat de Regering in de eerste plaats eraan herinnert dat slechts een klein aantal GSI's en GHV's een herbestemming krijgen in de OGSO; dat de grote meerderheid van beide categorieën in industriezones derhalve behouden blijven; Dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP het bestaan van industriezones, en de daar toegestane bestemmingen niet op de helling zet (géén wijziging van voorschriften 5 en 6 die het GBP hieraan wijdt); dat huisvesting in deze zones niet toegestaan blijft tenzij indien deze complementair en ondergeschikt is aan de hoofdfuncties van de zone; Overwegende, overigens, dat het essentiële kenmerk van de OGSO's net is om vooral te worden toegewezen aan activiteiten met economische roeping, vermeld in voorschrift 9bis1, 1e lid; dat huisvesting niet toegestaan is in deze zones tenzij als secundaire bestemming; Dat de gelijkvloerse verdiepingen er prioritair bestemd zullen zijn voor economische activiteiten die vergund zijn in de zone, en dat huisvesting er slechts toelaatbaar zal zijn als de lokale voorwaarden dit toestaan en mits organisatie van bijzondere maatregelen inzake openbaarheid; dat, aangezien een belangrijk deel van de activiteiten die in hoofdzaak toegestaan zijn in de OGSO of slechts moeizaam elders dan op de gelijkvloerse verdieping ingeplant kunnen worden, het nieuwe voorschrift inzake de OGSO de installatie van huisvesting op de verdiepingen zal toestaan, tot maximalisering van het grondpotentieel van de zone, en met de waarborg van vrijwaring van de gronden die nodig zijn voor de ontwikkeling van economische activiteiten; Overwegende dat de verenigbaarheid die wordt geëist tussen deze economische activiteiten en de andere activiteiten of bestemmingen van het betrokken huizenblok en van de aangrenzende huizenblokken (voorschrift 9bis.5, 3e lid), als effect zal hebben dat de inplanting van activiteiten uit de "groene", "witte" en "creatieve" economie voorkeur zal krijgen, terwijl deze, vergeleken met traditionele industriële activiteiten, gemakkelijker verenigbaar is met een stedelijke, bewoonde omgeving die gemiddeld meer banen/m² verschaft; Dat deze doelstelling bovendien uitdrukkelijk wordt uiteengezet in de overwegingen van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP en derhalve tegemoetkomt aan de visie van de GOC; Overwegende, tot slot, dat wat betreft de bezwaren dat er te weinig rekening zou zijn gehouden met de economische gegevens of met de vragen om voorrang te geven aan andere bestemmingen dan huisvesting, wordt verwezen naar hierboven, punt 1.2, en naar de antwoorden die daar worden aangereikt aangaande methodologie en draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 1.21. Behoeften : types huisvesting Overwegende dat sommige reclamanten benadrukken dat de haalbaarheid van de huisvesting voor mensen met bescheiden of laag inkomen gegarandeerd moet worden; Dat sommige reclamanten benadrukken dat sociale huisvesting ondersteuning verdient, door de creatie ervan via privéontwikkelaars mogelijk te maken, temeer omdat de terreinen die betrokken zijn bij deze wijziging vaak eigendom zijn van privébedrijven of personen; Dat anderen ten slotte van mening zijn dat de K.M.O.'s langs het kanaal behouden moeten blijven en dat hier huisvesting voor mensen met laag inkomen bevorderd moet worden; Overwegende dat de GOC zich aansluit bij diverse van deze opmerkingen, onder andere deze aangaande invoering van mechanismen die sociale of daaraan gelijkgestelde woningen op privéterrein creëren; Dat zij eraan herinnert dat de GOMB belast is met de verwezenlijking van middenklasse- of van geconventioneerde woningen, en dat er sinds kort een beroep op haar gedaan wordt om sociale woningen te verwezenlijken; Dat de Commissie zich schaart achter een voorstel waarover momenteel onderhandeld wordt, om een percentage middelgrote huurwoningen toe te staan in projecten voor sociale huisvesting en omgekeerd; Overwegende dat een antwoord op deze opmerkingen hierboven te vinden is, onder punt 1.2, in het kader van de uitleg over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, evenals onder punt 1.20, over de draagwijdte van het nieuwe voorschrift 9bis over de OGSO's; Dat het krachtens artikel 24 van het BWRO immers niet de rol is van het GBP om bepalingen "met een sociale roeping" vast te stellen op grond waarvan een sociale mix kan worden opgelegd in de verschillende soorten woningen; dat deze vraag wordt bestudeerd in het kader van het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten zonder dat geraakt wordt aan het retributiebeginsel van de stedenbouwkundige lasten of aan het proportionaliteitsbeginsel; 1.22. Behoefte aan voorzieningen Overwegende dat meerdere reclamanten wijzen op de behoefte om nieuwe voorzieningen te bouwen en de bestaande infrastructuur te behouden; Dat sommigen specifieke maatregelen voorstellen om de aanleg van deze voorzieningen te verplichten bij nieuwe vastgoedprojecten; Dat met name de gemeente Anderlecht haar vrees uitdrukt wat betreft de mogelijkheden van de gemeenten om tegemoet te komen aan de vraag tot creatie van voorzieningen bij afwezigheid van een mechanisme dat stedenbouwkundige lasten oplegt; Overwegende dat de GOC in het kader van de demografische evolutie vraagt om na te gaan hoe kan worden voorzien in de toekomstige behoeften in buurtvoorzieningen als aanvulling op de huisvesting, en te analyseren welke terreinen binnen het Brusselse Gewest daartoe beschikbaar zijn; Dat zij deze analyse wenst te laten maken in het kader van het GPDO en daarna in het GBP dat erop volgt; Dat zij ten slotte benadrukt dat de bouw van buurtvoorzieningen kan gebeuren in het kader van de realisatie van de meerwaarden; Overwegende dat wordt verwezen naar punt 1.2, hierboven, en naar de antwoorden die er worden aangereikt inzake methodologie en draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, alsook naar de antwoorden geformuleerd betreffende het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten; Dat voorts eraan herinnerd moet worden : - dat voorzieningen van collectief belang of openbare nutsvoorzieningen beschikbaar zijn in alle zones - met uitzondering van groene zones, groene zones met hoge biologische waarde, bos-, park- en landbouwzones - voor zover ze verenigbaar zijn met de hoofdbestemming van de beoogde zone en de kenmerken van de stedelijke omgeving, door het effect van algemeen voorschrift 0.7 van het GBP dat niet gewijzigd is; - dat studies, voorafgaand aan de gedeeltelijke wijziging van het GBP, hebben aangetoond dat de zones voor voorzieningen van collectief belang of de openbare nutsvoorzieningen deze zijn met het grootste grondpotentieel op vrij perceel, en dat zij dus kunnen bijdragen tot beantwoording van de behoeften aan vooral schoolvoorzieningen; - dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP de verplichting toevoegt aan het programma dat wordt opgelegd door voorschrift 4.4, om minstens 5 % voorzieningen te realiseren; 1.23. Evenwicht van de functies en gemengdheid Overwegende dat verschillende bezwaren betrekking hebben op de kwestie van de functiegemengdheid; Dat bepaalde bezwaren vrees inhouden inzake een gebrek aan functie-evenwicht als gevolg van het plan van GBP dat huisvesting te veel zou bevoordelen ten koste van gemengdheid; Dat sommige reclamanten in deze context het GBP aangevuld zouden willen zien met voorwaarden om deze gemengdheid te garanderen, meer bepaald volgens de dichtheid van de vastgoedprojecten; Overwegende dat de GOC in dit verband verwijst naar haar elders geformuleerde opmerkingen, vooral aangaande OGSO's; Overwegende dat een antwoord op deze opmerkingen hoger te vinden is, onder punt 1.2 over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, en onder punt 1.20 over de draagwijdte van het nieuwe voorschrift 9bis over de OGSO's; Dat eraan herinnerd moet worden dat, voor projecten van 10 000 m² vloeroppervlak of meer, voorschrift 9bis.3 een gemengdheid van bestemmingen oplegt; 1.24. Functiegemengdheid/sociale cohesie Overwegende dat een reclamant van mening is dat de functiegemengdheid onmisbaar is om de sociale en economische cohesie van de stad te verzekeren; Overwegende dat een andere reclamant opmerkt dat het MER de nadruk legt op de sociale gemengdheid; Dat de betrokken zones vooral liggen in sociaaleconomisch achtergestelde wijken; Dat hij het "gentrificerend" potentieel van het ontwerp van GBP benadrukt, terwijl de introductie van sociale gemengdheid in de meer bemiddelde wijken niet aan bod komt; Overwegende dat een reclamant vreest dat eventuele woningen op weinig aantrekkelijke locaties (nabij de spoorweg, nabij bepaalde types van ondernemingen, ...) getto's worden voor mensen met laag inkomen die nergens anders terechtkunnen; Overwegende tot slot dat het BIM vindt dat de gemengdheid van bestemmingen in de GGB een gediversifieerd aanbod aan woningen moet garanderen om te voorzien in de behoeften van de uiteenlopende sociaaleconomische profielen; Overwegende dat de GOC van mening is dat de kwestie van sociale gemengdheid een gevoelig onderwerp is dat niet op één enkele manier benaderd mag worden; Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hoger te vinden is, in het kader van de opmerkingen over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 1.25. Mechanismen/Samenwerkings-verbanden Overwegende dat een reclamant de keuze van publiek-private samenwerking (PPS) benadrukt als oplossing voor de aanleg van nieuwe gebieden (voorbeeld : het kanaal); Dat deze oplossing de verliezen spreidt terwijl de winsten privé blijven; Overwegende dat er een hoge dichtheid nodig is om de gegenereerde kosten op deze terreinen te compenseren en de privésector te helpen met de saneringskosten; Dat het aangewezen zou zijn een raming van deze saneringskosten te maken; Overwegende ten slotte dat het MER, om de aantrekkingskracht van deze gebieden te behouden, zou moeten voorzien in faciliteiten in de mechanismen voor het verkrijgen van vergunningen; Overwegende dat de GOC opmerkt dat het GBP niet het geschikte instrument is om de sociale gemengdheid te beheren; dat ze voor het overige naar andere delen van haar advies verwijst; Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hoger te vinden is, in het kader van de opmerkingen over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; Dat de mechanismen voor projectfinanciering en voor evaluatie van de saneringskosten niet tot het toepassingsveld van het GBP behoren; Dat het MER de aspecten verbonden aan bodemvervuiling heeft onderzocht; Dat er overigens aan herinnerd moet worden dat noch het GBP, noch zijn MER faciliteiten kunnen voorzien in de mechanismen voor het verkrijgen van vergunningen, vermits dergelijke bepalingen strijdig zouden zijn met het BWRO; 1.26. Leefomgeving Overwegende dat sommige bezwaren de verdichting van het gewestelijk territorium betreffen; Overwegende dat het BROH voorstander is van het beginsel van verdichting van de te bebouwen gebieden; Dat het echter vraagt deze verdichting gepaard te laten gaan met een optimaal en zuinig gebruik van de bodem en met de handhaving van de levenskwaliteit in de stad; Dat de verdichting van de stad de druk op de (open) groene ruimten zal vergroten (verkleining van oppervlakte en verhoging van gebruik); Dat het BROH derhalve vraagt dat de verdichting gepaard gaat met : a. optimale integratie in de stedelijke omgeving;b. integratie van buurtvoorzieningen;c. behoud van de groene ruimten en creatie van hoogstaande openbare ruimten die nodig zijn om de nieuwe wijken leefbaar te maken;d. landschappelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkelingen en integratie ervan in het groene netwerk;e. uitmuntendheid inzake architectuur;f. aanleg die bevorderlijk is voor actieve mobiliteit; Overwegende dat een reclamant van mening is dat het interessant zou zijn om een "dorpswijkconcept" te creëren met integratie van bebouwing/mobiliteit/milieu/duurzaam beheer; Dat het volgens diezelfde reclamant dus beter zou zijn het dorpsconcept te handhaven door niet alle resterende terreinen te bestemmen voor huisvesting; Overwegende dat de GOC erop wijst dat het Gewest een afbakening van de wijken uitgewerkt heeft binnen de Wijkmonitoring en dat het niet aangewezen is nieuwe concepten uit te vinden; Overwegende dat sommige reclamanten het duurzame karakter van het project betwijfelen; Dat het KCML bijvoorbeeld betreurt dat het plan geen rekening houdt met het groene en het blauwe netwerk; Overwegende ten slotte dat een reclamant vraagt aandacht te schenken aan de esthetiek van de nieuwe gebouwen en aan de mobiliteit; Overwegende dat de GOC verwijst naar haar voorstellen in het kader van haar advies in het OGSO-hoofdstuk, voorschrift 06bis over de omgeving van bouwwerken, en haar advies inzake het ecologisch netwerk langs het kanaal en de landschappelijke kwaliteit en de groene ruimten in gebieden voor voorzieningen; Overwegende dat de vragen van de reclamanten en van de voor advies aangesproken instanties moeten worden geïntegreerd in het denkwerk op het niveau van het GPDO en, indien zij daar hernomen worden, vervolgens moeten worden omgezet in het gepaste reglementaire instrument (GBP, GSV enz.); Overwegende dat de meeste aspecten aangehaald door de reclamanten en vooral door het BROH niet enkel verband houden met het GBP maar eveneens met de onderzoeksprocedures voor stedenbouw-kundige machtigingen in het licht van het begrip van een behoorlijke aanleg; Dat voor het overige wordt verwezen naar punt 1.2, hierboven, en naar de antwoorden die er worden aangereikt aangaande de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 1.27. Gevolgen - Milieu Overwegende dat meerdere bezwaren de gevolgen van het project op het milieu benadrukken, meer bepaald wat betreft bodemafdichting en verlies van biodiversiteit, energie, afvalbeheer, mobiliteit, productie van goederen, duurzame ontwikkeling en isolatie; Dat sommige reclamanten het probleem van moeilijkheden bij renovatie van gebouwen opwerpen, of deze vraag koppelen aan die van de energiepremies; Overwegende ten slotte dat het BIM de aandacht vestigt op de risico's, in geval van bodemverontreiniging, van een verandering van bestemming van bepaalde terreinen, en hierbij het geval aanhaalt van een industrieterrein dat woonbestemming wordt; Overwegende dat de GOC verwijst naar haar advies betreffende de aanpassing van de wetgeving wat betreft bodemverontreiniging en geluidshinder, en naar al haar opmerkingen betreffende de aanpassing van de vigerende plannen; Overwegende dat een antwoord op deze opmerkingen te vinden is, hierboven onder punt 1.2 over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, en onder punt 1.13 over de andere aanpassingen aan reglementen die tegelijk met de gedeeltelijke wijziging van het GBP zullen plaatsvinden; Dat, voor het overige, de vragen van de reclamanten en van de voor advies aangesproken instanties moeten worden geïntegreerd in het denkwerk op het niveau van het GPDO en, indien zij daar hernomen worden, vervolgens getransponeerd moeten worden in het gepaste reglementaire instrument (GBP, GSV enz.); 1.28. Mobiliteit Overwegende dat meerdere reclamanten het absoluut noodzakelijk achten dat het ontwerp van GBP de bepalingen en doelstellingen van het IRIS II-plan integreert; Dat het belangrijk is dat het ontwerp rekening houdt met de mobiliteitsvraagstukken die nog zullen toenemen door de grotere dichtheid als gevolg van het ontwerp; Dat deze verdichting rekening moet houden met het aanbod aan openbaar vervoer om te vermijden dat de mobiliteitsproblemen van het Gewest nog toenemen; Dat sommige reclamanten wensen dat het ontwerp gepaard gaat met een wijziging van de titel van de GSV over de parkeerplaatsen op de rijweg om de parkeerzones te herzien; Overwegende dat de GOC zich achter deze bezwaren schaart; dat zij van mening is dat de gecreëerde OGSO's in de eerste plaats gebieden van economische activiteiten blijven en dat het verstandig is bij de plaatsbepaling rekening te houden met de factor toegankelijkheid; Dat zij helaas vaststelt dat dit criterium, dat wordt aanbevolen in het MER, niet werd toegepast bij de keuze van de gebieden; Dat de Commissie ook benadrukt dat de Regering moet instaan voor de toepassing van de beschikkingen die ze heeft genomen in haar ontwerpplannen (IRIS II); Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hierboven te vinden is, bij de opmerkingen over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; Dat de vragen van de reclamanten en van de voor advies aangesproken instanties moeten worden geïntegreerd in het denkwerk op het niveau van het GPDO en, indien zij daar hernomen worden, vervolgens moeten worden omgezet in het gepaste reglementaire instrument (GBP, GSV enz.); Overwegende, overigens, dat het criterium van toegankelijkheid wel degelijk heeft meegespeeld bij de toewijzing van de OGSO's, maar dat ook rekening werd gehouden met andere relevante criteria : - de ligging binnen of nabij bewoonde stedelijke weefsels en het gemak om hierop aan te sluiten; - de aanwezigheid van een deelgebouw dat de invoering van huisvesting mogelijk maakt zonder de economische hoofdfunctie in gevaar te brengen; - de mogelijkheden tot kwalitatieve verbetering via een globale stedelijke hersamenstelling; - de afwezigheid van hinder, veroorzaakt door bestaande economische activiteiten die het naast elkaar bestaan van deze activiteiten en huisvesting onverenigbaar zouden maken; - de ligging in een stedelijke omgeving die interessant en valoriseerbaar is voor de residentiële functie; Dat vandaar, hoewel sommige OGSO's niet in zone A of B van de toegankelijkheidskaart van Titel VIII van de GSV liggen, de combinatie van meerdere andere relevant geachte criteria geldig kon leiden tot de aanstelling van een OGSO; Overwegende dat het Vlaams Gewest van mening is dat het, gezien het effect van het plan op bepaalde gebieden, belangrijk is dat de Gewesten overleggen over de planning en de financiering van de vereiste nieuwe mobiliteitsmaatregelen; Overwegende dat de GOC van mening is dat deze overwegingen niet kaderen in de wijzigingen die worden voorgesteld in het ontwerp van GBP maar dat ze niettemin vraagt dat deze opmerkingen in het GPDO zouden worden geanalyseerd; Dat de Commissie van mening is dat overleg tussen de Gewesten nodig is, rekening houdend met het grootstedelijk gebied; Dat zij ook van mening is dat de mobiliteitsvraagstukken niet beperkt mogen blijven tot personenvervoer maar ook rekening moeten houden met het goederenvervoer; Overwegende dat ook hier een antwoord op de bezwaren hoger te vinden is, bij de opmerkingen die werden geformuleerd over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; Overwegende dat bepaalde bezwaren aangaande mobiliteit meer specifiek betrekking hebben op het effect van het plan op het aanbod aan openbaar vervoer; Dat een reclamant van mening is dat de nieuwe mobiliteitsbehoeften ingevolge het ontwerp van GBP rechtvaardigen dat dit ontwerp verordenende bepalingen van de grondbestemming bevat die voorzien in de behoefte aan nieuwe stelplaatsen voor voertuigen van de MIVB; Dat dezelfde reclamant van mening is dat de verschillende zones van het grondgebied waar het ontwerp op slaat, het voorwerp moeten vormen van een gedifferentieerde behandeling inzake ontwikkeling van openbaar vervoer volgens objectieve criteria; dat de reclamant aldus onderscheidt : - zones die geen specifieke ontwikkeling eisen en die indien nodig het voorwerp zullen uitmaken van een algemene vergroting van het aanbod op alle lijnen; - zones die het voorwerp uitmaken van specifieke mobiliteitsstudies, meestal gelegen in de GGB's of in hefboomzones, en waarvoor aanpassing van het momenteel beoogde of bestaande aanbod nodig is; - zones die een plaatselijke verbetering van het aanbod nodig zullen hebben; - zones waarvoor het aanbod opnieuw ontwikkeld moet worden; Dat de reclamant als gevolg van deze analyse een reeks aandachtspunten voor het ontwerp van GBP aan de orde stelt, namelijk : 1. de financiering en vooral de exploitatie van de nieuwe infrastructuren garanderen (te berekenen in het toekomstige beheercontract van de openbare vervoersmaatschappij);2. instaan voor de tijdige verwezenlijking van deze infrastructuren, gelijke tred houdend met de projecten;3. instaan voor de snelle aflevering van de vergunningen voor de ontwikkeling van deze nieuwe infrastructuren;4. verzekeren dat de nieuwe infrastructuren het mogelijk maken de doelstellingen van het beheercontract te bereiken (commerciële snelheid en regelmaat);5. de grondcapaciteit en rechtszekerheid voor de stelplaatsen garanderen; Dat een andere reclamant voorstelt de grote ontwikkelingen van het ontwerp van Demografisch GBP (Erasmus, Klein Eiland, Birmingham enz.) het voorwerp te laten uitmaken van een nieuw partnershipconcept tussen de openbare vervoersmaatschappij en de vastgoedoperator; Dat dit nieuwe concept deel zou moeten uitmaken van de voorschriften van de grootste te creëren OGSO's, als stimulans voor de samenwerking tussen de vastgoedoperatoren en de openbare vervoersmaatschappijen; Overwegende dat de GOC stelt aandachtig kennis te hebben genomen van de bekommernissen van de MIVB; Dat ze van mening is dat het MER lacunes vertoont wat betreft de beoordeling van de mobiliteitsbehoefte ingevolge de toekomstige ontwikkelingen waarin het ontwerp van GBP voorziet; dat deze informatie nodig is om de MIVB en de andere vervoersmaatschappijen de mogelijkheid te bieden om hun ontwikkelingsprogramma aan te passen; Dat zij de Regering verzoekt om een dergelijke beoordeling uit te voeren in het kader van het GPDO, teneinde te kunnen anticiperen op de behoeften van de nieuwe ontwikkelings- en huisvestingspolen die resulteren uit de wijziging van het GBP; Dat zij bovendien van mening is dat ook alle andere mobiliteitsaspecten onderzocht moeten worden, met name die verband houden met het toekomstige GEN; Overwegende, ten slotte, wat betreft de andere overwegingen, die onder andere verband houden met het toekomstige beheercontract, dat deze in het GPDO moeten worden beoordeeld; Overwegende dat de stelplaatsen voor de voertuigen van het openbaar vervoer infrastructuur van algemeen belang of van openbare dienstverlening vormen die, door het effect van algemeen voorschrift 0.7 van het GBP, een grote flexibiliteit genieten in de keuze van hun inplanting; Dat de bepaling van specifieke inplantingsplaatsen in het GBP paradoxaal genoeg als effect zou hebben dat deze flexibiliteit beperkt zou worden, wat de Regering niet wenselijk acht; Overwegende dat, vermits het om algemeen mobiliteitsbeleid gaat, de Regering de beperkte draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP en dus van het MER benadrukt; dat hier geen sprake is van overgaan tot beoordeling van alle huidige en toekomstige behoeften inzake vervoer in het Gewest, tot herdefiniëring van de opdrachten van de MIVB of tot creatie van nieuwe publiek-private samenwerkingen; 2. Algemene voorschriften met betrekking tot alle gebieden 2.1. Algemeenheden Overwegende dat een reclamant pleit voor het behoud van de bestaande functies binnen de OGSO zonder dat de creatie van woningen wordt opgelegd, met name voor afbraak/wederopbouwwerken; Overwegende dat de GOC verwijst naar haar advies over de OGSO, en meer bepaald naar het bewaringsmechanisme voor de bestaande bedrijven; Overwegende dat de verplichting om woningen te realiseren enkel geldt bij projecten vanaf 10 000 m²; Dat tot aan deze drempel de aanvrager zijn bestemming dus vrij mag kiezen; Dat voor projecten vanaf 10 000 m², de Regering oordeelt dat een gemengdheid van in de OGSO toegelaten functies noodzakelijk is om de doelstelling van dit nieuwe bijzondere voorschrift te verwezenlijken; Overwegende dat het bewaringsmechanisme voorzien in voorschrift 0.9 van toepassing is voor verbouwingswerken, zware renovaties of afbraak-wederopbouwwerken van bestaande gebouwen waarvan de bestemming die is aangegeven in de bouw- of stedenbouwkundige vergunningen of, indien die ontbreken, waarvan het wettige gebruik niet meer overeenstemt met de voorschriften van het plan; Overwegende dat, in antwoord op de bezwaren, de Regering heeft besloten om in het voorschrift betreffende de OGSO een bijkomend bewaringsmechanisme op te nemen om verbouwingswerken en zware renovaties van gebouwen toe te laten waarvan de bestemming die is aangegeven in de bouw- of stedenbouwkundige vergunningen of, indien die ontbreken, waarvan het wettige gebruik nog steeds overeenstemt met de voorschriften van het plan; Dat dit mechanisme is opgenomen in voorschrift 9.5 6bis.5; Overwegende dat dezelfde reclamant vraagt dat bepaalde schriftelijke voorschriften of definities van het GBP worden gepreciseerd, meer bepaald het begrip vloeroppervlakte; Overwegende het advies van de GOC dat stelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Overwegende dat de redenen die de reclamant aanhaalt voor de herziening van het begrip vloeroppervlakte dat is gedefinieerd in het glossarium van het GBP beschouwingen zijn over de bouwtechnieken om te beantwoorden aan een energieprestatie van de gebouwen; Dat het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de nuttige vloeroppervlaktes en de vereisten op het vlak van energieprestaties van de gebouwen niet werd onderzocht in het kader van deze gedeeltelijke wijziging van het GBP omdat het niet valt onder de motieven tot instelling van de wijziging van het GBP die zijn vermeld in het voornoemde besluit van 20 januari 2011; Dat immers onderhavige wijziging van het GBP zich niet tot doel stelt om de minimumoppervlaktes voor elke gebouwde woning te bepalen, maar om de inplanting van woningen in de verschillende verstedelijkbare gebieden van het GBP te bevorderen; Dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; Overwegende dat de gemeente Watermaal-Bosvoorde vraagt dat bij de herbestemming van kantoorgebouwen in woningen stedenbouwkundige lasten zouden kunnen worden geheven om voorzieningen of handelszaken te creëren; Overwegende het advies van de GOC dat stelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt en bovendien verwijst naar haar advies betreffende de stedenbouwkundige lasten in het kader van de AG; Overwegende dat wordt verwezen naar de hogervermelde opmerkingen met betrekking tot het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten en het feit dat het GBP verplicht moet voorzien in bepalingen van dit type krachtens artikel 24 van het BWRO; Dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; Gelet op het advies van het BROH over de SRO, speciale regelen van openbaarmaking, en meer bepaald de opmerking over het onvoldoende dwingende karakter van deze SRO; Overwegende het advies van de GOC dat stelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt maar voorstelt om deze vraag te analyseren in het kader van een herziening van het BWRO; Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; Gelet op de vraag van het BIM om een nieuw algemeen voorschrift toe te voegen met betrekking tot geluidshinder, om een harmonieuze cohabitatie tussen de functies mogelijk te maken; Dat het BIM het volgende voorschrift voorstelt : "De handelingen en werken beperken de doorsijpeling en weerkaatsing van lawaai naar de gevoelige bestemmingen. In de buurt van potentieel lawaaierige infrastructuren en activiteiten worden bij voorkeur bestemmingen ingeplant die er minder gevoelig voor zijn, en er worden bufferzones gecreëerd"; Overwegende het advies van de GOC dat deze vraag pertinent acht en de Regering vraagt om de mogelijkheid te onderzoeken om in onderhavige wijziging van het plan een voorschrift "lawaai" in te voeren; Overwegende dat het milieueffectenrapport bij het ontwerp van wijziging van het GBP de aspecten verbonden aan "lawaai" heeft onderzocht; Dat een voorschrift betreffende geluidshinder niet thuishoort in een bestemmingsplan; Overwegende dat overigens de vergunningaanvragers voor projecten waarvoor een milieueffectenrapport (MER) of een effectenstudie (ES) vereist is moeten aantonen hoe hun projecten beantwoorden aan de beperking inzake doorsijpeling en weerkaatsing van het geluid; Overwegende dat de Regering bovendien heeft besloten om de tenuitvoerlegging van de gedeeltelijke wijziging van het GBP te laten gepaard gaan met een wijziging van de besluiten van 21.11.2002 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingshinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen en van 21.11.2002 betreffende de strijd tegen het buurtlawaai; Dat de Regering ten slotte deze vraag pertinent acht, maar oordeelt dat ze niet kan worden behandeld in het kader van onderhavige wijziging van het GBP; Gelet op de vragen van het BIM om de voorschriften betreffende de optimalisering van de groene ruimtes en de optimale rentabilisering van de voorbehouden oppervlaktes te wijzigen; Dat het BIM enerzijds voorstelt om alle voorschriften die een groene ruimte opleggen aan te vullen met de verplichting om bij te dragen tot het groene netwerk en het Brusselse ecologische netwerk, na het opstellen van een inventaris van de beplanting, en tot de doorlaatbaarheid van de bodem; Dat het BIM anderzijds vraagt dat een algemeen voorschrift zou worden toegevoegd dat aangeeft dat de omgevingen van de bouwwerken en installaties moeten bijdragen tot de verwezenlijking van het groene netwerk en het Brusselse ecologische netwerk; Overwegende dat het BIM bovendien vraagt dat de definitie van "groen netwerk" van het glossarium zou worden herzien, en ook de diverse dimensies van het groene netwerk zouden worden toegelicht : de recreatieve, ecologische, hydrografische dimensies, door zich te inspireren op de definitie van het Brusselse ecologische netwerk die wordt gegeven in de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud; Overwegende ten slotte dat het BIM bovendien oordeelt dat de verwezenlijking van groene ruimtes aangemoedigd dient te worden in alle gebieden, dat de kwaliteit van de inrichtingen gewaarborgd moet worden en dat de stedenbouwkundige kenmerken van de bouwwerken en installaties moeten worden afgestemd op die van zowel het natuurlijk als het bebouwd omliggend stedelijk kader; Overwegende dat de GOC het zinvol acht om het idee te verdedigen van de aanwezigheid van het groene netwerk en het ecologische netwerk in alle wijken om bij te dragen tot de levenskwaliteit, wat des te belangrijker is in het licht van de verwachte bevolkingsgroei; Dat de GOC oordeelt dat een nieuw algemeen voorschrift met betrekking tot alle gebieden van het GBP, naar het model van voorschrift 0.6, zou moeten worden opgenomen in onderhavige wijziging van het GBP; Overwegende dat algemeen voorschrift 0.2 al beoogt om bij te dragen tot de realisatie van het groene netwerk; Dat dit voorschrift immers enerzijds de realisatie van groene ruimtes toelaat in alle gebieden, met name om bij te dragen tot de realisatie van het groene netwerk, en anderzijds de realisatie van groene ruimtes oplegt voor alle projecten met een grondoppervlakte van minstens 5 000 m²; Dat er bijgevolg al een algemeen voorschrift betreffende alle gebieden van het GBP bestaat dat tegemoetkomt aan sommige vragen van het BIM; Dat aan het advies van de GOC dat een algemeen voorschrift vereist is, reeds voldaan werd; Overwegende dat, aangaande de vragen van het BIM over de kwaliteit van de omgevingsinrichting en het feit dat de stedenbouwkundige kenmerken van de bouwwerken en installaties moeten worden afgestemd op die van het omliggende stedelijke kader, de overheden moeten oordelen over de goede plaatselijke aanleg, en dat deze kwesties worden onderzocht bij de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen; Dat deze vragen niet binnen het kader van de wijziging van het GBP vallen; Overwegende dat, door nieuwe groene ruimtes te creëren, onderhavige wijziging van het GBP rekening heeft gehouden met een verbetering van de kwaliteit van de stad, met name met het oog op haar verdichting; Overwegende dat verschillende reclamanten vragen om een nieuw algemeen voorschrift in te lassen met betrekking tot de "feitelijke groengebieden"; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Dat de GOC wel vraagt om ze te onderzoeken in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP; Dat bij deze herziening van het GBP een volledige bewaarlijst van de groene ruimtes wordt opgemaakt in het kader van de bijwerking van de bestaande feitelijke toestand; Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat deze vraag niet relevant is voor deze wijziging van het GBP; Overwegende dat diezelfde reclamanten vragen om de term "braakliggend terrein" te definiëren en dat sommige van hen vragen om het onderscheid te maken tussen een "braakliggend terrein" en een "ecologisch braakliggend terrein"; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Dat de GOC wel vraagt om ze te onderzoeken in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP en het nuttig acht om een bewaarlijst op te maken van braakliggende terreinen die bebouwbare reserves zijn; Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat deze vraag niet relevant is voor deze wijziging van het GBP; Dat ze evenwel preciseert dat de term "braakliggend terrein" al is gedefinieerd in het glossarium van het GBP en dat dit begrip wordt gebruikt in voorschrift 4.4 betreffende het sterk gemengd gebied; Gelet op de bezwaarschriften die een wijziging wensen van de definitie van `groen netwerk' in het glossarium van het GBP, in die zin dat een onderscheid zou worden gemaakt tussen enerzijds het begrip "sociaal groen netwerk" en anderzijds het begrip "ecologisch groen netwerk", en om verwarring te vermijden tussen "groen netwerk" en "groene wandeling"; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Dat de GOC vraagt dat het begrip "groene wandeling" beter zou worden gedefinieerd in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP om verwarring te vermijden; Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat deze vraag niet relevant is voor deze wijziging van het GBP; Overwegende dat een reclamant vraagt dat het GBP voor elk betrokken gebied van het plan het meest gewenste hoofdtype huisvesting zou aangeven; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Dat de GOC opmerkt dat het BWRO niet toelaat om de kwestie van het soort woning te behandelen in de plannen en vraagt om de mogelijkheid te onderzoeken om het BWRO zodanig te wijzigen dat dit aspect kan worden behandeld in het kader van een toekomstige wijziging van het GBP; Overwegende dat, zoals de GOC aangeeft, het gewenste woningtype niet mag worden vastgesteld aan de hand van bestemmingsplannen omwille van het BWRO; dat wordt verwezen naar de opmerkingen geformuleerd in punt 1.21.; Dat de Regering derhalve het advies van de GOC volgt dat deze vraag niet relevant is voor deze wijziging van het GBP; Overwegende dat twee reclamanten vragen dat de termen "per gebouw" en "per project en per gebouw" zouden worden vervangen door "per project" en voorstellen om de definitie ervan te herzien; Dat deze vraag met name wordt gemotiveerd door een dubbelzinnigheid als gevolg van het feit dat een project meerdere gebouwen kan omvatten, en om "verkapping" van de projecten te vermijden; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Dat ze opmerkt dat ze het voorwerp moet uitmaken van een globale bezinning in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP; Overwegende dat ze vraagt om de term "gebouw" te definiëren in het glossarium; Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt, en dat een globale bezinning zou moeten worden gevoerd die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging; Op de vraag van de GOC om de term "gebouw" te omschrijven, antwoordt de Regering dat het glossarium van het GBP al een definitie geeft van deze term; Gelet op de bezwaarschriften met betrekking tot het glossarium en op de vragen van de gemeenten Anderlecht en Ganshoren om voor alle plannen en verordeningen te beschikken over een uniek glossarium waarin de begrippen "productieactiviteit" en "voorziening van collectief belang of van openbare diensten" zouden worden gepreciseerd; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Dat ze opmerkt dat ze het voorwerp moet uitmaken van een globale bezinning in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP; Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt, maar een analyse van de verschillende wetgevingen vergt die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging; Gelet op het bezwaarschrift van de gemeente Ukkel betreffende de begrippen hoofdbestemming en secundaire bestemming, en zijn vraag om in elk project meer dan 50 % van de vloeroppervlakte voor te behouden voor de hoofdbestemming; Gelet op het advies van de GOC die voorstelt om de definities van de hoofd- en secundaire functie te verduidelijken en te homogeniseren in het GBP; Overwegende dat de begrippen hoofdbestemming en secundaire bestemming zich tot doel stellen om een hiërarchie te creëren tussen de verschillende functies die in een gebied zijn toegelaten; Dat deze hiërarchie vanuit verschillende standpunten moet worden bekeken, op het niveau van een heel gebied en niet per project; Dat daarom geen gevolg moet worden gegeven aan de vraag om minstens 50 % van de vloeroppervlakte van de projecten voor te behouden voor de hoofdbestemming van een gebied; Overwegende dat deze vraag bovendien een studie zou vergen naar de impact van de vaststelling van een dergelijk percentage die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging; Overwegende dat omzendbrief nr 15 betreffende het stelsel van de impliciete opheffing de begrippen hoofdbestemming en secundaire bestemming al toepast in de verhoudingen tussen het GBP en het BBP, en dat bij de beoordeling van deze begrippen naar deze omzendbrief kan worden verwezen; Gelet op de vragen om de volgende termen te definiëren en toe te lichten : "depot", "structurering van het stedelijk weefsel", "verenigbaarheid", "huisvesting" en "activiteit voor de vervaardiging van immateriële goederen" ten opzichte van het begrip "kantoor"; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vragen niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP vallen; Dat ze opmerkt dat ze het voorwerp moeten uitmaken van een analyse in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP; Overwegende dat de term "depot" enkel voorkomt in het programma van GGB nr 15 "Heizel"; dat het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP preciseert dat het gaat om een stelplaats bestemd voor het openbaar vervoer; dat het bijgevolg niet nodig lijkt deze te definiëren; Overwegende dat de begrippen "structurering van het stedelijk weefsel" en "verenigbaarheid" tussen de functies worden toegelicht in het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP; dat dit voorwoord immers uiteenzet dat "vanwege de gewenste inplanting van woningen in deze gebieden, moet worden benadrukt dat deze percelen zodanig moeten worden geherstructureerd dat een dicht en kwaliteitsvol stadsweefsel wordt gecreëerd dat de verenigbaarheid van de verschillende bestemmingen zal garanderen"; Dat overigens deze begrippen zullen worden onderzocht door de administratieve overheden bij de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen, in het licht van de goede plaatselijke aanleg; Dat een definitie van deze termen niet gepast lijkt gezien de verschillende contexten van de projecten; en dat bijgevolg het GBP geen rekening kan houden met alle facetten en variaties om criteria vast te stellen voor deze termen; Overwegende dat het glossarium al een definitie bevat van de term "huisvesting"; dat aan de vraag om deze term te definiëren dus al wordt tegemoet gekomen in het GBP; Overwegende dat de term "activiteit voor de vervaardiging van immateriële goederen" eveneens al is gedefinieerd in het glossarium; dat de realisatie van dit soort activiteiten een meer "administratieve" vorm kan aannemen dan de vervaardiging van materiële goederen; dat het daarom niet de bestemming "kantoor" betreft zoals die is gedefinieerd in het glossarium van het GBP; dat het immers de activiteiten betreft die door de onderneming die ze uitoefent hetzij "activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen", hetzij "kantoor" worden genoemd; Dat de definitie van "activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen" dus niet moet worden gewijzigd; Gelet op de bezwaarschriften aangaande de beperkingen van de vloeroppervlaktes die zijn bestemd voor de handelszaak, en de vraag om de bestaande handelscentra te behouden, aan te moedigen en te herontwikkelen, met name door een uitbreiding zonder beperking van de oppervlaktes toe te laten, mits die strookt met de goede plaatselijke aanleg; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vragen niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP vallen; Dat ze vraagt om een analyse te maken van de behoefte aan handelszaken in het kader van de GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP, rekening houdend met de principes van het commerciële ontwikkelingsschema en de wil om het dynamisme van de handelskernen te behouden. Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt en een analyse vergt die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging; Gelet op de vraag van de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe om het begrip "grote speciaalzaak" te definiëren; Gelet op de vraag om het begrip "grote speciaalzaak" te wijzigen, door de uitsluiting met betrekking tot de voedingssector te schrappen, zodat de sector van dezelfde drempelwaarden zou kunnen profiteren als de grote speciaalzaken in een gemengd en een sterk gemengd gebied; Overwegende dat de gemeenten Oudergem en Sint-Lambrechts-Woluwe vraagtekens plaatsen bij de definitie van "groothandel", en zich afvragen of die onder de benaming "handel" moet worden opgenomen; Overwegende dat een reclamant vraagt om een bijzonder statuut voor de winkelcentra in te voeren; Overwegende dat de GOC verwijst naar haar advies betreffende het glossarium; Overwegende dat het begrip "grote speciaalzaak" al is gedefinieerd in het glossarium van het GBP; dat bijgevolg al is tegemoet gekomen aan het bezwaarschrift van de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe; Overwegende dat de vraag om het begrip "grote speciaalzaak" te wijzigen niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt en een analyse vergt die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging; dat dus geen gevolg wordt gegeven aan het bezwaarschrift; Overwegende dat het begrip "groothandel" niet is opgenomen onder het begrip "handel"; dat deze benamingen immers afzonderlijk zijn gedefinieerd in het glossarium van het GBP en dat ze beide uitdrukkelijk zijn vermeld in de voorschriften van de gebieden waarin deze functies toegelaten zijn; Overwegende dat de vraag om een bijzonder statuut te verlenen aan de winkelcentra niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; dat het niet opportuun lijkt om een bijzonder statuut in te voeren voor de winkelcentra; dat het GBP immers de toegelaten vloeroppervlaktes bepaalt en niet het soort handelszaken dat strookt met een goede plaatselijke aanleg; dat het bezwaar betreffende de ontwikkelingsmogelijkheden van de handelszaak ten slotte al een antwoord heeft gekregen; 2.2. Voorschrift 0.2. Overwegende dat het BIM vraagt om het algemeen voorschrift 0.2 te herzien om de aanwezigheid van groene ruimten in de stad te versterken als compensatiemaatregel voor de geplande verdichting; Gelet op de vragen van het BIM en de Stad Brussel om het percentage groene ruimten op te trekken van 10 naar 20 % in het voorschrift 0.2; Overwegende dat de GOC verwijst naar haar voorstel om een nieuw voorschrift op te stellen naar het model van voorschrift 0.6; Overwegende dat de Regering, met het oog op de nieuwe gebieden die worden opengesteld voor huisvesting, heeft besloten om nieuwe groene ruimten te creëren op de bestemmingskaart en in de schriftelijke voorschriften van sommige GGB; Dat de Regering evenwel geen verdichtingscriteria heeft opgenomen via deze wijziging van het GBP; Dat immers, zoals blijkt uit het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP van 29 maart 2012, de voorbereidende studie van de gedeeltelijke wijziging van het GBP leidde tot de conclusie dat het bestemmingsinstrument niet geschikt is om de problematiek van de verdichting van percelen of bestaande elementen van de bebouwing te behandelen; Dat deze vraag het voorwerp moet uitmaken van een globale bezinning via het GPDO; Dat bijgevolg geen gevolg kan worden gegeven aan de vraag van het BIM betreffende een compensatiemaatregel voor de geplande verdichting; Dat overigens de Regering verwijst naar haar advies in punt 2.1 "Algemeenheden" over hetzelfde onderwerp; 2.3. Voorschrift 0.7. Gelet op het bezwaarschrift dat een wijziging vraagt van de definitie die wordt gegeven aan "voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten", om andere vertegenwoordigingen dan de ambassades van door België erkende staten, zendingen, vertegenwoordigingen van de Europese regio's en vertegenwoordigingen van de "gefedereerde of gelijkgestelde entiteiten van die door België erkende Staten" uit te sluiten, aangezien dit soort functies, waarop voorschrift 0.7 kan worden toegepast, de neiging heeft om zich te groeperen in bepaalde specifieke wijken, vaak bewoonde wijken en in feite een kantoorfunctie vertegenwoordigt; Overwegende dat de GOC verwijst naar haar voorstel in het hoofdstuk over het gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, waarin ze voorstelt om twee soorten voorzieningen te onderscheiden : de buurtvoorzieningen nodig voor de huisvesting en de overige; Dat ze evenwel oordeelt dat deze wijzigingen niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP vallen, maar van een toekomstige wijziging van het GBP die zou volgen op de goedkeuring van het GPDO; Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; Dat immers het voorstel van de GOC om de buurtvoorzieningen te onderscheiden van de andere het voorwerp moet uitmaken van een gedetailleerde analyse, met name op basis van een kadaster van de voorzieningen; Dat dit met name wordt gerealiseerd in het kader van het GPDO dat, desgevallend, zal voorstellen om deze definitie te wijzigen in het kader van een andere wijziging van het GBP; Overwegende dat dezelfde reclamant aanhaalt dat algemeen voorschrift 0.7. in strijd lijkt te zijn met het voorstel van wijziging van voorschrift 0.8. en voorstelt om de inplanting van voorzieningen te beperken in gebieden waar ze reeds voorzien zijn en/of bestaan, en de gebieden voor voorzieningen te behoeden voor de druk van andere functies; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vragen niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP vallen; Dat ze daarentegen van mening is dat de buurtvoorzieningen nodig zijn en niet mogen worden beperkt tot enkel de GV; Overwegende dat het ontwerp van wijziging van het GBP voorschrift 0.8 betreffende gebieden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten niet wijzigt maar herformuleert; Dat de reclamant meent een tegenstrijdigheid te zien tussen voorschrift 0.7 dat in het ontwerp van wijziging van het GBP ongewijzigd blijft en de herformulering van voorschrift 0.8; Dat, zoals is vermeld in het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP van 29 maart 2012, de wijziging van het voorschrift betreffende de GV wordt verantwoord door de "wil om de Franse versie van het huidige voorschrift, waarvan de interpretatie tot verwarring leidt, te verduidelijken"; Dat de Regering hierdoor geen wijziging aanbrengt in de al geldende regels die de inplanting van woningen toelaten in gebieden voor voorzieningen; Overwegende dat, om te beantwoorden aan de motieven van het besluit tot instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP van januari 2011, de Regering enerzijds oordeelt dat de voorzieningen moeten kunnen worden ingeplant in alle gebieden en anderzijds dat de GV moeten opengesteld zijn voor de functies nodig om te beantwoorden aan de demografische uitdaging betreffende huisvesting en voorzieningen; Overwegende dat de Regering daarom geen gevolg geeft aan het bezwaarschrift; Overwegende dat dezelfde reclamant vraagt dat algemeen voorschrift 0.7. in het bebouwde weefsel slechts van toepassing zou zijn bij de herbestemming van bestaande gebouwen, dit om grote projecten te vermijden die het stedelijk weefsel zouden destructureren, zeker in het oude stadscentrum; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Dat de GOC evenwel vraagt dat ze zou worden geanalyseerd in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP; Overwegende dat de vraag van de reclamant om de toepassing van voorschrift 0.7 te beperken indruist tegen de doelstellingen van onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP, aangezien ze de inplantingsmogelijkheden voor voorzieningen op het Brusselse grondgebied sterk zou beperken; dat daarom geen gevolg wordt gegeven aan de opmerking; 2.4. Voorschrift 0.8. Overwegende dat een reclamant vraagt dat algemeen voorschrift 0.8 zou worden gepreciseerd om herbestemmingen te vermijden die slecht afgestemd zijn op de erfgoedbelangen van de beschermde of op de bewaarlijst ingeschreven goederen; Dat deze vraag enkel bedoeld is om de afwijking van de bestemming van een gebied, voorzien voor een beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven goed, enkel te vergunnen als men daarbij prioritair het gebruik terugvindt waarvoor het goed ontworpen werd; en dat, indien dit onmogelijk blijkt, de reclamant vraagt dat elk element dat overeenstemt met de oorspronkelijke bestemming van het goed behouden zou blijven bij de herbestemming, gelet op het principe van de omkeerbaarheid; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Overwegende dat het bezwaarschrift waarin wordt gevraagd om voorschrift 0.8 van het GBP te herzien aan geen enkel motief voor de instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP beantwoordt; Dat de Regering bijgevolg het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; 2.5. Voorschrift 0.9. Overwegende dat twee reclamanten aanhalen dat het ontwerp van wijziging van het GBP een wijziging had kunnen integreren van algemeen voorschrift 0.9, dat vatbaar is voor interpretatiemoeilijkheden; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Overwegende dat een wijziging van voorschrift 0.9 aan geen enkel motief voor de instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP beantwoordt; Dat de Regering bijgevolg het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; 2.6. Voorschrift 0.10 Gelet op het bezwaarschrift aangaande algemeen voorschrift 0.10. betreffende de herexploitatie van niet-uitgebate gebouwen, waarin wordt gevraagd dat het niet van toepassing zou zijn in de groengebieden; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt; Overwegende dat de vraag tot wijziging van voorschrift 0.10 aan geen enkel motief voor de instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP beantwoordt; Dat de Regering bijgevolg het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; Overwegende dat een andere reclamant aanhaalt dat, als gevolg van de wijziging van de inwerkingtreding van het plan door artikel 15 van het besluit, de toepassingsvoorwaarden van algemeen voorschrift 0.10. moeilijk te controleren zijn, in het bijzonder het element "die niet zijn geëxploiteerd gedurende een periode van vijf jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit plan"; Dat de reclamant vraagt dat het behoud van dit voorschrift gepaard zou gaan met de precisering dat de aanvrager op afdoende wijze dient aan te tonen dat de leegstand dateert van vóór 1/05/1996; Overwegende dat de GOC vraagt dat dit voorschrift zou gepaard gaan met de precisering dat de aanvrager op afdoende wijze dient aan te tonen dat de leegstand dateert van vóór 1/05/1996; Overwegende dat, behalve de gewijzigde datum van inwerkingtreding van de wijziging van voorschrift 4.4, de datum van de "inwerkingtreding van onderhavig bestemmingsplan", bedoeld in voorschrift 0.10, de datum van inwerkingtreding blijft van het GBP dat werd goedgekeurd op 3 mei 2001; Dat de datum van inwerkingtreding van de gedeeltelijke wijziging van het plan deze datum niet vervangt; Dat het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP dit overigens heeft gepreciseerd voor sommige voorschriften; Dat deze precisering geldt voor alle voorschriften, met uitzondering van voorschrift 4.4 waarvoor de datum uitdrukkelijk werd gewijzigd; Dat bijgevolg is tegemoet gekomen aan het bezwaarschrift; 2.7. Voorschrift 0.11. Overwegende dat een reclamant vraagt om algemeen voorschrift 0.11. te herformuleren om het behoud van de ondernemingen toe te staan, zelfs als de milieuvergunning vervallen is; Gelet op het advies van de GOC om voorschrift 0.11 bij een latere wijziging van het GBP die zou volgen op het GPDO zodanig aan te passen dat de bestaande bedrijven een nieuwe milieuvergunning zouden kunnen aanvragen; Dat ze het BIM verzoekt om de bedrijven te verwittigen van het feit dat hun milieuvergunning vervalt; Overwegende enerzijds dat het bezwaar betreffende voorschrift 0.11 betrekking heeft op een problematiek verbonden aan een ander administratief instrument, dat wordt geregeld door de ordonnantie betreffende de milieuvergunningen, en anderzijds dat het niet beantwoordt aan de motieven voor instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat daarom geen gevolg wordt gegeven aan het bezwaarschrift; 2.8. Voorschrift 0.12. Gelet op de bezwaarschriften betreffende de wijziging van algemeen voorschrift 0.12, 1° ; Overwegende dat volgens een reclamant de voorgestelde wijziging neigt naar een versoepeling die de creatie toelaat van productieactiviteiten en de verplaatsing van de huisvesting naar het gebied dat grenst aan dat van het beoogde project, en niet langer enkel in het gebied zelf; Overwegende dat volgens sommige reclamanten de termen "aangrenzend gebied" en "site" vage concepten zijn die geherdefinieerd zouden moeten worden in het glossarium van het plan; Overwegende dat verschillende gemeenten vragen om modaliteiten in te voeren voor het praktisch beheer van het onderzoek, de aflevering en het toezicht op de uitvoering van twee vergunningen op verschillende percelen, wanneer die met elkaar verbonden zijn op het vlak van het behoud van de woonoppervlakte, vooral wanneer men geconfronteerd wordt met de overdracht naar een aangrenzend gebied dat gelegen is