(0)zijn aangeduid wegens uitzonderlijke geografische of weersomstandigheden;3° indien het oppervlaktewater een natuurlijke verrijking met bepaalde stoffen ondergaat, die aanleiding zou geven tot een overschrijding van de voor de categorieën A1, A2 en A3 in de tabel van bijlage XXXV van de richtlijn 75/440/EEG vastgestelde grenswaarden;4° in het geval van oppervlaktewater uit ondiepe meren met bijna stilstaand water, ten aanzien van sommige parameters voorzien van een sterretje in de tabel van bijlage XXXV;deze afwijking is slechts van toepassing op meren met een diepte van ten hoogste 20 meter, waarin de vervanging van het water meer dan een jaar in beslag neemt en waarin geen afvalwater wordt geloosd. Indien van een afwijking gebruik wordt gemaakt, wordt de Commissie hiervan door het Gewest onverwijld in kennis gesteld, onder vermelding van de motieven en de vastgestelde termijn. Art. R. 129. De referentie-meetmethoden en de minimumfrequenties van bemonstering, analyse en inspectie met betrekking tot de beschermingszones en tot de stroomopwaartse zones zijn die vastgesteld in het reglement inzake algemene immissienormen die respectievelijk voorzien zijn in de artikelen 96 tot en met 105. Bij gebreke aan de in het reglement inzake algemene immissienormen bepaalde methoden, kan de Minister een methode vaststellen. Art. R. 130. De maatschappijen voor drinkwaterproductie delen ieder jaar vóór 30 april aan de Afdeling Water van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu het resultaat van de analyses over de kwaliteit van het genomen oppervlaktewater mee. Afdeling II. - Bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen Onderafdeling I. - Toepassingsgebied en begripsomschrijving Art. R. 131. Deze afdeling heeft tot doel het aquatisch milieu te beschermen tegen de verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen. Het is van toepassing op het geheel van de oppervlaktewateren. Art. R. 132. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder "richtlijn" de richtlijn 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd. Onderafdeling II. - Bepaling van de relevante gevaarlijke stoffen in het Waalse Gewest en de desbetreffende kwaliteitsdoelstellingen Art. R. 133. § 1. De stoffen die opgenomen kunnen worden op de lijst van de relevante gevaarlijke stoffen in het Waalse Gewest worden eerst gezocht onder de 99 stoffen van lijst II in bijlage bij de richtlijn, alsmede onder bepaalde metalen en metaalhoudende verbindingen. Deze stoffen worden vermeld in kolom 2 van de tabel opgenomen in bijlage XXXVI. § 2. De lijst van de relevante stoffen in het Waalse Gewest wordt vastgesteld op grond van meetcampagnes voor het oppervlaktewater. § 3. Een stof die op lijst II opgenomen kan worden, wordt als relevant beschouwd zodra haar concentratie in het water die over minimum één jaar wordt gemeten, één keer de door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water; bepaalde vaststellingsgrens overschrijdt. De in het Waalse Gewest geïdentificeerde relevante stoffen worden vermeld in kolom 5 van de tabel opgenomen in bijlage XXXVI. § 4. De aan de relevante gevaarlijke stoffen gebonden kwaliteitsdoelstellingen worden vermeld in kolom 6 van de tabel opgenomen in bijlage XXXVI. Voor het meetseizoen 2002 zijn de waarden vermeld in de tabel van de bijlage mediane waarden. De monsternemingen en de berekening van hun mediane waarden worden verricht als volgt : 1° de monsternemingen en de berekeningen worden jaarlijks uitgevoerd;2° in de loop van het jaar worden minstens 5 monsternemingen op dezelfde plaatsten uitgevoerd;3° de monsternemingen worden zo verspreid dat met verschillende weeromstandigheden rekening wordt gehouden. Voor de meetseizoenen 2003 en 2004 zijn de waarden vermeld in de tabel van de bijlage mediane waarden. De monsternemingen en de berekening van hun mediane waarden worden verricht als volgt : 1° de monsternemingen en de berekeningen worden jaarlijks uitgevoerd;2° in de loop van het jaar worden minstens dertien monsternemingen op dezelfde plaatsten uitgevoerd;3° de monsternemingen worden zo verspreid dat met verschillende weeromstandigheden rekening wordt gehouden. Te rekenen vanaf het meetseizoen 2005 zijn de waarden vermeld in de tabel van de bijlage waarden in jpercentile 90. De monsternemingen en de berekening van de waarde van percentile 90 worden als volgt verricht : 1° de monsternemingen en de berekeningen worden jaarlijks uitgevoerd;2° in de loop van het jaar worden minstens dertien monsternemingen op dezelfde plaatsten uitgevoerd;3° de monsternemingen worden zo verspreid dat met verschillende weeromstandigheden rekening wordt gehouden. § 5. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, beoordeelt op 31 december 2001 of de kwaliteitsdoelstellingen voor de relevante gevaarlijke stoffen in acht zijn genomen. Het beoordelingsrapport wordt aan de Minister overgemaakt. Voor elke relevante stof die aan de lijst wordt toegevoegd na bijwerking ervan, zoals bepaald in artikel 135, wordt aan het einde van een meetjaar beoordeeld of de kwaliteitsdoelstelling ervan al dan niet in acht is genomen. Art. R134. De kwaliteitsdoelstellingen gelden niet voor de oppervlaktewateren of voor bepaalde gedeelten ervan : 1° in geval van buitengewone droogte;2° wegens wetenschappelijk vastgestelde geologische natuurlijke eigenschappen of andere, die van dien aard zijn dat ze de waterkwaliteit aantasten. Art. R. 135. § 1. De lijst van de gevaarlijke stoffen en/of van de desbetreffende kwaliteitsdoelstellingen worden één keer en uiterlijk 31 december 2001 bijgewerkt. § 2. De Minister kent een kwaliteitsdoelstelling toe aan elke nieuwe relevante gevaarlijke stof die aan de lijst wordt toegevoegd. § 3. Vanaf de eerste bijwerking wordt de lijst om de drie jaar bijgewerkt. Onderafdeling III. - Controlenetwerk Art. R. 136. Uiterlijk 31 december 2000 wordt een netwerk tot stand gebracht voor de controle van de oppervlaktewateren verontreinigd door de in het aquatisch milieu aanwezige relevante gevaarlijke stoffen. Art. R. 137. Het overeenkomstig artikel 136 tot stand gebrachte controlenetwerk heeft o.a. tot doel : 1° de relevante gevaarlijke stoffen of groepen van relevante gevaarlijke stoffen na minimum één jaar te identificeren onder de in artikel 133, § 1, bedoelde stoffen die in lijst II opgenomen kunnen worden en in het water kunnen voorkomen; 2° de evolutie van de relevante gevaarlijke stoffen te volgen t.o.v. de kwaliteitsdoelstelling ervan; 3° het effect van de in de artikelen 139 tot en met 141 bedoelde programma's ter vermindering van de verontreiniging te beoordelen. Art. R. 138. § 1. De Minister gaat over of laat overgaan tot de representatieve monsternemingen volgens de minimale frequentie bedoeld in artikel 133, § 4. § 2. Tussen het moment van de monsterneming en dat van het laboratoriumonderzoek, wordt alles in het werk gesteld om de verslechtering van de oorspronkelijke kwaliteit van de monsters te voorkomen. § 3. De controle van de kwaliteitsdoelstellingen wordt bij voorkeur verricht via gestandaardiseerde analysetechnieken van het type ISO, EPA, EN. De laboratoria die aangepaste of andere methodes gebruiken, moeten zich vergewissen van de geldigheid van hun methodes die niet gestandaardiseerd zijn, en dat bewijzen aan de hand van herhaalbaarheids- en reproduceerbaarheidsproeven. Het laboratorium zal rekening houden met de bestaande normen en methoden i.v.m. de maximale bewaartijd die men vóór de analyse aanraadt in acht te nemen. Onderafdeling IV - Programma's ter vermindering van de verontreiniging veroorzaakt door de relevante gevaarlijke stoffen in het Waalse Gewest Art. R. 139. De Minister bepaalt een programma ter vermindering van de verontreiniging veroorzaakt door elke relevante gevaarlijke stof bedoeld in kolom 5 van de tabel in bijlage XXXVI waarvan de kwaliteitsdoelstelling op 31 december 2001 niet in acht is genomen. Deze programma's liggen vast binnen drie maanden, te rekenen van 31 december 2001. De Minister bepaalt specifieke programma's ter vermindering van de relevante gevaarlijke stoffen die aan de lijst worden toegevoegd na 31 december 2001 en die niet voldoen aan hun kwaliteitsdoelstelling aan het einde van het meetjaar dat volgt op dat van hun indeling. Deze programma's worden goedgekeurd binnen zes maanden na het einde van het meetjaar. Art. R. 140. De programma's ter vermindering van de verontreiniging bepalen in welke ate de verschillende aangenomen en/of voorziene instrumenten, met inbegrip van de wettelijke, reglementaire en administratieve maatregelen, tot hun verwezenlijking bijdragen. De programma's kunnen ook specifieke bepalingen bevatten i.v.m. de samenstelling en het gebruik van de bedoelde stoffen en rekening houden met de recentste technische voortgangen die economisch realiseerbaar zijn. De middelen die worden aangewend om de relevante gevaarlijke stoffen onder hun kwaliteitsdoelstelling te brengen, kunnen met name betrekking hebben op de vermindering bij de emissie en/of het gebruik, het erkenningssysteem, het belastingsysteem en het uitvoeringsverbod. De kwaliteitsdoelstellingen moeten uiterlijk vijf jaar na de goedkeuring van het programma gehaald worden. Art. R. 141. Als blijkt dat een kwaliteitsdoelstelling aan het einde van het overeenkomstige verminderingsprogramma niet in acht genomen wordt en voor zover vaststaat dat de oorzaak van de niet-inachtneming gedeeltelijk of geheel te wijten is aan menselijke activiteiten die op het Waalse grondgebied worden uitgevoerd, neemt de Minister bijkomende maatregelen om de inachtneming ervan te waarborgen. Afdeling III. - Gecombineerde aanpak Art. R. 142. De wetgevingen bedoeld in artikel 160, § 2, 3°, van het decreetgevende deel worden opgesomd in bijlage V. HOOFDSTUK III. - Bescherming van grondwater en van water gebruikt voor het winnen van tot drinkwater verwerkbaar water Afdeling I. - Het winnen van tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater en de waterwinnings-, voorkomings- en toezichtsgebieden Onderafdeling I. - Begripsomschrijvingen Art. R. 143. Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder : 1° « bovengrondse installatie » : gedeelte van de bovengrondse waterwinplaats bestemd voor het opvangen van tot drinkwater verwerkbaar water, met inbegrip van het gebouw dat ze beschermt;2° « waterwinning » : handeling die bestaat in het opvangen van oppervlaktewater dat tot drinkwater kan verwerkt worden. Onderafdeling II. - Waterwinningsvergunning Art. R. 144. De waterwinningen moeten minstens voldoen aan volgende voorwaarden : 1° de kwaliteit van het oppervlaktewater waar de waterwinning plaatsvindt, moet beschermd worden;2° de uit een oppervlaktewater opgevangen hoeveelheid water moet zodanig bepaald worden dat de waterwinning het ecologisch en sanitair evenwicht ervan niet in gevaar brengt;3° de veiligheid van personen en goederen mag niet lijden onder waterwinningen uitgevoerd in tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater. Art. R. 145. De waterwinningen zijn in twee categorieën ingedeeld. Categorie A omvat alle waterwinningen, met inbegrip van degenen die door particulieren uitsluitend uitgevoerd worden voor de huishoudelijke behoeften van hun gezin, doch met uitzondering van degenen die tot categorie B behoren. Categorie B omvat de waterwinningen bestemd voor : 1° de openbare watervoorziening;2° de menselijke consumptie;3° de vervaardiging van levensmiddelen;4° de voorziening van openbare installaties zoals zwembaden, baden, douches of andere gelijksoortige installaties. Art. R. 146. De milieuvergunningen voor inrichtingen met een waterwinning vermelden de na te komen voorwaarden betreffende met name : 1° de waterwinningsapparaten;2° de uitvoerings- en uitrustingsmodaliteiten van de installatie;3° de meetinrichtingen van de hoeveelheden water en de waterstanden en de inrichtingen voor de monsterneming in de installatie;4° het gebruik van het opgevangen water;5° de dagelijks en jaarlijks op te vangen maximale hoeveelheid water;6° de frequentie van de tellingstaten van de opgevangen hoeveelheden water;7° de bescherming van de omliggende grondwaterwinningen;8° de openbare veiligheid;9° de te treffen maatregelen indien de waterwinning niet meer gebruikt wordt. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, is bevoegd om de goede staat van de meetinrichtingen te controleren; het dient te worden ingelicht over elke wijziging of vervanging van die inrichtingen. De houder van een milieuvergunning voor inrichtingen met een waterwinning wordt ertoe gehouden het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, jaarlijks uiterlijk op 31 januari de tijdens het jaar tevoren opgevangen hoeveelheid water mede te delen en in het algemeen elk ander gegeven omtrent de milieuvergunning en de gebruiksmodaliteiten van de waterwinning. Onderafdeling III. - Waterwinnings-, voorkomings- en toezichtsgebieden Art. R. 147. Het waterwingebied wordt aan de landzijde afgebakend door een lijn gelegen op 10 meter van de buitengrenzen van de voor de waterwinning strikt noodzakelijke bovengrondse installaties en, aan de waterloopzijde, door de eigendomgrens van het Gewest. In afwijking van lid 1 kan de afbakening van het waterwingebied overeenstemmen met natuurlijke of kunstmatige topografische vaste punten of grenzen zoals verkeerswegen, waterlopen, bouwlijnen, afsluitingen, bouwlijnen of met administratieve grenzen zoals kadastrale afdelingen. In dat geval mag de Minister bij een met redenen omkleed besluit bijkomende beschermingsmaatregelen opleggen. Art. R. 148. Een voorkomingsgebied dient te worden bepaald voor elke waterwinning van categorie B. Art. R. 149. Het voorkomingsgebied bestaat enerzijds uit het beschermingsgebied bedoeld in artikel 156 en anderzijds uit twee gebieden die aan voornoemd beschermingsgebied grenzen, met dezelfde lengte en een breedte vermeld in het besluit tot oprichting van het voorkomingsgebied. De breedte van de in lid 1 bedoelde aangrenzende gebieden kan veranderlijk zijn. Art. R. 150. Na het overeenkomstig artikel 152 uitgevoerd openbaar onderzoek neemt de Minister een besluit tot bepaling van het voorkomingsgebied en tot regeling van de activiteiten in dat gebied; hij deelt het mede aan de betrokken gemeenten, aan het bestendige deputatie van de provincieraad en aan elke persoon die tijdens het openbaar onderzoek opmerkingen heeft gemaakt. Art. R. 151. Na het overeenkomstig artikel 152 uitgevoerd openbaar onderzoek stelt de Minister het toezichtsgebied vast en regelt zij de activiteiten die in dat gebied plaatsvinden; hij deelt het mede aan de betrokken gemeenten, aan de bestendige deputatie van de provincieraad en aan elke persoon die tijdens het openbaar onderzoek opmerkingen heeft gemaakt. Onderafdeling IV. - Openbaar onderzoek Art. R. 152. De Minister stuurt de projecten van voorkomings- en toezichtsgebieden samen met hun bijlagen naar de gemeenten op het grondgebied waarvan voornoemde gebieden zich geheel of gedeeltelijk uitstrekken. Binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier opent het college van burgemeester en schepenen een onderzoek naar voor- en nadelen van het werk door aanplakking van een bericht met het voorwerp van het onderzoek. Dat bericht wordt gedurende dertig dagen op de gebruikelijke plaatsen aangeplakt; tegelijkertijd stuurt het college van burgemeester en schepenen een afschrift ervan naar de eigenaars en de voornaamste bewoners van de in het gebied gelegen gebouwen, alsmede naar de openbare besturen waaronder een in hetzelfde gebied gelegen verkeersweg, waterloop of om het even welke installatie of instelling ressorteren. Het dossier en de daarbij gevoegde plannen kunnen tijdens de hele duur van het onderzoek door de betrokkenen geraadpleegd worden. De personen die het wensen, kunnen een afschrift van die documenten verkrijgen tegen betaling van de door het college van burgemeester en schepenen vastgestelde kostprijs. Binnen dezelfde termijn zamelt een lid van het college van burgemeester en schepenen of door een daartoe afgevaardigde ambtenaar de schriftelijke opmerkingen in. Bij het verstrijken van die termijn wordt een zitting gehouden waarop alle personen die het wensen, gehoord worden en aan het einde waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt ter sluiting van het onderzoek naar voor- en nadelen van het werk. Het gemeentebestuur stuurt het dossier binnen een termijn van tien dagen na sluiting van het onderzoek samen met het gemotiveerd advies van het college van burgemeester en schepenen terug naar de Minister. Afdeling II. - Grondwaterwinningen, waterwinnings-, voorkomings- en toezichtsgebieden en kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen Onderafdeling I. - Begripsomschrijvingen Art. R. 153. Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder : 1° " toegelaten maximale concentratie" de concentratie voor pesticiden en aanverwante producten : a.0,1 g/l per afzonderlijke stof; b. 0,5 g/l in totaal;2° bovengrondse installatie " : gedeelte van de aan het oppervlak gelegen waterwininstallatie, alsmede het gebouw dat ze beschermt; 3°"pesticiden" : insekticiden :
- a)persistente organische chloorverbindingen;
- b)organische fosforverbindingen;
- c)carbamaten;
- d)herbiciden;
- e)fungiciden;
- f)regulators voor plantengroei;4° « waterwinning » : handeling die erin bestaat grondwater op te vangen;5° « lozing » : het lozen van stoffen en materies in het grondwater, met of zonder sijpeling in de grond of de ondergrond;6° « stoffen vermeld op lijst I of II » : alle stoffen die op lijst I of II van bijlage XXXVII voorkomen;7° « houder » : houder van de in artikel 169 van het decreetgevende deel bedoelde milieuvergunning voor een inrichting met een waterwinning. Onderafdeling II. - Waterwinningsvergunning Art. R. 154. De waterwinningen moeten minstens voldoen aan volgende voorwaarden : 1° de kwaliteit van het grondwater moet beschermd worden;2° de in een bepaalde waterlaag opgevangen hoeveelheid water moet overeenstemmen met een jaarlijks totaal volume dat de jaarlijkse gemiddelde natuurlijke voorziening van die waterlaag niet overschrijdt;3° de veiligheid van personen en goederen mag niet lijden onder de aan het grondwater aangebrachte wijzigingen. Art. R. 155. De waterwinningen zijn in vier categorieën ingedeeld. Categorie A omvat : 1° de proefbemalingen die niet langer dan twaalf maanden duren;2° de tijdelijke bemalingen uitgevoerd tijdens openbare of particuliere civieltechnische werken. Categorie B omvat de waterwinningen bestemd voor : 1° de openbare watervoorziening;2° de watervoorziening onder de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraalwater, alsmede het water voor thermaal gebruik;3° de menselijke consumptie;4° de vervaardiging van levensmiddelen;5° de voorziening van openbare installaties zoals zwembaden, baden, douches of andere gelijksoortige installaties. De door particulieren uitgevoerde waterwinningen met het oog op het exclusief huishoudelijk gebruik ervan zijn uit categorie B uitgesloten. Categorie C omvat de waterwinningen die niet tot de categorieën A en B behoren en waarvan de opgevangen capaciteit 10 m3 per dag of 3000 m3 per jaar overschrijdt. Categorie D omvat de waterwinningen die niet tot de categorieën A en B behoren en waarvan de capaciteit noch 10 m3 per dag noch 3000 m3 per jaar overschrijdt. Art. R. 156. De milieuvergunningen voor inrichtingen met een waterwinning vermelden de na te komen voorwaarden betreffende, met name : 1° de waterwinningsapparaten;2° het gescheiden houden van de verschillende waterlagen;3° de uitvoerings- en uitrustingsmodaliteiten van de installatie;4° de meetinrichtingen van de hoeveelheden water en de waterstanden en de inrichtingen voor de monsterneming in de installatie;5° het gebruik van het opgevangen water;6° de dagelijks en jaarlijks op te vangen maximale hoeveelheid water;7° de frequentie van de tellingstaten van de hoeveelheden water;8° de bescherming van de omliggende waterwinplaatsen;9° de openbare veiligheid;10° de modaliteiten inzake de uitvoering en de uitrusting van voor de exploitatie vereiste bijbehorende installaties zoals toegangs- en verluchtingsschachten van wateropvanggalerijen, die een verontreinigingsgevaar inhouden;11° de inplanting van de piëzometers bestemd voor het meten van de hydrogeologische parameters verbonden met de ontgonnen waterlaag en voor de desbetreffende monsterneming;12° de te treffen tijdelijke en bijzondere beschermingsmaatregelen om elke waterverontreiniging te voorkomen, in het geval van waterwinningen van categorie A;13° de te treffen maatregelen indien de waterwinning niet meer gebruikt wordt. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, is bevoegd om de goede staat van de meetinrichtingen te controleren; het dient te worden ingelicht over elke wijziging of verplaatsing van die inrichtingen. De houder van een milieuvergunning voor een inrichting met een waterwinning wordt ertoe gehouden het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, jaarlijks uiterlijk op 31 januari de tijdens het jaar tevoren opgevangen hoeveelheid water mede te delen en in het algemeen elk ander gegeven omtrent de milieuvergunning en de gebruiksmodaliteiten van de waterwinning. Onderafdeling III. - Waterwin-, voorkomings- en toezichtsgebieden Art. R. 157. § 1. Voor alle waterwinningen wordt het waterwingebied afgebakend door een lijn gelegen op 10 meter van de buitengrenzen van de voor de waterwinning strikt noodzakelijke bovengrondse installaties. Het aldus opgericht gebied wordt « gebied I » genoemd. § 2. Wat de waterwinningen van categorie A betreft, verduidelijkt de milieuvergunning de te treffen beschermingsmaatregelen en de grenzen van het waterwingebied. § 3. Voor waterwinningen gelegen in een in bedrijf zijnde steengroeve stemmen de grenzen van het waterwingebied overeen met die van de waterwinning. Art. R. 158. § 1. Een voorkomingsgebied moet bepaald worden voor elke waterwinning van categorie B in een vrije waterlaag. § 2. Een voorkomingsgebied kan bepaald worden voor elke waterwinning van categorie B gelegen in een lens of voor elke waterwinning van categorie C. Art. R. 159. § 1. In het geval van een vrije waterlaag wordt het voorkomingsgebied verdeeld in twee ondergebieden die respectievelijk dichtbijgelegen voorkomingsgebied of gebied IIa en verwijderd voorkomingsgebied of gebied IIb genoemd worden. 1° Het gebied IIa is begrepen tussen de omtrek van gebied I en een lijn gelegen op een afstand van de waterwinning die overeenstemt met een verplaatsingstijd van het grondwater tot aan de waterwinning gelijk aan 24 uur in verzadigde grond. Bij gebrek aan voldoende gegevens waarbij gebied IIa overeenkomstig voornoemd beginsel afgebakend kan worden, wordt dit gebied afgebakend door een lijn gelegen op een minimale horizontale afstand van 35 meter vanaf de bovengrondse installaties wanneer het om putten gaat, en door twee lijnen gelegen op minstens 25 meter aan weerszijden van de bovengrondse projectie van de lengteas wanneer het om galerijen gaat. 2° Gebied IIb is begrepen tussen de buitenomtrek van gebied IIa en de buitenomtrek van het wingebied van de waterwinning. De afstand tussen de buitenomtrek van gebied IIb en het werk mag echter niet groter zijn dan degene die overeenstemt met een verplaatsingstijd van het grondwater tot aan de waterwinning gelijk aan vijftig dagen in verzadigde grond. Bij gebrek aan voldoende gegevens waarbij gebied IIb overeenkomstig voornoemd beginsel afgebakend kan worden, bedraagt de afstand tussen de omtrek van dit gebied en de buitenomtrek van gebied IIa :
- a)100 meter voor de waterhoudende zandformaties;
- b)500 meter voor de waterhoudende grintformaties of de afstand tussen de waterloop en de grens van de waterhoudende alluviale formatie,
- c)1 000 meter voor de waterhoudende gescheurde of karstische formaties. Wanneer het grondwater de waterwinning langs voorkeursafwateringsassen bevoorraadt, wordt gebied IIb langs die assen uitgebreid over een maximale afstand van 1 000 meter en over een breedte die minstens gelijk is aan die van gebied IIa. Die afstanden zijn vatbaar voor herziening indien later verkregen gegevens toelaten gebied IIb vast te stellen naargelang van de verplaatsingstijden of de grenzen van het ingangsgebied van de waterwinning. § 2. Wanneer er een verontreinigingsgevaar bestaat, is het voorkomingsgebied in een lens het gebied waarin de verplaatsingstijd kleiner is dan vijftig dagen in verzadigde grond. Dit gebied heeft de kenmerken van een verwijderd voorkomingsgebied. § 3. Na het overeenkomstig artikel 162 uitgevoerd openbaar onderzoek neemt de Minister een besluit tot bepaling van de in de §§ 1 en 2 bedoelde voorkomingsgebieden en tot regeling van de activiteiten in die gebieden; hij deelt het mede aan de betrokken gemeenten, aan de bestendige deputatie van de provincieraad, aan de provinciale directie Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium van het Ministerie van het Waalse Gewest en aan elke persoon die tijdens het openbaar onderzoek opmerkingen heeft gemaakt. Art. R. 160. In afwijking van de artikelen 158 en 159 kan de afbakening van de waterwin- en voorkomingsgebieden overeenstemmen met natuurlijke of kunstmatige topologische vaste punten en grenzen, zoals verkeerswegen, waterlopen, afsluitingen, bouwlijnen of met administratieve grenzen, zoals kadastrale secties. In de in het eerste lid bedoelde gevallen kan de Minister bij een met redenen omkleed besluit « bijkomende » beschermingsmaatregelen opleggen in de waterwinnings- en de voorkomingsgebieden. Art. R. 161. § 1. Na het overeenkomstig artikel 162 uitgevoerd openbaar onderzoek stelt de Minister het toezichtsgebied vast en regelt hij de activiteiten in dat gebied; hij deelt het mede aan de betrokken gemeenten, aan de bestendige deputatie van de provincieraad, aan de provinciale directie Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium van het Ministerie van het Waalse Gewest en aan elke persoon die tijdens het openbaar onderzoek opmerkingen heeft gemaakt. § 2. Wanneer de waterwinning van categorie B voor de productie van bronwater, natuurlijk mineraalwater of thermaalwater bestemd is en indien de houder van de milieuvergunning de aanleg van een toezichtsgebied aanvraagt, laat de Minister overeenkomstig artikel 162 een openbaar onderzoek uitvoeren. Onderafdeling IV. - Openbaar onderzoek Art.R. 162. De Minister stuurt de ontwerpen van voorkomings- en toezichtsgebieden samen met hun bijlagen naar de gemeenten op het grondgebied waarvan voornoemde gebieden zich geheel of gedeeltelijk uitstrekken. Binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier opent het college van burgemeester en schepenen een onderzoek naar voor- en nadelen van het werk door aanplakking van een bericht met het voorwerp van het onderzoek. Dat bericht blijft gedurende dertig dagen op de gewone plaatsen aangeplakt; tegelijkertijd stuurt het college van burgemeester en schepenen een afschrift ervan naar de eigenaars en de voornaamste bewoners van de in het gebied gelegen gebouwen, alsmede naar de openbare besturen waaronder een in hetzelfde gebied gelegen verkeersweg, waterloop of om het even welke installatie of instelling ressorteren. Het dossier en de daarbijgevoegde plannen kunnen tijdens de hele duur van het onderzoek door alle betrokkenen geraadpleegd worden. De personen die het wensen, kunnen een afschrift van die documenten verkrijgen tegen betaling van de door het college van burgemeester en schepenen vastgestelde kostprijs. Binnen dezelfde termijn zamelt een lid van het college van burgemeester en schepenen of een daartoe afgevaardigde ambtenaar de schriftelijke opmerkingen in. Bij het verstrijken van die termijn wordt een zitting gehouden waarop alle personen die het wensen, gehoord worden aan het einde waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt ter sluiting van het onderzoek naar voor- en nadelen van het werk. Het gemeentebestuur stuurt het dossier binnen een termijn van tien dagen na sluiting van het onderzoek samen met het gemotiveerd advies van het college van curgemeester en schepenen terug naar de Minister. Onderafdeling V. - Beschermingsmaatregelen Art. R. 163. Niettegenstaande de bijzondere voorwaarden die de Minister wegens specifieke omstandigheden kan opleggen, zijn de algemene voorwaarden van deze onderafdeling van toepassing op de door haar omschreven gebieden. - Waterwingebieden Art. R. 164. Daar waar het waterwingebied toegankelijk is, plaatst de houder van een milieuvergunning voor een inrichting met een waterwinning van categorie B of C een omheining, een dichte heg of elke andere omsluiting om derden de toegang te ontzeggen en elke lozing in het gebied te voorkomen. De onbebouwde delen van het waterwingebied worden zo ingericht dat elke besmetting wordt voorkomen; het gebruik van pesticiden is er verboden. Bij de toegangswegen tot het waterwingebied worden zichtbare borden geplaatst met leesbare informatie over de aard van de winning, de identiteit van de houder en de bij ongeval bereikbare diensten. - Voorkomingsgebieden Paragraaf één. - Dichtbijgelegen voorkomingsgebieden Art. R. 165. In het voorkomingsgebied zijn verboden : 1° het gebruik of het lozen van producten of materies die stoffen van lijst I of II bevatten, of elke andere handeling die aanleiding zou kunnen geven tot het lozen van deze stoffen. Toegelaten zijn evenwel :
- a)het gebruik van bij luchtdruk gasvormige koolwaterstoffen;
- b)het gebruik van vloeibare koolwaterstoffen, oliën en smeermiddelen bestemd voor de werking van motorvoertuigen die vanwege hun activiteit in het dichtbijgelegen voorkomingsgebied moeten komen;
- c)het gebruik van stoffen van lijst I of II, voor zover zij opgeslagen worden op of boven ondoorlatende oppervlakten voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit;
- d)het huishoudelijke gebruik van vloeibare koolwaterstoffen, oliën en smeermiddelen of producten die dergelijke stoffen bevatten en die bewaard worden in waterdichte ontvangers en opgeslagen worden op ondoorlatende oppervlakten voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit. Lucht- of kelderontvangers met een volume van meer dan 500 liter worden geplaatst in waterdichte retentiekommen waarvan de capaciteit voldoende is om elke vloeibare lozing te voorkomen. Ingegraven ontvangers zijn voorzien van een dubbelhulsel waarvan de waterdichtheid gecontroleerd kan worden om zich ervan te vergewissen dat elke lozing uitgesloten is; 2° de centra voor technische ondergraving bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;3° de opslag van meststoffen en pesticiden;4° verliesputten en de ondergrondse verspreiding van huishoudelijke effluenten;5° opslaginstallaties voor producten waarvan de natuurlijke afbraak het grondwater dreigt te verontreinigen;6° kampeer-, sport- en ontspanningsterreinen;7° drinkbakken;8° vergaarkommen die niet waterdicht zijn;9° oppervlakten voor het parkeren van meer dan vijf motorvoertuigen; 10° de permanent en occasioneel gebruikte circuits en terreinen bedoeld in rubriek 92.61.10 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten. Art. R. 166. In het dichtbijgelegen voorkomingsgebied is het verboden : 1° nieuwe kerkhoven aan te leggen;2° nieuwe overdekte omheinde dierenruimten te bouwen, met name stallen en kennels. De dierenruimten die reeds gebruikt worden op de datum van inwerkingtreding van het besluit tot bepaling van een dichtbijgelegen voorkomingsgebied, moeten beschikken over een ondoorlatende bodem en over een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit. Art. R. 167. In het dichtbijgelegen gebied : 1° mogen de lozingen en de afvoer van afvalwater of gezuiverd water slechts in waterdichte riolen, afvoerleidingen of geulen plaatshebben;2° moeten de leidingen voor producten of materies die stoffen van lijst I of II bevatten, waterdicht zijn;de kans op een toevallige breuk ervan moet tot een minimum worden herleid; 3° worden de opslagplaatsen voor afvalstoffen of de installaties voor de verwijdering of de valorisatie van de afvalstoffen bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen aan de volgende regels onderworpen :
- a)zij worden opgericht op ondoorlatende grond;
- b)zij worden voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing voorkomt;4° worden de opslagplaatsen voor dierlijke meststoffen als mest, aalt of gier, en opslagplaatsen voor inkuilingsproducten die vloeibare lozingen kunnen veroorzaken, aan de volgende regels onderworpen :
- a)zij mogen alleen producten opslaan van landbouwbedrijven die geheel of gedeeltelijk binnen de grenzen van het voorkomingsgebied gelegen zijn;
- b)de stoffen worden opgeslagen in waterdichte tanks of ontvangers of op plaatsen waar de grond ondoorlatend is;
- c)de opslagplaatsen zijn uitgerust met een opvangsysteem dat elke vloeibare lozing uitsluit;5° mogen de verspreidingen van dierlijke meststoffen, van producten die voor landbouwdoeleinden verspreid mogen worden, en van stikstofkunstmeststoffen de in bijlage III vermelde maximumdosissen niet overschrijden;6° mogen de verspreidingen van pesticiden de op de verpakkingen vermelde dosissen niet overschrijden, overeenkomstig de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt en het besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische producten. Als de Minister vaststelt dat de concentratie actieve stoffen die pesticiden bevatten, in het ontvangende water hoger is dan : 7° 80% van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie, m.b.t. de waarde die per afzonderlijke stof is vastgesteld, of dan 8° 80% van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie, m.b.t. de waarde die voor het geheel van de stoffen is vastgesteld, neemt hij de gepaste maatregelen om sommige landbouw- en huishoudelijke praktijken te wijzigen en zelfs de verspreiding van pesticiden te verbieden; 9° weggedeelten die het doorkruisen, voorzien van waterdichte geulen voor de opvang van alle vloeistoffen of stoffen in geloosd kunnen worden;10° wanneer putten, boringen, uithollingen of grondwerken die op meer dan 3 meter onder de grondoppervlakte worden uitgevoerd, onderworpen zijn aan een voor advies of toestemming aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, van Ruimtelijke ordening, Stedebouw en Patrimonium moet voorgelegd, wint dit laatste tijdens het onderzoek van de aanvraag het advies van de houder in. Deze formaliteit wordt geëist wanneer voornoemde werken, in de dichtbijgelegen voorkomingsgebieden van de winningen van mineraal, thermaal en koolzuurhoudend water, een diepte van meer dan 2 meter worden uitgevoerd. Indien het advies niet gegeven wordt binnen de maand vanaf dag van kennisgeving van de aanvraag, wordt het gunstig geacht te zijn. Paragraaf II. - Afgelegen voorkomingsgebieden Art. R. 168. In het afgelegen voorkomingsgebied zijn verboden : 1° de centra voor technische ondergraving bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, met uitzondering van de gecontroleerde stortplaatsen van klasse 3, zoals bepaald bij artikel 32, § 1, van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 23 juli 1987 betreffende de gecontroleerde stortplaatsen 2° de verliesputten. Art. R. 169. In het afgelegen voorkomingsgebied is de aanleg verboden van : 1° nieuwe kerkhoven;2° nieuwe kampeerterreinen; 3° de permanent en occasioneel gebruikte circuits en terreinen bedoeld in rubriek 92.61.10 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten. Art. R. 170. In het afgelegen voorkomingsgebied : 1° worden vloeistoffen die stoffen van lijst I of II bevatten, alsmede vloeibare koolwaterstoffen, oliën en smeermiddelen opgenomen in waterdichte ontvangers, geplaatst op ondoorlaatbare oppervlakten die voorzien zijn van een opvangsysteem dat elke vloeibare lozing uitsluit, onverminderd andere striktere reglementaire bepalingen en met uitzondering van elektrische transformatoren waarvan het hulsel een vloeistof van lijst I of II bevat, mits zodanig te zijn uitgerust dat het gevaar voor een hulselbreuk tot een minimum is herleid. De lucht- of kelderontvangers van vloeibare koolwaterstoffen, met een volume van meer dan 500 liter, worden geplaatst in waterdichte retentiekommen die een voldoende capaciteit hebben om elke vloeibare lozing te voorkomen. De ingegraven ontvangers van vloeibare koolwaterstoffen zijn voorzien van een dubbelhulsel waarvan de waterdichtheid gecontroleerd kan worden om zich ervan te vergewissen dat elke lozing uitgesloten is; 2° moeten de leidingen voor producten of materies die stoffen van lijst I of II bevatten, waterdicht zijn;het gevaar voor een toevallige breuk ervan moet tot een minimum herleid worden; 3° worden de opslagplaatsen voor afvalstoffen of de installaties voor de verwijdering of valorisatie van afvalstoffen bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen aan de volgende regels onderworpen :
- a)zij worden opgericht op ondoorlatende gronden;
- b)zij worden voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing voorkomt;4° worden : - dierlijke meststoffen als mest, aalt, gier; - meststoffen en pesticiden; - en inkuilingsprodukten waaruit vloeibare lozingen kunnen voortkomen, in waterdichte tanks of ontvangers opgeslagen of worden de ervoor oppervlakten opgericht. De opslagplaatsen zijn voorzien van een opvangsysteem dat het lekken van vloeistoffen uitsluit; 5° moeten de overdekte omheinde dierenruimten, met name stallen en kennels, beschikken over een ondoorlatende bodem en over een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit;6° mogen de verspreidingen van dierlijke meststoffen, van producten die voor landbouwdoeleinden verspreid mogen worden, en van stikstofkunstmeststoffen de in bijlage XXXVIII vermelde maximumdosissen niet overschrijden;7° mogen de verspreidingen van pesticiden de op de verpakkingen vermelde dosissen niet overschrijden, overeenkomstig de wet van 11 juli 1969 betreffende de pesticiden en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, en het besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische producten. Als de Minister vaststelt dat de concentratie actieve stoffen die pesticiden bevatten, in het ontvangende water hoger is dan :
- a)80 % van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie; m.b.t. de waarde die per afzonderlijke stof is vastgesteld, of dan
- b)80 % van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie, m.b.t. de waarde die voor het geheel van de stoffen is vastgesteld, neemt hij de gepaste maatregelen om sommige landbouw- en huishoudelijke praktijken te wijzigen en zelfs de verspreiding van pesticiden te verbieden; 8° wanneer putten, boringen, uithollingen of grondwerken die op meer dan 5 meter onder de grondoppervlakte worden uitgevoerd, onderworpen zijn aan een voor advies of toestemming aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, van Ruimtelijke ordening, Stedenbouw en Patrimonium moet voorgelegd, wint dit laatste tijdens het onderzoek van de aanvraag het advies van de houder in. Deze formaliteit wordt geëist wanneer voornoemde werken, in de dichtbijgelegen voorkomingsgebieden van de winningen van mineraal, thermaal en koolzuurhoudend water, op een diepte van meer dan 3 meter worden uitgevoerd. Indien het advies niet gegeven wordt binnen de maand vanaf de dag van kennisgeving van de aanvraag, wordt het gunstig geacht te zijn. Art. r.171. Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de overeenkomstig artikel 2 van de wet van 1 augustus 1924 omtrent de bescherming der minerale of thermale wateren vastgestelde beschermingsomtrekken gelijkgesteld met de afgelegen voorkomingsgebieden. Paragraaf III - Toezichtsgebieden Art. R. 172. In het toezichtsgebied : 1° mogen de verspreidingen van dierlijke meststoffen, van producten die voor landbouwdoeleinden verspreid mogen worden, en van stikstofhoudende meststoffen de in bijlage XXXVIII bedoelde maximumdosissen niet overschrijden;2° als de Minister vaststelt dat de overeenkomstig de artikelen 167, 6°, en 170, 7°, getroffen restrictieve maatregelen onvoldoende zijn, kan hij, voor het gehele toezichtsgebied of een gedeelte ervan, maatregelen van dezelfde aard nemen. Onderafdeling VI. - Maatregelen met betrekking tot bepaalde steengroeven Art. R. 173. Onderafdeling V is niet van toepassing op steengroeven die in bedrijf zijn. Wanneer een grondwaterwingebied van categorie B of C zich in een steengroeve in bedrijf bevindt of wanneer een steengroeve in bedrijf zich in een voorkomingsgebied bevindt : 1° mogen de werktuigen die in de steengroeve gebruikt worden, geen koolwaterstoflekken vertonen;in voorkomend geval worden zij onmiddellijk voor herstelling weggebracht; 2° mogen enkel de voor de exploitatie van de steengroeve gebruikte producten zich in de groeve bevinden;3° moeten de producten die de kwaliteit van de grondwaterlaag kunnen aantasten, hetzij opgeslagen worden in waterdichte retentiekommen met een omvang die minstens gelijk is aan de gehele omvang van de in elke kom bewaarde tanks, hetzij opgeborgen worden in vatten of ontvangers die zelf opgeslagen zijn op een ondoorlatende oppervlakte voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit;4° zijn verliesputten verboden in het voorkomingsgebied. Huishoudelijk en sanitair afvalwater wordt hetzij uit de steengroeve en het voorkomingsgebied via waterdichte leidingen afgevoerd, hetzij ter plaatse in waterdichte vatten of ontvangers opgeslagen, en door erkende putjesscheppers afgevoerd. Afdeling III. - Bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozingen van bepaalde gevaarlijke stoffen Art. R. 174. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° « Richtlijn » : de Richtlijn 80/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen;2° « directe lozing » : de toevoer van stoffen in het grondwater zonder doorsijpeling door de bodem of de ondergrond;3° « indirecte lozing » : de toevoer van stoffen in het grondwater zonder doorsijpeling door de bodem of de ondergrond. Art. R. 175. Dit besluit is van toepassing op de directe en indirecte lozingen van de volgende stoffen/ 1°
- a)de organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke verbindingen kunnen ontstaan;
- b)de organische fosforverbindingen;
- c)de organische tinverbindingen;
- d)de stoffen die in of via het water een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben;
- e)kwik en kwikverbindingen;
- f)cadmium en cadmiumverbindingen;
- g)minerale oliën en koolwaterstoffen;
- h)cyaniden;2°
- a)de volgende metalloïden en metalen, alsmede verbindingen daarvan : 1 zink 2 koper 3 nikkel 4 chroom 5 lood 6 selenium 7 arsenicum 8 antimoon 9 molybdeen 10 titaan 11 tin 12 barium 13 beryllium 14 borium 15 uranium 16 vanadium 17 kobalt 18 thallium 19 tellurium 20 zilver;
- b)biociden en derivaten daarvan, die niet in artikel 175, 1°, genoemd zijn;
- c)stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of de geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water zouden kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie zouden kunnen maken;
- d)organische siliciumverbindingen die giftig of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen in het water kunnen ontstaan, met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die in het water snel worden omgezet in onschadelijke stoffen;
- e)anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor;
- f)fluoriden;
- g)ammoniak en nitrieten. Art. R. 176. Deze afdeling is niet van toepassing op : 1° lozingen van huishoudelijk afvalwater van alleenstaande woningen die niet zijn aangesloten op een collectief rioleringssysteem en gelegen zijn buiten de voorkomings en toezichtsgebieden die door de regering zijn omschreven overeenkomstig het decreetgevende deel;2° lozingen ten aanzien waarvan door de Minister wordt geconstateerd dat zij stoffen bedoeld in artikel 175, 1° of 2°, in zulk een geringe hoeveelheid en concentratie bevatten, dat elk gevaar voor een verslechtering van de kwaliteit van het ontvangen grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten;3° lozingen van radioactieve stoffen. Art. R. 177. Elke directe lozing van de in artikel 175, 1 vermelde stoffen is verboden. Art. R. 178. § 1. Onverminderd de toepassing van andere wetgevingen worden de handelingen waarbij de in artikel 175, 1° bedoelde stoffen verwijderd worden of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die indirecte lozing tot gevolg zouden kunnen hebben, onderworpen aan de milieuvergunning. Aan de hand van de resultaten van een voorafgaand onderzoek worden de handelingen verboden of wordt de milieuvergunning afgegeven mits alle technische voorzorgsmaatregelen die nodig zijn om die lozing te verhinderen in acht worden genomen. § 2. Als uit een voorafgaand onderzoek evenwel blijkt dat het grondwater waarin de lozing van in artikel 175, 1°, bedoelde stoffen wordt overwogen, blijvend ongeschikt is voor enig ander gebruik, met name voor gebruik in de huishouding of in de landbouw, mag de bevoegde overheid het lozen van deze stoffen toestaan op voorwaarde dat de aanwezigheid van die stoffen het benutten van bodemschatten niet hindert Deze milieuvergunningen mogen slechts worden afgegeven indien alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze stoffen geen andere aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere ecosystemen. § 3. De bevoegde overheidmag na een voorafgaand onderzoek een vergunning verlenen voor lozingen waarbij water dat voor geothermische doeleinden is gebruikt of voor het drooghouden van mijnen en steengroeven dan wel tijdens weg- en waterbouwkundige werken is opgepompt, naar dezelfde laag wordt teruggevoerd. Art. R. 179. Onverminderd de toepassing van andere wetgevingen worden elke directe lozing van de in artikel 175, 2°, bedoelde stoffen, alsmede de handelingen waarbij die stoffen verwijderd worden of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg kunnen hebben, onderworpen aan een milieuvergunning. Aan de hand van de resultaten van een voorafgaand onderzoek mag de bevoegde overheid de vergunning afgeven mits alle vereiste technische voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van verontreiniging van het grondwater door die stoffen in acht worden genomen. Art. R. 180. De in de artikelen 178 en 179 bedoelde voorafgaande onderzoeken moeten een studie omvatten van de hydrogeologische omstandigheden in het betrokken gebied, van het eventuele zuiveringsvermogen van bodem en ondergrond en van de gevaren van verontreiniging en van verandering van de grondwaterkwaliteit door de lozing en moet erop gericht zijn vast te stellen of lozing in het grondwater vanuit het milieuoogpunt een adequate oplossing vormt. Art. R. 181. De in de artikelen 178 en 179 bedoelde milieuvergunningen mogen pas door de bevoegde overheid worden afgegeven wanneer hij zich ervan heeft vergewist dat het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, onder controle staat. Art. R. 182. Wanneer een directe lozing overeenkomstig artikel 178, §§ 2 en 3, of artikel 179 wordt toegestaan of wanneer een lozing van afvalwater die onvermijdelijk een indirecte lozing tot gevolg heeft, overeenkomstig artikel 179 wordt toegestaan, wordt in de milieuvergunning met name het volgende bepaald : 1° de plaats van de lozing;2° de lozingsmethode;3° de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te lozen materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu, alsmede met de nabijheid van waterwingebieden, vooral voor drink-, thermaal- en mineraalwater;4° de maximaal toelaatbare hoeveelheid van een bepaalde stof in de te lozen materie gedurende één of meer vastgestelde periodes en passende voorwaarden voor de concentratie van deze stof;5° voorzieningen die de controle mogelijk maken op de materie die in het grondwater wordt geloosd;6° indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd. Art. R. 183. Wanneer een handeling waarbij stoffen verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg kan hebben, overeenkomstig de artikelen 178 en 179 wordt toegestaan, wordt in de milieuvergunning met name het volgende bepaald : 1° de plaats waar die handeling wordt verricht;2° de voor het verwijderen of storten gebruikte methoden;3° de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te verwijderen of te storten materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu, alsmede met de nabijheid van waterwingebieden, vooral voor drink-, thermaal- en mineraalwater;4° de maximaal gedurende één of meer vastgestelde perioden toelaatbare hoeveelheid van de materie die stoffen vermeld in artikel 175, 1° of 2° bevat en, indien mogelijk, de maximaal toelaatbare hoeveelheid van deze stoffen zelf, die mogen worden verwijderd of gestort, alsmede passende voorwaarden voor de concentratie van deze stoffen;5° in de in artikel 178, § 1 en in artikel 179, lid 1, bedoelde gevallen, de technische voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen om elke lozing van stoffen van artikel 175, 1°, in het grondwater te verhinderen of elke verontreiniging van dit water door stoffen van artikel 2, 2°, te voorkomen;6° indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd. Art. R. 184 De in de artikelen 178 en 179 bedoelde milieuvergunningen mogen slechts worden verleend voor een periode van maximum vier jaar. Art. R. 185. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, gaat de gevolgen van de lozingen voor het grondwater na. Art. R. 186. In geval van lozingen in het grondwater van een ander gewest of land brengt de bevoegde overheid voor die lozingen eventueel te machtigen, de betrokken overheid van het naburige gewest of land op de hoogte. Op verzoek van de overheid wordt voor de afgifte van de milieuvergunning overleg gepleegd. Art. R. 187. De toepassing van deze afdeling mag in geen geval leiden tot directe of indirecte verontreiniging van het grondwater. HOOFDSTUK IV. - Duurzaam beheer van stikstof in de landbouw Afdeling I. - Begripsomschrijvingen en doelstellingen Art. R. 188. Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder : 1° « landbouwer » : de natuurlijke of rechtspersoon die als hoofd-, gedeeltelijke of bijkomende activiteit land-, tuinbouw of veeteelt bedrijft in het Waalse Gewest, die in die hoedanigheid over een producentennummer en een BTW-nummer beschikt en die onderworpen is aan een social verzekeringsfonds;2° « Landbouwbestuur » : het Directoraat-generaal Landbouw van het Ministerie van het Waalse Gewest;3° « jaar » : het kalenderjaar;4° « uitgevoerde organische stikstof » : de organische stikstof die door het vee van het landbouwbedrijf wordt voortgebracht en die over één jaar het bedrijf verlaat door middel van een transactie die gedekt wordt door een valoriseringscontract;5° « ingevoerde organische stikstof » : de organische stikstof die niet voortgebracht wordt door het bedrijf en die over één jaar in het bedrijf binnengebracht wordt in de vorm van een organische meststof, met inbegrip van de uitwerpselen op het weideland van bedrijfsvreemd vee dat aanwezig is op de weiden van het bedrijf (inzonderheid de dieren die in een pension zijn ondergebracht en de contracten voor de verkoop van gras);6° « voortgebrachte organische stikstof » : de organische stikstof die over één jaar voortgebracht wordt door het vee op het landbouwb