30 MAART
- - Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten VERSLAG AAN DE KONING Sire, Naast de organieke en functionele dimensie, heeft de politiehervorming uiteraard ook een statutaire dimensie. Inderdaad, artikel 119 van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalt dat de politieambtenaren, de hulpagenten en de personeelsleden van het administratief en logisitiek kader hun respectieve eigen statuut hebben, gelijk voor allen. Dit besluit strekt ertoe die statuten vast te leggen en de actuele personeelsleden "in te schalen" in het nieuwe statuut. Het geeft aldus uitvoering aan artikel 121 van voormelde wet. Alvorens enige toelichting te geven bij deze omvangrijke tekst, weze aangestipt dat tal van statutaire bepalingen reeds bij wet zijn geregeld : zo zijn er de statutaire basisbeginselen vervat in de artikelen 116 tot en met 140 van voormelde wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten alsmede de syndicale wet van 24 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/03/1999 pub. 08/05/1999 numac 1999000340 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten sluiten, de tucht wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 16/06/1999 numac 1999000472 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten sluiten, die thans nog wat wordt bijgesleuteld, de pensioenwet die weldra zal worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en, ten slotte, de wettelijke regelingen (arbeidsongevallen, loopbaanonderbreking, rechtsbescherming, enz.) toepasselijk gemaakt bij de wet van 27 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2000 pub. 06/01/2001 numac 2000001125 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten type wet prom. 27/12/2000 pub. 24/01/2001 numac 2001000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap sluiten. Toch meent de Raad van State dat dit onvoldoende is, nu, op grond van artikel 184 van de Grondwet, alle essentiële aspecten van het statuut bij wet zouden moeten worden geregeld. Ook al treedt de Regering deze juridische redenering niet bij, toch nam zij reeds de nodige initiatieven om alle twijfel te bannen en zo rechtszekerheid te scheppen. De bedoeling is dat, op grond van een gewijzigde tekst van artikel 184 van de Grondwet, ook volgende aspecten op korte termijn bij wet zullen worden bekrachtigd (Parl. St., Senaat, 2000-2001, 657/4) : 1° het moraliteitsonderzoek waaraan de kandidaten-politieambtenaar in het raam van de selectie worden onderworpen, alsmede de andere algemene toelatingsvoorwaarden;2° de aanwijzing van de benoemende overheid, andere dan die reeds vervat in de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten;3° de graden en het concept van de baremische loopbaan binnen één en dezelfde graad;4° de voorwaarden gekoppeld aan de baremische loopbaan, de bevordering in graad en de bevordering door overgang naar een hoger kader;5° de uitoefening van het spreekrecht door de personeelsleden;6° de naleving van een deontologische code;7° de basisregels van de evaluatie van de personeelsleden;8° de basisregels met betrekking tot de definitieve ambtsontheffing en de ambtsneerlegging;9° het principe van de kosteloze medische verzorging voor bepaalde personeelscategorieën;10° de principes van het recht op wedde en van de gewaarborgde bezoldiging. Daarnaast suggereert de Raad van State ook een wetgevend initiatief voor nog een klein aantal andere deelaspecten : ook daaraan zal zonder dralen gevolg worden gegeven. Bij het opstellen van dit besluit werd ernaar gestreefd om waar mogelijk in gemeenschappelijke regelingen te voorzien voor alle personeelsleden van de politiediensten, zij wezen dus lid van het operationeel kader dan wel van het administratief en logistiek kader. Een tweede algemene tendens die men kan ontwaren is het feit dat uitzonderingswetgeving zoveel mogelijk werd vermeden. Waar mogelijk werd dus ingestapt in de statutaire regelingen die gelden voor het openbaar ambt in het algemeen. Waar dat gerechtvaardigd is, werd daarentegen de specificiteit van het politiewezen geconcretiseerd via specifieke statutaire bepalingen. Hierna volgt, deel per deel, een toelichting bij de voornaamste bepalingen. De Raad van State heeft omtrent de ontwerptekst een aantal beschouwingen geuit die quasi allemaal werden opgevolgd. Ook al werd dit Hoog Rechtscollege uiteindelijk gevraagd een advies te verstrekken binnen de drie dagen, toch moet worden aangestipt dat de Raad van State reeds sedert 22 december 2000 in het bezit was van de ontwerptekst. De veelvuldige punctuele legistieke, vormelijke dan wel inhoudelijke beschouwingen verraden dit trouwens. Deel I van dit besluit bevat een aantal onvermijdelijke definities en omvat tevens het toepassingsgebied. Deel II omvat de klassieke regels inzake het "personeel". Het maakt gewag van vier anciënniteiten (de dienst-, graad-, kader/niveau- en loonschaalanciënniteit), de jaarlijks te publiceren algemene naamlijst, de benoemende overheid, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie en het persoonlijk dossier. Voorts bepaalt het de graden en de loonschalen gekoppeld aan die graden. Het aantal graden werd bewust beperkt gehouden, nu artikel 120 van voormelde wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten de primauteit van het functioneel gezag vooropstelt. Aan elke graad wordt een aantal loonschalen gekoppeld waardoor het concept van de baremische loopbaan kon worden gerealiseerd, zijnde de overgang binnen eenzelfde graad naar een steeds hogere loonschaal. Dit concept geldt voor alle personeelscategorieën. Deel III is in wezen het "deontologische deel" van het nieuwe statuut en zet bakens uit in verband met onder meer de gezagsuitoefening, het spreekrecht en de cumulatie. Aan het ongewenst seksueel gedrag op het werk werd een afzonderlijke titel besteed. Deel IV bevat twee titels : de eerste met betrekking tot de aanwerving en de selectie en de tweede in verband met de opleidingen. De suggestie van de Raad van State om de lege ferenda op te treden met betrekking tot het moraliteitsonderzoek (zie artikel IV.I.15, tweede lid) en de opleiding in globo, zal worden opgevolgd. Zolang blijft de tekst van het besluit evenwel zoals hij is. Deel V bevat de regels inzake de stage. Het betreft de proefperiode van, in de regel, zes maanden die volgt op de basisopleiding. De personeelsleden van het operationeel kader worden benoemd bij aanvang van die stage. De administratieve afhandeling van de stage werd bewust eenvoudig gehouden, nu men er van uit moet gaan dat de ware selectie geschiedt naar aanleiding van het vergelijkende toelatingsexamen en de basisopleiding zelf. Deel VI snijdt twee belangrijke onderwerpen aan. Enerzijds krijgt de organisatie van de arbeidstijd haar beslag in dit deel en anderzijds worden de regels vastgelegd in verband met de mobiliteit van de personeelsleden. Het mag niet verbazen dat de arbeidstijdregeling bij de politiediensten een sui generis regeling is. Overeenkomstig de Europese regelgeving en in uitvoering van artikel 4, tweede lid, van de wet van 14 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten0 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector, werd een arbeidstijdregeling op maat geconcipiëerd die het midden houdt tussen het algemeen belang en dat van het individu. Waar nodig zal van die regeling kunnen worden afgeweken, het weze zelfs op structurele basis (zie artikel VI.I.7). Titel II van deel VI regelt in 91 artikelen de algemene mobiliteit, als nieuw gegeven binnen het politiewezen. Zij berust grotendeels op vrijwilligheid en laat toe van een lokale politie naar een andere lokale politie over te gaan, van de lokale naar de federale politie over te stappen of omgekeerd. Deze titel bevat dan ook menig procedurele regel. In die procedure zal de ondersteunende functie van de federale politie echt tot haar recht komen. De beslissing om de betrekking toe te kennen, behoort evenwel tot de overheid (lokaal dan wel federaal) die het ambt vacant heeft verklaard. Deel VII bevat vier titels. Twee ervan zullen niet onmiddellijk dienstig zijn. Het betreft in het bijzonder titel I (de evaluatie) en titel III (de mandaten). De evaluatieregeling zal immers slechts op 1 januari 2003 in werking treden om zodoende de nodige opleidingen te kunnen verstrekken. Een evaluatieregeling is immers een zeer belangrijk en delicaat iets dat tot een goede onderbouw noopt. Verder weze nog aangestipt dat het in wezen een beschrijvende evaluatie zal zijn. Titel III zal evenmin snel worden toegepast, daar de eerste aanwijzingen van mandaathouders op grond van artikel 247 van voormelde wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten, volgens een geëigende procedure, de basis hebben gelegd voor de eerstkomende jaren. De titels II en IV van deel VII omschrijven de loopbanen van de personeelsleden van de twee kaders, zijnde het operationeel kader en het administratief en logistiek kader. Aldaar vindt men de voorwaarden gekoppeld aan de reeds hoger voormelde baremische loopbaan. Ook vindt men er de voorwaarden inzake de bevorderingen in een hogere graad. Die zijn evenwel niet legio gelet op het zeer beperkt aantal graden. Een derde bevordering is deze door overgang naar het hoger kader of niveau. De voorwaarden in deze laten een mooie loopbaan toe voor de gemotiveerde en bekwame kandidaten. Deel VIII handelt over de administratieve standen, de verloven, de dienstvrijstellingen en de non-activiteiten. Enkele specificiteiten niet te na gesproken is dit deel quasi een kopie van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten5 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. Dit deel is bij uitstek een illustratie van de harmonisering van de statutaire regels voor de betrokken personeelsleden. De beschouwingen van de Raad van State in verband met het verlof voor opdracht van algemeen belang of het verlof voor stage of een proefperiode kunnen niet worden bijgetreden. Het gaat in casu immers bezwaarlijk over een cumultoestand. Ook mag worden aangestipt dat het regime van deeltijdse arbeid (4/5-regeling, loopbaanonderbreking, halftijdse vervroegde uittreding, . ) ook van toepassing zal zijn op de leden van het operationeel kader van de politiediensten, zonder dat dat evenwel de operationaliteit van de diensten in het gedrang mag brengen. Deel IX bevat de klassieke regels die men in elk statuut aantreft inzake ambtsontheffing en ambtsneerlegging. Verder wordt vorm gegeven aan de commissies voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten en ten slotte worden de regelen met betrekking tot de heropneming uit de doeken gedaan. Deel X handelt over de kosteloze medische verzorging en de medische controle. Wat dit laatste betreft werd voorzien in een zeer snelle werkzame procedure. Vervolgens treft men er de uitvoeringsbepalingen aan inzake arbeidsongevallen en beroepziekten. Ook hier volgt men de regeling die geldt in de overheidssector ( wet van 3 juli 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten2). Deel XI omvat het geldelijk statuut en regelt de wedde, de toelagen en de vergoedingen. De loonschalen en bedragen zijn het resultaat van de gekende moeizame onderhandelingen met de politiebonden van het voorbije jaar. Deel XII bevat het overgangsrecht. Dit deel is coherent opgebouwd in die zin dat de nummering rekening houdt met de structuur van het besluit. Zo vindt men bijvoorbeeld de overgangsbepalingen inzake de mobiliteit (deel VI van dit besluit) onder de artikelen XII.VI.1 en volgende. Overgangsbepalingen in verband met het geldelijk statuut (deel XI van dit besluit) maken dan weer het voorwerp uit van de artikelen XII.XI.1 en volgende van dit besluit. Via dit deel XII vinden de + 40 000 actuele personeelsleden hun plaats in de nieuwe statutaire structuren. Dit was wellicht het moeilijkste en meest delicate deel van de statutaire omwenteling. Essentieel zijn de gehanteerde diverse inschalingsconcepten. Waar nodig werden specifieke overgangsmaatregelen getroffen die dikwijls zeer technisch en redelijk ingewikkeld zijn. Eén personeelscategorie niet te na gesproken (de niveaus D en C van het administratief en logistiek kader), uitte de Raad van State daaromtrent geen noemenswaardige beschouwingen. Men mag er dus van uit gaan dat de Regering met de nodige omzichtigheid is te werk gegaan en voortdurend oog heeft gehad voor het gelijkheidsbeginsel en de billijkheid. Deel XIII behoeft geen bijzondere commentaar. Tot daar Sire de toelichtingen bij dit omvangrijk besluit. De Regering is ervan overtuigd dat ook deze statutaire politiehervorming zal bijdragen tot de verhoopte verbetering van de politiële dienstverlening aan de bevolking. Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, J. VANDE LANOTTE De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Ambtenarenzaken, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 24 november 2000 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten", advies waarvan de mededeling was gevraagd, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, bij brief van dezelfde minister op 12 maart 2001, heeft op 16 maart 2001 het volgende advies gegeven : Volgens artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 type wet prom. 04/08/1996 pub. 30/06/1998 numac 1998015016 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst over het Wegvervoer tussen het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Athene op 11 juni 1992 sluiten, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. In het onderhavige geval wordt in de brief de spoedbehandeling gemotiveerd : « door het feit dat de twee voormelde ontwerpen van koninklijk besluit de lege lata op 1 april 2001 in werking moeten treden; dat de wet van 27 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2000 pub. 06/01/2001 numac 2000001125 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten type wet prom. 27/12/2000 pub. 24/01/2001 numac 2001000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap sluiten houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten dit inderdaad voorschrijft en aldus op 1 april 2001 tal van statutaire bepalingen van de gewezen personeelsleden van de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie bij de parketten opheft; dat het niet bekendmaken in het Belgisch Staatsblad van de voormelde ontwerpbesluiten vóór 1 april 2001, op die datum derhalve een statutair juridisch vacuüm creëert in hoofde van de personeelsleden van de politiediensten... ». Gelet op de korte termijn waarover de Raad van State beschikt om het vrij omvangrijke ontwerp te onderzoeken, mag uit de omstandigheid dat over de ene of de andere bepaling van het ontwerp geen opmerkingen worden gemaakt, niet worden afgeleid dat die bepalingen niet aan kritiek onderhevig zijn of niet voor verbetering vatbaar zijn. Het spreekt vanzelf dat het stilzwijgen van de afdeling wetgeving over die bepalingen niet kan worden aangegrepen om het ontwerp van besluit op de ene of de andere manier uit te leggen. Voorafgaande opmerkingen
- Artikel 184 van de Grondwet schrijft voor : « Artikel 184.De organisatie en de bevoegdheid van de rijkswacht worden door een wet geregeld. » Deze grondwetsbepaling houdt in dat de organisatie en de taken van de geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus, ingesteld bij de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten, en waarin onder meer de personeelsleden van de rijkswacht zijn opgenomen
(1), bij wet worden geregeld. De rechtspositie van de personeelsleden van die geïntegreerde politie maakt deel uit van de organisatie ervan. De essentiële elementen van dat statuut moeten derhalve bij wet worden geregeld. Toen de regering in kennis gesteld is van dat bezwaar, heeft ze bij de Senaat een ontwerp tot herziening van artikel 184 van de Grondwet ingediend. De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van de Senaat heeft op 14 maart 2001 de volgende tekst aangenomen
(2): « Artikel 184.De organisatie en de bevoegdheden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden bij de wet geregeld. De essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden bij de wet geregeld. Overgangsbepaling De Koning kan echter de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, vaststellen en uitvoeren, voorzover het besluit, met betrekking tot die elementen, bekrachtigd wordt bij de wet vóór 30 april
- »
- Die bepaling machtigt de Koning weliswaar om bij wijze van overgangsmaatregel de essentiële elementen van de rechtspositie van de geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus vast te stellen, maar ze machtigt Hem niet om af te wijken van de wetsbepalingen die dat statuut ten dele regelen, noch - a fortiori - om aangelegenheden te regelen die krachtens andere grondwetsbepalingen alleen bij wet kunnen worden vastgelegd. De hiernavolgende opmerkingen houden rekening met die twee beperkingen.
- De aandacht van de steller van het ontwerp wordt onder meer gevestigd op het feit dat het ontwerp niet vroeger in werking kan treden dan op de datum waarop artikel 184 van de Grondwet wordt herzien. Algemene opmerkingen I. Volgens de overgangsbepaling van het nieuwe artikel 184 van de Grondwet moet het onderzochte besluit, wat de essentiële elementen ervan betreft, bij wet worden bekrachtigd. In het besluit moeten de elementen die als essentieel worden beschouwd en die achteraf bij wet moeten worden bekrachtigd, derhalve duidelijk onderscheiden worden van de overige bepalingen van het statuut, die van reglementaire aard zijn. Het zou verkieslijk zijn dat de bepalingen van reglementaire aard in een onderscheiden ontwerp worden opgenomen. II. Wanneer de Koning beoogt een belangrijke hervorming door te voeren zoals de invoering van een nieuwe rechtspositieregeling, moet het ontworpen besluit vergezeld gaan van een verslag aan de Koning waarin de nieuwe tendensen worden uitgelegd
(3). Op grond van de overgangsbepaling van het nieuwe artikel 184 van de Grondwet kan de Koning de essentiële elementen van het statuut vaststellen door in voorkomend geval bestaande wetten aan te vullen. Een verslag aan de Koning is des te noodzakelijker daar artikel 3bis, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : « Artikel 3bis, § 1. De ontwerpen van koninklijke besluiten die de van kracht zijnde wettelijke bepalingen kunnen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, worden voorgelegd aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving. Dat advies wordt samen met het verslag aan de Koning en het koninklijk besluit waarop het betrekking heeft, gepubliceerd. De besluiten, het advies, het verslag aan de Koning en de tekst van de ontwerpen van besluiten die zijn voorgelegd aan de afdeling wetgeving, worden, voor hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, medegedeeld aan de Voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat. » III. Beschouwd moet worden dat de artikelen VIII.XII.1 tot VIII.XII.3, die betrekking hebben op het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een ministerieel kabinet, hun rechtsgrond niet ontlenen aan de voornoemde wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten, doch aan de overgangsbepaling van het ontworpen artikel 184, tweede lid, van de Grondwet. De laatstgenoemde bepaling, die de Koning bijzondere machten verleent, moet echter strikt worden geïnterpreteerd
(4). Ze laat de Koning niet toe af te wijken van bestaande wetsbepalingen. Gelet op artikel 134, eerste lid, 2°, van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten, dat een onverenigbaarheid vaststelt tussen "de hoedanigheid van personeelslid van het operationeel kader" en "een openbaar ambt, een openbare opdracht of een openbaar mandaat", kan het ontworpen besluit derhalve alleen ten behoeve van de leden van het administratief en logistiek kader voorzien in een verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een ministerieel kabinet. Het ontwerp moet worden gewijzigd overeenkomstig die opmerking. De bepaling waarbij een lid van het administratief en logistiek kader verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een ministerieel kabinet kan genieten, moet bovendien gerekend worden onder de regels die bij wet moeten worden bekrachtigd en die na die bekrachtiging alleen bij wet kunnen worden gewijzigd. Die opmerking, die wordt gemaakt in verband met het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een ministerieel kabinet, geldt mutatis mutandis ook voor artikel VIII.IV.3 van het ontwerp, dat betrekking heeft op het uitzonderlijk verlof voor een stage of een proeftijd in een andere betrekking van een overheidsdienst of van het gesubsidieerd onderwijs, alsmede voor de artikelen VIII.XIII.1. tot VIII.XIII.13, die betrekking hebben op verlof voor een opdracht van algemeen belang
(5). IV.1. Aanvaard wordt dat de Koning het uitoefenen van een gedeelte van Zijn verordeningsbevoegdheid kan toevertrouwen aan één van Zijn ministers of zelfs aan andere instanties. Een zodanige delegatie moet evenwel precies zijn, en ze mag alleen betrekking hebben op aanvullende of bijkomende maatregelen nodig voor de uitvoering of de toepassing van een regeling die de Koning Zelf heeft vastgesteld. De delegatie kan alleen inhouden dat aan een minister de bevoegdheid wordt verleend om detailkwesties of loutere uitvoeringsmaatregelen vast te stellen
(6). Tal van bevoegdheden die krachtens het onderzochte ontwerp door de Koning verleend worden aan de Minister van Binnenlandse Zaken, behoren tot diegene waarvoor delegatie aanvaardbaar is
(7), maar niet alle. Zo worden onder detailkwesties of loutere uitvoeringsmaatregelen niet die maatregelen verstaan die betrekking hebben op : « - het uitwerken van een niet nader omschreven "deontologische code" (artikelen III.V.1 en III.V.2), daar de rechten en verplichtingen van de leden van de politiediensten essentiële elementen van het statuut vormen; - het bepalen van de nadere regels en de procedureregels inzake "detachering" en "terbeschikkingstelling" (artikel VI.II.76); - het vaststellen van de procedure dat een personeelslid moet volgen bij weigering van heropneming (artikel IX.III.13); - het vaststellen van de nadere regels inzake de kosteloosheid van de gezondheidszorg (artikel X.I.7)
(8); - het gelijkstellen van de leden van het administratief en logistiek kader met de leden van het operationeel kader voor de toepassing van deel XI, dat het geldelijk statuut betreft (artikel XI.I.2). Die delegaties moeten dus vervallen in het ontwerp.
- Daarentegen wordt in een aantal bepalingen van het ontwerp niet voorzien in een delegatie aan de minister, hoewel een zodanige delegatie aanvaardbaar of zelfs wenselijk zou zijn geweest. Dit is bij voorbeeld het geval met het bepaalde in artikel XI.II.2, naar luid waarvan de wedde van een personeelslid dat gevangene of krijgsgevangene is dan wel gegijzeld wordt, alleen bij koninklijk besluit kan worden verminderd of ingetrokken, tijdens de "... periode van gevangenschap of internering [van betrokkene,] wanneer de daden die aan de oorsprong liggen van de gevangenschap of [van zijn] gedrag [...] gedurende zijn gevangenschap of internering, onverenigbaar zijn met zijn staat van personeelslid. ». De noodzaak om zulks bij wege van een koninklijk besluit te regelen steekt schril af tegen de omstandigheid dat de minister gemachtigd wordt de toekenning van bepaalde toelagen te beperken of uitzonderingen daarop uit te vaardigen (zie bij voorbeeld artikel XI.III.6, § 1, derde lid) of het recht erop uit te breiden (zie bij voorbeeld artikel XI.III.22, § 1, tweede lid, artikel XI.III.36, tweede lid; of artikel XI.III.40, eerste lid).
- Voorts bepaalt het ontwerp in het kader van de delegaties dat het verleent onvoldoende criteria op basis waarvan de instantie waaraan delegatie wordt verleend de door haar te volgen werkwijze moet vastleggen. Die opmerking geldt zowel voor de delegatie van verordeningsbevoegdheid als voor de delegatie van de bevoegdheid om bepaalde persoonsgerichte beslissingen te nemen : a) In verband met de delegatie van verordeningsbevoegdheid wordt in artikel IV.I.33 bij voorbeeld gesteld dat de minister of de benoemende overheid voor de duur die de ene of de andere bepaalt, kan afwijken van de rangschikking van de gegadigden met het oog op hun toelating tot de basisopleiding. Een zodanige delegatie, waaraan alleen een formele voorwaarde verbonden wordt, is niet aanvaardbaar, daar aldus zou worden afgeweken van een regel die ertoe strekt de gelijke toegang tot openbare ambten te waarborgen; b) In verband met de delegatie van de bevoegdheid om persoonsgerichte beslissingen te nemen, wordt in artikel IX.I.10 bij voorbeeld bepaald dat "de beslissing waarbij het ontslag van een personeelslid wordt aangenomen, kan gepaard gaan met de verplichting voor het personeelslid" om een vergoeding te betalen. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in haar advies 26.434/9 van 30 juni 1997
(9)het volgende opgemerkt in verband met de artikelen 3 en 4 van een voorontwerp van wet "tot wijziging van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht en van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het rijkswachtpersoneel van het operationeel korps" : « Deze bepalingen schrijven voor dat wanneer het ontslag van een personeelslid wordt aangenomen of een personeelslid van ambtswege wordt ontslagen, dat personeelslid kan worden verplicht een vergoeding, berekend overeenkomstig het vijfde, zesde en zevende lid van het ontworpen artikel 31, geheel of gedeeltelijk aan de rijkswacht te storten. De beslissing om het personeelslid te verplichten die vergoeding te storten, wordt dus volledig overgelaten aan de overheid die het ontslag aanvaardt of van ambtswege ontslaat, welke overheid zelfs het bedrag van die vergoeding zelf kan vaststellen, aangezien het vijfde, zesde en zevende lid slechts een maximum vertegenwoordigen, terwijl geen criteria zijn voorgeschreven waarop de overheid haar beslissing zou kunnen baseren. Als men verlangt dat de betaling niet bij elk ontslag tijdens de vastgestelde periode verplicht wordt, moet men die criteria bepalen. De ontworpen bepalingen dienen dan ook grondig te worden herzien. ». Die opmerking geldt gedeeltelijk voor artikel IX.I.10 van het onderhavige ontwerp, daar uit het erin voorkomende woord "kan" voortvloeit dat de beslissing om het personeelslid te verplichten een vergoeding te betalen eveneens overgelaten wordt aan de vrije beoordeling van de overheid. De aangewende formulering laat de vraag onbeantwoord in welke gevallen het personeelslid dat het voorwerp van die maatregel is, de vergoeding moet betalen, en op welke wijze
(10). Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel IX.I.6, vierde lid. IV. Gebruik maken van eenzelfde concept, doch er verschillende begripsomschrijvingen van geven, kan aanleiding geven tot verwarring. Zulks dient te worden vermeden. Zo heeft de uitdrukking "bevoegde overheid" bij voorbeeld niet dezelfde betekenis in deel VI als in deel VIII. In artikel VI.I.1, 1°, worden onder de "bevoegde overheid" wat de federale politie betreft onder meer de "directeurs-generaal" verstaan, terwijl deze laatsten niet begrepen zijn in de begripsomschrijving van diezelfde overheid in artikel VIII.I.1, 1°. Zo ook wordt het begrip "werkdag" in artikel VIII.I.1, 2°, anders omschreven dan in artikel XI.II.14, § 1, 1°, net zoals het begrip "wedde" anders gedefinieerd wordt in artikel XI.I.3, 1°, dan in artikel XI.III.5, 4°. V. In tal van bepalingen van het ontwerp wordt de Minister van Binnenlandse Zaken ertoe gemachtigd bevoegdheden te subdelegeren aan "de door hem aangewezen dienst". Subdelegatie kan weliswaar worden aanvaard in zoverre ze betrekking heeft op zeer secundaire aspecten die specifiek zijn voor de betrokken diensten, doch delegatie van bevoegdheid mag per definitie slechts aan één enkele persoon, een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, worden verleend, die als enige op geldige wijze rechtshandelingen kan stellen. Indien subdelegatie gewettigd is, dient de minister derhalve ertoe gemachtigd te worden een welbepaald ambtenaar of een welbepaalde instantie aan te wijzen, doch niet een "dienst", die geen rechtspersoonlijkheid bezit. VI. Vele bepalingen zijn toepasselijk "onverminderd" andere bepalingen, wettelijke of bestuursrechtelijke. Wanneer aldus wordt verwezen naar wettelijke bepalingen, is die precisering overbodig, aangezien het vanzelfsprekend is dat een bestuursrechtelijke bepaling geen afbreuk kan doen aan de toepassing van een rechtsregel van een hogere rangorde. Betreft het bestuursrechtelijke bepalingen, dan is in de Franse versie van het ontwerp de uitdrukking "sans préjudice" dubbelzinnig en leidt ze tot rechtsonzekerheid, daar die uitdrukking kan betekenen, ofwel dat de bepaling waarnaar wordt verwezen een uitzondering vormt op de bepaling die ernaar verwijst, ofwel dat de twee bepalingen gezamenlijk moeten worden toegepast. In het eerste geval zijn de woorden "sous réserve de" of "sauf application de" explicieter en verdienen ze de voorkeur. In het tweede geval is een verwijzing overbodig : het is inderdaad indien zulks niet het geval dat op de ene of de andere manier moet worden gepreciseerd is dat de twee bepalingen niet gezamenlijk toepassing vinden. VII. In de bepalingen die voorschrijven dat met het oog op deelneming aan een selectie kandidaturen moeten worden ingediend, wordt de oproep tot de gegadigden niet op dezelfde wijze en weinig duidelijk geregeld en kan niet in elk van de gevallen duidelijk eruit worden opgemaakt of bekendmaking voldoende is, dan wel of de mogelijke kandidaten persoonlijk op de hoogte moeten worden gebracht. Zo bepaalt artikel VI.II.18 : "... doet een oproep tot kandidaatstelling voor de vacatures tot de voor de betrekking in aanmerking komende personeelsleden. » Artikel VII.II.14 daarentegen bepaalt : « Het organiseren van de selectieproeven wordt door de minister of de door hem aangewezen dienst aangekondigd aan de belanghebbende personeelsleden. » Artikel VII.II.30 bepaalt : « De minister of de door hem aangewezen dienst richt een oproep tot kandidaatstelling aan de kandidaten. » Artikel VII.III.36 ten slotte bepaalt : « De minister of de door hem aangewezen dienst doet een oproep tot kandidaatstelling voor de mandaten tot de voor de aanwijzing voor het mandaat in aanmerking komende personeelsleden. »
(11)Die onduidelijkheid zou aanleiding kunnen geven tot tal van beroepen ingesteld door personen die van oordeel zijn dat ze onvoldoende in kennis gesteld zijn van de oproepen tot kandidaatstelling. In het ontwerp moet dus in elk van de gevallen gepreciseerd worden of de inkennisstelling van al diegenen die voldoen aan de voorwaarden om deel te nemen aan een selectie vereist is, dan wel of een loutere bekendmaking, waarvan de nadere regels moeten worden vastgelegd, volstaat. Volgens de gemachtigden van de minister is het de bedoeling van de steller van het ontwerp om de bekendmaking te beperken tot de kennisgeving van een oproep tot kandidaatstelling, zonder dat de betrokkenen individueel worden ingelicht. De tekst van het ontwerp moet worden herzien, zodat die bedoeling duidelijker wordt weergegeven. VIII. In de bepalingen die zowel gelden voor de betrekkingen bij de federale politie als voor die bij de lokale politiekorpsen moet nauwkeurig worden aangegeven welke overheid bevoegd is om beslissingen te nemen, naargelang het om betrekkingen in de federale of in de lokale politie gaat. Zo bij voorbeeld bepaalt artikel VII.III.126 het volgende : « De mandataris kan vrijwillig zijn mandaat beëindigen door middel van een brief aan de minister, de burgemeester of het politiecollege. ». Betreft het een mandaat van een korpschef van de lokale politie, dan is het niet vanzelfsprekend welke de instantie is waaraan die brief moet worden gestuurd, daar die korpschef door de Koning wordt benoemd. Een ander voorbeeld wordt aangetroffen in artikel XI.II.3, tweede lid, dat de wedde bepaalt waarop een bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeelslid recht heeft. Volgens het derde lid van dat artikel echter kan in afwijking van de vorige bepaling in sommige gevallen een hogere bezoldiging in geval van indienstneming bij arbeidsovereenkomst worden toegekend. Volgens datzelfde derde lid is in dat geval de "toestemming van de minister" vereist "wanneer de aanwerving plaatsvindt binnen de federale politie". In geval van indienstneming bij de lokale politie is van geen zodanige toestemming sprake. Er moet worden bepaald welke instantie alsdan haar toestemming moet verlenen. IX. In het ontworpen besluit worden tal van bedragen vermeld - zoals de bedragen van bezoldigingen, toelagen of vergoedingen - die in franken worden uitgedrukt. Er moet rekening worden gehouden met de omzetting van die bedragen in euro's vanaf 1 januari 2002. Deze bedragen dienen voortaan in euro's te worden vermeld. Tot 1 januari 2002 zal een overgangsbepaling de zelfde bedragen in franken uitdrukken. De bedragen in franken en in euro's moeten bovendien voluit worden vermeld. X. Met toepassing van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State behandelt de afdeling wetgeving alleen ontwerpen van besluit die van reglementaire aard zijn. De bepalingen van een besluit die weddeschalen vastleggen, worden traditioneel beschouwd als zijnde van niet-reglementaire aard
(12). Dit geldt eveneens voor de bepalingen die toelagen of vergoedingen vastleggen. De Raad van State heeft de aspecten van het ontwerp die zich tot zulke aangelegenheden beperken
(13), bijgevolg niet onderzocht. Bijzondere opmerkingen Onderzoek van het ontwerp Dispositief Artikel I.I.1 Om te voorkomen dat er enige twijfel rijst omtrent de vraag of een "aspirant" al dan niet een "personeelslid" is, en gelet op de in onderdeel 24° gegeven definitie van "basisopleiding", is het verkieslijk in onderdeel 8° "aspirant" als volgt te definiëren : « Het personeelslid van het operationeel kader dat toegelaten is tot een basisopleiding die toegang geeft tot een eerste betrekking in een van de vier kaders bedoeld in artikel 117, eerste lid. » Artikel I.III.1 De twee leden van dit artikel zijn, tenminste gedeeltelijk, redundant. Het is beter te schrijven : « Art. I.III.
- Elke bevoegdheid die bij dit besluit toegekend wordt aan een ambtsbekleder wordt eveneens uitgeoefend door het personeelslid dat ermee belast is die ambtsbekleder te vervangen, ook bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van laatstgenoemde. ». ArtikelII.I.
- § 3 Daar het gaat om de werkelijke diensten die het personeelslid heeft verricht, zijn de woorden "in om het even welke hoedanigheid" overbodig en dienen ze te vervallen. Artikel II.I.8 De woorden "volgens de regels" in paragraaf 1, 2°, hebben geen enkele betekenis en dienen te vervallen. Artikelen II.II.4 tot II.II.9 Volgens artikel II.II.9 zijn de weddeschalen die bepaald worden in de vorige artikelen opgenomen als bijlage I bij het besluit. Deze bijlage I bevat evenwel andere weddeschalen dan die waarin deze artikelen voorzien. Het gaat om de weddeschalen waarnaar in de overgangsbepalingen van het ontwerp verwezen wordt. « Tabel
- Officierskader - Ingenieurs", dat de weddeschalen O2ir, O3ir, O4ir, O5ir en O6ir bevat, wordt evenwel niet voorgesteld als een een tabel met "overgangs"- weddeschalen. Indien deze weddeschalen blijvend moeten zijn, dienen ze in deze afdeling te worden opgenomen. In zoverre die voorkeurschalen alleen toekomen aan houders van bepaalde diploma's dienen ze bovendien te worden gewettigd ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel
(14). Artikel II.II.10 In het eerste lid wordt de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan alle politieambtenaren die tot het middenkader behoren, zonder dat enige anciënniteitsvoorwaarde vastgesteld wordt, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 138, eerste lid, 2°, van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten. Deze bepaling dient te worden herzien om met deze opmerking rekening te houden. Artikel III.II.1 Er dient te worden bepaald door wie de in deze bepaling bedoelde personeelsleden worden aangewezen. Indien het de overheid is die een personeelslid voor een betrekking aanstelt of die het een taak toevertrouwt, is het verkieslijk bijvoorbeeld het volgende te schrijven : « Art. III.II.1. De overheid die een personeelslid voor een vaste betrekking aanwijst... ». De bepaling kan bovendien eenvoudiger gesteld worden door de bijwoorden "eenduidig" en "volledig" en het adjectief "duidelijk", die overbodig zijn en de zin onnodig verzwaren, te laten vervallen. Artikel III.II.2 De eerste twee zinnen van het eerste lid van deze bepaling vormen gewoon een herhaling, met andere woorden weliswaar, van het bepaalde in artikel 120, tweede lid, van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten. Ze dienen derhalve te vervallen. In verband met de derde zin wordt verwezen naar de opmerking die gemaakt is over de artikelen III.V.1 en III.V.2 (zie de algemene opmerking IV, 1 hierboven). Artikel III.II.3 De wetsbepaling waarnaar in dit artikel van het ontwerp wordt verwezen bepaalt dat "een kennelijk onwettig bevel (...) niet (mag) worden uitgevoerd". Luidens deze bepaling is het niet-gehoorzamen aan een kennelijk onwettig bevel een plicht
(15). Indien de eventuele onwettigheid van een bevel niet manifest is, betekent dit evenwel niet dat het personeelslid ertoe gehouden is het uit te voeren. Een ambtenaar kan immers altijd weigeren een onwettig bevel uit te voeren krachtens het algemeen beginsel dat het optreden van de overheid wettig moet zijn. De woorden "kennelijk" en "in de zin van artikel 8 van de wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 16/06/1999 numac 1999000472 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten sluiten houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten" dienen bijgevolg te vervallen. Artikelen III.III.1 en III.III.2 Verschillende bepalingen van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten handelen over het spreekrecht van de personeelsleden van de politiediensten. Zo bepaalt artikel 131, eerste lid, dat het statuut van de politieambtenaren het beroepsgeheim waarborgt en voorziet het in een discretieplicht. Het tweede lid van dezelfde bepaling voorziet in een verbod om bepaalde gegevens bekend te maken. Ten slotte bepaalt artikel 127, derde lid, dat diezelfde politieambtenaren "(...) er zich in alle omstandigheden (moeten) van onthouden in het openbaar uiting te geven aan hun politieke overtuiging... ». Artikel 122, tweede lid, van dezelfde wet bepaalt evenwel dat op de uitoefening van de rechten en vrijheden van de personeelsleden van de politiediensten alleen, uitdrukkelijk bij de wet bepaalde beperkingen gesteld zijn. De artikelen III.III.1, eerste lid, en III.III.2, tweede lid, van het ontwerp strekken er weliswaar toe uitvoering te geven aan artikel 131, eerste lid, van de wet; artikel III.III.1, tweede lid, van het ontwerp daarentegen, in zoverre het bepaalt dat het spreekrecht voor de feiten waarvan het personeelslid in de uitoefening van zijn ambt kennis heeft, wordt uitgeoefend "op neutrale en belangeloze wijze", voorziet bijgevolg in een andere beperking van het spreekrecht dan die welke uitdrukkelijk bij de wet is bepaald en is dus strijdig met het voormelde artikel 122, tweede lid. Opmerkingen over deel IV, titel I, hoofdstuk I : de aanwerving en de selectie van het personeel van het operationeel kader Uit de procedure voor de werving en de selectie van kandidaat-hulpagenten van politie of van kandidaat-inspecteurs van politie blijkt niet duidelijk of het om een al dan niet vergelijkend examen gaat. Volgens artikel IV.I.3 bepaalt de Minister jaarlijks, per taalrol en per opleidingscyclus, het aantal kandidaten die kunnen worden "toegelaten". Er worden selectieprocedures gevolgd waarna de ingeschreven kandidaten al dan niet geschikt worden bevonden (artikel IV.1.17). Degenen die geschikt worden bevonden en die van onberispelijk gedrag zijn, kunnen worden "toegelaten" (artikel IV.I.24). Doordat het aantal kandidaten dat kan worden toegelaten beperkt is, wordt ervan uitgegaan dat het om een vergelijkend examen gaat na afloop waarvan alleen de kandidaten die bij de selectieproeven het best gerangschikt zijn, kunnen worden toegelaten. De artikelen IV.I.30 en IV.I.31 voorzien echter in een wervingsreserve, die drie jaar geldig is en waarin de kandidaten worden opgenomen die kunnen worden toegelaten. In deze reserve worden de kandidaten opgenomen in de volgorde van de datum van hun inschrijving voor de selectieproeven. Wanneer het om een vergelijkend examen gaat, is zulk een criterium totaal irrelevant, des te meer daar artikel IV.I.13 bepaalt dat de (niet doorlopende) selectieproeven worden aangekondigd via een bericht in het Belgisch Staatsblad, waarin inzonderheid de "uiterste inschrijvingsdatum" wordt vermeld. Deze rangschikking bepaalt de volgorde van toelating tot de basisopleiding (artikel IV.I.33). Volgens de uitleg van de gemachtigden van de Minister is het niet de bedoeling van de steller van het ontwerp de werving van hulpagenten van politie of van inspecteurs van politie te organiseren op basis van een vergelijkend examen.Er zouden doorlopend alleen selectieproeven worden georganiseerd, zodat op ieder ogenblik kan worden ingeschreven. Indien dit de bedoeling van de steller van het ontwerp is, bestaat er geen bezwaar tegen de toelating tot de basisopleiding te laten afhangen van de datum. Het onderhavige hoofdstuk dient te worden herzien om rekening te houden met deze opmerking. Enerzijds dienen de bepalingen zo te worden gesteld dat er geen verwarring meer bestaat, zoals in de ontworpen tekst, tussen de kandidaten die kunnen worden toegelaten na afloop van de selectieprocedure en degenen die effectief tot de basisopleidingen worden toegelaten, en wier aantal door de Minister wordt bepaald, en anderzijds dient uitdrukkelijk te worden aangegeven dat de selectieproeven voor de hulpagenten van politie en de inspecteurs van politie regelmatig georganiseerd worden. Artikel IV.I.5 Bij de in de onderdelen 2°, 3° en 4° vermelde redenen om de kandidaat niet toe te laten, wordt niet aangegeven dat alleen omstandigheden worden bedoeld die opgetreden zijn in de uitoefening van een soortgelijke betrekking als die waarvoor een selectie georganiseerd wordt. De steller van het ontwerp moet derhalve voor elke reden van niet-toelating onderzoeken of ze redelijkerwjs kan worden gewettigd ten aanzien van de gelijke toegang tot openbare ambten. Dezelfde opmerking geldt voor artikel IV.I.42. Artikel IV.I.8 en IV.I.9 Deze twee bepalingen hebben betrekking op de werving in de respectieve graden van "hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie" en "hoofdinspecteur van politie met specialiteit politieassistent", terwijl in artikel II.II.1, waarin de graden van het operationeel kader worden opgesomd, deze graden niet worden vermeld. Volgens de gemachtigden van de Minister worden alleen personeelsleden met een bijzondere specialisatie rechtstreeks in de graad van hoofdinspecteur van politie aangeworven. De tekst dient te worden herzien. Artikel IV.I.11 In dit artikel wordt bepaald dat de Minister een aantal vacatures kan toewijzen aan de houders van een diploma of van een getuigschrift of aan degenen die de voorwaarden vervullen die hij vaststelt. Hoewel deze bepaling in die zin kan worden uitgelegd dat ze betrekking heeft op de ambten bij de federale politie, dient te worden aangegeven volgens welke nadere regels de lokale politiekorpsen eveneens bijzondere voorwaarden kunnen stellen. Dezelfde opmerking geldt voor artikel IV.I.49, eerste lid. Wat betreft deze laatste bepaling, alsmede de artikelen IV.I.52, eerste lid, IV.I.53, tweede lid, en IV.I.56, zijn de gemachtigden van de Minister het ermee eens dat ze door het gebrek aan enige mogelijkheid tot subdelegatie bijzonder moeilijk kunnen worden toegepast. Artikel IV.I.15 Het onderzoek waarvan in het tweede lid sprake is, houdt een inmenging in het privé-leven van de kandidaten in, die door de wet moet worden geregeld, overeenkomstig artikel 22 van de Grondwet
(16). Artikel IV.I.35 In het eerste lid dienen de woorden "hoofdstuk XV en XVI" te worden vervangen door de woorden "titels XV en XVI". In de Franse tekst van onderdeel 2° van hetzelfde lid is het beter het woord "partielles" te vervangen door de woorden "à temps partiel". Bovendien wordt in artikel 121, tweede lid, van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten het volgende bepaald : « De Koning bepaalt inzonderheid : 5° de bekomende specifieke opdrachten waarvoor het personeel van het administratief en logistiek kader in dienst wordt genomen bij een arbeidsovereenkomst.»
(17). In deze bepaling mag dus niet alleen worden verwezen naar artikel 118, tweede lid, van de wet. Ze dient aan te geven voor welke bedoelde "bijkomende specifieke" taken de wet bepaalt dat ze worden uitgeoefend door personen die met een arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen
(18). Artikel IV.I.37 In de Franse tekst dient te worden geschreven : « ... le conseil communal ou le conseil de police sur avis du chef de corps, en ce qui concerne la police locale, ou le commissaire général ou le directeur général désigné par lui, en ce qui concerne la police fédérale, décide si cet emploi déclaré vacant est conféré par voie de recrutement. » Artikel IV.I.42 Het bepaalde in onderdeel 3° kan niet worden gewettigd ten aanzien van het beginsel van de gelijke toegang tot openbare ambten, in zoverre daarbij de kandidaten worden uitgesloten die vooraf als personeelslid ontslagen zijn, na afloop van de proeftijd bedoeld in de artikelen 48 en 67 van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten4 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Een persoon die ongeschikt wordt bevonden na in een bepaalde betrekking een proeftijd te hebben doorgemaakt, kan immers pefect geschikt zijn voor een andere betrekking. Artikel IV.I.48 In verband met een gelijkaardige bepaling in het ontwerp van besluit dat het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/11/1998 pub. 11/12/1998 numac 1998000733 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht sluiten4 tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel geworden is, heeft de afdeling wetgeving het volgende opgemerkt
(19): « Luidens het ontworpen artikel 16, tweede lid, kunnen houders van een diploma of getuigschrift dat toegang verleent tot een bepaald niveau, zich niet inschrijven voor een vergelijkende selectie van een lager niveau. Die regel houdt in dat de toegang tot een vergelijkende selectie ook wordt ontzegd aan kandidaten die nochtans het voor het betrokken niveau vereiste diploma bezitten, doch bovendien een diploma hebben verworven dat toegang verleent tot ambten van een hoger niveau. Weliswaar kan de Vaste Wervingssecretaris een afwijking op de regel toestaan, doch die afwijking is enkel mogelijk op gemotiveerde aanvraag van de betrokken minister of zijn gemachtigde, zodat er geen enkele waarborg is dat voor elke werving afzonderlijk zal worden onderzocht of er al dan niet een afwijking moet worden toegestaan. Vraag is of een dergelijke verregaande inperking van het recht om zich kandidaat te stellen voor openbare ambten, in alle gevallen te verenigen valt met het grondwettelijke beginsel van de gelijkheid en de niet-discriminatie, neergelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en met het recht op arbeid en vrije keuze van beroepsarbeid, gewaarborgd door artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet. Opdat de ontworpen maatregel verenigbaar zou zijn met die grondwettelijke regels, is vereist, niet alleen dat hij een wettig doel nastreeft - wat in het voorliggende geval aan de hand van de in het verslag aan de Koning verstrekte verantwoording kan worden aangenomen, doch ook dat hij in een redelijk evenredigheidsverband staat tot dat doel en tevens geen onevenredige inperking van de door die grondwettelijke regels gewaarborgde rechten met zich meebrengt. Met name rijst de vraag of de ontworpen maatregel het recht van vrije beroepskeuze van alvast bepaalde categorieën gediplomeerden
(20)niet dermate dreigt aan te tasten dat de kern van dat door de Grondwet beschermde grondrecht in het gedrang komt, wat bezwaarlijk in overeenstemming kan worden geacht met het zo-even in herinnering gebrachte evenredigheidsbeginsel
(21). De stellers van het ontwerp dienen derhalve te overwegen of de thans vigerende bepaling, die ook de mogelijkheid inhoudt, maar dan enkel in welbepaalde gevallen, om de toegang tot het lagere niveau af te sluiten, niet beter in overeenstemming is met de hoger vermelde grondwettelijke regels. ». Over de ontworpen bepaling dient een soortgelijke opmerking te worden gemaakt, mede gelet op de omstandigheid dat het onderhavige ontwerp in geen enkele mogelijkheid tot afwijking voorziet. Artikel IV.I.58 Het beginsel van de rechtszekerheid, dat impliceert dat de kandidaten vooraf de rechtsgevolgen van hun handelingen moeten kunnen kennen, lijkt moeilijk overeen te brengen met de ontworpen bepaling, krachtens welke pas na de selectie de Minister
(22)beslist om al dan niet een wervingsreserve aan te leggen. Artikel IV.I.59 Indien op de op te stellen lijst alle geschikt bevonden kandidaten staan, heeft de bepaling betrekking op een zuiver materiële handeling en dient ze te vervallen. In het andere geval is ze strijdig met het beginsel waarnaar in de bespreking van het vorige artikel wordt verwezen. Opmerkingen over deel IV, titel II : de opleiding In deze titel van het ontwerp wordt de opleiding van de personeelsleden van de politiediensten geregeld, ongeacht of ze afhangen van de lokale dan wel van de federale politie. Voor deze opleiding kan worden gezorgd door politiescholen die door de Minister van Binnenlandse Zaken of de Minister van Justitie erkend of opgericht worden. De overgangsbepaling van artikel 184 van de Grondwet, zoals ze aangenomen is door de Commissie Institutionele Hervormingen van de Senaat, machtigt de Koning de essentiële gegevens van de rechtspositieregeling van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst vast te stellen. De ontworpen titel II vormt geen bestanddeel van de rechtspositieregeling, maar heeft betrekking op de organisatie van de geïntegreerde politiedienst. De bepalingen die vervat zijn in de ontworpen titel II dienen derhalve bij de wet te worden vastgelegd. Doordat bepaald is dat er financieel tegemoetgekomen wordt in de opleidingen die verstrekt worden door erkende scholen, moet deze tegemoetkoming bovendien eveneens bij de wet worden vastgelegd overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli
- Rekening houdend met deze fundamentele bezwaren, die impliceren dat de wetgever vooraf optreedt om de Koning te machtigen de opleiding te regelen zoals in het ontwerp wordt bepaald, worden geen bijzondere opmerkingen gemaakt over de bepalingen van titel II waarop deze algemene opmerking betrekking heeft. Artikel V.III.1 De kandidaten worden pas personeelslid van het administratief en logistiek kader wanneer ze werkelijk in dienst genomen zijn. Men schrijve dus : « Art. V.III.
- Deze titel is enkel van toepassing op de personeelsleden van het administratief en logistiek kader, alsmede op de kandidaten die overeenkomstig artikel IV.I.57 geschikt bevonden zijn. » Artikel VI.I.7 Doordat dit artikel (eerste lid, 7°, en tweede lid) voorziet in twee gevallen waarin met de vakorganisaties moet worden overlegd over de beslissingen van de bevoegde overheid, dient in de aanhef te worden verwezen naar de wet van 24 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/03/1999 pub. 08/05/1999 numac 1999000340 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, inzonderheid naar artikel 8, §
- Er dient te worden opgemerkt dat over alle regelgevingen betreffende de arbeidsduur en de organisatie van het werk dient te worden onderhandeld of overlegd met de vakorganisaties, naargelang het geval, overeenkomstig de artikelen 3 en 8, § 1, van de voormelde wet van 24 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/03/1999 pub. 08/05/1999 numac 1999000340 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten sluiten. Hieruit volgt dat de opdrachten van verordenende bevoegdheid waarin dit ontwerp voorziet, uitgeoefend dienen te worden met inachtneming van deze vormvereisten. Het is derhalve alleen gewettigd in het onderhavige ontwerp uitdrukkelijk te voorzien in overleg met de vakorganisaties in zoverre de afwijkingen die in het ontwerp toegestaan worden bijzondere afwijkingen zijn en geen algemene verordenende handelingen zijn. Artikel VI.II.21 De woorden "het inwinnen per kandidaat van het gemotiveerd advies van voordracht van de korpschef" zijn onbegrijpelijk. Artikel VI.II.22 Er dient te worden aangegeven of de minister dan wel zijn gemachtigde kunnen beslissen om de door hen bepaalde categorieën van betrekkingen, niet alleen bij de federale politie, maar ook bij de lokale politiekorpsen, volgens anciënniteit toe te kennen. Artikel VI.II.30 De gemeenteraad of de politieraad kunnen in verband met een door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaat oordelen dat hij niet in aanmerking kan komen, maar zij kunnen de ontvankelijkheid van kandidaatstellingen die door deze commissie onontvankelijk zijn bevonden niet aan een nieuw onderzoek onderwerpen. De Raad van State vraagt zich af wat de reden voor deze verschillende behandeling is. Voorts is het de Raad van State niet helemaal duidelijk wie het laatste woord heeft om een kandidaat geschikt of ongeschikt te verklaren. Ten slotte lijkt de Franse tekst van het tweede lid, in fine, een slechte vertaling van het Nederlands. Deze opmerkingen gelden eveneens voor artikel VI.II.
- Artikel VI.II.72 Deze bepaling is overbodig, gelet op de definitie vervat in artikel I.I.1, 16°. Door die bepaling rijst voorts twijfel omtrent de toepasselijkheid van de daaropvolgende bepalingen op de detacheringen bedoeld in artikel 105 van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten. Artikelen VI.II.77 en VI.II.78
- De definitie die voorkomt in onderdeel 1° is niet geschikt voor het administratief en logistiek kader, aangezien het begrip "gradengroep" voor dat kader niet bestaat. Als in plaats van met dat begrip zou worden gewerkt met het begrip "niveau", welk begrip gebruikt wordt voor de rangschikking van de graden in dat kader, zou artikel VI.II.78, tweede lid, een beletsel zijn voor elke uitoefening van een hoger ambt in niveau A. Het ontwerp behoort dan ook te worden herzien opdat duidelijk wordt gesteld op welke voorwaarden in het administratief en logistiek kader een hoger ambt zal kunnen worden uitgeoefend.
- Voorts wordt in de ontworpen tekst noch wat de uitoefening van een hoger ambt, noch wat de aanstelling in een betrekking betreft, die aanwijzing beperkt tot de "naasthogere" graad.
- Overigens dient in de Franse tekst van artikel VI.II.78, eerste lid, te worden geschreven : "... dans un emploi pour une fonction supérieure ... ». Artikel VI.II.85 In onderdeel 8°, dat het mogelijk maakt een personeelslid aan te wijzen voor een andere betrekking dan de zijne "wegens enigerlei oorzaak", wordt aan de korpschef of aan de commissaris-generaal een te ruime bevoegdheid verleend. Dat deze personen die bepaling zouden gebruiken om de strikte regels van de aanwijzing voor betrekkingen via mobiliteit te omzeilen, kan immers niet worden uitgesloten. Artikelen VII.III.53 en VII.III.54 Artikel VII.III.53 bepaalt dat een mandaat wordt uitgeoefend overeenkomstig een opdrachtbrief waarin de te halen doelstellingen zijn vermeld samen met de ter beschikking gestelde middelen waarmee die doelstellingen moeten worden gehaald. Die opdrachtbrief zou worden opgesteld "op voorstel van het betrokken personeelslid". In artikel VII.III.54 staat dat die opdrachtbrief "ingevolge essentiële wijzigingen in de te bereiken doelstellingen van het mandaat" aangepast wordt volgens dezelfde procedure als die van artikel VII.III.
- De vraag rijst dan ook welke overheid bevoegd zou zijn om het initiatief te nemen om de opdrachtbrief aan te passen. Artikel VII.III.118 Er behoort te worden voorzien in een uitzondering voor de korpschef van de lokale politie, aangezien artikel 49, tweede lid, van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten bepaalt dat deze dient te worden gehoord door de gemeenteraad of de politieraad en door de burgemeester of het politiecollege, en niet door de benoemende overheid, namelijk de Koning, voor wie een gemotiveerd negatief advies van die lokale overheden bindend is. Artikel VII.III.135 De Raad van State ziet niet in hoe de gemeenteraden of de politieraden betrokken zouden kunnen zijn bij een aanwijzing voor een ander mandaat, verleend krachtens artikel 107, zesde lid, van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten. Die wetsbepaling heeft immers alleen betrekking op de mandaten bij de federale politie. Geen enkele bepaling van de wet in kwestie biedt de Minister van Binnenlandse Zaken of de Minister van Justitie immers de mogelijkheid om het personeelslid dat bij de lokale politie een mandaat bekleedt voor een andere betrekking aan te wijzen. Artikel VIII.III.7
- In het eerste lid, 3°, dient het aantal bijzitters die de overheid vertegenwoordigen aan de hand van een duidelijker formulering te worden bepaald.
- Wat het "raadgevend orgaan" betreft dat bij artikel VIII.III.7 van het ontwerp wordt opgericht, bepaalt artikel VIII.III.10 weliswaar dat « het personeelslid, met uitzondering van de aspirant, ... bij weigering van zijn jaarlijks vakantieverlof, een procedure (kan) inleiden ... »; bij dat orgaan, maar wordt in geen enkele bepaling van het ontwerp gesteld welke de bevoegdheid van dat orgaan terzake is. Kan het de keuze van vakantieperiode van een personeelslid herzien ? Is het alleen bevoegd een advies te geven, zoals uit het woord "raadgevend" lijkt voort te komen ? Op welke voorwaarden kan de overheid die bevoegd is om een beslissing te nemen in dat geval van dat advies afwijken ? In het ontwerp moet op deze vragen een duidelijk antwoord worden gegeven. Het is des te belangrijker die leemte op te vullen daar het orgaan in kwestie niet alleen bevoegd is inzake vakantieverloven maar ook inzake weigering van heropneming
(23). Artikel VIII.IV.1.9° en 10° Wanneer in het ontwerp een voordeel wordt toegekend aan bepaalde categorieën van personen die in bepaalde omstandigheden verkeren, behoort met toepassing van het gelijkheidsbeginsel te worden nagegaan of vergelijkbare omstandigheden geen grond opleveren om hetzelfde recht ook aan andere categorieën toe te kennen. Wanneer een priesterwijding, een plechtige communie of een soortgelijke gebeurtenis grond opleveren om verlof toe te staan aan het personeelslid voorzover die gebeurtenis het kind van de ambtenaar betreft, of zijn echtgenoot of de persoon met wie hij samenleeft - zoals bepaald wordt in artikel VIII.IV.1, onderdelen 9° en 10° - rijst dan ook de vraag of dat verlof niet eveneens behoort te worden toegestaan wanneer het de wijding of de plechtige communie van het personeelslid zelf betreft
(24). Artikel IX.I.2. 1. Artikel IX.I.2, eerste lid, 1°, bepaalt dat definitief van zijn ambt wordt ontheven : « ... het personeelslid van wie de benoeming onregelmatig wordt bevonden binnen de termijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ... ». Deze bepaling is in te algemene bewoordingen gesteld en behoort te worden gepreciseerd door procedureregels. 2. Er moet worden voor gezorgd dat het ontwerp geen fundamentele rechten aantast. Zo behoort te worden opgemerkt dat de bepaling die vervat is in artikel IX.I.2., eerste lid, 2°, in fine, en waarbij wordt bepaald dat definitief uit zijn ambt wordt ontheven het personeelslid "dat ... zijn opdrachten (omwille van filosofische of religieuze redenen) niet meer kan of wil uitvoeren" te laconiek is, gelet op het feit dat de godsdienstvrijheid gegarandeerd is bij artikel 19 van de Grondwet. In dezelfde optiek maar meer algemeen, moet worden gesteld dat de definitieve ambtsontheffing weliswaar geen onbekende maatregel is in het ambtenarenrecht, maar dat die maatregel, wegens de zeer nadelige gevolgen ervan voor de betrokkene een uitzondering moet blijven en alleen kan worden uitgesproken wanneer bepaalde garanties worden geboden. Artikel IX.I.2, dat voorziet in vele gevallen waarin een maatregel van definitieve ambtsontheffing "ambtshalve en zonder opzegging" wordt opgelegd, behoort te worden herzien opdat aan die bezorgdheid tegemoet wordt gekomen. Artikel IX.I.4 Wat artikel IX.I.4, eerste lid, betreft, ziet de Raad van State niet goed in waarop de woorden "andere dan die bedoeld in artikel VIII.II.6 en in artikel 12 van de wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 16/06/1999 numac 1999000472 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten sluiten [...]" betrekking hebben. Artikel IX.I.2 In het eerste lid, 2°, wordt, doordat met de woorden "voor zover dit een wervingsvoorwaarde uitmaakt" wordt gewerkt, geen rekening gehouden met het geval dat de nationaliteitsvoorwaarde ondertussen opgeheven of gewijzigd is. Artikel IX.II.1 In artikel IX.II.1, tweede lid, behoort te worden aangegeven wat onder "onafhankelijk onderdeel van de medische dienst" wordt verstaan. Wat zijn de organisatorische gevolgen van die onafhankelijkheid ? Artikel XI.I.3 De vraag rijst wat juist wordt bedoeld met de woorden "hetzij niet verschuldigd is voor de volledige maand, hoewel ze in haar volledige vorm voorkomt" die staan in artikel XI.I.3, 3°, a). Deze opmerking geldt ook voor
- b)en
- c)van dezelfde bepaling. In datzelfde artikel behoort de formulering van onderdeel 5° met het oog op de duidelijkheid te worden herzien. Artikel XI.II.12 Artikel XI.II.12 bepaalt het volgende : « In geval van wijziging van dit besluit, wordt elke wedde vastgesteld alsof de nieuwe bepaling altijd heeft bestaan. » Deze bewoordingen zouden door een personeelslid wiens wedde opgetrokken is aldus kunnen worden uitgelegd dat hij op die hogere wedde recht had moeten hebben tijdens de periode die aan die verhoging voorafgaat. In dat geval zou het personeelslid in kwestie de uitbetaling kunnen vorderen van een achterstallig bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen de nieuwe en de oude wedde. Aangezien deze interpretatie niet overeenstemt met de bedoeling van de steller van het ontwerp, dienen de bewoordingen van deze bepaling aldus te worden aangepast dat ze alleen betrekking hebben op het geval dat de weddeschalen worden herzien. Artikel XI.III.12 In vele bepalingen van het ontwerp worden voorwaarden gesteld waaraan de personeelsleden moeten voldoen om een voordeel te kunnen genieten. Uit een onderlinge vergelijking van die bepalingen blijkt dat ze soms onvoldoende samenhang vertonen. Zo voorziet artikel XI.III.12, eerste lid, 1°, bijvoorbeeld, in een functietoelage voor de leden van het varend personeel van het luchtsteundetachement, doch met de precisering "zolang (
- ze)niet geschorst of geschrapt (zijn)". Zulk een beperking komt evenwel niet voor in de bepalingen waarbij aan andere categorieën personeelsleden een functietoelage wordt verleend. Die precisering lijkt overigens overbodig in het licht van artikel XI.III.1, § 1, eerste lid. Artikel XI.III.34 Artikel XI.III.34, § 2, luidt als volgt : « De toelage voor gelegenheidsluchtvaartprestaties mag niet gecumuleerd worden met de toelage bedoeld in de artikelen XI.III.12, eerste lid, 1°, en XI.III.14. ». In dat artikel wordt evenwel niet gesteld dat die toelage niet mag worden gecumuleerd met de toelage die bij artikel XI.III.21 wordt toegekend aan de personeelsleden die in het raam van de uitvoering van het federale immigratiebeleid overbrengings- of escorteringsopdrachten uitvoeren. Stemt zulks wel overeen met de bedoeling van de steller van het ontwerp ? Opmerkingen over deel XII : overgangsbepalingen 1. Algemeen gesproken zijn de begrippen en definities die in dit deel van het ontwerp worden gebezigd niet altijd duidelijk, zodat ze tot verwarring kunnen leiden. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van de personeelsleden "die... onder de toepassing van de rechtspositieregeling van het personeel van de politiediensten vallen" (artikel XII.I.1), blijkt niet duidelijk of daarmee ook de personeelsleden worden bedoeld die ervoor gekozen hebben hun oorspronkelijk statuut te behouden. Overigens is het hoe dan ook uit het oogpunt van de rechtszekerheid gevaarlijk om in éénzelfde regeling voor éénzelfde begrip verschillende definities te hanteren. Dat is bijvoorbeeld het geval met de definitie van "de actuele personeelsleden" die vanaf titel XI van deel XII nog slechts sporadisch verwijzen naar de personeelsleden die ervoor gekozen hebben hun oorspronkelijk statuut te behouden. Ten slotte moet dit deel van het ontwerp integraal opnieuw worden doorgenomen om na te gaan of bepaalde categorieën personeelsleden niet terloops over het hoofd werden gezien. Zo verwijst artikel XII.I.1, 1° - blijkbaar ten onrechte - niet naar het bijzonder politiepersoneel van de voormalige rijkswacht. In artikel XII.II.4 wordt in de opsomming van de diensten die voor de vaststelling van de dienstanciënniteit in aanmerking worden genomen geen melding gemaakt van de diensten die als contractueel personeelslid van de algemene politiesteundienst zijn verricht. 2. In het licht van inzonderheid de termijn waarbinnen de afdeling wetgeving haar advies behoort te geven, is het voor de Raad van State uiteraard niet mogelijk na te gaan of de overgangsbepalingen niet leiden tot discriminatie tussen de onderscheiden personeelscategorieën, doordat de oorspronkelijke situaties zo verscheiden zijn. Vanuit methodologisch standpunt behoort te worden opgemerkt dat elk lichte afwijking in de mechanismen ter bepaling van bijvoorbeeld de wedde van de personeelsleden op basis van hun anciënniteit in hun vroegere dienst, kan leiden tot specifieke gevallen van onvoorziene en niet te rechtvaardigen discrepanties, als niet alle variaties uiterst nauwkeurig worden getest. Zo bijvoorbeeld dient de steller van het ontwerp zorgvuldig na te gaan of de verschillen tussen de methodes die gebruikt worden om de weddeschalen van de niveaus D en C van het administratief en logistiek kader vast te stellen (artikelen XII.II.36 en XII.II.42) ten opzichte van die welke voor de niveaus B en A (artikelen XII.II.48 en XII.II.55) van hetzelfde kader worden gebezigd, in elk van die niveaus niet leiden tot onlogische situaties. Artikel XII.II.4 In het tweede lid zijn de woorden "in hoofdzaak" een bron van rechtsonzekerheid. Overigens lijkt deze bepaling een discriminatie in te houden voor de personen die vijftig percent of meer van hun diensten ten behoeve van de gemeente niet bij het gemeentelijk politiekorps hebben gepresteerd. Die personen zouden immers op geen enkele dienstanciënniteit aanspraak kunnen maken. Artikelen XII.V.6 tot XII.V.8 Bij de artikelen XII.V.6 en XII.V.7 wordt een bevoegdheid van verordenende aard toevertrouwd aan ambtenaren, wat niet kan worden aanvaard. Artikel XII.V.8, waarbij wordt bepaald dat de Minister een maatregel van verordenende aard bij circulaire uitvaardigt in plaats van bij ministerieel besluit, heeft zo goed als geen zin. Een circulaire kan immers geen verordenende waarde hebben. Artikel XII.VI.3 Er behoort te worden geschreven : "... die niet in het kader van de mobiliteit (of van een eerste aanstelling ?) zijn aangewezen voor een betrekking na de inwerkingtreding van dit besluit. ». Artikel XII.VII.16 De steller van het ontwerp behoort aan te geven hoe de proportionaliteitsregel waarin deze bepaling voorziet, zal worden uitgevoerd : bij elke reeks bevorderingen of jaarlijks of op een nader te bepalen periodieke basis ? Artikelen XII.VII.28 en XII.VII.31 Deze bepalingen houden een afwijking in van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen. In zulke afwijkingen kan alleen bij wet worden voorzien. Het gebruik van de talen is immers een aangelegenheid die krachtens artikel 30 van de Grondwet alleen door de wetgever kan worden geregeld. Uitvoeringsbepaling Bij sommige bepalingen van het ontwerp worden bepaalde bevoegdheden opgedragen aan een minister die noch de Minister van Binnenlandse Zaken, noch de Minister van Justitie is. Zo bijvoorbeeld wordt in artikel VIII.IV.10, 5°, aan de "federale minister van Ambtenarenzaken" de bevoegdheid opgedragen voor het bepalen van de nadere regelen volgens welke het geven van bloed, bloedplaatjes of bloedplasma recht geeft op een dienstvrijstelling, terwijl in artikel XI.II.6, § 1, tweede lid, wordt bepaald dat de diensten die kunnen worden meegerekend voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen slechts in aanmerking worden genomen na goedkeuring door diezelfde minister. Alle ministers aan wie in het ontwerp een bevoegdheid wordt opgedragen, dienen voor te komen in de uitvoeringsbepaling van het besluit, alsook in het voordrachtformulier en de medeondertekening. Slotopmerkingen betreffende de wetgevingstechniek 1. Wanneer in het ontworpen besluit naar een wet- of verordeningstekst wordt verwezen, dient deze te worden geciteerd met het juiste opschrift ervan.Zo dient bijvoorbeeld in de Franse tekst van artikel XI.V.4 te worden geschreven "loi du 12 janvier 1970 relative à l'octroi d'une indemnité spéciale en cas d'accident aéronautique survenu en temps de paix" in plaats van "loi du 12 janvier 1970 concernant l'octroi d'une indemnité particulière en cas d'accident aéronautique en temps de paix". Wanneer naar een wetsbepaling wordt verwezen, behoort deze bepaling overigens zo nauwkeurig mogelijk te worden aangegeven. Zo bijvoorbeeld dient in de artikelen VIII.XI.13 en VIII.XIII.13, tweede lid, op nauwkeurige wijze te worden verwezen naar artikel 125, derde lid, van de voormelde wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten
(25), en niet gewoon naar artikel 125 van die wet. Wanneer, ten slotte, verwezen wordt naar instellingen die tot een andere rechtsorde behoren, dient daarbij nauwgezet te werk te worden gegaan, waarbij ervoor moet worden gezorgd er geen enkele te vergeten. Zo dient bijvoorbeeld in artikel VIII.IV.
- "van het Europees Parlement" te worden geschreven in plaats van "van de Europese vergaderingen". Evenzo dient in artikel VIII.XIII.13 "Europese Commissie" te worden geschreven in plaats van "Commissie van de Europese Gemeenschappen".
- Wanneer verwezen wordt naar een bepaling - zoals artikel 17, tweede tot zesde lid, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries, waarnaar verwezen wordt in artikel XI.II.7, eerste lid, - mag van een wijziging die deze regeling heeft ondergaan alleen melding worden gemaakt als zulks de uitdrukkelijke wens is van de steller van het ontwerp. Het verwijzen naar een bepaling met vermelding van een wijziging die deze bepaling heeft ondergaan, heeft immers tot gevolg dat de gewijzigde versie van die bepaling in de regeling wordt vastgelegd. Als in casu het tweede tot het zesde lid van het voormelde artikel 17 in de toekomst nog zouden worden gewijzigd, zou de in het ontwerp vervatte verwijzing naar die bepaling die laatste wijziging dus buiten beschouwing laten. Deze opmerking geldt mutatis mutandis ook voor artikel XI.V.4, waarin inzonderheid wordt verwezen naar "artikel 5 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een lid van het personeel der ministeries, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 oktober 1972".
- Gelet op de enorme omvang van het ontwerp en op de zeer korte termijn die de Raad van State is toegemeten om dat ontwerp te onderzoeken, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State niet de mogelijkheid gehad na te gaan of alle interne verwijzingen in het ontwerp juist zijn.Die interne verwijzingen lijken over het algemeen correct gesteld te zijn. Sommige ervan blijken evenwel niet correct. Zou in artikel IX.III.13 bijvoorbeeld niet moeten worden verwezen naar artikel VIII.III.11 in plaats van naar artikel VIII.III.10 ? Voorts zijn de gemachtigden van de minister het ermee eens dat in artikel VI.II.70 moet worden verwezen naar artikel 100, derde lid (en niet naar artikel 100, tweede lid) van de wet. Ten slotte is de verwijzing naar artikel IV.I.45, eerste lid, niet juist : dat artikel bestaat uit slechts één lid en bevat geen uitsluitingsregel. Wellicht wordt artikel IV.I.48 bedoeld. De kamer was samengesteld uit : De heren : Y. Kreins, staatsraad, voorzitter; P. Lienardy en P. Quertainmont, staatsraden; Mevr. B. Vigneron, griffier. De verslagen werden uitgebracht door de heren L. Detroux en C. Amelynck, auditeurs. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld door Mevr. G. Martou, adjunct-referendaris. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Lienardy. De griffier. B. Vigneron. De voorzitter. Y. Kreins. _______ Nota's
(1)Artikel 241 van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten.
(2)Die tekst moet nog worden goedgekeurd in de plenaire vergadering van de Senaat en bij de Kamer van volksvertegenwoordigers worden ingediend. Gedr. Stuk., Senaat (2000-2001), nr 657/4.
(3)Zie advies 28.129/4, verstrekt op 8 maart 1999 over een ontwerp van besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering "houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest".
(4)Zie in dat verband o.m. arrest nr. 52/99 van het Arbitragehof van 26 mei 1999 (Belgisch Staatsblad van 16 juli 1999), inzonderheid punt B.3.4., waarin te lezen staat : "Wegens het uitzonderlijke karakter ervan, dient het toekennen door de wetgever van bijzondere machten aan de Koning strikt te worden geïnterpreteerd. ». Dezelfde gedachtengang kan worden gevolgd wanneer, zoals in het onderhavige geval, het de Grondwetgever is die - wat volkomen nieuw is - de bijzondere machten verleent.
(5)Die taak kan onder meer bestaan in "het uitoefenen van een mandaat in een Belgische openbare dienst" (artikel VIII.XIII.1, tweede lid, 4°).
(6)Zie o.m. R. Andersen en P. Nihoul, "Le Conseil d'Etat : chronique de jurisprudence 1998", Rev. b. dr. const., 2000, blz. 110 tot 112; G. Cerexhe, "Les ministres disposent-ils d'un pouvoir réglementaire ?", A.P.T., 1984, blz. 177 e.v.; M. Leroy, Les règlements et leurs juges, Brussel, Bruylant, 1987, blz. 83 en 84; J. Salmon, Le Conseil d'Etat, deel I, Brussel, Bruylant, 1994, blz. 410 tot 414.
(7)Zoals bij voorbeeld de vaststelling van de modellen van documenten.
(8)Ter vergelijking : de nadere regels volgens welke de Staat de kosteloosheid van de gezondheidszorg voor sommige oudstrijders en oorlogsslachtoffers waarborgt, worden door de Koning geregeld krachtens de wet van 1 juli 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten6 tot vaststelling van het recht van de oorlogsinvaliden en oorlogswezen op geneeskundige verzorging op kosten van de Staat (Belgisch Staatsblad van 15 juli 1969).
(9)Gedr.Stuk, Kamer, 1996-1997, 1199/1.
(10)Op te merken valt dat aan de ontworpen bepaling, in tegenstelling tot een wetsbepaling, geen parlementaire voorbereiding verbonden is die de draagwijdte ervan nader kan toelichten.In dat verband is het nuttig te herinneren aan arrest nr. 134/99 van het Arbitragehof van 22 december 1999, inzonderheid aan punt B.6.2. Het Hof heeft daarin gewezen op "het facultatieve karakter van de beslissing om een terugbetaling op te leggen" en heeft ermee ingestemd, doch heeft er onder meer aan toegevoegd dat "die beoordelingsvrijheid, volgens de parlementaire voorbereiding [...] toestaat rekening te houden met « omstandigheden van familiale of sociale aard »", maar dat ze "niet zo [kan] worden geïnterpreteerd dat ze, gezien in voorkomend geval de genoemde omstandigheden, de overheid die uitspraak moet doen, vrijstelt van de inachtneming van het gelijkheidsbeginsel. »
(11)Zie ook artikel VII.III.33, eerste lid, 2°, waarin die dubbelzinnigheid nog wordt versterkt.
(12)Zie onder meer in die zin de volgende recente adviezen verstrekt door de afdeling wetgeving van de Raad van State : advies 28.129/4, gegeven op 8 maart 1999 over een ontwerp van besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering "houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest", advies 29.013/4, gegeven op 26 maart 1999 over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende het organiek reglement van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking" en advies 30.389/1, gegeven op 11 juli 2000 over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van diverse verordeningsbepalingen betreffende de invoering inzake ambtenarenzaken van de euro".
(13)Op basis van artikel 121, tweede lid, 2°, van de voornoemde wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten.
(14)In die zin R.v.St., arrest nr. 81.583 van 1 juli 1999, Demine en Imbreckx.
(15)Zie in die zin advies nr.28.827/2, gegeven op 12 februari 1999, over het wetsvoorstel dat de wet van 16 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten geworden is (Gedr. St., Kamer, nr. 1965/2, zittingsperiode 1998-1999).
(16)Zie in die zin advies nr.25.704/2 van de Raad van State, gegeven op 21 mei 1997 over een ontwerp van wet dat de wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden sluiten betreffende de veiligheidsmachtigingen geworden is (Gedr. St., Kamer, 1193/1, zittingsperiode 1996-1997).
(17)In de Nederlandse tekst van de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten die in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt is, worden in artikel 118, tweede lid, de woorden "bijkomende, specifieke opdrachten" gebruikt en in artikel 121, tweede lid, 5°, de woorden "bekomende specifieke opdrachten".In de Franse tekst van dezelfde bepalingen worden respectievelijk de woorden "tâches auxiliaires spécifiques" en "tâches auxiliaires et spécifiques" gebruikt (Belgisch Staatsblad van 5 januari 1999, blz. 153 en 154). Het is derhalve onmogelijk na te gaan of de criteria "bijkomende" en "specifieke" aan de hand waarvan de bewuste taken aangegeven worden, samen dan wel afzonderlijk dienen te worden beschouwd.
(18)In verband met het probleem van de bepaling van de "bijkomende" of "specifieke" aard van een taak, zie arrest nr.90.291 van de Raad van State van 18 oktober 2000, waarbij het koninklijk besluit tot regeling van de rechtstoestand van de federale ICT-manager (informatie-en communicatietechnologie) wordt nietig verklaard.
(19)Advies nr.30.123/1, gegeven op 25 mei 2000.
(20)Met name die categorieën van gediplomeerden wier - hoger -diploma slechts in beperkte mate bijkomende kansen op de (publieke) arbeidsmarkt creëert of wier keuze voor bijkomende studies niet in de eerste plaats was ingegeven door overwegingen die verband houden met hun positie op de arbeidsmarkt.
(21)Die vaststelling klemt des te meer nu de bepaling uiteraard ook van toepassing zal zijn op diegenen die hun diploma hebben behaald vr de inwerkingtreding ervan.
(22)Hoe dan ook, zoals reeds opgemerkt is, dient de subdelegatie, gesteld dat ze aanvaardbaar is, aan een persoon en niet aan een dienst zonder rechtspersoonlijkheid te worden verleend.
(23)Zie artikel IX.III.12.
(24)Zie in deze zin advies 27.702/1 dat de afdeling wetgeving op 9 juli 1998 heeft gegeven over een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de rijksambtenaren.
(25)Zoals in artikel IX.I.2., eerste lid, 4°. 30 MAART
- - Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 3 juli 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten2 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, inzonderheid op artikel 1, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 12 juni 1972, 12 juli 1973, 31 juli 1991, 20 mei 1994, 20 december 1995 en 27 december 2000; Gelet op de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten, inzonderheid op artikel 39, derde lid, vervangen door de wet van 22 december 1989 en gewijzigd bij de wet van 29 december 1990; Gelet op de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten9 houdende sociale bepalingen, inzonderheid op de artikelen 99, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985, het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en de wetten van 21 december 1994, 13 februari 1998 en 27 december 2000, 100, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en bij de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten7, 100bis, ingevoegd door de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten7, 102, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 22 december 1995 en 102bis, ingevoegd door de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten7 en gewijzigd bij de wet van 22 december 1995; Gelet op de wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugs Eenheid type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/09/1997 numac 1997009532 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten8 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector, inzonderheid op de artikelen 2 en 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 27 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2000 pub. 06/01/2001 numac 2000001125 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten type wet prom. 27/12/2000 pub. 24/01/2001 numac 2001000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap sluiten houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten; Gelet op de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, inzonderheid op de artikelen 47, tweede lid, 55, 56, 106, derde lid, 108, 121, 125, derde lid, 137, tweede lid, 138, 2° en 144, derde lid; Gelet op de wet van 27 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2000 pub. 06/01/2001 numac 2000001125 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten type wet prom. 27/12/2000 pub. 24/01/2001 numac 2001000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap sluiten houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, inzonderheid op de artikelen 4, 13, 16, 19, 30 en 40; Gelet op het het koninklijk besluit van 30 november 1950 betreffende de huisvesting van sommige categorieën van het door de Staat bezoldigde personeel; Gelet op het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, inzonderheid op de artikelen 47, 48, 49, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 maart 1983, 50, 51, 53, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 maart 1983, 55, 56 en 57, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 maart 1983; Gelet op het koninklijk besluit van 31 juli 1952 tot bepaling van de ambten van het Ministerie van Landsverdediging waaraan vrije inwoning is verbonden, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 15 februari 1954, 7 januari 1956, 18 september 1958 en 8 april 1974; Gelet op het koninklijk besluit van 17 april 1956 tot toekenning van een vergoeding voor reiskosten aan sommige familieleden van militairen die ernstig ziek, door een ongeval getroffen of overleden zijn, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 1981; Gelet op het koninklijk besluit van 20 augustus 1956 houdende regeling van de bijdrage van de Staat in de kosten wegens standplaatsverandering voor de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten; Gelet op het koninklijk besluit van 26 februari 1958 houdende toekenning van een vaste vergoeding aan sommige personeelsleden van de rijkswacht, inzonderheid op de artikelen 1, 1°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 mei 1970, en 1, 7°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 februari 1988; Gelet op het koninklijk besluit van 23 maart 1961, betreffende de toelage aan de militairen die de opleiding tot parachutist hebben ontvangen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 1970, 5 oktober 1972, 1 maart 1977, 11 juni 1981, 15 maart 1988, 21 maart 1991 en 11 augustus 1994; Gelet op het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 mei 1965, 8 april 1974, 14 februari 1978 en 11 juli 1978; Gelet op het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993, de koninklijke besluiten van 14 december 1970, 4 december 1990, 4 maart 1993, 17 maart 1995 en 10 april 1995; Gelet op het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 28 januari 1970, 13 oktober 1971, 28 maart 1974, 17 januari 1975, 24 november 1975, 29 april 1977 en 12 december 1984 en bij de koninklijke besluiten van 2 juni 1976, 12 december 1984, 17 maart 1995, 24 april 1997 en 26 mei 1999; Gelet op het koninklijk besluit van 13 april 1965 tot regeling van de bijdrage van de Staat in de kosten wegens standplaatsverandering van de leden van het personeel van de ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 december 1970 en 17 maart 1995; Gelet op het koninklijk besluit van 21 juni 1965 inzake vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan het provincie- en gemeentepersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 februari 1974 en 29 augustus 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 1965 betreffende de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een lid van het provincie- of gemeentepersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 mei 1973, 22 juli 1975 en 27 november 1985; Gelet op het koninklijk besluit van 29 december 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten gemaakt voor dienstreizen van het provincie- en gemeentepersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 augustus 1976 en 18 april 1985; Gelet op het koninklijk besluit van 30 januari 1967 houdende de toekenning van een haardtoelage of een standplaatstoelage aan het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 november 1969, 29 juni 1973, 4 januari 1974, 10 september 1981, 14 december 1981, 3 december 1987, 16 augustus 1988, 13 december 1989, 21 maart 1990, 7 augustus 1991, 20 oktober 1992 en 5 maart 1993; Gelet op het koninklijk besluit van 16 december 1969 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van sommige militairen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 december 1973, 8 april 1974, 15 maart 1988 en 21 maart 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het Departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 juni 1975, 1 maart 1977, 6 november 1981 en 11 december 1987; Gelet op het koninklijk besluit van 20 oktober 1972 houdende toekenning van een toelage voor dienstprestaties volbracht op zaterdag, op zondag of op een feestdag, voor zekere militairen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 maart 1977, 16 mei 1980, 15 maart 1988, 21 maart 1991, 11 augustus 1994 en 22 november 1999; Gelet op het koninklijk besluit van 27 mei 1975 betreffende de tegemoetkoming van de Staat in sommige begrafeniskosten van militairen die in werkelijke dienst overleden zijn, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 maart 1979, 15 maart 1988 en 21 maart 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 1 oktober 1973 tot vaststelling van de bezoldiging van de personen belast met een leeropdracht aan sommige scholen voor vorming en voortgezette opleiding van officieren en tot toekenning van een toelage aan de titularissen van sommige betrekkingen bij die scholen, inzonderheid op artikel 1, § 1, 1°, 2° en 3°, op artikel 1, § 1, 6°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 november 1978, op artikel 1, § 2, op de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9, op artikel 10, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 1995, op de artikelen 11, 12 en 13, op artikel 13bis, § 1, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 augustus 1980 en op artikel 14, tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 1995; Gelet op het koninklijk besluit van 29 januari 1974 tot vaststelling van het stelsel der toelagen en premies verschuldigd aan de militairen die deelnemen aan de luchtdienst van de krijgsmachtdelen, inzonderheid op de artikelen 7 en 8; Gelet op het koninklijk besluit van 1 oktober 1975 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de tegemoetkoming van de provincies, gemeenten, de agglomeraties van gemeenten en de federaties van gemeenten in sommige vervoerkosten van hun personeelsleden; Gelet op het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militair die in België verplicht wordt werkelijke kosten te dragen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 december 1977, 1 juni 1978, 15 maart 1988, 21 maart 1991, 7 mei 1991 en 11 augustus 1994; Gelet op het koninklijk besluit van 13 januari 1976, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten3, tot regeling van de toekenning van een forfaitaire maandtoelage aan sommige leden van de bijzondere eenheden belast met de wegpolitie; Gelet op het koninklijk besluit van 17 november 1976 tot vaststelling van de grenzen van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk aan sommige personeelsleden van de provincies en de gemeenten; Gelet op het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen en de met militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1984, 30 september 1987, 17 juli 1989 en 7 mei 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 10 oktober 1980 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige personeelsleden van de krijgsmacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 maart 1988, 21 maart 1991 en 22 november 1999; Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 1984 houdende toekenning van een vakantiegeld aan sommige personeelsleden van de Krijgsmacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 maart 1988, 21 maart 1991 en 22 november 1999; Gelet op het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht, inzonderheid op artikel 6, 3° tot 5°, op artikel 7, § 1, derde lid, op de artikelen 8 en 23, op artikel 29, vervangen door het koninklijk besluit van 25 februari 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten3 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 maart 1998, op titel II, hoofdstuk Vbis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1994, op artikel 31, § 2, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 december 1994 en 2 maart 1998, op artikel 32, op titel III, hoofdstuk IV, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 januari 1991, 25 februari 1996 en 2 maart 1998, op artikel 39, vervangen door het koninklijk besluit van 16 december 1994, op artikel 40, § 3, op artikel 40ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten3, op de bijlage B, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1994 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 augustus 1999 en op de bijlage D, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten3; Gelet op het koninklijk besluit van 12 juli 1991 betreffende de toekenning van een toelage en de terugbetaling van de reiskosten aan de leden van de gerechtelijke politie bij de parketten wegens detachering naar het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie; Gelet op het koninklijk besluit van 7 december 1992Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/11/1998 pub. 11/12/1998 numac 1998000733 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht sluiten7 houdende toekenning van een verhuisvergoeding aan de militairen bij overbrenging van de gewone plaats van het werk, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 november 1998 en 22 november 1999; Gelet op het koninklijk besluit van 12 juli 1993 houdende toekenning van toelagen voor leeropdrachten en voor bekleden van bepaalde betrekkingen in bepaalde scholen voor opleidingen en voortgezette opleiding van officieren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 1998 en 8 oktober 1998; Gelet op het koninklijk besluit van 24 mei 1994 houdende toekenning van een toelage aan sommige leden van de rijkswacht die bij het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie bij de parketten zijn gedetacheerd; Gelet op het koninklijk besluit van 1 juni 1994 houdende vaststelling van het vergoedingsstelsel van de leden van de gerechtelijke politie gezonden naar het buitenland als verbindingsofficier; Gelet op het koninklijk besluit van 11 juli 1994 over de algemene politiesteundienst, inzonderheid op artikel 14bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Gelet op het koninklijk besluit van 23 september 1994 houdende toekenning van een forfaitaire toelage aan de leden van het personeel van de rijkswacht die de onmiddellijke bescherming van de Vorst en van sommige leden van de koninklijke familie verzekeren; Gelet op het koninklijk besluit van 23 juni 1995 houdende toekenning van een enig bedrag aan de leden van de gerechtelijke politie bij de parketten; Gelet op het koninklijk besluit van 16 december 1996 houdende toekenning van een premie voor de kennis van een tweede landstaal aan de leden van de griffies en van de parketsecretariaten, alsook aan het personeel van griffies en parketten; Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten2 houdende het administratief en pecuniair statuut van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, inzonderheid op artikel 123, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 1998; Gelet op het koninklijk besluit van 23 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten4 tot toekenning van een toelage voor tweetaligheid aan sommige militairen in actieve dienst; Gelet op het koninklijk besluit van 8 juli 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten9 houdende vaststelling van een forfaitaire toelage toegekend aan sommige personeelsleden van de rijkswacht die ingezet zijn in het veiligheidsdetachement van de nationale luchthaven; Gelet op het koninklijk besluit van 8 juli 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten9 houdende vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van een vergoeding toegekend aan de personeelsleden van de rijkswacht die deelnemen aan humanitaire of politieoperaties onder het gezag van één of meerdere internationale instellingen; Gelet op het ministerieel besluit van 17 maart 1966 tot vaststelling van een kilometervergoeding voor de personeelsleden die voor hun dienstverplaatsingen een eigen vervoermiddel ander dan een autovoertuig gebruiken; Gelet op het ministerieel besluit van 3 oktober 1973 tot regeling van de vergoeding voor verplaatsingen van sommige personeelsleden van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart op de Schelde binnen de Antwerpse agglomeratie; Gelet op het ministerieel besluit van 24 december 1985 houdende de wijze van berekening van de diensturen van het rijkswachtpersoneel; Gelet op het ministerieel besluit van 29 juli 1987 houdende toekenning van een bijzondere toelage aan de leden van de bijzondere brigade belast met de beteugeling van de zware criminaliteit; Gelet op de protocolen nr. 18 van 5 juli 2000, nr. 27/2 van 15 januari 2001, nr. 34 van 16 januari 2001 en nr. 35/1 van 15 februari 2001 van het onderhandelingscomité voor de politiediensten; Gelet op de adviezen van de inspecteur van financiën, gegeven op 10 juli 2000 en 16 januari 2001; Gelet op het advies van de adviesraad van burgemeesters, gegeven op 19 oktober 2000; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 17 juli 2000 en 22 februari 2001; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken van 17 juli 2000 en 22 februari 2001; Gelet op het besluit van de Ministerraad van 9 maart 2001 over het verzoek om advies door de Raad van State binnen de termijn van drie dagen; Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat dit besluit op 1 april 2001 in werking moet treden; dat de wet van 27 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2000 pub. 06/01/2001 numac 2000001125 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten type wet prom. 27/12/2000 pub. 24/01/2001 numac 2001000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap sluiten houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten dit inderdaad voorschrijft en aldus op 1 april 2001 tal van statutaire bepalingen van de gewezen personeelsleden van de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie bij de parketten opheft; dat het niet bekendmaken in het Belgisch Staatsblad van dit besluit vóór 1 april 2001, op die datum derhalve een statutair juridisch vacuüm creëert in hoofde van de personeelsleden van de politiediensten; Gelet op het advies 30.951/2 van de Raad van State, gegeven op 16 maart 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Ambtenarenzaken en Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : DEEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN TITEL I. - DEFINITIES Artikel I.I.
- Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "de wet" : de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;2° "de politiediensten" : de federale politie en de korpsen van de lokale politie;3° "het personeelslid" : elk lid van het operationeel kader en het administratief en logistiek kader in de zin van artikel 116 van de wet, met uitzondering evenwel van de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2000 pub. 06/01/2001 numac 2000001125 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten type wet prom. 27/12/2000 pub. 24/01/2001 numac 2001000028 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap sluiten houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten;4° "het personeelslid van het operationeel kader" : elk lid van het operationeel kader in de zin van artikel 117 van de wet;5° "het personeelslid van het administratief en logistiek kader" : elk lid van het administratief en logistiek kader in de zin van artikel 118 van de wet;6° "politieambtenaar" : elk personeelslid van het operationeel kader dat behoort tot hetzij het basis-, midden- of officierskader in de zin van artikel 117, eerste lid, van de wet;7° "hulpagent" : elk lid van het kader van hulpagenten van politie in de zin van artikel 117, eerste lid, van de wet;8° "aspirant" : elk personeelslid van het operationeel kader dat toegelaten is tot een basisopleiding die toegang geeft tot een betrekking van één van de vier kaders bedoeld in artikel 117, eerste lid, van de wet; 9° "stagiair" : elk personeelslid dat toegelaten is tot de stage bedoeld in de artikelen V.II.7 en V.III.12; 10° "contractueel personeelslid" : elk personeelslid dat in dienst is genomen bij arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/1997 pub. 11/08/1998 numac 1998015084 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Konink