← België

Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot goedkeuring van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verorden

Kort samengevat

Dit besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering keurt de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening goed, die van toepassing is op het hele grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het doel is om een gemeenschappelijke verordenende aanpak op gewestelijk niveau te creëren voor stedenbouw.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

21 NOVEMBER 2006. - Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot goedkeuring van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, van toepassing op het volledige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Gelet op het Brussels Wetboek van de Ruimtelijke Ordening, goedgekeurd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/04/2004 pub. 26/05/2004 numac 2004031182 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening sluiten, met name de artikels 88 tot 97; Gelet op de ordonnantie van 13 maart 2003, die de Regering machtigt om de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening (GSV) goed te keuren, identiek aan de op 3 juni 1999 goedgekeurde, zonder te moeten overgaan tot de onder artikel 89 van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijke Ordening voorziene modaliteiten. Deze Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening zal ophouden gevolg te hebben op het ogenblik van de volgens de onder artikel 89 voorziene modaliteiten goedgekeurde nieuwe Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening en uiterlijk binnen de drie jaar na de inwerkingtreding van deze ordonnantie (BWRO Artikel 329, § 4). Gelet op het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 20 juli 2005 tot vaststelling van de Titels I tot VIII van het ontwerp van Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, met name : Titel I. - Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving Titel II. - Bewoonbaarheidsnormen van de woningen Titel III. - Bouwplaatsen Titel IV. - Toegankelijkheid van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit Titel V. - Thermische isolatie van gebouwen Titel VI. - Reclame- en uithangborden Titel VII. - De wegen, de toegangen ertoe en de naaste omgeving ervan Titel VIII. - De parkeernormen buiten de openbare weg Gelet op de bezwaarschriften en opmerkingen die door particulieren, personenverenigingen, openbare instanties en organismen van openbaar nut kenbaar werden gemaakt tijdens het openbaar onderzoek dat liep van 8 september 2005 tot en met 7 oktober 2005, waarvan de lijst als bijlage van onderhavig besluit gaat; Gelet op de adviezen die door de Gemeenteraden werden bekendgemaakt op de volgende data : Anderlecht, 27 oktober 2005 Oudergem, 20 oktober 2005 Sint-Agatha-Berchem, 27 oktober 2005 Etterbeek, 24 oktober 2005 Evere, 27 oktober 2005 Vorst, 25 oktober 2005 Ganshoren, 28 oktober 2005 Jette, 26 oktober 2005 Koekelberg, 27 oktober 2005 Sint-Gillis, 27 oktober 2005 Schaarbeek, 26 oktober 2005 Ukkel, 27 oktober 2005 Watermaal-Bosvoorde, 25 oktober 2005 Sint-Lambrechts-Woluwe, 20 oktober 2005 Sint-Pieters-Woluwe, 26 oktober 2005 Gelet op de adviezen van de raadgevende instanties, bekendgemaakt op de volgende data : - De Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (hierna genoemd RLBHG), de 21 oktober 2005; - De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna genoemd KCML), de19 oktober 2005; Gelet op het feit dat het advies van de gemeente Elsene buiten termijn werd ingediend, op 7 december 2005, net als de adviezen van de Economische en Sociale Raad (hierna genoemd ESR), op 7 november 2005, en van de Gewestelijke Mobiliteitscommissie (hierna genoemd GMC), op 7 november 2005; Gelet op het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, bekendgemaakt op 9 februari 2006; Gelet op het advies van de Raad van State, bekendgemaakt op 15 september 2006, in toepassing van artikel 84, lid 1, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; I. memorie van toelichting A. Algemeen kader De stedenbouwkundige verordeningen die werden goedgekeurd door de verschillende Brusselse overheden, stapelen zich op en beslaan de meest uiteenlopende domeinen. Overeenkomstig de ordonnantie houdende de organisatie van de planning en de stedenbouw, bleek de noodzaak om werk te maken van een gemeenschappelijke verordenende aanpak op gewestelijk niveau. Dat gebeurde met de goedkeuring, op 3 juni 1999, door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van de Titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, van toepassing op het hele grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, ter vervanging van de Bouwverordening van de Brusselse Agglomeratie, opgeheven door onderhavig besluit. Door een arrest NV ROSSEL OUTDOOR nr. 101.557 van 6 december 2001, verklaarde de Raad van State artikel 21, 2°, lid 2 en 3 van Titel VI van de GSV nietig op grond van het feit dat het goedkeuringsbesluit van 3 juni 1999 niet opnieuw was voorgelegd voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, na volledige vervulling van de voorafgaande formaliteiten, en het feit dat het besluit geen spoedeisend karakter inriep om het een bijzondere rechtvaardiging te geven. Rekening houdend met die nietigverklaring en de absolute noodzaak om te beschikken over een instrument dat zo snel mogelijk operationeel en van toepassing zou zijn op stedenbouwkundig vlak, machtigde de ordonnantie van 13 maart 2003, tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, de Regering om onmiddellijk een gewestelijke stedenbouwkundige verordening goed te keuren, identiek aan de op 3 juni 1999 goedgekeurde, zonder te moeten overgaan tot een nieuw openbaar onderzoek. Daarvoor wijzigde de ordonnantie van 13 maart 2003 artikel 207 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw door toevoeging van een als volgt opgestelde paragraaf 4 : "§ 4. De Regering is ertoe gemachtigd een gewestelijke stedenbouwkundige verordening goed te keuren, identiek aan de op 3 juni 1999 goedgekeurde, zonder te moeten overgaan tot de onder artikel 165 voorziene modaliteiten. Deze gewestelijke stedenbouwkundige verordening zal ophouden gevolg te hebben op het ogenblik van de volgens de onder artikel 165 voorziene modaliteiten goedgekeurde nieuwe gewestelijke stedenbouwkundige verordening en, uiterlijk binnen de drie jaar na de inwerkingtreding van deze ordonnantie. » De ordonnantie van 13 maart 2003 verscheen in het Belgisch Staatsblad van 1 april 2003 en trad, conform artikel 3 ervan, in werking op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad verscheen, zodat de termijn van drie jaar, voorzien in artikel 207, § 4, van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw vervalt op 1 april 2006. Op basis van die wetgevende machtiging heeft de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 20 juli 2005 de Titels I tot VIII van het nieuwe ontwerp van Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening goedgekeurd. Conform de bepalingen van het BWRO werd een openbaar onderzoek georganiseerd dat liep van 8 september 2005 tot en met 7 oktober 2005. De gemeenteraden van de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest evenals de geraadpleegde instanties kregen vervolgens de mogelijkheid om hun advies over het ontwerp van Gewestelijke stedenbouwkundige Verordening kenbaar te maken. Het dossier van het openbaar onderzoek en de consultatie werd door de Minister-Voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overgemaakt aan de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie (GOC) op 12 januari 2006. De GOC maakte haar advies bekend tijdens de plenaire vergaderingen van 26 januari en 2, 8 en 9 februari 2006. B. De voornaamste doelstellingen van Titels I tot VIII Titel I Titel I bepaalt de "kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving" om erop toe te zien dat het architecturale karakter van de stadswijken wordt gerespecteerd en voorrang wordt verleend aan het behoud van de bestaande bebouwing met het oog op een zekere harmonie en de creatie van coherente stadsgehelen. Op de binnenterreinen van de huizenblokken wordt de levenskwaliteit met name in stand gehouden door regels inzake de maximale diepte van de bouwwerken, waarbij zowel rekening wordt gehouden met de afmetingen van het terrein als met de diepte van de naastliggende bouwwerken. De regels betreffende de naaste omgeving van de bouwwerken, en in het bijzonder met betrekking tot de achteruitbouwstroken, beogen eveneens dat behoud van de levenskwaliteit : aanmoediging van aanplantingen en groen, beperking van de parkeerplaatsen in de achteruitbouwstrook,... Sommige regels beogen het behoud van het esthetisch karakter van de gevels, zonder evenwel de creativiteit van de architecten te belemmeren door te strikte normen. Andere bepalingen binden de strijd aan tegen de ontwikkeling van heuse stadskankers op het niveau van de bovenverdiepingen, als gevolg van de leegstand van de woningen boven benedenverdiepingen die gebruikt worden voor een niet-residentiële activiteit : Titel I legt daartoe een afzonderlijke toegang tot de bovenverdiepingen op in het geval van de bouw of inrichting van een commerciële benedenverdieping, behoudens uitzonderingen. Titel II In het licht van de vereisten inzake een minimale levenskwaliteit legt deze titel "bewoonbaarheidsnormen voor de woningen" op die van toepassing zijn op nieuwe woningen alsook bij wijzigingen aan bestaande woningen die een impact hebben op de bewoonbaarheid ervan. De Regering wordt immers steeds vaker geconfronteerd met aanvragen voor de verbouwing tot woningen van bestaande lokalen die niet beantwoorden aan de hedendaagse bewoonbaarheidsnormen. De voorgeschreven normen hebben in de eerste plaats betrekking op de minimumoppervlakten van de woningen en op de hoogtes onder het plafond. Andere bepalingen hebben betrekking op de gebouwen met meer dan één woning (gebouwen met meerdere woningen), waarbij zich specifieke problemen voordoen door de geringe afmeting van de geplande woningen (geen bergruimten zoals kelder of zolder) alsook door de noodzaak om een aantal aspecten collectief te beheren (huisvuil, schoonmaak van de gemeenschappelijke delen,...). Niettegenstaande het bestaan van bijzondere reglementeringen die eveneens betrekking hebben op de woonproblematiek maar elk hun eigen doelstellingen nastreven, bleek het noodzakelijk om dergelijke normen te handhaven, in de eerste plaats met betrekking tot de nieuwe gebouwen of de grote verbouwingen. Titel III « Bouwplaatsen" in een stedelijke omgeving kunnen voor specifieke hinder zorgen. Om die hinder te beperken, zowel ten aanzien van de omliggende functies als inzake mobiliteit van het verkeer, bepaalt Titel III de regels met betrekking tot het beheer van de bouwplaatsen die niet vallen onder de regels die gelden krachtens de uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie van de bouwplaatsen op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsook met betrekking tot hun inrichting, de bescherming van het voetgangersverkeer, de opslag van materiaal en de plaatsing van werfvoertuigen en -machines. Titel IV Deze titel heeft betrekking op de "toegankelijkheid van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit". Aangezien de toegankelijkheid een recht is voor personen met beperkte mobiliteit, een recht dat ook absoluut verbeterd moet worden, worden normen bepaald voor de toegankelijkheid en de inrichting, die zowel van toepassing zijn op openbare gebouwen als op bepaalde private gebouwen die open staan voor het publiek en/of dienen voor specifieke diensten (handelszaken, kantoorgebouwen,...). Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar de parkeerplaatsen voorbehouden voor personen met beperkte mobiliteit. Titel V Titel V heeft betrekking op de "thermische isolatie van gebouwen". De thermische isolatie van de gebouwen staat borg voor een energiebesparing die niet alleen gunstige gevolgen heeft voor het leefmilieu op wereldwijde schaal, maar ook leidt tot een vermindering van de uitgaven (besparingen op nationaal niveau en op de privébudgetten) en een verbetering van het comfort. Deze titel is van toepassing op schoolgebouwen, verblijfsgebouwen (individuele en collectieve woningen, ziekenhuizen, gevangenissen, kazernes...), en kantoorgebouwen (administraties, dienstverlenende bedrijven,...). Deze normen worden in de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening gehandhaafd tot bij de overschrijving in de wet van de richtlijn 2002/91/CE met betrekking tot de energieprestatie van gebouwen. Titel VI Titel VI bepaalt voor het hele Gewest de principes voor de organisatie van reclame-inrichtingen en uithangborden die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, voor zover die een betekenisvolle invloed hebben op het stadsbeeld. De titel beoogt een integratie van de reclame in het stedelijk landschap en het voorkomen van visuele hinder, maar houdt tegelijkertijd rekening met de impact van deze activiteitensector op de gewestelijke economie. De reglementering die deze titel vastlegt, draagt bij tot de doelstelling van de Regering inzake het behoud van het stedelijk erfgoed. Sommige bepalingen zijn ook ingegeven door het streven om de bewoonbaarheid van de woningen te beschermen (de naleving, voor de uithangborden, van een zekere afstand van de mandelige grenzen; verbod op reclame of uithangborden voor gevelopeningen (zelfs gedeeltelijk); verbod op lichtgevende reclame in de buurt van de vensters van woningen...). Titel VII Titel VII heeft betrekking op de goede inrichting van openbare ruimten, door het beheer van "de wegen, de toegangen ertoe en de naaste omgeving ervan". Die goede inrichting is van essentieel belang voor de harmonieuze ontwikkeling van de stad. Het doel van Titel VII bestaat erin om minimale basisregels op te leggen die nageleefd moeten worden voor een correcte inrichting van de wegen ten gunste van alle weggebruikers. Hij is van toepassing op de handelingen en werken op de wegen, zijnde de wegen te lande voor het publiek verkeer, onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning, met uitsluiting van de spoorwegen. Titel VIII Titel VIII integreert in de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening de problematiek van het parkeren buiten de openbare weg, een problematiek die voordien werd geregeld door de omzendbrief 18 van 12 december 2002 met betrekking tot de beperking van het aantal parkeerplaatsen (Belgisch Staatsblad, 11 februari 2003). Deze Titel wil een verordenende basis verschaffen voor de parkeerregels buiten de openbare weg, om deze bepalingen een normgevende waarde te geven. II. MOTIVERING Overeenkomstig artikel 89 van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijke Ordening, motiveert de Regering haar beslissingen wanneer ze afwijkt van het advies van de GOC. Het besluit motiveert dus niet de wijzigingen die worden aangebracht aan het ontwerp van GSV wanneer de Regering de voorstellen van de reclamanten en het advies van de GOC volgt. A. Algemene opmerkingen Algemeenheden Termijn Verscheidene reclamanten (gemeenten) vinden dat de termijn die wordt gegeven om het document te analyseren en voor te leggen aan het College en de Gemeenteraad, te kort is. De GOC is het daarmee eens en wijst er nogmaals op, zoals ze reeds deed in verscheidene voorgaande adviezen, dat de termijn van dertig dagen voor het uitwerken van een advies over het ontwerp van GSV te kort is. Die termijn is voor de Commissie niet voldoende voor een gedetailleerde lezing die borg staat voor een perfecte overeenstemming en homogeniteit van haar advies met betrekking tot de verschillende titels. In dit verband wordt eraan herinnerd dat de proceduretermijnen, en in het bijzonder de termijnen die aan de overheden en bevoegde instanties worden opgelegd voor het indienen van hun advies, zijn vastgelegd in artikel 89 van het BWRO, een wettelijke bepaling die zowel bindend is voor de instanties als voor de Regering in de procedure voor de uitwerking van de GSV. De GSV en de economische activiteiten Sommige leden van de GOC zijn van mening dat een aantal bepalingen van het ontwerp van GSV niet tegemoetkomen aan de algemene doelstellingen die de Regering vooropstelde, in het bijzonder inzake de ontwikkeling van de handelsfunctie en de economische functie. In het Contract voor de Economie en de Tewerkstelling en in het Plan voor de herontplooiing van de handel werd duidelijk een contractueel samenwerkingsverband gedefinieerd tussen de ondernemingen en de overheden, dat borg moet staan voor de economische ontwikkeling van het Gewest en tegelijkertijd een herstel van de werkgelegenheid voor de Brusselaars in de hand moet werken. Zo houden de voorschriften van diverse titels van het ontwerp van GSV nieuwe beperkingen in voor de ondernemingen en dragen ze dus niet bij tot het versterken van de economische aantrekkingskracht van het Brussels Gewest. Derhalve dient de GSV te worden afgestemd op dat samenwerkingsverband, ten einde bij te dragen tot de versterking van de aantrekkingskracht van het Gewest voor de ondernemingen. Andere leden van de GOC zijn het niet eens met die analyse en oordelen dat de verordening een zeker evenwicht moet nastreven tussen de belangen van de verschillende gebruikers van de stad. Vanuit het oogpunt van de duurzame ontwikkeling moet op een evenwichtige manier rekening worden gehouden met de economische, sociale en milieufactoren. Deze uiteenlopende meningen komen tot uiting in verscheidene punten van het advies van de GOC. Over die punten werd gestemd. Aansluitend op wat sommige leden van de GOC aanhalen, wordt geantwoord dat de verordening een evenwicht moet nastreven tussen de belangen van de verschillende gebruikers van de stad. Vanuit het oogpunt van de duurzame ontwikkeling moet op een evenwichtige manier rekening worden gehouden met de economische, sociale en milieufactoren. De uitvaardiging van een stedenbouwkundige verordening vormt op zich geen belemmering voor de economische activiteit, maar kan er mee voor zorgen dat deze activiteit wordt uitgeoefend in een adequaat leefkader dat de ontwikkeling ervan ten goede komt. De RLBHG vindt dat de GSV rekening had moeten houden met de specifieke kenmerken van de verschillende functies aanwezig in het Gewest, en met name een onderscheid had moeten maken tussen de regels die van toepassing zijn op de woningen en op de productie-industrieën (onder meer inzake het behoud van een doorlaatbare oppervlakte). Sommige leden van de GOC zijn van oordeel dat de voorschriften van het ontwerp van GSV, zoals ze werden opgesteld, hoofdzakelijk gericht zijn op de woongebouwen in doorlopende gebouwenrijen en lijken, in veel hypothetische gevallen, moeilijk toepasbaar op de gebouwen en landschappen die bestemd zijn voor economische activiteiten. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de voorschriften met betrekking tot de rooilijnen of de verplichting om een doorlaatbare oppervlakte in volle grond van 50 % te handhaven, een maatregel die niet systematisch kan worden toegepast op industriegebouwen. In veel gevallen zullen de vergunningsaanvragen voor die gebouwen om een afwijking moeten vragen, wat de procedure aanzienlijk verzwaart, de afleveringstermijn van de vergunningen verlengt en een gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar zal vereisen. Andere leden stellen voor dat een specifieke cel in het leven zou worden geroepen opdat de economische dossiers door de administratie zouden worden behandeld met de nodige snelheid De GOC vraagt om de gebieden waar uitsluitend economische activiteiten zijn gevestigd, zoals de gebieden voor havenactiviteiten en vervoer en het gebied voor stedelijke industrie, uit te sluiten van het toepassingsgebied van Titel I. Sommige leden vragen, bovendien, om in de GSV afwijkingsmogelijkheden te voorzien voor bouwwerken met economische bestemmingen, gevestigd in woongebieden en gemengde gebieden. Andere leden van de GOC delen dat standpunt niet. Zij vinden dat de regels die zijn uitgevaardigd in de GSV, niet onverenigbaar zijn met de redelijke ontwikkeling van de economische activiteiten in de stad. De organisatie van een openbaar onderzoek in het geval van een afwijking van de GSV, maakt het mogelijk de verschillende betrokken actoren te betrekken bij het zoeken naar gepaste oplossingen voor een betere coëxistentie van de functies in die gebieden. Zoals reeds hoger werd gesteld, vormen de regels van de GSV geen belemmering voor de economische ontwikkeling in de verschillende gebieden van het Brussels Gewest. Zo houden de regels betreffende de diepte en hoogte van bouwwerken, bepaald in titel I van de GSV, rekening met de naastliggende bouwwerken. In het geval van gebouwen in gemengde of industriële wijken getuigen de bestaande gebouwen met een economisch karakter doorgaans van specifieke dieptes en bouwprofielen, zodat ze voor nieuwe gebouwen dezelfde dieptes en bouwprofielen mogelijk maken. Presentatie van de GSV De KCML is van mening dat het goed zou zijn om de GSV aan te vullen met een inleiding en een toelichting van de algemene filosofie per titel. De GOC schaart zich achter het verzoek van de KCML en vraagt aan de Regering om een inleiding en een toelichting van de algemene filosofie per titel op te stellen. Een reclamant uit de wens dat de GSV de te verwezenlijken doelstellingen op een dynamischere manier zou benaderen. Die doelstellingen zouden uiteengezet kunnen worden in een begeleidende nota bij de verordenende tekst. Reclamanten vragen dat de GSV in elke titel zou verwijzen naar het bestaand verordenend kader. De GOC vraagt om bij de GSV een toelichtende brochure uit te geven die uitleg verschaft over de beoogde doelstellingen van elke titel van de verordening, van het verordenend kader voor de diverse behandelde materies, met precisering van de plaats van de GSV in de hiërarchie van de normen. In dit verband wordt gepreciseerd dat er een presentatie van de GSV zal worden uitgewerkt, met een inleidende tekst en illustraties bij elke titel. Die commentaren hoeven echter niet in de verordenende teksten te worden opgenomen. Voorafgaande consultaties : Verscheidene reclamanten en de RLBHG betreuren dat er weinig voorafgaand overleg werd gepleegd met alle partijen die betrokken zijn bij de wijziging van deze verordening. De GOC haalt aan dat voor de bestaande GSV een grootschalige consultatie van de diverse Brusselse actoren werd georganiseerd : zowel bij de overheden als bij de mensen in de praktijk en de sociale en economische actoren. Ze betreurt dat dit niet gebeurde voor het ontwerp van GSV, waarvoor alleen de openbare besturen werden geraadpleegd. Bovendien wijst ze op het probleem rond het in aanmerking nemen van de adviezen van de raadgevende instanties. De jurisprudentie van de Raad van State stelt namelijk dat de Regering enkel gevolg kan geven aan de voorstellen tot wijziging van de gemeenteraden en raadgevende instanties indien die ondersteund worden door de bezwaarschriften die werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek. De GOC zal zich later over deze problematiek buigen en suggesties doen aan de Regering opdat die zou nagaan of een wijziging in de wettelijke procedure wenselijk is. Reclamanten halen aan dat geen enkele grondige evaluatie werd gemaakt. Die evaluatie had het mogelijk kunnen maken om de beoogde vereenvoudiging op een doeltreffendere en zinvollere manier te verwezenlijken. De hoofdzakelijk technische wijzigingen in de GSV maken de regels er niet eenvoudiger op, en geven integendeel de indruk dat ze nog ingewikkelder werden gemaakt. Reclamanten betreuren het gebrek aan publiciteit rond deze wijzigingen, evenals het feit dat geen enkele publieke informatiecampagne werd georganiseerd. De GOC vraagt dat minstens om de twee jaar een evaluatie zou worden gemaakt over de toepassing van de GSV en de meest voorkomende aanvragen tot afwijking. In dit verband dient rekening te worden gehouden met het feit dat de GSV werd uitgewerkt in het verlengde van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juni 1999 tot aanpassing van de titels I tot VII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Gelet op de gedeeltelijke nietigverklaring van die verordening heeft de ordonnantie van 13 maart 2003, om een einde te maken aan de rechtsonzekerheid van die toestand, de Regering gemachtigd om de op 3 juni 1999 uitgevaardigde Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening onmiddellijk goed te keuren, in afwachting van de uitwerking van de onderhavige verordening. Het doel was om de regels te vereenvoudigen daar waar dat mogelijk was, en om er alle dubbelzinnigheden uit te halen ten opzichte van de voorschriften die kunnen leiden tot interpretatieverschillen. Er werd overigens een consultatie georganiseerd bij de gemeenten en het gewestbestuur, alsook een openbaar onderzoek dat openstond voor de hele bevolking, zodat alle betrokkenen hun opmerkingen konden maken. Thema's die ontbreken of onvoldoende werden uitgewerkt in de GSV De Koninklijke Commissie Monumenten en Landschappen acht het wenselijk dat de GSV het behoud van de morfologie en van de bestaande bebouwing bevordert en aanmoedigt tot een "duurzame" bouw en tot het behoud van de natuurruimten. Ze vraagt dat de GSV een duidelijker onderscheid zou maken tussen de bestaande bebouwing en de nieuwbouw. De GOC is van oordeel dat het ontwerp van GSV ruimschoots tegemoetkomt aan dat verzoek, door een onderscheid te maken tussen de voorschriften die van toepassing zijn op nieuwbouw en de voorschriften die gelden voor bestaande bouwwerken. Bij nieuwbouw belet de GSV niet dat ruime aandacht wordt geschonken aan de bezinning rond de duurzame ontwikkeling. De gemeenten en verdedigingscomités betreuren dat het ontwerp van GSV een aantal vragen links laat liggen met betrekking tot de milieuproblematiek, zoals : de duurzame ontwikkeling, de definiëring van overstromingsgebieden, de kwestie van de geluidsisolatie, de groene daken, de ecoconstructie, het gebruik van vernieuwbare energie, .... De kwestie van de overstromingsgebieden ligt in het bijzonder verscheidene reclamanten na aan het hart die zouden willen dat men de gemeenten verplicht om regelmatig de rioleringen schoon te maken en de retentiecapaciteit van de stormbekkens te controleren. Deze reclamanten vragen de invoering van regels zoals : bij de verbouwing van gebouwen : geen overstroombare kelderverdiepingen of benedenverdiepingen; uitrustingen op 0,50 m boven de grond; het pompsysteem moet in staat zijn om het overtollige water naar reservoirs met een voldoende grote capaciteit af te voeren; de rioleringen mogen niet kunnen terugvloeien in het gebouw. Sommige leden betreuren dat bepaalde thema's niet aan bod komen, zoals de geluidsisolatie, de groene daken en het gebruik van hernieuwbare energie. Ze wijzen er evenwel op dat de normen inzake ecoconstructie snel evolueren. Het opstellen van normen voor die materies kan niet gebeuren zonder bijkomende onderzoeken. Nieuwe voorschriften zouden veeleer de prestaties en resultaten moeten beogen dan de middelen De GOC herinnert eraan dat een nieuwe ordonnantie Titel V met betrekking tot de thermische isolatie van gebouwen zal vervangen om tegemoet te komen aan de Europese Richtlijn 2002/91/CE betreffende de energieprestaties van gebouwen. De kwestie van de overstromingsgebieden moet daarentegen het voorwerp uitmaken van een specifieke studie, die moet uitmonden in een cartografie van de overstromingsgebieden in het Brussels Gewest en de uitwerking van specifieke maatregelen voor die gebieden. Dit aspect valt niet onder algemene voorschriften met betrekking tot het hele Gewest. Er wordt gepreciseerd dat sommige van deze thema's aan bod komen in nieuwe voorschriften die werden opgenomen in de GSV. Dat is onder meer het geval voor de groene daken of de zonnepanelen, waarvoor nieuwe normen zijn bepaald in Titel I, omdat die normen kaderen in het voorwerp van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening. Andere thema's komen niet aan bod in de GSV, zoals bijvoorbeeld de normen inzake ecoconstructie, omdat deze afhangen van bouwtechnieken die voortdurend evolueren en dus niet thuishoren in een stedenbouwkundige verordening. Voor die andere thema's zijn de na te leven normen opgenomen in andere normgevende teksten of precieze technische regels. De kwestie van de overstromingsgebieden moet overigens worden benaderd vanuit een globale denkoefening en in kaart worden gebracht, in het licht van de ruimtelijke ordening, een problematiek die buiten het kader van de GSV valt. GSV en erfgoed De Koninklijke Commissie Monumenten en Landschappen is van mening dat de verordening geen hindernis mag vormen voor het behoud van het onroerend erfgoed. Ze vreest dat de toepassing van bepaalde voorschriften, en meer bepaald die van Titel IV met betrekking tot de toegang van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit, zal leiden tot de verdwijning van het kleine erfgoed, dat de grote kwaliteit uitmaakt van de Brusselse bebouwing. Ze vraagt dat de voorschriften van de GSV niet toegepast zouden worden wanneer ze indruisen tegen het belang en de intrinsieke kwaliteit van de gebouwen met erfgoedwaarde. De GOC verwijst naar haar advies betreffende de Titels II en IV, waarin ze amendementen voorstelt om rekening te houden met de erfgoedelementen. Inzake de bescherming van het onroerend erfgoed moet rekening worden gehouden met het feit dat, naast de algemene verbodsbepalingen van artikel 232 van het BWRO voor de beschermde goederen, de beschermingsmaatregelen ook voortvloeien uit bijzondere voorwaarden voor het behoud en uit de beoordeling van de bevoegde overheid bij de aflevering van de stedenbouwkundige vergunning. Gelet op de enorme verscheidenheid van de beschermde elementen en de voorwaarden voor het behoud, alsook op het feit dat in veel gevallen de vereisten inzake de bescherming van het onroerend erfgoed te verzoenen zijn met de doelstellingen van de GSV, werd ervoor geopteerd om algemene bepalingen te behouden. Er kan immers altijd worden afgeweken van de bepalingen van de verschillende titels van de GSV wanneer die een aantasting van het architecturaal erfgoed met zich meebrengen. De hiërarchie van de normen Heel wat gemeenten wijzen op het probleem dat wordt gevormd door de toepassing van artikel 94 van het BWRO. Dat artikel leidt tot tal van problemen en verplicht de gemeenten om de afwijkingsprocedure toe te passen (en dus een openbaar onderzoek te organiseren) voor aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen die wel overeenstemmen met de BBP's, maar afwijken van de GSV. (Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de GSV strengere maatregelen oplegt dan het BBP). Deze kwestie doet de vraag rijzen inzake de hiërarchie van de normen : hiërarchie tussen de plannen en andere verordeningen, de BBP's, de verkavelingsvergunningen en de GSV. Sommige reclamanten zijn van mening dat de GSV niet toegepast zou mogen worden op verkavelingsvergunningen of BBP's, behalve voor materies die niet door die laatste documenten worden behandeld. De GOC herinnert eraan dat de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw in artikel 62 stelde : "De voorschriften van de plannen van aanleg heffen, ten aanzien van het grondgebied waarop zij betrekking hebben, de ermede strijdige bepalingen van de gemeentelijke verordeningen van rechtswege op. Van de voorschriften der plannen van aanleg die bindende kracht hebben verkregen, mag in de nieuwe verordeningen niet worden afgeweken. » De GOC haalt aan dat in de geest van de wetgever van 1962 de stedenbouwkundige verordeningen hiërarchisch ondergeschikt zijn aan de plannen van aanleg. De ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende de organisatie van de planning en de stedenbouw bevestigt die hiërarchie, vermits deze stipuleert : "De voorschriften van de vigerende gewestelijke en gemeentelijke verordeningen zijn enkel van toepassing op het grondgebied gedekt door een overeenkomstig titel II [van het BWRO] opgemaakt plan in de mate dat ze niet strijdig zijn met de verordenende voorschriften van deze plannen. » (BWRO, artikel 94) Artikel 161 van het ontwerp van ordonnantie houdende de organisatie van de planning en de stedenbouw, dat achteraf niet werd gewijzigd, wordt als volgt verantwoord in de commentaar per artikel : "artikel 161 bevestigt de preëminentie van de voorschriften van de plannen op de stedenbouwkundige verordeningen ». (doc. A108/1-90/91, p.39) De restrictieve interpretatie van de term "strijdig" leidt evenwel tot de toepassing van de regels van de GSV die ermee verenigbaar zijn, maar strenger zijn dan die van de BBP. De GOC is van oordeel dat de kwestie van de hiërarchie tussen de BBP's en de GSV definitief geregeld moet worden. Ze behoudt zich het recht voor om deze problematiek later te berde te brengen in een aanbeveling aan de Regering. Er wordt evenwel op gewezen dat deze problematiek van de hiërarchie van de normen en van de draagwijdte van artikel 94 van het BWRO betrekking heeft op een wetgevende bepaling van het BWRO, waaraan onderhavig besluit tot goedkeuring van de GSV ondergeschikt is. Verbanden tussen de GSV en de procedure voor de aflevering van stedenbouwkundige vergunningen Verscheidene gemeenten vragen om de openbare onderzoeken te beperken tot de projecten van groot belang. In dit verband stellen ze voor om ofwel de vrijstelling van een aanvraag van stedenbouwkundige vergunning van het advies van de gemachtigde ambtenaar uit te breiden tot andere geringe afwijkingen (bijvoorbeeld van het voorschrift betreffende het gelijkvloers met tuin in Titel I), ofwel het regeringsbesluit van 12 juni 2003 betreffende de handelingen en werken die vrijgesteld zijn van het advies van de gemachtigde ambtenaar, aan te passen. De GOC wijst op de moeilijkheid om een definitie te geven voor de juiste inhoud van het begrip "van groot belang". De GOC herinnert eraan dat het besluit betreffende werken van geringe omvang, behoudens in het geval van afwijkingen, vrijstelling van het advies van de gemachtigde ambtenaar verschaft voor "elke constructie van een bijgebouw tegen het hoofdgebouw voor zover ze tot één niveau beperkt blijft en haar hoogte geen 3,50 m overschrijdt in verhouding tot het niveau van de aangrenzende tuin op die plaats, voor de laagste kant" » Dat stelt de gemeenten in staat om stedenbouwkundige vergunningen af te leveren voor een gelijkvloers-met-tuin voor aanvragen die conform de GSV zijn, zonder daarvoor het advies van de gemachtigde ambtenaar te moeten vragen. Ze vraagt om de mogelijkheid voor gemeenten om stedenbouwkundige vergunningen af te leveren zonder advies van de gemachtigde ambtenaar, uit te breiden tot andere handelingen en werken. De reclamanten vragen met klem om werk te maken van een reële vereenvoudiging van de reglementeringen met de bedoeling de procedures voor de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen te versnellen. Het probleem van de afwijkingen duikt regelmatig weer op : kan men de verschillende gevallen van mogelijke afwijkingen beschrijven : tabel met de gevallen van mogelijke afwijkingen en de procedures die daarbij komen kijken. Deze reclamant vraagt dat een jaarbalans zou worden opgemaakt met het aantal toegestane afwijkingen en de desbetreffende artikelen. De GOC is van mening dat de toepasbare regels in het algemeen te complex zijn en geen ruimte bieden voor vereenvoudiging van de procedures voor de toekenning van de stedenbouwkundige vergunningen. Ze vraagt dat minstens om de twee jaar een evaluatie van de werking van de GSV zou worden gemaakt. Die evaluatie moet gebeuren in samenwerking met de gemeenten en moet worden overgemaakt aan de Regering en de GOC. Deze evaluatie zou het mogelijk maken de toepassing van de verordening te toetsen aan de realiteit. Op dit vlak wordt erop gewezen dat de regels voor het onderzoek en de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen worden bepaald door het BWRO en zijn uitvoeringsbesluiten, en dus niet door onderhavig verordenend besluit. Toepassingsgebied Gemeenten en particulieren vragen om het toepassingsgebied van de verschillende titels te uniformiseren : ze stellen voor om een globaal toepassingsgebied te bepalen dat alle specifieke kenmerken omvat; sommigen stellen voor om terug te grijpen naar het principe van de "ingrijpende wijziging" - dat nog ter sprake komt in Titel IV. Anderen vinden daarentegen dat het ontwerp van GSV de situatie heeft verduidelijkt en hechten hun goedkeuring aan de voorgestelde herformulering van het ontwerp van GSV. Zoals de GOC preciseert, is het wenselijk noch verstandig om de toepassingsgebieden van de verschillende titels van de GSV te uniformiseren, aangezien ze betrekking hebben op verschillende materies die ook kunnen worden toegepast op specifieke situaties. De problematiek rond de toepassing van de verordening op bestaande gebouwen komt steeds terug op de voorgrond doorheen alle titels : sommige gemeenten vinden dat de verordening moet worden toegepast op alle verbouwingswerken, ongeacht hun omvang. Zoals de GOC aanhaalt, is dit verzoek overdreven. De toepassing van de verschillende titels van de GSV op de bestaande bouwwerken gebeurt volgens de bepalingen die eigen zijn aan elke titel - bepalingen die specifiek kunnen zijn voor de bestaande bouwwerken - en rekening houdend met de overgangsbepalingen, wat het mogelijk maakt om de diverse situaties specifieker te behandelen. De gemeenten vinden dat men het toepassingsgebied moet aanvullen door er § 3 van artikel 98 van het BWRO in op te nemen, zijnde de handelingen en werken onderworpen aan een vergunning via een stedenbouwkundige verordening. De GOC meent eveneens dat er in de toepassingsgebieden verwezen moet worden naar artikel 98, § 3. In dit verband moet worden gepreciseerd dat de GSV moet worden toegepast op de handelingen en werken die worden omschreven in het BWRO, artikel 98, § 1, eerste lid, ongeacht of die van rechtswege onderworpen zijn aan een stedenbouwkundige vergunning of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 98, § 2, evenals op de handelingen en werken die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens artikel 98, § 3. Artikel 98 § 3 van het BWRO heeft uitdrukkelijk tot doel om de handelingen en werken die door een stedenbouwkundige verordening zijn onderworpen aan een vergunning, te onderwerpen aan alle bepalingen van het BWRO, dus met inbegrip van de bepalingen die betrekking hebben op de stedenbouwkundige verordening. Derhalve heeft de GSV betrekking op alle hypotheses bedoeld in artikel 98 (paragrafen 1, 2 en 3). Het toepassingsgebied van de verschillende titels van de GSV wordt dan ook in die zin gepreciseerd. Een andere reclamant oordeelt dat het moeilijk is om materies te reglementeren die niet onderworpen zijn aan een stedenbouwkundige vergunning. Zoals de GOC aanhaalt, is het inderdaad moeilijk om handelingen en werken te reglementeren die niet aan een vergunning zijn onderworpen. Maar die werken moeten wel beantwoorden aan de normen die worden voorgeschreven door de GSV. In het andere geval zijn ze onderworpen aan de aflevering van een stedenbouwkundige vergunning. Overgangsbepalingen en toepassing in de tijd Verscheidene reclamanten vragen hoe het zit met de toepassing van de GSV op de aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen waarvoor een onderzoek loopt. Ze vragen om een overgangsperiode in te voeren. Diezelfde reclamanten vragen om in de overgangsbepalingen een bepaling toe te voegen over de handelingen en werken waarvoor geen vergunning is vereist. De GOC herinnert eraan dat elke Titel van het ontwerp van GSV de toepassing van de Titel in de tijd toelicht. Die kan verschillen van de ene titel tegenover de andere, al naargelang de behandelde materies. Derhalve zal de GSV van toepassing zijn op de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen die worden ingediend na de inwerkingtreding van de verordening. De bepalingen in de tijd worden in die zin aangepast in de verschillende titels van de GSV. De kwestie van sancties en verantwoordelijkheden De vraag rond de sancties wordt meermaals gesteld : wie sanctioneert, wie bepaalt het soort sanctie, ... ? Verscheidene particulieren en buurtcomités betreuren dat de GSV deze kwesties niet regelt en geen sanctie voorziet - in het bijzonder titel III - Bouwplaatsen, wat in hun ogen niet borg staat voor de toepassing van de regels. In diezelfde gedachtegang vragen sommigen hoe het zit met de opvolging en controle van de verordening. Een reclamant stelt voor dat de GSV zou stipuleren dat de verantwoordelijkheid voor de naleving van de verordening een gemeentelijke bevoegdheid is. Daartoe zouden één of meerdere ambtenaren duidelijk aangesteld moeten worden. Zoals de GOC aanhaalt, wordt de kwestie van de sancties geregeld door het BWRO en is het niet aan het verordenend besluit tot goedkeuring van de GSV om deze problematiek te reglementeren. Verklarende woordenlijst Verscheidene gemeenten wensen een unieke verklarende woordenlijst en onderstrepen in elk geval de noodzaak van coherente en geharmoniseerde definities doorheen de verschillende titels van de GSV. Zoals de GOC aanhaalt, moet elke titel van de GSV zijn eigen verklarende woordenlijst bevatten, niet alleen om autonoom te blijven maar ook omdat elke titel specifieke thema's behandelt. Dat neemt echter niet weg dat de GSV een zekere coherentie moet garanderen doorheen de volledige verordening. Vragen in verband met de vorm Sommige reclamanten vragen een doorlopende nummering doorheen alle titels van de GSV. Andere reclamanten vragen de toevoeging van een inhoudstafel. Reclamanten vragen om de teksten aan te vullen met didactische schema's, foto's, .... Ze vragen om commentaar te plaatsen bij de verordenende tekst. De GOC schaart zich achter de reclamanten en is van mening dat een doorlopende nummering van de verordening doorheen de verschillende titels de lezing van de verschillende onderdelen zou vergemakkelijken. Ze vraagt de toevoeging van een inhoudstafel en acht het ook nuttig om een presentatie van de GSV met commentaar en illustraties uit te werken, die de verordening explicieter zou maken In dit verband wordt aangehaald dat de GSV het voorwerp zal uitmaken van een publicatie met commentaren en illustraties, die de verordening begrijpelijker en toegankelijker zullen maken. B. Bijzondere opmerkingen bij Titels I tot VIII TITEL I. - Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving Toepassingsgebied Artikel 1 § 2 Een reclamant vraagt om het toepassingsgebied uit te breiden naar de handelingen en werken waarvan de uitvoering een stedenbouwkundige vergunning vereist, opgelegd door een stedenbouwkundige verordening. Een reclamant vraagt of in lid 1 ook niet moet worden verwezen naar artikel 98, § 1, lid 2 van het BWRO. Een reclamant meent dat er ook moet worden verwezen naar artikel 96 van het BWRO. Er kunnen immers andere handelingen en werken bestaan buiten artikel 98. De GOC wijst erop dat er in het Toepassingsgebied moet worden verwezen naar artikel 98, § 3 van het BWRO betreffende de handelingen en werken waarvoor een stedenbouwkundige verordening een vergunning voorschrijft voor de uitvoering ervan. Zoals reeds in de algemene opmerkingen werd gepreciseerd, dient de GSV te worden toegepast op de handelingen en werken die worden omschreven in het BWRO, artikel 98, § 1, eerste lid, ongeacht of die van rechtswege onderworpen zijn aan een stedenbouwkundige vergunning of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 98, § 2, evenals op de handelingen en werken die aan een vergunning zijn onderworpen krachtens artikel 98 § 3. Om de redenen die worden aangehaald in de algemene opmerkingen, werd het toepassingsgebied van de verschillende titels in die zin gepreciseerd. Definities Artikel 2 3. Rooilijn Een reclamant stelt een nieuwe definitie voor rooilijn voor : « lijn die de aardebaan van een bestaande of toekomstige weg bepaalt en die algemeen de grens vormt tussen de openbare weg en de private of openbare eigendommen.» De GOC verwerpt dit voorstel. Ze stelt voor om de definitie te wijzigen met verwijzing naar de « naastliggende eigendommen » in plaats van « private of openbare eigendommen ». In dit verband dient te worden aangehaald dat de definitie van de rooilijn geen interpretatieproblemen met zich meebrengt ten aanzien van de uitreikende overheden. De wijzigingen in de GSV hebben tot doel om de elementen te verduidelijken die vatbaar zijn voor interpretatieverschillen of om bepaalde voorschriften te vereenvoudigen waarvan de toepassing voor problemen zorgt. In dat opzicht kan de definitie worden vereenvoudigd door gebruik te maken van het begrip « naastliggende eigendommen". 9. Bovengronds bouwwerk Deze reclamanten stellen voor de definitie verder te verfijnen met « ... terrassen ingericht op het grondniveau en andere ondoorlaatbare grondbedekkingen op grondniveau », hetzij met « ... terrassen ingericht op het tuinniveau.... », hetzij met « koerterras. » Verscheidene reclamanten vragen de toevoeging van nieuwe definities : ondergronds bouwwerk en ondergronds en gedeeltelijk bovengronds bouwwerk. De GOC wijst erop dat een terras op de eerste verdieping niet in de definitie moet worden opgenomen vermits dit per definitie boven de grond is gelegen. Om alle onduidelijkheid te vermijden, stelt ze evenwel voor om de defintie als volgt aan te passen : « gedeelte van het bouwwerk dat zichtbaar is vanaf het grondniveau, met uitsluiting van de ondoorlaatbare grondbedekkingen (terrassen, weg, ...) op grondniveau. In dit verband kan de definitie van het bovengronds bouwwerk inderdaad aangevuld worden om de elementen te preciseren die niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bouwdiepte. Derhalve wordt in de definitie gepreciseerd dat terrassen en andere ondoorlaatbare bedekkingen « op grondniveau » worden uitgesloten. 23. Blinde benedenverdiepingen Verscheidene reclamanten zijn van oordeel dat garagepoorten ondoorzichtig zijn en dus op zichzelf een blinde benedenverdieping vormen.Een aaneenschakeling van garagepoorten op de benedenverdieping van een groot gebouw geeft niet het verhoopte resultaat. Ze vragen daarom om de garagepoorten uit de definitie te schrappen. Het is evenwel de bedoeling om blinde en gelijkvormige gevels te vermijden aan de straatkant. De openingen in die gelijkvormigheid, zoals inkomdeuren of garagepoorten, dragen dus bij tot het nagestreefde doel. Overigens is het aan de gemeentelijke verordeningen om de normen met betrekking tot de stedelijke omgeving te preciseren. De gewestelijke verordening is een document dat richtlijnen aangeeft voor de beoordeling van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. 26. Naastliggend terrein Verscheidene reclamanten en de KCML vragen om in de definitie rekening te houden met alle terreinen die grenzen aan het beschouwde terrein, naast de rechtstreeks naastliggende terreinen, zodat alle percelen op het binnenterrein van een huizenblok worden inbegrepen. De GOC schaart zich achter het voorstel van de reclamanten en stelt voor om de definitie als volgt te vereenvoudigen : « het of de aangrenzende terrein(en). » De naastliggende terreinen gelegen op het binnenterrein van een huizenblok moeten inderdaad ook in aanmerking worden genomen en kunnen in sommige gevallen de toepassing van de plaatsings- en bouwprofielregels beïnvloeden. Maar het begrip naastliggend terrein wordt gebruikt in artikel 4, 2°,

  1. b)en in artikel 7, § 1, en dient om de diepte en de plaatsing te bepalen van de bouwwerken waarvoor rekening moet worden gehouden met de situatie van de aanpalende terreinen en niet met die van de terreinen in het binnenterrein van het huizenblok.28. Gebied voor koeren en tuinen Verscheidene reclamanten (twee gemeenten) zijn van oordeel dat de zijdelingse inspringstrook niet bij de koeren en tuinen moet worden gerekend, op gevaar van de proliferatie van tuinhuisjes vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning Ze vragen bijgevolg een definitie met betrekking tot de zijdelingse inspringstrook. De GOC oordeelt dat het ontwerp van de GSV onvoldoende duidelijk is met betrekking tot de voorschriften van toepassing op de zijdelingse inspringstrook. Ze vraagt bijgevolg om een verduidelijking. Ze steunt het verzoek van de reclamant en stelt voor dat de zijdelingse inspringstrook zou worden gedefinieerd. Ze is van mening dat de definitie van het gebied voor koeren en tuinen als volgt moet worden aangepast : « ... de achteruitbouwstrook en de zijdelingse inspringstrook niet inbegrepen. » Om de respectieve reikwijdte van de zijdelingse inspringstrook en van het gebied voor koeren en tuinen te verduidelijken, wordt het begrip zijdelingse inspringstrook gepreciseerd en uitdrukkelijk uitgesloten uit de definitie van het gebied voor koeren en tuinen. HOOFDSTUK II. - Plaatsing en bouwprofiel Afdeling 1. - Plaatsing en bouwprofiel van de mandelige bouwwerken Plaatsing Artikel 3 § 2 De GOC is van mening dat de tekst van de GSV gebaat zou zijn met een verklarende nota met vermelding van de verschillende behandelde afdelingen. In dit verband wordt eraan herinnerd dat de GSV het voorwerp zal uitmaken van een publicatie met verklarende en inleidende nota's bij de verschillende titels van de GSV. Die commentaren zullen het mogelijk maken om de draagwijdte van de GSV te situeren in het geheel van bestaande verordeningen en reglementeringen in het Brussels Gewest, alsook om bepaalde voorschriften van de GSV te illustreren. Diepte Artikel 4 De GOC vraagt om na te gaan welke eventuele impact de toekomstige ordonnantie betreffende de thermische isolatie zal hebben op Titel I. De regels inzake thermische isolatie zullen immers wellicht leiden tot dikkere muren of zelfs bijkomende uitsprongen op het openbaar domein. Die elementen zouden in strijd kunnen zijn met de diepteregels en andere voorschriften van Titel I. De GOC vraagt dat in Titel I van de GSV rekening zou worden gehouden met de meerdiktes die zullen worden vereist door de nieuwe regels inzake isolatie. De GSV heeft echter tot doel om stedenbouwkundige regels met betrekking tot de stedelijke omgeving te bepalen om een « goede plaatselijke ordening » te garanderen. De bouwdiepte mag niet worden vermeerderd wegens nieuwe technische normen of nieuwe verplichtingen inzake de thermische isolatie, omdat dit de goede ordening in het gedrang zou kunnen brengen. De vereiste technieken om te beantwoorden aan de nieuwe normen inzake thermische isolatie zullen dus geïntegreerd moeten worden in de toegestane bouwdieptes en aan de binnenzijde van het bouwwerk moeten worden geïnstalleerd. De GOC vraagt om een globale aanpak die rekening houdt met het erfgoed. De toekomstige ordonnantie betreffende de energieprestatie, die momenteel wordt uitgewerkt, zal in principe van toepassing zijn op nieuwe gebouwen, op grote renovatieprojecten van meer dan 1 000 m2, alsook op andere renovatiewerken waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is vereist (ze zal hetzelfde gebied bestrijken als de GSV). Er zullen ongetwijfeld bijzondere voorwaarden worden voorzien voor beschermde en op de bewaarlijst ingeschreven monumenten. § 1 Reclamanten wensen meer duidelijkheid te scheppen in de teksten. De formulering van het ontwerp van de GSV is complexer geworden en is voor een niet-specialist moeilijker te interpreteren. Deze reclamanten vragen om de regels uit te splitsen per situatie en om eenvoudigere zinnen te gebruiken. De GSV dient evenwel voldoende precieze regels voor te schrijven, in het bijzonder met betrekking tot de plaatsing van de bouwwerken, en met name betreffende de maximale bouwdiepte van de bouwwerken, rekening houdend met de bestaande toestand, zijnde de naastliggende terreinen, al naargelang die al dan niet bebouwd zijn. Daarvoor moeten de toe te passen voorschriften worden uitgesplitst volgens diverse hypotheses. Zoals reeds werd gepreciseerd, zal de GSV het voorwerp uitmaken van een publicatie met verklarende nota's waarin ook grafische voorbeelden worden gegeven om de leesbaarheid ervan te verbeteren. Overigens werd de tekst van de GSV al vereenvoudigd. Sommige voorschriften die werden voorgesteld in het ontwerp van GSV en waarop tal van opmerkingen werden gemaakt, werden geschrapt, zoals de toestemming om de bouwdiepte van naastliggende bouwwerken te overschrijden met 4,50 meter op het niveau van de benedenverdieping met tuin. 2°
  2. a): Referentiebouwwerken Een reclamant en de GOC vragen om duidelijk aan te geven dat de naastliggende of nabij gelegen bouwwerken « referentiebouwwerken » worden genoemd.Deze formulering zou een beter begrip van de tekst toelaten, evenals een uniformering van de formulering doorheen de volledige GSV. (Zelfde opmerking voor artikel 5, § 1). De term « referentiebouwwerk » wordt echter al gebruikt in artikel 6 betreffende de daken en verwijst naar artikel 5. Het is verantwoord om te spreken van referentiebouwwerk in deze artikels, omdat men voor de toepassing ervan moet preciseren welke bouwwerken als referentie worden gebruikt voor de berekening van de bouwhoogtes wanneer er geen naastliggende bouwwerken zijn. Daartegenover staat dat de diepteregels, bepaald in artikel 4, enkel verwijzen naar de naastliggende bouwwerken. Wanneer geen enkel naastliggend terrein bebouwd is, mag het bouwwerk niet dieper zijn dan driekwart van de terreindiepte. Het is derhalve nodig noch nuttig om in artikel 4 te spreken van referentiebouwwerk. 2°
  3. a)en
  4. b): Toegelaten diepte Deze reclamant stelt voor om een 45°-regel in te voeren (bijv.: een diepte van meer dan 3 meter kan worden toegestaan voor zover deze een hoek van 45° maakt naar het diepste naastliggende bouwwerk toe). Deze regel is evenwel niet nodig, omdat de 3- meterregel volstaat en borg staat voor het behoud van de naastliggende bouwwerken. Een reclamant haalt aan dat de regel soepeler zou zijn voor de oude wijken, om zo de verscheidenheid van de achtergevels te bevorderen en een strikte regel te hanteren voor de brede percelen in de nieuwe wijken. De KCML is gekant tegen een mogelijke uitbreiding van de benedenverdieping met tuin tot 4,50 meter diep. Ze meent dat dit een nieuwe aanslag zou zijn op de binnenterreinen van de huizenblokken en dat dit voorschrift in strijd is met voorschrift 0.6 van het GBP. Ze vraagt dan ook om de oude tekst te hernemen. Sommige reclamanten menen dat de voorgestelde uitbreiding tot 4,50 m overdreven is in de dicht bebouwde wijken. Ze oordelen dat dit nieuwe voorschrift in strijd is met artikel 13 betreffende het behoud van vollegrondoppervlakten. Ze vragen om de mogelijke overschrijding te beperken tot drie meter (of zelfs 3,50 m). Ze stellen voor om de maximumdiepte grondig en behoorlijk te laten analyseren en motiveren. Een reclamant stelt een duidelijkere formulering van dit voorschrift voor : « Op de benedenverdieping met tuin en enkel op dit niveau, kan een overschrijding van maximaal 3 meter ten opzichte van het diepste naastliggende bouwwerk worden toegestaan voor ieder bouwwerk geplaatst tegen het bestaande naastliggende bouwwerk, waarbij echter 25 % van de oppervlakte van het terrein onbebouwd moet blijven, buiten de inspringstrook en zonder verhoging van de mandelige muur. » Verscheidene reclamanten stemmen met het nieuwe voorschrift in, maar oordelen dat de organisatie van speciale regelen van openbaarmaking niet bijdraagt tot een vereenvoudiging van de procedures. Ze vragen dat de overschrijding van 3 meter en van 4,50 meter voorzien in artikel 4 § 1, mogelijk zou zijn zonder speciale regelen van openbaarmaking en zou worden toegestaan wegens geringe omvang, wanneer er geen verhoging plaatsvindt van de mandelige muren. Een reclamant (een gemeente) keurt het nieuwe voorschrift goed, maar vraagt om te preciseren dat de uitbreiding enkel kan worden toegestaan « mits een behoorlijke motivering en het behoud van de woonkenmerken van de buurt. » Een reclamant vraagt dat deze maatregel geen verhogingen van de mandelige muur met zich mee zou brengen. Andere reclamanten vragen om het niveau van de uitbreiding te verduidelijken. De « benedenverdieping met tuin » is immers niet altijd eenduidig : het kan een niveau zijn tussen de eerste verdieping en het kelderniveau, of op het niveau van de eerste verdieping (indien er een verschil is tussen het straat- en het tuinniveau). Ze stellen voor om duidelijk aan te geven dat de uitbreiding zich, volgens het niveauverschil tussen straat en tuin, kan situeren tussen de eerste verdieping (indien de tuin zich op een halfniveau bevindt) en het kelderniveau, of op het niveau van de eerste verdieping (indien de tuin zich op een niveau bevindt dat hoger ligt dan de straat). Een reclamant vraagt om de uitbreiding die wordt toegestaan in geval van bouwwerken met een gelijke diepte, te preciseren (3 meter of 4,50 meter ?). Met betrekking tot een benedenverdieping met tuin met een diepte van 4,50 meter : De GOC erkent dat deze diepte overdreven kan zijn voor kleine huizenblokken en dicht bebouwde wijken. Deze diepte stelt evenwel geen problemen in wijken met grotere percelen en in minder dicht bebouwde wijken. De GOC is van mening dat de afstand van 4,50 meter als basisregel voor het gewest kan worden behouden in de GSV, waarbij het de gemeenten vrijstaat om via zonale gemeentelijke verordeningen, specifieke maatregelen te bepalen voor bijzondere situaties. De GOC meent inderdaad dat een gewestelijke verordening geen oplossing kan bieden voor alle gevallen en dat deze algemene normen moet beschrijven. De gemeenten zijn, dankzij een grondigere kennis van hun grondgebied, beter geplaatst om normen te bepalen die zijn aangepast aan de specifieke kenmerken van hun grondgebied. De GOC vraagt dat de GSV uitdrukkelijk zou vermelden dat de regels verder kunnen worden verfijnd in een gemeentelijke verordening. Met betrekking tot de onderzoeksprocedure : De GOC meent unaniem dat de GSV geen bijkomende procedure kan voorschrijven als aanvulling op het bestaande juridische arsenaal. Ze wenst ook geen wijziging van het BWRO in die zin, vermits dat de regels nog complexer zou maken. Ze vindt bovendien dat de procedure voorgesteld in het ontwerp van de GSV geen stap is in de richting van een vereenvoudiging van de procedureregels voor de toekenning van de stedenbouwkundige vergunningen. 11 leden van de GOC zijn het eens met de toestemming die het ontwerp van GSV geeft voor een overschrijding met 3 m ten opzichte van het diepste naastliggende bouwwerk en met 4,50 m ten opzichte van het minst diepe bouwwerk. Die overschrijdingen moeten worden toegestaan zonder speciale regelen van openbaarmaking. Die leden herinneren eraan dat de gemeenten de initiatieven moeten nemen die ze relevant achten voor de analyse van de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen en voor de uitwerking van gemeentelijke verordeningen aangepast aan de diverse stedenbouwkundige situaties op hun grondgebied. 11 leden vinden daarentegen de door het ontwerp van GSV toegestane uitbreidingen overdreven en vinden dat deze de binnenterreinen van de huizenblokken te veel zouden aantasten. Ze vragen dus het behoud van de bestaande GSV die de mogelijke uitbreiding beperkt tot 3 meter. Er waren dus nogal wat opmerkingen, in diverse richtingen, aangaande het voorstel van het ontwerp van GSV om voor benedenverdiepingen met tuin een bouwdiepte toe te laten die de naastliggende bouwwerken met 4,50 m overschrijdt. De GOC is zelf verdeeld over dit punt : sommige leden zijn het eens met het ontwerp van GSV, andere vinden de toegelaten diepte overdreven, rekening houdend met de dichtheid van sommige wijken, en zijn van oordeel dat deze regel de binnenterreinen van de huizenblokken te veel zou aantasten. Overigens kunnen de intenties van het ontwerp van GSV tegenstrijdig lijken. Het ontwerp van GSV streeft immers twee doelstellingen na : meer autonomie geven aan de gemeenten inzake de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen, en een vereenvoudiging van de procedures voor de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen om te vermijden dat men te veel afwijkingen gaat aanvragen. De meeste partijen halen aan dat de procedure die door het ontwerp van GSV wordt voorgesteld, niet tegemoetkomt aan het doel van een vereenvoudiging van de procedures, omdat het niet afziet van de verplichting van de regelen van openbaarmaking voorafgaand aan de toekenning van deze bijkomende diepte. Deze procedure is bovendien niet voorzien in het BWRO en zou dus een wijziging van dat wetboek vereisen om te kunnen worden toegepast In het licht van de diverse reacties en rekening houdend met de wil die de Regering in het GewOP te kennen geeft om meer aandacht te schenken aan de ingroening van de binnenterreinen en aan de moeilijkheid om de voorschriften van het ontwerp van GSV toe te passen, werd besloten om terug te grijpen naar de oorspronkelijke regels, waarbij slechts een overschrijding van 3 meter wordt toegestaan ten opzichte van het naastliggende bouwwerk, zonder dus een bijkomende mogelijkheid om een diepte van 4,5 m toe te laten. Die bepaling staat borg voor een betere bescherming van de binnenterreinen van de huizenblokken en voor een homogenere toepassing van hun bescherming. Verscheidene reclamanten wijzen erop dat het geval van het driegevelbouwwerk niet wordt behandeld. Ze stellen voor een voorschrift toe te voegen : « In het geval van een driegevelbouwwerk zal het bouwwerk het mandelige profiel van het naastliggende bouwwerk met niet meer dan 3 meter in de diepte overschrijden. » De GOC vindt ook dat er reden is om een paragraaf toe te voegen betreffende de diepte van driegevelbouwwerken. Deze bouwwerken zouden moeten aansluiten op de gemiddelde diepte van de naastliggende bouwwerken. Derhalve wordt het voorstel van de reclamanten gevolgd. Het verdient de voorkeur boven dat van de GOC omdat het aansluit bij de voorschriften die moeten worden toegepast op de bouwwerken wanneer slechts één van de naastliggende terreinen is bebouwd. Artikel 4, § 2 en artikel 7, § 2 Sommige reclamanten en de KCML zijn van oordeel dat 30 cm aarde niet volstaat voor een correcte beplanting. Ze vragen om deze diepte op te trekken tot 60 cm. De GOC is van mening dat het ontwerp van de GSV niet moet worden aangepast. Niets belet de voorziening van een dikkere laag aarde. De GOC meent dat de mogelijkheid moet worden behouden om een terras uit te voeren in de buurt van de bouwwerken. Ze vraagt om de tekst van het ontwerp op dat punt te behouden. Zoals de reclamanten aanhalen, laat een laag van 30 cm teelaarde slechts de aanplanting van een beperkt aantal plantensoorten toe. Een diepte van 60 cm is noodzakelijk om de aanplanting te garanderen van een gediversifieerde en goed ontwikkelde vegetatie boven de ondergrondse bouwwerken. Het is dus verantwoord om een laag teelaarde van 60 cm voor te schrijven. Hoogte van de voorgevel Artikel 5 § 1 Een reclamant stelt voor om te spreken van « hoofdgevel » en om rekening te houden met mansardedaken. De GOC wijst erop dat mansarde verwijst naar een dak. Dit moet dus in overeenstemming zijn met de voorschriften van artikel 6. Een definitie van deze term zou in de woordenlijst moeten worden opgenomen. Zoals de GOC aanhaalt, moet een mansardedak beantwoorden aan de voorschriften betreffende het dak zoals bepaald in artikel 6. Het heeft derhalve geen nut om deze term te definiëren in dit voorschrift. § 1, 3de lid Een reclamant stelt voor om punt 1° en punt 2° van plaats te wisselen om eerst te verwijzen naar het hoogste profiel, met het oog op meer coherentie. Het lijkt evenwel niet verantwoord om de volgorde van de bestaande voorschriften te verwisselen, terwijl de mensen die ze moeten toepassen, de regels zonder probleem begrijpen. § 1, 4de lid Een reclamant haalt aan dat het gemiddelde van de twee naast elkaar liggende bouwwerken (wanneer deze abnormaal laag of hoog zijn) niet noodzakelijk aangewezen is in die specifieke situatie. Abnormale bouwwerken kunnen geen dienst doen als referentie voor de bepaling van de gevelhoogte van een nieuw bouwwerk. De GOC is van oordeel dat de opmerking gegrond is. Ze meent dat abnormale bouwprofielen niet gebruikt mogen worden als referentie voor nieuwe bouwwerken. Deze opmerking vloeit evenwel voort uit een verkeerde interpretatie van de tekst van de GSV. De hoogte van de voorgevel van het nieuwe bouwwerk mag niet worden berekend op grond van de gemiddelde hoogte van de twee naastliggende bouwwerken die abnormaal hoog of laag zijn, maar op basis van de gemiddelde hoogte van de andere bouwwerken in de straat of, bij gebrek daaraan, in het huizenblok. De tekst wordt derhalve in die zin gepreciseerd om hem begrijpelijker te maken en interpretatiefouten te vermijden. § 1, 2°, 5de lid (harmonieuze aansluiting) Sommige reclamanten en de KCML stellen voor om het voorschrift met betrekking tot « een harmonieuze aansluiting tussen de bouwwerken met verschillende hoogte » te laten vallen. De KCML wijst erop dat deze bepaling de leesbaarheid aantast van de perceelstructuur die nu net deel uitmaakt van de stedelijke eigenheid van Brussel. Een perceel bepaalde steeds een architectuurobject als entiteit. Dit systeem biedt een ruime flexibiliteit. De onderbrekingen in het bouwprofiel zijn een uitdrukking van de geschiedenis van de stad. Ze moeten niet worden aangemoedigd, maar ze zijn ook niet helemaal te verbieden, met het oog op het vermijden van complexe architecturale vormen die niet passen bij en niet aansluiten op de schaal van het perceel. (Zelfde opmerking voor artikel 6, § 1, 2°, 5de lid) De GOC kan zich vinden in de opmerking van de KCML. Ze wijst erop dat de GSV neigt naar de reproductie van de stad. Dit vloeit voort uit de erkenning van de stadsgeschiedenis en de stedelijke verscheidenheid ontstaan uit de ontwikkeling van de typologieën en bouwwijzen doorheen de tijd. Op perceelniveau moedigt deze « harmonieuze aansluiting » onaangepaste architectuurvormen en realisaties aan, terwijl het verkieslijk is om een breuk toe te staan De GOC vraagt dat de GSV een mogelijkheid aanreikt om een breukesthetiek te verzekeren die soms beter past dan een harmonieuze aansluiting. Ze stelt voor om de uitdrukking « harmonieuze aansluiting » te vervangen door « coherente aansluiting », of om te spreken van een « harmonieuze, maar niettemin coherente aansluiting. » Dit verzoek wordt evenwel niet gevolgd. Het voorstel van de GOC om de termen « harmonieuze aansluiting » te vervangen door « coherente aansluiting »zal niet zorgen voor een kwalitatieve verbetering van de architecturale oplossingen. Het voorschrift in zijn huidige formulering belet echter niet dat men aanvaardbare oplossingen zou kunnen voorstellen en laat de aanvaarding van de voorgestelde ontwerpen over aan de beoordeling van de uitreikende overheden. Het dak Artikel 6 § 1 Verscheidene reclamanten zijn van oordeel dat het artikel niet duidelijk is en dat het volledig moet worden herzien. Ze vragen om strenger te zijn op het vlak van de aantasting van de binnenterreinen van huizenblokken. Een andere reclamant vraagt om de tekst in twee te delen : één luik met betrekking tot het hoofddak en het andere met betrekking tot de daken van de bijgebouwen. De GOC is van mening dat de formulering van het artikel moet worden herzien. Ze stelt voor om het 3m-principe in de hoogte en de diepte te behouden en het voorschrift aan te vullen met een extra paragraaf. Het voorschrift zou dan nuttig worden geïllustreerd met een plan. Zoals de GOC en de reclamanten voorstellen, wordt artikel 6 geherstructureerd om het begrijpelijker te maken. Het was nuttig om het principe te preciseren dat erin bestaat om de voorschriften te cumuleren van artikel 4 betreffende de bouwdiepte en artikel 6 betreffende de hoogte van het dak van het hoofdgebouw en de aanpalende bijgebouwen. Die voorschriften worden vandaag namelijk door elke gemeente anders geïnterpreteerd. De aangebracht precisering bevestigt dus dat een hoogte conform de GSV kan worden gerealiseerd op de diepte die wordt toegestaan door artikel 6, en dat anderzijds de toegestane hoogte wordt beperkt tot de voorgeschreven diepte. De GSV zal worden aangevuld met een schema dat dit voorschrift zal verduidelijken. De GOC wijst erop dat er zich situaties kunnen voordoen waarbij deze bijgebouwen zich niet op de mandelige grens bevinden. De GOC stelt voor om uitdrukkelijk te vermelden dat het gaat om mandelige of naburige bouwwerken. Artikel 6 verwijst evenwel naar het referentiebouwwerk, zoals dat wordt gedefinieerd in artikel 5. Dat artikel preciseert dat rekening moet worden gehouden met de naastliggende bouwwerken of, indien die er niet zijn, met de dichtstbijgelegen bouwwerken aan weerszijden van het terrein in kwestie. Dus om de hoogte van een nieuw bouwwerk te bepalen, moet rekening worden gehouden met de bouwwerken die het dichtst bij de naastliggende bouwwerken gelegen zijn, bijgebouwen inbegrepen, zelfs als die zich niet op de mandelige grens bevinden. Derhalve is de voorgestelde precisering overbodig. Een reclamant verzoekt om een doortastendere aanpak van de overdreven verdeling van bestaande eengezinswoningen en wil dat de GSV daartoe een bepaling opneemt. De GOC kan zich vinden in de opmerking van de reclamant. Ze wijst erop dat het probleem van de verdeling van de oorspronkelijke eengezinswoningen in meerdere woningen belangrijke gevolgen kan hebben voor het behoud van het erfgoed en voor de bewoonbaarheid van de woningen. Dit probleem is dus wel degelijk van belang. Ze is van mening dat dit probleem in de GSV zou kunnen worden gereglementeerd. Dat zou toelaten een aantal algemene aanwijzingen te geven aangaande de toelaatbare verdeling. Ze formuleert enkele reflectiepistes : toelating van een verdeling van de woningen per verdieping of in duplex, verbod op de vorming van flats, bepaling van een aanvaardbare minimumoppervlakte (65 m2 bijvoorbeeld). Titel I van de GSV bepaalt echter de regels voor de plaatsing en het bouwprofiel van de bouwwerken, en behandelt niet de problematiek van de verdeling van de woningen. Titel II schrijft de normen voor inzake de bewoonbaarheid van woningen en in het bijzonder de regels inzake de te respecteren minimumoppervlakten. Zodoende bepaalt de GSV minimale regels voor een goede bewoonbaarheid die van toepassing zijn op alle bouwwerken, en in het bijzonder wanneer het bouwwerk is verdeeld. Voor het overige lijkt een algemeen verbod op de verdeling niet wenselijk, gelet op de wijziging van het profiel van de gezinnen, de stijging van de woningprijzen en de groeiende vraag naar kleinere woningen. Deze situatie, in overeenstemming met de bewoonbaarheidsnormen van titel II, kan beter worden beoordeeld in het kader van het onderzoek en de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen. 6 § 2 (zelfde opmerkingen voor artikel 8 § 2) Een reclamant vraagt om een verduidelijking van de bepaling « .. voor de bouw van dakkapellen zonder deze verhoging te overschrijden. » Een andere reclamant vraagt om de dakkapellen te beperken tot één niveau. De GOC wijst erop dat de verlaging van de toegestane hoogte van de dakkapellen bewust gebeurde, om zo een verhoging gelijk aan 2 niveaus in het dak te vermijden. Ze wijst erop dat de dakkapel geen middel mag zijn om af te wijken van de dakhoogte. Ze steunt de bezwaren en stelt voor om bovendien te preciseren dat de dakkapel moet worden beperkt tot één niveau. De hoogte van de dakkapellen wordt duidelijk bepaald door artikel 6 § 2, en vereist geen andere precisering, die de tekst zou kunnen verzwaren en zou kunnen leiden tot interpretatieverschillen. De door de GSV toegestane hoogte van 2 meter verhindert de bouw van een bijkomende verdieping, en komt dus tegemoet aan de opmerkingen zonder dat de formulering van het voorschrift moet worden gewijzigd. 6 § 3 (zelfde opmerkingen voor artikel 8 § 3) Een aantal reclamanten wijzen erop dat het voorschrift dat de integratie van de machinekamers van de liften in het dak voorziet, niet verenigbaar is met artikel 14 van Titel II, dat een lift voorschrijft voor elk nieuw gebouw met meerdere woningen, met een benedenverdieping en vier of meer bovenverdiepingen, en de normen uiteengezet in artikel 11 van Titel IV met betrekking tot de afmetingen die moeten worden gerespecteerd om de gebouwen toegankelijk te maken voor personen met een beperkte mobiliteit. Ze vragen om de hoogte van de laatste verdieping naar 3,60 m te brengen, of om toe te staan dat deze laatste verdieping niet wordt bediend door een lift. Een andere reclamant vraagt om de integratie van de machinekamer van de lift in het dak niet te verplichten. De GOC kan zich niet vinden in de opmerkingen van de reclamanten. De machinekamers van de liften moeten in het dak worden geïntegreerd. Een andere reclamant vraagt om de voorschrijving van windweerstandsnormen (240 km/u). De GOC kan zich niet vinden in de opmerking van de reclamant. Zoals de GOC aanhaalt, moeten de machinekamers van de liften in het dak worden geïntegreerd. Het is immers niet tegenstrijdig om enerzijds de integratie van de machinekamers van liften in het dak op te leggen en anderzijds een lift te verplichten voor nieuwe gebouwen met meerdere woningen van 4 of meer verdiepingen, of normen voor de toegankelijkheid van de gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit. De integratie van de machinekamers van de liften in het dak is noodzakelijk om te vermijden dat onesthetische technische elementen zichtbaar zouden worden, die de morfologische kwaliteit van de stad niet ten goede komen. Er bestaan technische oplossingen om de impact van de machinekamers van liften te verhinderen of te beperken. Als dat niet mogelijk is, moeten de meerhoogtes geval per geval worden geregeld via afwijkingen. Een andere reclamant vraagt om de voorschrijving van windweerstandsnormen (240 km/u). De GOC kan zich niet vinden in de opmerking van de reclamant. Dit element kan inderdaad niet in aanmerking worden genomen in de GSV, omdat het bij de bouwtechnieken behoort. De GSV moet stedenbouwkundige regels bepalen en niet de elementen die betrekking hebben op de bouwtechnische aspecten. Een reclamant vraagt om een reglementering voor schotelantennes. De GOC steunt het verzoek van de reclamant en vraagt dat er algemene regels zouden worden geformuleerd voor schotelantennes. Deze antennes hebben een grote impact op het stadslandschap, zowel aan straatzijde als op het binnenterrein van het huizenblok. De benadering van de problematiek rond de schotelantennes door de GSV moet genuanceerd worden. Verscheidene gemeenten hebben al een gemeentelijke verordening die de plaatsing van schotelantennes tegen de straatgevel verbiedt. Dit verbod lijkt verantwoord, gezien de impact van die antennes op het stedelijk landschap. Het is dus verantwoord om de schotelantennes te reglementeren en ze te verbieden tegen straatgevels, wat de GSV reeds preciseert in artikel 10 van titel I. Daarentegen moet de reglementering van de plaatsing van schotelantennes op de binnenterreinen van huizenblokken worden overgelaten aan de gemeenten, via gemeentelijke verordeningen, vermits hun visuele impact daar minder groot is. Afdeling 2. - Plaatsing en bouwprofiel van de vrijstaande bouwwerken Plaatsing Artikel 7 § 1 Een reclamant vraagt om de bebouwde oppervlakte te beperken tot 75 % van het perceel. Andere reclamanten zijn van mening dat de uitdrukking « gepaste afstand » vatbaar blijft voor interpretatie. Sommige reclamanten vragen zich af wat ze als referentie moeten nemen voor de « bouwlijn », vermits het hier gaat om vrijstaande bouwwerken. In dit geval is er geen bouwlijn. De GOC is van oordeel dat de formulering van § 1 van artikel 7 ruimte laat voor allerlei interpretaties. De vage formulering biedt een aantal uitwegen. Ze meent dat het plaatsingsonderzoek in het geval van vrijstaande bouwwerken voor elk geval afzonderlijk moet worden uitgevoerd en gemotiveerd. Het is weliswaar zo dat de plaatsing van de vrijstaande bouwwerken geval per geval moet worden bestudeerd, maar toch is het belangrijk dat de verordening de algemene richtlijnen geeft voor de beoordeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen. Dat is het geval voor de criteria die worden aangegeven in artikel 7, die stipuleren dat rekening moet worden gehouden met de grenzen van het terrein, de bouwhoogte van het bouwwerk, de bestaande bouwlijn en de vrijwaring van de bezonning van de naastliggende terreinen. Die voorschriften laten evenwel nog een belangrijke beoordelingsmarge voor de uitreikende overheden. Een aantal reclamanten en de GOC menen dat de hoofdgevel als referentie moet worden genomen. Dit laat toe ook de terreinen met een niveauverschil in de lengte in aanmerking te nemen. In dat verband wordt eraan herinnerd dat de plaatsing van een vrijstaand bouwwerk wordt bepaald door de bestaande bouwlijn. Men dient dus wel degelijk rekening te houden met de hoofdgevel van de bouwwerken. Hoogte Artikel 8 § 1 De KCML oordeelt dat het voorschrift onvoldoende duidelijk is. Hoe moet de « gemiddelde hoogte van de bouwwerken » worden geïnterpreteerd? Deze bepaling garandeert niet de kwaliteit, noch de goede inrichting van de plaats. De GOC haalt aan dat het probleem te maken heeft met de bepaling van de geografische referentiegrens van de terreinen die liggen rond het beschouwde terrein. Ze stelt voor om de beschouwde referentiebouwwerken te situeren in een straal van 50 meter vanaf de uiterste punten van het perceel. Artikel 8, § 1 bepaalt evenwel duidelijk welke bouwwerken in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de gemiddelde bouwhoogte van de vrijstaande bouwwerken, verwijzend naar de bouwwerken op de terreinen rond het desbetreffende terrein. Naast de voorschriften van de algemene stedenbouwkundige verordening moeten overigens de uitreikende overheden borg staan voor de kwaliteit en de goede plaatselijke ordening. Een reclamant vindt het wenselijk dat dit voorschrift duidelijk zou stellen dat de beschouwde hoogte moet worden berekend ten opzichte van het reliëf van het terrein. Een reclamant merkt op dat er grote typologische verschillen bestaan tussen de open bebouwingen in de wijken. De toepassing van het voorschrift m.b.t. de dakhoogte is dus zo goed als onmogelijk. Hoe kan immers de hoogte van een dak worden bepaald wanneer de naastliggende bouwwerken nu eens een gebogen of een hellend dak hebben en dan weer een plat dak, of wanneer het gaat om een bungalow? De GOC herinnert eraan dat de hoogte wordt berekend vanaf het niveau van het voetpad. Ze haalt aan dat de brandnormen het mediaanpunt ten opzichte van de uitersten als basis voor hun berekening nemen. De GOC stelt voor om naar die norm te verwijzen bij de berekening van de hoogten. In dit verband moet worden gepreciseerd dat het voorschrift de hoogte van een bouwwerk bepaalt ten opzichte van het gemiddelde van de hoogten van de bouwwerken op de naastliggende terreinen, los van de typologie of architectuur van de bouwwerken op die terreinen. De referentie is dus de maximale hoogte van die naastliggende bouwwerken, zodat de verwijzing naar een mediaanpunt geenszins nodig of aangewezen is. Wat het bepalen van een globaal bouwprofiel betreft, is de verwijzing naar de maximale hoogte van de naastliggende bouwwerken het meest relevante criterium. Commerciële en blinde benedenverdiepingen Artikel 9 Lid 1 Een reclamant vraagt dat de GSV een verbod zou opleggen op de volledige vernieling van de gevels van de commerciële benedenverdiepingen en hun vervanging door een hek of rolluik. Hij wijst erop dat dit steeds vaker gebeurt. De GOC steunt de vraag van de reclamant en vraagt dat de GSV het behoud van de bestaande gevels op de benedenverdieping zou voorschrijven. Ze vraagt bovendien dat de GSV oog zou hebben voor de harmonie van de bestaande gevel, wat zou toelaten rekening te houden met de relaties tussen de benedenverdieping en de bovenverdiepingen. De GOC vraagt een verbod op ondoorzichtige luiken. In dit verband heeft het voorschrift van het eerste lid tot doel om een toegang tot de bovenverdiepingen te behouden bij bouwwerken waarvan de benedenverdieping wordt ingenomen door een andere functie dan huisvesting. Het derde lid heeft betrekking op de reglementering van de blinde benedenverdiepingen. Elke andere aanvullende norm voor de inrichting van benedenverdiepingen, zoals het verbod om ondoorzichtige luiken te plaatsen of de harmonisering van de gevels van de benedenverdieping met de bovenverdiepingen, kan worden opgelegd via een gemeentelijke verordening. Lid 2 en 3 Reclamanten en de leden van de GOC die de ESR vertegenwoordigen, zijn van oordeel dat de verplichting van een afzonderlijke toegang tot de bovenverdiepingen boven de commerciële benedenverdieping een inbreuk vormt op de verworven rechten van de handelaar die zijn domicilie in zijn handelszaak heeft. Ze protesteren tegen de nieuwe voorschriften : - de verplichting m.b.t. het behoud van een bestaande afzonderlijke ingang, - de maximumbreedte die een afwijking toelaat, die wordt teruggebracht van 6 naar 5 meter gevelbreedte, - de afschaffing van de uitzonderingsregel wanneer de handelaar de bovenverdiepingen zelf bewoont, - de mogelijkheid tot een uitzondering wanneer de inrichting van een afzonderlijke toegang afbreuk doet aan het architectuurontwerp van de benedenverdieping. Ze oordelen dat de regels die in het ontwerp van GSV worden voorgesteld, de uitbreiding van de handelszaken in het gedrang brengen, indruisen tegen de voorschriften van het GBP dat die uitbreidingen toelaat, en indruisen tegen het strategisch herstructureringsplan voor de handel dat onlangs werd voorgesteld door de Brusselse regering. Reclamanten en leden van de GOC die de ESR vertegenwoordigen, vragen om het behoud van de oorspronkelijke tekst van de GSV. Andere reclamanten vinden de terugbrenging van 6 naar 5 meter dan weer onvoldoende. Ze vinden dat dit voorschrift zou moeten worden gekoppeld aan een gewesttaks op leegstaande gebouwen. Een andere reclamant wijst erop dat de werken voor de uitvoering van een afzonderlijke toegang naar de bovenverdiepingen aan een bestaand gebouw, veel geld kosten. In bepaalde gevallen wensen de eigenaars de bovenverdiepingen geen woonbestemming te geven. De meningen van de GOC zijn verdeeld aangaande de afwijkingen die moeten worden toegestaan inzake de verplichting van een afzonderlijke toegang naar de bovenverdiepingen. Sommige leden menen dat de nieuwe voorschriften nadelig zullen zijn voor een groot aantal buurthandelszaken in de oudere wijken en dat ze de modernisering van de handelszaken fors zullen afremmen, terwijl die nochtans wordt aanbevolen door het strategisch herstructureringsplan voor de handel. Ze vrezen tevens dat de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen niet behandeld zullen kunnen worden door de gemachtigde ambtenaar en dus systematisch zullen worden afgewezen. De leden van de GOC hebben zich als volgt uitgesproken : Aangaande de vraag om geen afzonderlijke toegang te verplichten wanneer de gevel minder dan 5 meter breed is : 5 leden van de GOC keuren het ontwerp van GSV goed; 20 leden van de GOC vragen de terugkeer naar 6 meter gevelbreedte en halen aan dat de 5 meter niet volstaat om een uitstalraam in te richten, na aftrek van 0,60 m voor de mandelige muren en de breedtes van deuren en lijsten. Aangaande de vraag om geen afzonderlijke toegang op te leggen wanneer de uitbater aantoont dat hij op de bovenverdiepingen woont : 5 leden vragen de terugkeer naar de tekst van bestaande GSV; 20 leden vragen het behoud van het ontwerp van GSV. Aangaande de vraag om geen afzonderlijke toegang op te leggen wanneer die het architecturale ontwerp van de benedenverdieping aantast : 2 leden vragen om deze mogelijkheid, voorzien in de bestaande GSV, opnieuw in te voeren; 23 leden vragen het behoud van het ontwerp van GSV. In dit verband wordt gewezen op het essentiële karakter van de doelstelling die met dit voorschrift wordt beoogd : - de verplichting om de bestaande afzonderlijke toegangen te behouden is noodzakelijk om het gebruik van de bovenverdiepingen te garanderen en voor het potentieel om deze een andere bestemming te geven. - Een dergelijke verplichting voor het behoud van die toegangen is eveneens belangrijk voor een maximaal behoud van de bestaande gevels en de coherentie van de gevel, en meer bepaald van de benedenverdieping, met de bovenverdiepingen. - Overeenkomstig de opmerkingen en het advies van de meerderheid van de GOC, wordt de tekst gewijzigd om geen afzonderlijke toegang op te leggen bij een gevelbreedte van minder dan 6 strekkende meter. Het is namelijk vaak moeilijk om een afzonderlijke ingang en een uitstalraam in te richten in een gebouw met een gevelbreedte van 5 meter. Die handelszaken zijn te smal om een technisch en architecturaal bevredigende oplossing te vinden voor dat soort inrichting. Aangaande het voorstel om geen afzonderlijke toegang op te leggen wanneer de uitbater aantoont dat hij op de bovenverdieping woont, wordt erop gewezen dat dit voorgestelde criterium betrekking heeft op een persoonlijk gebruik van de ruimten en niet op hun typologie of morfologie. Gelet op het variërende karakter van dergelijke situaties, zou het hanteren van een dergelijk criterium een hypotheek leggen op het gebruik van de verdiepingen als woning wanneer de uitbater eenmaal niet meer zelf op de bovenverdiepingen woont. Bovendien is deze toestand niet alleen moeilijk te controleren, maar komt de situatie ook steeds minder voor. Aangaande het voorstel om geen afzonderlijke toegang op te leggen wanneer die het architecturale ontwerp van de benedenverdieping aantast, wordt erop gewezen dat dit begrip erg vaag is en vatbaar is voor uiteenlopende interpretaties. Het lijkt dus niet verstandig om zo'n vrijstellingshypothese in de tekst op te nemen, te meer omdat het voorschrift tot doel heeft het behoud of de inrichting van een afzonderlijke toegang aan te moedigen om te vermijden dat zones zonder huisvesting zouden ontstaan in de handelskernen. De woonfunctie staat immers garant voor het leven en de veiligheid van die wijken, en zorgt ervoor dat de handelsgebouwen in goede staat worden onderhouden. De fijnere beoordeling van de impact van de inrichting van een afzonderlijke toegang op het architecturale concept van een bouwwerk hoort bovendien tot de bevoegdheid van de uitreikende overheden. Lid 4 De GOC meent dat het verkieslijk is om permanent ondoorzichtige ramen te verbieden en de verwijzing naar de garage in de definitie van de blinde benedenverdieping te schrappen. De gemeenten kunnen in hun gemeentelijke stedenbouwkundige verordening evenwel voorzien in een verbod op ondoorzichtige ramen of een fijnere definitie van de blinde benedenverdieping. Uitsprongen in de straatgevel Artikel 10 § 1 Een reclamant haalt aan dat het voorschrift geen bepalingen formuleert voor de uitsprongen aan de achtergevel. De GOC vraagt om na te denken over de esthetiek van de binnenterreinen van huizenblokken. Ze meent echter dat het belangrijk is om te bezinnen over het binnenterrein van het huizenblok en onder andere over de aanwezigheid van tal van technische installaties, zoals schotelantennes, ventilatiesystemen van handelszaken of restaurants, ... De bewoner staat inderdaad meer in contact met het binnenterrein van het huizenblok dan met de openbare wegkant. Het binnenterrein van het huizenblok moet een rustige en esthetisch harmonieuze plaats blijven. Het einddoel van Titel I van de GSV bestaat er echter in hoofdzaak om de problematiek te regelen rond de plaatsing en de bouwprofielen van gebouwen. Het esthetisch karakter van de binnenterreinen is weliswaar ook belangrijk, maar men kan er niet elke afvoer en plaatsing van technische installaties verbieden als ze aan de voorgevel al verboden zijn. De handelingen en werken in de binnenterreinen moeten geval per geval worden geregeld en mogen niet even strikt aan banden worden gelegd als aan de voorgevel, een plaats die impact heeft op de stedelijke typologie. § 2 Reclamanten stellen voor om de uitstek van de terrassen, balkons en erkers te beperken tot 1 meter van de rooilijn. In dit verband wordt erop gewezen dat naast het voorschrift in § 2 voor de terrassen, balkons en erkers, artikel 10, § 1 de uitsprongen aan de voorgevel beperkt tot 1 m. Reclamanten vragen de toevoeging van een voorschrift met betrekking tot de esthetiek van de zijdelen. In dit verband wordt gepreciseerd dat de zijdelingse zones het voorwerp uitmaken van de voorschriften in de artikels 11 en 12 van deze verordening. § 3 (regenpijpen) Een reclamant (een gemeente) vraagt om de opstelling van een specifiek voorschrift voor de bestaande bouwwerken. In dit verband wordt gepreciseerd dat de paragrafen 3 en 4 van artikel 10 betrekking hebben op de regenpijpen. Ondanks het voorstel blijkt het niet altijd technisch mogelijk om voor bestaande bouwwerken de verplichting op te leggen om de regenpijnen in de gevels te verwerken, en bovendien kan dit voor grote meerkosten zorgen bij renovatie. Deze kwestie moet derhalve geval per geval worden geregeld en er kan geen algemeen antwoord voor worden gegeven. HOOFDSTUK IV. - Naaste omgeving Inrichting en onderhoud van de achteruitbouwstroken en zijdelingse inspringstroken Artikel 11 Inrichting van de gebieden voor koeren en tuinen en van de zijdelingse inspringstroken Artikel 12 Verscheidene reclamanten en de KCML wijzen op het gebrek aan coherentie tussen artikel 11, waar alleen bouwwerken zijn toegelaten die horen bij het gebouw, en artikel 12, dat installaties of bouwwerken toelaat die dienst doen als decoratie of sierelement. Een reclamant is van oordeel dat de vermelding « zijdelingse inspringstrook » in artikel 11 overbodig is. Deze zone maakt deel uit van het gebied voor koeren en tuinen beoogd in artikel 12. Hij vraagt dus om deze zone niet te vermelden in artikel 11. Verscheidene reclamanten halen aan dat het voorschrift met betrekking tot de zijdelingse inspringstroken de gedeeltelijke bebouwing van deze zone belet. Ze zijn van mening dat een stedenbouwkundige verordening de typologie van de bebouwing niet aan banden mag leggen en dus de evolutie van bepaalde inplantingen moet toelaten. Er bestaan inderdaad tal van situaties waarin een uitbreiding langsheen de derde gevel mogelijk zou zijn zonder de esthetiek van het bouwwerk aan te tasten. Ze halen bovendien aan dat heel wat BBP's een uitbreiding van de bebouwing in de zijdelingse zone toestaan, wat in al deze gevallen zou betekenen dat de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen als afwijking zouden worden behandeld, hoewel ze in overeenstemming zijn met het BBP. Dat vinden ze niet wenselijk. Deze reclamanten stellen voor om het artikel in twee afzonderlijke luiken op te delen : één met betrekking tot de achteruitbouwstrook, het andere voor de zijdelingse inspringstrook, om zo de oprichting van bouwwerken toe te laten die grenzen aan het hoofdbouwwerk, waarbij echter een inrichtingsovergang wordt verzekerd met de achteruitbouwstrook. De GOC is van mening dat er specifieke regels voor de zijdelingse inspringzones moeten komen. Deze zones moeten kunnen worden bebouwd. Dit voorschrift zou tevens hun inrichting moeten voorzien wanneer ze niet bebouwd zijn. Een reclamant vindt het niet opportuun om tuinhuisjes, schommels,... toe te laten in de zijdelingse inspringstroken. De GOC gaat akkoord met de opmerking van de reclamant en vraagt om in deze stroken enkel paden en beplantingen toe te staan. Een andere reclamant (een gemeente) stelt voor om te preciseren dat de installaties « kunnen » worden toegestaan. De GOC stemt in met dit voorstel en vraagt om de aanpassing van het ontwerp van de GSV in die zin. Diezelfde reclamant vindt het begrip « sierelement » nogal subjectief. Dit zou aanleiding kunnen geven tot de volledige bedekking van deze zones. Zoals de reclamanten aanhalen, dienen de voorschriften met betrekking tot, enerzijds, de achteruitbouwstrook en, anderzijds, de zijdelingse inspringstrook te worden gepreciseerd in twee specifieke bepalingen. De achteruitbouwstrook is namelijk bedoeld voor bouwwerken die horen bij de ingang van het gebouw, terwijl de GSV ernaar streeft om de bouwwerken in de zijdelingse inspringstroken te beperken en een groene en kwalitatieve inrichting ervan aan te moedigen, net zoals voor de gebieden voor koeren en tuinen. Zoals reclamanten aanhalen, kan dit doel dus worden verwezenlijkt door uitsluitend de voorschriften van artikel 12 toe te passen. De bouw van een bijgebouw of een uitbreiding van een bouwwerk in de zijdelingse inspringstrook mag dus niet worden toegelaten, behoudens een degelijk verantwoorde afwijking. Een reclamant (een gemeente) en de GOC vragen de formulering van een verfraaiingsdoelstelling van de ruimten die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. In dit verband wordt erop gewezen dat de GSV beantwoordt aan die doelstellingen. Dit is namelijk het doel van de voorschriften betreffende de achteruitbouwstrook en de zijdelingse inspringstrook. Bovendien werd voorzien in het verbod op de plaatsing van technische installaties voor airconditioning die zichtbaar zijn van op de openbare weg, om bij te dragen tot een fraaier uitzicht van de zijdelingse inspringstroken. Sommige reclamanten vragen om te voorzien dat de toegangen tot de garagepoorten worden uitgevoerd in doorlaatbare materialen die een inzaaiing met gras toelaten. Deze toegangen kunnen inderdaad een aanzienlijke oppervlakte beslaan, waarvan de doorlaatbaarheid momenteel niet wordt gegarandeerd. Een andere reclamant vindt dat doorlaatbare grondbedekkingen verboden moeten worden. De GOC vraagt om de doorlaatbaarheid te voorzien van het gedeelte van de inspringstrook dat niet voor verkeer is bestemd. Artikel 13 voorziet echter specifiek in criteria voor het behoud van een doorlaatbare oppervlakte in het gebied voor koeren en tuinen. Het is niet aangewezen om de doorlaatbaarheid van de opritten naar garages aan te moedigen, gelet op de potentiële bodemvervuiling door de wagens. Een reclamant en de GOC stellen voor om dezelfde uitdrukkingen te gebruiken als in Titel VIII en dus te spreken van « parkeerplaats », i.p.v. « parkeerruimte ». Voorschrift 12 heeft evenwel betrekking op de inrichting van de ruimte en niet op het aantal parkeerplaatsen. Het komt er hier op aan de inrichting van de achteruitbouwstroken en zijdelingse inspringstroken te bepalen als stedelijke ruimte, en derhalve is het begrip parkeerruimte hier gepaster. Behoud van een doorlaatbare oppervlakte Artikel 13 Een reclamant (een gemeente) vraagt om een doorlaatbare grondbedekking te verplichten voor niet-overdekte parkings. Artikel 13 voorziet evenwel in criteria voor het behoud van een doorlaatbare oppervlakte in de gebieden voor koeren en tuinen. Verder brengt de bedekking van parkings diverse problemen met zich mee inzake de vervuiling van de grondwaterlaag. Het is dus niet aangewezen om de doorlaatbaarheid ervan specifiek te gaan aanmoedigen. Een aantal reclamanten vragen de toevoeging van een voorschrift met betrekking tot de groene daken. De verordening zou de inrichting van groene daken boven de 100 m2 op het binnenterrein van een huizenblok verplicht kunnen maken in geval van grote renovatiewerken, bij de herbestemming van kantoren, handelszaken en uitrustingen. Daartoe zou het gewest een aantal incentives kunnen voorzien. De RLBHG vindt dat de GSV te weinig ambitieus is m.b.t. de normen voor een goede regenwaterafvoer. De regels inzake de doorlaatbaarheid van de oppervlakten zijn ontoereikend. Er moet worden gedacht aan andere inwatering- en afvoersystemen voor regenwater, zoals groene daken. De RLBHG vraagt dat de GSV dit soort technieken zou aanmoedigen. De GOC vindt dat de beplanting van grote vlakke oppervlakten moet worden aangemoedigd, behalve indien deze in gebruik zijn. Ze meent dat dit de kwaliteit van het binnenterrein van het huizenblok zou verbeteren en de afvloeiing van het regenwater zou vertragen. Ze vraagt dat de GSV niet ingerichte roofings van meer dan 100 m2 op niet toegankelijke oppervlakten zou verbieden. De oppervlakten met een bestemming zouden niet aan deze regel moeten voldoen. Zoals de reclamanten voorstellen, lijkt het aangewezen om de inrichting van groene daken te voorzien op ontoegankelijke platte daken van een zekere oppervlakte (meer dan 100m2) om borg te staan voor een geschikte integratie ervan in het gebied voor koeren en tuinen. Omheining van het onbebouwd terrein Artikel 14 Een reclamant vraagt om in § 1 de uitdrukking « of bouwlijn » te schrappen. De GOC gaat in op de vraag van de reclamant en vraagt dat de omheining op de rooilijn zou worden geplaatst. Het kan echter omwille van de stedenbouwkundige samenhang verantwoord zijn om de omheiningen van niet-bebouwde terreinen te plaatsen op de bouwlijn. Het is derhalve niet aangewezen om dit artikel te wijzigen. Verscheidene reclamanten en de GOC vragen om een verplichting te voorzien voor het voorbehouden van voldoende doorgangsruimte voor kleine dieren op het grondniveau. Doorgaans bestaan dergelijke doorgangsruimten feitelijk al. Het kan echter gebeuren dat een omheining volledig gesloten moet zijn, en daarom is het niet aangewezen om de doorgang voor kleine dieren verplicht te maken. Nutsvoorzieningen voor de bouwwerken Artikel 15 Een reclamant vraagt om duidelijk aan te geven dat de aansluiting dient te gebeuren op de openbare riolering. De GOC stemt in met de reclamant en vraagt dat de GSV duidelijk zou stellen dat de bouwwerken moeten worden aangesloten op de openbare distributie- en zuiveringsnetten. In dit verband spreekt het weliswaar voor zich dat de bouwwerken aangesloten zijn op het openbare rioleringsnet in de meeste stadswijken, maar het kan gebeuren dat er geen openbare riolering is in wijken met een achtergestelde urbanisatie. Daarom moeten de bouwwerken voorzien zijn van een afvoersysteem dat het water ofwel afvoert naar de riolering, ofwel het afvalwater zuivert en verspreidt overeenkomstig de geldende normen en verordeningen, zoals overigens ook wordt aanbevolen door de Brusselse huisvestingscode betreffende de elementaire omstandigheden en veiligheidsvereisten van woningen. Een reclamant vraagt of dit voorschrift van toepassing is op de uitbreiding van de bestaande bebouwing. De GOC vraagt om dit punt te verduidelijken. Hierbij wordt gepreciseerd dat het toepassingsgebied van Titel I voldoende duidelijk is in dit verband, vermits het in artikel 1, § 2, 1° preciseert dat deze titel van toepassing is op de handelingen en werken bedoeld in artikel 98, § 1, eerste lid, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, en dus ook op de uitbreiding van de bestaande bebouwing. Opvang van regenwater Artikel 16 Sommige reclamanten zijn van oordeel dat dit artikel niet thuishoort in Titel I die hoofdzakelijk is voorbehouden voor kwesties met betrekking tot volume en plaatsing van de bouwwerken. De GOC is voorstander van het behoud van dit voorschrift in deze Titel. In dit verband is het belangrijk dat Titel I voorziet in bepalingen inzake de opvang van het regenwater. De installatie van regenputten kan namelijk een impact hebben op de plaatsing en de inname van het ondergronds bouwwerk. De reclamanten en de GOC wijzen op een tegenstrijdigheid in het beoogde doel : opvang of huishoudelijk gebruik. Indien de put dient voor de opvang van het regenwater, dan moet deze leeg zijn; indien men echter het gebruik van het regenwater voor huishoudelijke doeleinden wil stimuleren, dan moet deze bij voorkeur vol zijn. In dit verband streeft de GSV er met name naar om de overbelasting van het rioleringsnet te voorkomen en zo overstromingen te beperken, maar ook om een huishoudelijk gebruik van het regenwater aan te moedigen. Door te voorzien in de plaatsing van een regenput kan tegelijkertijd een bufferzone worden gecreëerd en een reservoir voor het huishoudelijk gebruik van het regenwater. Verder kan de GSV de gebruikers geen bepaald gedrag opleggen inzake het gebruik van het regenwater. Regenput en aansluiting Verscheidene reclamanten wijzen erop dat de verplichting van een regenwaterontlastingsput geen zin heeft indien deze maatregel niet gepaard gaat met een verplichting tot het gebruik van dit regenwater. De enige verplichting hieromtrent vinden we terug in Titel II, artikel 17, § 1 en betreft enkel het lokaal voor de berging van schoonmaakmateriaal in gebouwen met meerdere woningen. Er zou op zijn minst een verplichting moeten komen op de aansluiting van de wc's en buitenkranen daarop. De GSV zou - in het geval van nieuwe verkavelingen of de bouw van vastgoedcomplexen - de uitvoering moeten voorschrijven van een afzonderlijk rioleringsnet opdat het regenwater zo snel mogelijk zou worden afgevoerd naar de bestaande waterlopen of meren, om de rioleringen en zuiveringsstations te ontlasten. Er moeten twee netwerken worden voorzien : een regenwaternetwerk en een drinkwaternetwerk, die van elkaar worden gescheiden. Een andere reclamant stelt voor om ten minste 50 % van de dakoppervlakte op de regenput aan te sluiten. Iedere regenwaterput zou moeten worden aangesloten op een pomp. Een reclamant stelt voor om een reglementering te voorzien m.b.t. de afmeting van de afvoeropeningen van de stormreservoirs om het gewenste resultaat te verzekeren. De RLBHG meent dat de aspecten m.b.t. het hergebruik van het regenwater en de inwatering in het huidige ontwerp ontbreken. De GSV zou, in het kader van bestaande gebouwen, de toevoeging van een grondinwateringssysteem kunnen voorschrijven, voor de opvang van het afvoerwater van de daken langs de tuinzijde, terwijl het afvoerwater langs de straatkant naar de riolering zou blijven gaan. De RLBHG is inderdaad van mening dat het naast elkaar plaatsen van kleine structuren hogerop een belangrijk voordeel zou opleveren in termen van uitgaven voor extra werken. De scheiding tussen bruikbaar water en afvalwater moet op termijn een verkleining van de opvang- en waterbehandelingsinfrastructuren toelaten en overstromingen voorkomen. Naar aanleiding van al deze opmerkingen vraagt de GOC om, voor nieuwbouw, de uitvoering van een dubbel netwerk voor te schrijven, evenals de aansluiting van de wc's op de regenwaterput, met de nodige voorzorgsmaatregelen inzake hygiëne. Het is echter niet de betrachting van de GSV om een gedetailleerde beschrijving te geven van de technische oplossingen voor het gebruik van het regenwater. Die materies vallen buiten de doelstelling van de verordening, die gericht is op de aspecten van de ruimtelijke ordening. Die technische aspecten moeten worden beschreven in andere wetteksten of aanbevelingen. Inhoud van de regenput Er worden tal van voorstellen gedaan aangaande de minimuminhoud van de regenwaterput. - 33 liter lijkt sommigen nogal overdreven. Er moet inderdaad rekening worden gehouden met de andere bestaande doorlaatbare oppervlakten; - voor anderen lijkt 50 liter per m2 dan weer redelijk - dit geeft een volume van 4 m3, voldoende voor de bevoorrading van een gezin met 4 personen m.b.t. wc's en schoonmaak; - 60 liter per m2 ondoorlaatbare oppervlakte, terrassen en balkons inbegrepen. - 1.000 liter per 20 m2 ondoorlaatbaar dakoppervlak in horizontale projectie (zo worden ook de parkeeroppervlakten in aanmerking genomen voor de berekening); - 16 liter per m2 dakoppervlak in horizontale projectie, terrassen en parkeerplaatsen inbegrepen; - een minimum van 2 m3 per gebouw. Sommige reclamanten stellen voor om de ingenomen grondoppervlakte in aanmerking te nemen, i.p.v. het dakoppervlak in horizontale projectie. Andere reclamanten stellen voor om van deze oppervlakte de groene daken af te trekken; De GOC is niet bevoegd om een standpunt in te nemen over de ideale inhoud van de regenput. Ze vraagt dat de regering de technische aspecten van deze kwestie aandachtig zou bestuderen. In dit verband vloeit de voorgeschreven inhoud van 33 liter per m2 dakoppervlakte voort uit een gemiddelde. Er is op dit vlak geen doorslaggevend technisch argument om die inhoud te wijzigen. DispensesVrijstellingen Een reclamant en de GOC wijzen erop dat er in sommige gevallen onvoldoende plaats is voor de installatie van een regenput. Ze vragen om een vrijstelling te voorzien voor kleine tussenliggende huisjes gevestigd op kleine percelen. Het is in dit geval echter aan de uitreikende overheid om deze kwestie geval per geval te regelen, rekening houdend met de configuratie van het terrein. De regenputten zouden niet verplicht kunnen zijn in het geval van de bouw van een vastgoedcomplex met een stormbekken. 6 leden van de GOC kunnen zich vinden in de opmerking van de reclamant en vragen om deze vrijstelling op te nemen in de GSV. 22 leden van de GOC delen deze mening niet en menen dat de stormbekkens en regenwaterputten twee afzonderlijke functies vervullen. Ze vragen om de tekst van het ontwerp van GSV te behouden. In het kader van de bouw van vastgoedgehelen kan een stormbekken worden opgelegd door de uitreikende overheid. Stormbekkens en regenputten vervullen echter verschillende functies. De aanwezigheid van een stormbekken vormt geen reden tot vrijstelling van de installatie van een regenput, die het mogelijk maakt om het regenwater op te vangen en te gebruiken voor huishoudelijke toepassingen. Regenwaterput en parking Een reclamant vraagt om de volgende verduidelijkingen toe te voegen m.b.t. het parkeeroppervlak : er moet een systeem worden voorzien voor de scheiding en opvang van koolwaterstoffen en minerale oliën in het opgevangen water. De GOC oordeelt dat een scheidingssysteem onontbeerlijk is. De vereiste om te voorzien in een scheidingssysteem lijkt in dit verband overdreven voor kleine parkeerruimten (zoals privéparkings). Voor grotere parkings kunnen deze voorwaarden worden opgelegd bij de aflevering van de stedenbouwkundige vergunning die noodzakelijk is voor hun uitbating. Overeenstemming van een project met deze verordening. Artikel 17 Een reclamant stelt voor om de term « bouwproject » - die hij te beperkend acht met het oog op het insluiten van de uitbreidingen, verbouwingen en bestemmingswijzigingen van bestaande gebouwen - te vervangen of aan te vullen. Een andere reclamant verkiest de term « project » boven de term « bouwproject. » De GOC stelt voor om te spreken van een « stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ». De term « bouwproject »(projet de construction in het Frans) is voldoende duidelijk en omvat alle beoogde handelingen en werken. Het is dus niet nodig deze term te vervangen of aan te vullen, aangezien de interpretatie niet voor problemen zorgt. TITEL II. - Bewoonbaarheidsnormen voor woningen HOOFDSTUK I. - Algemeen Verscheidene reclamanten betreuren de afwezigheid van geluidsnormen, omdat lawaai een bron is van hinder en burenconflicten; ze stellen voor om geluidsnormen toe te voegen. De RLBHG onderstreept het belang van geluidsisolatie inzake bewoonbaarheid en vindt dat men isolatiecriteria en goede praktijken moet uitwerken om de geluidshinder, zowel binnen als buiten de woning, te verhelpen. De Raad herinnert eraan dat het veel efficiënter en goedkoper is om preventieve maatregelen te nemen in de ontwerpfase van een gebouw dan maatregelen achteraf; Bijgevolg stelt de RLBHG voor om in Titel II een hoofdstuk op te nemen betreffende de geluidsisolatie om woningen te vrijwaren van geluidstransmissies. De GOC onderstreept het belang van dit voorstel maar wijst erop dat het onmogelijk is om deze normen op te nemen in de GSV en oordeelt dat ze voorgeschreven zouden moeten worden door andere verordeningen. Verscheidene reclamanten betreuren de afwezigheid van een hoofdstuk "verbodsbepalingen" dat het verbod preciseert inzake doorgangen en spleten in deuren, vloeren, wanden, waarlangs tabaksrook en andere vervuilingen van de ene woning naar de andere kunnen migreren. De GOC oordeelt dat deze preciseringen niet thuis horen in de verordening maar afhangen van de technische modaliteiten van de bouw. Een reclamant is van mening dat de normen van titel II eerder geïntegreerd zouden moeten worden in de Huisvestingscode, omdat de behandelde materies slechts onrechtstreeks verband houden met stedenbouw; hij stelt voor om de bepalingen te bundelen met de Huisvestingscode, wat borg zou staan voor meer coherentie en leesbaarheid naar de burger toe. Verscheidene reclamanten wijzen op verschillen tussen de GSV en de Huisvestingscode en tussen de GSV en het GBP : bijvoorbeeld, de minimale oppervlakten van de GSV zijn gekoppeld aan het aantal bewoners terwijl de Huisvestingscode die aan het soort lokaal koppelt; de minimumhoogtes onder het plafond komen niet overeen; de afmetingen van vloeren worden gemeten tussen de kale binnenmuren, terwijl andere wetgevingen die meten tussen de kale buitenmuren. Ze stellen voor om de verenigbaarheid van de teksten na te kijken en eventueel de verschillende bepalingen te bundelen in één tekst. Verscheidene reclamanten wijzen op de noodzaak om de verschillende normen te harmoniseren : GSV, Huisvestingscode en SVK bijvoorbeeld : hoogte onder het plafond van 2,5 m in de GSV, 2,3 m in de Huisvestingscode en 2,1 m voor de sociale verhuurkantoren; breedte van de toegangsdeur van 95 cm in de GSV, 80 cm in de Huisvestingscode en 70 cm voor de sociale verhuurkantoren; keuken + woonkamer 28 m2 in de GSV maar 20 m2 bij de sociale verhuurkantoren; Ze stellen voor om de normen van de GSV, de Huisvestingscode en de sociale verhuurkantoren te harmoniseren. De GOC oordeelt dat de verschillen tussen de normen van deze verordeningen leiden tot een gebrek aan duidelijkheid. Toch acht de GOC het verantwoord dat er verschillende regels zijn inzake stedenbouw ten opzichte van de minimumregels inzake gezondheid, veiligheid en hygiëne, vastgelegd door de Huisvestingscode, te meer omdat de oppervlaktenormen van de GSV bijvoorbeeld van toepassing zijn op nieuwbouwwoningen. Men dient echter toe te zien op de coherentie met de andere titels van de GSV en met name met Titel IV betreffende personen met een beperkte mobiliteit. In dat verband wordt gepreciseerd dat het bestaan van specifieke normen in andere reglementeringen het gevolg is van het feit dat er diverse administratieve beleidslijnen naast elkaar bestaan, die weliswaar ook wel betrekking hebben op de woningen, maar daarbij specifieke doelstellingen nastreven. Dat geldt in het bijzonder voor de Brusselse Huisvestingscode, die weliswaar zowel betrekking heeft op de bestaande bouwwerken als op nieuwe woningen, maar zich toespitst op de toegang tot de woningen aan de hand van normen die specifiek mikken op de gevallen van verhuring (zie artikelen 5 tot 16 van de Huisvestingscode). De GSV streeft een ander doel na en mikt in de eerste plaats op de nieuwe woningen, ongeacht hun bezettingswijze (door eigenaar of huurder). Titel II heeft tot doel om, in het licht van de nood aan een minimale levenskwaliteit, bewoonbaarheidsnormen op te leggen voor nieuwe woningen evenals voor wijzigingen die gevolgen hebben voor de bewoonbaarheid van bestaande woningen. De voorgestelde bepalingen bevatten minimumnormen inzake oppervlakte en volume, normen betreffende de hygiëne van de woningen en betreffende de uitrustingen, alsook specifieke regels voor de gebouwen met meerdere woningen. Deze Titel is meer specifiek toegespitst op de bouw van woningen en kan op dat vlak strengere normen voorschrijven dan die die door de Huisvestingscode worden voorgeschreven voor alle (bestaande of nieuwbouw) woningen, en die dus wel degelijk verenigbaar zijn met de minimumnormen van de Huisvestingscode. Gelet op deze specifieke doelstellingen en toepassingsgebieden, hebben de GSV en de Huisvestingscode elk hun bestaansredenen. Dat geldt niet inzake de problematiek van het lawaai als bron van hinder en burenconflicten. Het is namelijk zo dat de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen het lawaai in stedelijke omgeving in dit verband het algemene kader definieert voor de bescherming van de bewoners van het Gewest tegen geluidshinder, of het nu gaat om burenlawaai of om geluidsoverlast veroorzaakt door geklasseerde installaties. Meer bepaald de artikels 9, 13 en 14 van de ordonnantie van 17 juli 1997 en haar uitvoeringsbesluiten, waaronder het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/11/2002 pub. 21/12/2002 numac 2002031593 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de strijd tegen het buurtlawaai type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/11/2002 pub. 21/12/2002 numac 2002031592 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/11/2002 pub. 21/12/2002 numac 2002031594 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/11/2002 pub. 20/02/2003 numac 2003031060 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verbranding van afval type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/11/2002 pub. 21/01/2010 numac 2010031017 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties. - Rechtzetting type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 21/11/2002 pub. 21/12/2002 numac 2002031591 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de controlemethode en omstandigheden voor geluidsmetingen sluiten betreffende de strijd tegen burenlawaai, behandelen reeds op adequate en uitvoerige wijze de problematiek van het burenlawaai, vermits deze vorm van hinder zowel voortvloeit uit het gedrag van de betrokkenen als uit de kenmerken van de woningen. Door de uitvaardiging van dwingende immissienormen die de geluidsverspreiding beperken voor alle woon-, rust- en dienstlokalen, in de drie uurschijven van de dag die ze bepalen, zorgen deze bepalingen voor voldoende geluidsbescherming van alle bewoners van elk gebouw dat menselijke activiteit huisvest, waaronder de woon- en verblijfsgebouwen. Toepassingsgebied Artikel 1 Artikel 1, § 3 Verscheidene reclamanten zijn van mening dat het begrip "wijziging van de bewoonbaarheid" niet preciezer is dan "ingrijpende wijziging" (begrip dat terug te vinden is in de vorige GSV) en dat dit derhalve om precisering vraagt. De GOC vindt het begrip "wijziging van de bewoonbaarheid" wel duidelijker omdat het verwijst naar de normen van de titel zelf. Artikel 1, § 3 legt uit dat er een wijziging van de bewoonbaarheid is voor handelingen en werken voor de bouw van een uitbreiding of van een extra verdieping, voor de wijziging van de bestemmingen of van de verdeling hiervan en voor de wijziging van het aantal woningen. De KCML onderstreept dat de toepassing van de verordening bij een wijziging van de bewoonbaarheid, van de bestemmingen of van de verdeling ervan of van het aantal woningen op termijn zal leiden tot het verdwijnen van de traditionele Brusselse woning (3 vertrekken achter mekaar). De KCML vindt dit niet redelijk en stelt voor dat de term "behoud" zou worden uitgebreid tot de restauratie, of dat titel II enkel van toepassing zou zijn op nieuwbouw en op de uitbreidingen van een bestaand gebouw. De GOC is het eens met de KCML voor de uitbreiding van de term "behoud" tot de restauratie. De GOC volgt daarentegen niet de KCML in haar voorstel om Titel II enkel van toepassing te laten zijn op nieuwbouw en uitbreidingen van een bestaand gebouw. Verscheidene reclamanten onderstrepen de moeilijk te begrijpen formulering van artikel 1, § 3 en stellen voor om de volgorde van de zinnen om te keren, te beginnen met de gevallen waarop de verordening van toepassing is, ofwel om de eerste zin te verschuiven naar een paragraaf 4. Sommige reclamanten vragen om de problematiek van de inrichting van een woning in een bestaand gebouw opnieuw in beschouwing te nemen en dat geval te beschouwen als een nieuwbouwwoning. De bezwaarschriften hebben betrekking op de toepassing van de bewoonbaarheidsnormen van bestaande woningen of bouwwerken. Op dat vlak betwist niemand dat het onderscheid tussen nieuwe en bestaande gebouwen, in principe, moet worden gehandhaafd : daar waar de nieuwe gebouwen aan alle voorschriften moeten beantwoorden, kan het gebeuren dat de voorschriften van deze titel niet toegepast kunnen worden op alle handelingen en werken aan een bestaand bouwwerk. Men dient dus in principe de toepassing van titel II uit te sluiten voor handelingen en werken met betrekking tot een bestaand bouwwerk wanneer die het behoud van dat bouwwerk beogen. Maar anderzijds mag men ook niet uit het oog verliezen dat titel II tot doel heeft om toe te zien op de naleving van de bewoonbaarheidsnormen voor woningen. Het is derhalve verantwoord om erop toe te zien dat de bewoonbaarheidsnormen niet volledig met de voeten worden getreden wanneer de handelingen en werken ertoe leiden dat het gebouw niet meer beantwoordt aan de essentiële kenmerken van wat oorspronkelijk was toegestaan, wat het geval is wanneer de handelingen en werken de bouw van een uitbreiding of van een bijkomende verdieping omvatten, de wijziging van het aantal woningen of nog de wijziging van de bestemmingen of van hun verdeling. Ook de handelingen en werken die leiden tot een wijziging inzake de bewoonbaarheid, met andere woorden die leiden tot de wijziging van een kenmerk van de woning dat wordt gereglementeerd door titel II, moeten opgenomen worden in het toepassingsgebied. Het is derhalve niet verantwoord om alle "restauratiewerken" uit het toepassingsgebied te sluiten, omdat een restauratie soms omvangrijke handelingen en werken kan omvatten. Zoals de reclamanten voorstellen, moeten in de bepalingen deze gevallen van ingrijpende wijziging (begrip dat terug te vinden is in de vorige GSV) worden gepreciseerd, evenals het geval van aantasting van de bewoonbaarheid door de wijziging van één van de kenmerken van de woning die zijn gereglementeerd door titel II, in welk geval de toepassing op de handelingen en werken aan bestaande bouwwerken van kracht is. Zoals de reclamanten aanhalen, zouden de gevallen waarin de handelingen en werken aan een bestaand gebouw vallen onder het toepassingsgebied van deze titel - waaronder de wijziging van de bewoonbaarheid - beter gepreciseerd moeten worden. Wat de formulering van §§ 3 en 4 betreft, wordt erop gewezen dat deze paragrafen verschillende voorwerpen hebben. § 4 sluit bepaalde specifieke inrichtingen uit van deze titel. § 3 heeft tot doel om te bepalen welke handelingen en werken aan een bestaand bouwwerk vallen onder het toepassingsgebied van deze titel. De twee paragrafen moeten dus gescheiden blijven. Zoals de reclamanten aanhalen, is het daarentegen wel zo dat de samenvoeging, in § 3, van een bevestigende zin (opname in het toepassingsgebied) en een ontkennende zin (uitsluiting van het toepassingsgebied), niet bevorderlijk is voor de duidelijkheid. Om tegemoet te komen aan die opmerkingen, wordt § 3 geherformuleerd om duidelijker de gevallen te preciseren waarin de handelingen en werken aan een bestaand bouwwerk onder deze titel vallen, zoals met name de bouw van een uitbreiding of een bijkomende verdieping, de wijziging van het aantal woningen, de wijziging van de bestemmingen of van hun verdeling of nog de wijziging van een kenmerk van de woning dat wordt gereglementeerd door deze titel. Wanneer de handelingen en werken aan een bestaand bouwwerk betrekking hebben op dergelijke projecten of de oppervlakte of hoogte van een woning wijzigen, zal deze titel dus van toepassing zijn. Een gemeente vraagt om de aanvraag tot wijziging van het aantal woningen vrij te s

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.