← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering wijzigt diverse bestaande besluiten met betrekking tot leefmilieu, met als doel de regelgeving te actualiseren en aan te passen aan nieuwe inzichten en technieken. Het introduceert onder andere nieuwe regels voor de verwerking van bedrijfsafvalwaters en maakt de belevering van supermarkten buiten de piekuren mogelijk door een nieuw geluidskader.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst

18 MAART 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu De Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Algemene toelichting Dit ontwerpbesluit wijzigt een reeks bepalingen van titel II van het VLAREM en de bijlagen, en het VLAREL ( besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten8 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu). Ook worden de volgende besluiten van de Vlaamse Regering met dit besluit gewijzigd : - het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (project-m.e.r.-besluit), - het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten1 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater (Stooktoestellenbesluit); - het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten5 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Milieuhandhavingsbesluit); - het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten0 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA); - het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten1 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties, luchtvaartactiviteiten en de inzet van flexibele mechanismen; en - het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten5 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu, wat betreft een aanpassing aan de evolutie van de techniek en aan de CLP-verordening (VLAREM-trein 2013). Hieronder worden de voornaamste wijzigingen algemeen toegelicht. 1. Vertaling van Vlaamse BBT-studies Sinds de VLAREM-trein 2011 ( besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten9) wordt er bij elke VLAREM-wijziging werk van gemaakt om de laatste nieuwe BBT-studies telkens systematisch te vertalen naar het VLAREM.Met onderhavige VLAREM-wijziging worden volgende Vlaamse BBT-studies opgenomen in titel II van het VLAREM :

  1. a)voor de verwerking van externe bedrijfsafvalwaters en vloeibare/slibachtige bedrijfsafvalstromen : hiertoe wordt een nieuwe subafdeling 5.2.2.9.bis ingevoegd in titel II van het VLAREM,
  2. b)voor de verf-, lak-, drukinkt- en lijmproductie : zie aanpassing aan artikel 5.4.2.3, § 3, 5.59.3.2, § 2 en bijlage 5.3.2 van titel II van het VLAREM;
  3. c)voor de grafische sector : zie aanpassing aan artikel 5.11.0.5, § 2, en bijlage 5.3.2 van titel II van het VLAREM;
  4. d)voor de asfaltcentrales : zie aanpassing aan artikel 5.30.2.2, § 1, en 5.30.2.3 van titel II van het VLAREM en
  5. e)voor de oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen : hiertoe wordt punt 55 van bijlage 5.3.2 bij titel II van het VLAREM (sectorale lozingsnormen) aangepast. 2. PIEK-project Elke dag worden supermarkten bevoorraad met talloze voedingswaren en goederen.Heel wat vrachtwagens rijden steden en gemeenten in en uit. Om de impact van die activiteiten op onder meer de verkeersdrukte en de verkeersveiligheid in te perken werd er in 2010 gestart met de PIEK-projecten. In deze projecten werd de mogelijkheid tot stille en duurzame belevering van supermarkten buiten de piekuren nagegaan. Ook in het regeerakkoord van de Vlaamse Regering 2014-2019 werd bijzondere aandacht besteed aan een meer duurzame belevering in een stedelijke omgeving waarbij gestreefd wordt naar het verminderen van de verkeers- en milieudruk en het verhogen van de verkeersveiligheid. Men wenst dit te faciliteren via de PIEK-projecten en een nieuw geluidskader voor deze belevering. Er werd tijdens de PIEK-projecten onderzocht in welke mate deze belevering verplaatst kan worden naar de dagrand (6 - 7 uur en 19 - 23 uur) en welke invloed dit zou hebben op enerzijds mobiliteit (verkeersdrukte en -doorstroming, verkeersveiligheid, ...) en anderzijds het voldoen aan de in het VLAREM opgenomen geluidsnormen waaraan een groot deel van de supermarkten gebonden is omwille van het feit dat hun koelinstallaties ingedeeld zijn als hinderlijke inrichting volgens bijlage 1 van titel I van het VLAREM. Omwille van het lawaai dat door de belevering veroorzaakt wordt, is dit in veel steden en gemeenten heden niet toegelaten in de dagrand. Tijdens het PIEK-pilootproject, een proefproject waaraan een beperkt aantal distributeurs en steden en gemeenten deelnamen, werden gunstige effecten op de mobiliteit vastgesteld als gevolg van de belevering van supermarkten in de dagrand. Deze hadden enerzijds betrekking op de vrachtwagens en de belevering zelf en anderzijds op de mobiliteit op grotere schaal. De vrachtwagens konden in de dagrand de supermarkten veel vlotter bereiken omwille van de lagere verkeerdrukte wat resulteerde in winst op de reistijden van de vrachtwagens. Dit komt de efficiëntie van de belevering van de supermarkten ten goede. Doordat de vrachtwagens minder lang vastzitten in de file stoten zij ook minder CO2, fijn stof en NOx uit en is het brandstofverbruik lager. Daarnaast bleek uit gegevens van Nederland, dat al meerdere jaren ervaring heeft met leveringen in de dagrand, dat er een substantiële vermindering is in het aantal verkeersdoden en gewonden dat toe te wijzen is aan ongevallen met vrachtwagens die leveringen uitvoeren in dicht bewoonde gebieden. Het verplaatsen van een deel van de belevering van de dagrand heeft dus een positief effect op de verkeersveiligheid. Er werd tijdens dit PIEK-pilootproject aan de hand akoestische onderzoeken nagegaan in welke mate de leveringen in de dagrand voldoen aan de geluidsnormen in het VLAREM en wat de invloed is van het gebruik van geluidsarm logistiek materiaal op het specifieke geluid veroorzaakt door de leveringen. Er werd hierbij vastgesteld dat zelfs overdag de belevering veelal niet kan voldoen aan de huidige geluidsnormen in het VLAREM, laat staan in de dagrand. Het niet kunnen voldoen aan de geluidsnormen vindt zijn oorzaak voornamelijk in de specifieke ligging van supermarkten, die omwille van de specifieke activiteit samenhangt met de directe nabijheid van bewoning of een stedelijke omgeving. Uit de resultaten van het PIEK-pilootproject bleek dus dat een nieuw kader van geluidsnormen nodig was om belevering van supermarkten in de dagrand mogelijk te maken. Voor de uitwerking van dit kader waren echter bijkomende meetgegevens nodig die dieper ingaan op de specifieke dynamiek van het geluid veroorzaakt door leveringen. In het PIEK 2-project werd daarom zeer veel aandacht besteed aan verdere geluidsmetingen. Er werden hierbij onder meer 6 representatieve locaties uitgekozen waar uitgebreide akoestische onderzoeken zijn uitgevoerd van telkens 24 leveringen (ochtend/avond, met/zonder geluidsarm logistiek materiaal). De geluidsmetingen werden steeds bemand en in groot detail uitgevoerd. Bij deze geluidsmetingen werden alle `geluidspieken', kortstondige geluidsverhogingen, van de belevering toegekend aan de verschillende handelingen die tijdens de belevering plaatsvinden. De handelingen die de hoogste geluidspieken veroorzaakten werden verder bestudeerd in een akoestische begroting. Aan de hand van deze onderzoeken kon het volgende geconcludeerd worden : - De hoogste `geluidspieken', kortstondige geluidsverhogingen, worden veroorzaakt door manoeuvreerbewegingen met de vrachtwagen en `harde overgangen/drempels' die overschreden worden met logistiek materiaal (bijv. met een transpallet de overgang maken tussen de laadklep van de vrachtwagen en de vloer van de laad- en loskade), - Menselijk handelen heeft een zeer grote invloed op het geluidsniveau van de belevering. In het uitgewerkte geluidskader moet hier aandacht aan besteed worden, - Het gebruik van geluidsarm logistiek materiaal heeft een positief effect op het geluidsniveau van de levering. Dit is echter wel kleiner dan verwacht werd doordat de hoogste geluidspieken eerder veroorzaakt worden door harde overgangen dan door het logistiek materiaal zelf. Dit is iets dat bij eerdere metingen en certificering van geluidsarm logistiek materiaal in het buitenland niet in rekening lijkt te zijn gebracht. Bovendien is gebleken dat er een grote spreiding op de resultaten zit die in hoofdzaak te maken hebben met menselijke factoren, - Het uitvoeren van manoeuvres met een vrachtwagen en het effectieve laden en lossen van goederen worden best als twee aparte onderdelen van een levering beschouwd gezien er een verschil is in de dynamiek van de geluidsproductie van beide onderdelen, - De handelingen tijdens de leveringen die als luid bestempeld worden zijn zeer kortstondig ten opzichte van de totale tijd van de levering. Indien men het specifieke geluid van deze kortstondige handelingen wil vatten in een geluidsparameter moet men kijken naar de parameters die een weergave zijn voor de hoogste geluidsniveaus, zijnde de statistische parameters LA05,T en de LA01,T. Een geluidsparameter die uitgaat van een energetisch gemiddelde, zoals de LAeq,T, smeert de kortstondige `pieken' uit over een langer tijdsverloop en zal in dit geval de hinder van deze geluidsverhogingen onderschatten. De akoestische onderzoeken hebben bovendien aangetoond dat de LAeq,T geen geschikte parameter voor het specifiek geluid is omdat hij zeer moeilijk met voldoende nauwkeurigheid is te bepalen door de invloed van de vele stoorgeluiden, - Tijdens de akoestische onderzoeken waarbij er leveringen in de dagrand werden uitgevoerd werden er geen klachten inzake geluidshinder ontvangen. Naast het uitvoeren van verdere geluidsmetingen werd er tijdens het PIEK 2-project ook opnieuw aandacht besteed aan de effecten van leveringen in de dagrand op mobiliteit. De bevindingen uit het PIEK-pilootproject werden hierbij bevestigd. Door de lagere verkeersdrukte in de dagrand verloopt de doorstroming van de vrachtwagens naar de supermarkten veel vlotter en werd er een efficiëntiewinst geboekt. De vlottere doorstroming van de vrachtwagens resulteert in lagere emissies van CO2, NOx en fijn stof en een lager brandstofverbruik. Het uitvoeren van leveringen in de dagrand zorgt ook voor een ruimer tijdsvenster waarbinnen leveringen uitgevoerd kunnen worden. Eenzelfde vrachtwagen en ander logistiek materiaal zal dus meerdere keren per dag gebruikt kunnen worden waar er onder het huidige tijdsvenster meer vrachtwagens en logistiek materiaal nodig zijn om eenzelfde aantal leveringen uit te kunnen voeren. De ruimere spreiding van de leveringen in de tijd zorgt op zich ook voor een positief effect op de verkeersdrukte daar er een deel van de leveringen niet meer tijdens de spitsuren zal plaatsvinden. Ten slotte werden ook opnieuw gunstige effecten vastgesteld op de verkeersveiligheid. Uit ongevallenstatistieken blijkt dat de kans op ongevallen met vrachtwagens in de dagrand een stuk lager liggen dan overdag. Dit wordt verklaard door het feit dat er een scheiding is in tijd tussen zwakkere weggebruikers en de vrachtwagens. Het aantal zwakkere weggebruikers dat in gevaar gebracht kan worden is een stuk lager in de dagrand dan overdag. Omgekeerd zijn er minder vrachtwagens overdag aanwezig op momenten dat de verkeerstroom van zwakkere weggebruikers groot is indien een deel van de leveringen verschoven kan worden naar de dagrand. Aan de hand van de bevindingen van het PIEK 2-project werd specifiek voor laad- en losverrichtingen bij de supermarkten die ingedeeld zijn als hinderlijke inrichting een nieuw kader van geluidsnormen in het VLAREM uitgewerkt. De scope van dit kader beperkt zich tot supermarkten gezien het doorgedreven akoestisch onderzoek en de bijhorende conclusies zich ook beperkten tot supermarkten en hun karakteristieke leveringen. Het nieuwe geluidskader is dus enkel van toepassing op inrichtingen die vallen onder categorie 47.11 van het referentiekader voor de productie en de verspreiding van statistieken met betrekking tot economische activiteiten in Europa (NACE 2008) en die ingedeeld zijn als een hinderlijke inrichting via rubriek 16.3.1 van bijlage I van titel I van het VLAREM omwille van de koelinstallaties. Een bijkomende beperking van de scope betreft het feit dat de supermarkt ook uitgerust moet zijn met een bedrijfseigen laad- en losplaats om gebruik te kunnen maken van het aangepaste geluidsnormenkader. Dit wordt nodig geacht omdat er specifieke maatregelen genomen moeten worden aan deze laad- en losplaats om de levering op een stillere manier te laten verlopen. Indien een inrichting geen bedrijfseigen laad- en losplaats heeft binnen zijn perceelgrenzen kan de exploitant niet garanderen dat alle nodige maatregelen toegepast worden. Voor kleine supermarkten die niet als hinderlijke inrichting ingedeeld zijn, zijn er op gewestelijk niveau geen geluidsnormen van toepassing en is het uitwerken van een kader in het VLAREM niet nodig. Het principe van het nieuwe geluidsnormenkader gaat uit van een surplus op de reeds bestaande richtwaarden in het VLAREM, vergelijkbaar met de geluidsnormen voor impulsachtige, incidentele, intermitterende en fluctuerende geluiden. Voor het uitvoeren van manoeuvres met een vrachtwagen en het laden en lossen van de goederen zelf worden aparte geluidsnormen voorzien wegens de verschillen in de dynamiek van het geluid dat zij produceren. Zo wordt er voor het uitvoeren van de manoeuvres met de vrachtwagen op het terrein van de inrichting een hoger surplus toegelaten dan voor het laden en lossen van de goederen zelf gezien deze manoeuvres in totaal een veel kortere tijd in beslag nemen dan het laden en lossen van de goederen zelf. De geluidsnormen worden uitgedrukt in de statistische parameters LA05,T en LA01,T omdat deze zoals eerder vermeld het specifieke geluid van de handelingen het beste omvatten. Er werden niet alleen nieuwe geluidsnormen voorzien voor de nacht- en de avondperiode die de beoogde dagrand omvatten maar ook voor de dagperiode omdat tijdens het PIEK-pilootproject zelfs in de dagperiode problemen werden vastgesteld. Supermarkten zouden immers altijd tijdens de dagperiode moeten kunnen beleverd worden en indien de plaatselijke omstandigheden het toelaten ook in de dagrand. Buiten de dagperiode en de dagrand werd er geen aangepast, soepeler geluidsnormenkader voorzien omdat in dit deel van de nachtperiode de nachtrust primeert. Specifiek voor leveringen in de dagrand werd er een maatregelenpakket uitgewerkt om het specifieke geluid te beperken dat veroorzaakt wordt door de laad- en losverrichtingen. Dit bestaat enerzijds uit een code van goede praktijk waarbij maatregelen met betrekking tot onder meer het menselijke handelen werden opgenomen en anderzijds specifieke voorwaarden bij het logistiek materiaal dat bij het laden en lossen van goederen gebruikt wordt, zoals bijvoorbeeld transpaletten, om van een geluidsarme levering te kunnen spreken. Om te vermijden dat elke supermarkt een akoestisch onderzoek moet uitvoeren om na te gaan of zij in de mogelijkheid zijn om leveringen in de dagrand uit te voeren en dus na te gaan of zij voldoen aan de geldende geluidsnormen, werden de nieuwe geluidsnormen omgezet naar corresponderende afstandsregels voor het grootste deel van de supermarkten, zijnde deze waarbij de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in type gebied 2° van bijlage 2.2.1 van titel II van het VLAREM, rekening houdend met de infrastructuur van de inrichting en het al dan niet gebruiken van geluidsarm logistiek materiaal. Indien men niet aan de afstandsregels kan voldoen en toch leveringen in de dagrand wenst uit te voeren, moet men aan de hand van een geluidsstudie aantonen dat men aan de nieuwe geluidsnormen kan voldoen door bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen te nemen die nog niet in rekening werden gebracht bij het berekenen van de afstanden, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een geluidsscherm. Geluidsreducerende maatregelen die beïnvloed worden door het menselijke handelen kunnen niet als structurele geluidsreducerende maatregelen beschouwd worden gezien er geen garantie is dat deze effectief op structurele wijze het geluid zullen reduceren. Voor supermarkten waarbij de dichtstbijzijnde woningen niet gelegen zijn in type gebied 2° van bijlage 2.2.1 van titel II van het VLAREM werden geen afstandsregels opgenomen. Het aantal van deze supermarkten is echter beperkt. Het uitvoeren van laad- en losverrichtingen in de dagrand is hier toegelaten mits voldaan is aan de geldende geluidsnormen. Voor gebieden met strengere geluidsnormen zullen de afstanden evenwel groter zijn dan die in de opgenomen afstandsregels en voor gebieden met soepeler geluidsnormen zullen de afstanden kleiner zijn. Een belangrijke noot hierbij is dat de geluidsnormen steeds primeren op de afstandsregels. De vastgelegde afstanden gaan immers uit van een gemiddelde zorgvuldige exploitatie waarbij voldaan is aan de geluidsnormen. Indien men voldoet aan de afstandsregels maar niet aan de geluidsnormen kan men geverbaliseerd worden omdat men in dit geval niet zorgvuldig exploiteert. Dankzij dit nieuwe geluidskader zou een behoorlijk aandeel van de supermarkten in Vlaanderen beleverd kunnen worden in de dagrand. Uit de PIEK-projecten blijkt dat dit een positief effect zal hebben op : - het efficiënter gebruik van materiaal en vrachtwagens, daar één vrachtwagen meerdere leveringen op één dag zal kunnen uitvoeren door kortere reistijden en ruimer tijdsvenster waarbinnen de leveringen kunnen uitgevoerd worden, - de verkeersdrukte daar een aantal vrachtwagens zich niet meer tijdens de spitsuren op de openbare weg zal bevinden, - het brandstofverbruik, de uitstoot van CO2, fijn stof en NOx en bijgevolg de milieudruk, daar de vrachtwagens minder vastzitten in de files en bijgevolg minder lang onderweg zijn, - de verkeersveiligheid in de omgeving van supermarkten, niet zelden een woonwijk, daar tijdens de drukke uren en de uren waarop er zich kinderen en andere personen op de openbare weg bevinden er minder vrachtwagens af en aan zullen rijden. In die zin is een nieuw en soepeler geluidskader dan ook te verantwoorden. Om de hinder naar de omgeving toe echter tot een minimum te beperken werd het aantal leveringen in de dagrand wel beperkt. In de artikelsgewijze bespreking zal dieper ingegaan worden op de uitwerking van het nieuwe geluidsnormenkader. 3. Wijzigingen aan het VLAREL VLAREL bevat de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, uitgezonderd de 13 erkenningen (= technici, examencentra, bedrijven en keuringsinstellingen) die te maken hebben met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.Deze erkenningen zitten nog vervat in afzonderlijke besluiten van de Vlaamse Regering, namelijk : ? het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten6 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici ? het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten6 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaagafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten ? het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten6 inzake de certificering van technici die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit hoogspanningsschakelaars ? het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten6 inzake de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur ? het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten6 inzake de opleiding van technici die betrokken zijn bij de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen Deze erkenningen werden ingevoerd naar aanleiding van verordening (EG) nr. 842/2006 over gefluoreerde broeikasgassen en verordening (EG) nr. 2037/2000 over ozonlaagafbrekende stoffen (vervangen door verordening (EG) nr. 1005/2009). De nieuwe verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 is op 1 januari 2015 in werking getreden. Deze verordening bepaalt dat voor bepaalde werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen een certificaat vereist is. De erkenningen uit de voornoemde besluiten van de Vlaamse Regering werden geëvalueerd en bijgestuurd waar nodig en worden met voorliggend besluit in het VLAREL geïntegreerd, rekening houdend met de structuur van VLAREL en de nieuwe verordeningen (EU) nr. 517/2014, 2015/2066 en 2015/2067. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het principe van wederzijdse erkenning, opgenomen in artikel 10, punt 10, tweede lid van verordening (EU) nr. 517/2014 en de dochterverordeningen nr. 2015/2066 (artikel 7), 2015/2067 (artikel 10), 304/2008 (artikel 13), 306/2008 (artikel 7) en 307/2008 (artikel 5). Voor de technici en bedrijven die buiten het Vlaamse Gewest een certificaat behaald hebben, zal volgens het VLAREL namelijk de erkenning van rechtswege verleend worden indien een `Europees' certificaat dat voldoet aan de eisen, opgenomen in de respectievelijke verordeningen, behaald werd. De erkenning gaat dan in op de datum waarop het gebruik van de erkenning gemeld wordt aan de afdeling Milieuvergunningen en een bewijs van betaling van een toezichtsretributie voorgelegd werd. Deze melding is noodzakelijk zodat geweten is welke erkende technici en bedrijven met een `Europees' certificaat, behaald buiten het Vlaamse Gewest, in het Vlaamse Gewest werkzaam zijn. Zo kan de Vlaamse overheid een controle organiseren op de naleving van de gebruikseisen van alle technici en bedrijven die werkzaam zijn in het Vlaamse Gewest, ongeacht waar het certificaat behaald werd. De toezichtsretributie wordt gebruikt voor de organisatie van dit toezicht. De erkenning wordt net als de overige VLAREL-erkenningen voor onbepaalde duur verleend. Een erkend persoon moet zich houden aan de algemene en bijzondere gebruikseisen van het VLAREL. Zo moet een erkend koeltechnicus vijfjaarlijks slagen voor een actualisatie-examen. Het actualisatie-examen bestaat enkel uit een theoretisch examen met betrekking tot de relevante milieuwetgeving en technologie inzake koeltechniek (vb. opfrissing koeltechnische zaken, het gebruik van alternatieve milieuvriendelijke koelmiddelen, nieuwe technieken, relevante veranderingen in de milieuwetgeving). Door te slagen voor dit vijfjaarlijkse actualisatie-examen toont de koeltechnicus aan nog steeds over een degelijke kennis te beschikken om de erkenningsplichtige werkzaamheden aan koelinstallaties op een kwaliteitsvolle manier uit te voeren waarbij emissies van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen zoveel mogelijk vermeden worden. Kennis van de actuele milieuwetgeving, het correct uitvoeren van een lekdichtheidscontrole, evoluties in milieuvriendelijke koelmiddelen, enzovoort zijn onontbeerlijk om de functie naar behoren uit te oefenen. Dit betekent dat niet alleen de koeltechnici die binnen het Vlaamse Gewest een certificaat behaald hebben, maar ook de koeltechnici die buiten het Vlaamse Gewest een `Europees' certificaat behaald hebben conform artikel 5 van verordening (EG) nr. 303/2008 (of artikel 4 van zijn vervanger verordening (EU) 2015/2067) en in het Vlaamse Gewest werkzaam zijn (ze hebben zich gemeld en een toezichtsretributie betaald) vijfjaarlijks zullen moeten slagen voor het actualisatie-examen om hun erkenning in het Vlaamse Gewest te mogen blijven gebruiken1. Verordeningen (EU) nr. 303/2008 en 2015/2067 laten een lidstaat toe om een periodieke evaluatie in te voeren. Zo moet een certificaat conform deze verordening niet per se voor onbepaalde duur verleend worden. In artikel 5, punt 2, respectievelijk, artikel 4, punt 2, van deze verordeningen is namelijk vastgelegd wat een certificaat moet bevatten, waaronder `de eventuele vervaldatum'. Het Vlaamse Gewest opteert voor een erkenning van onbepaalde duur conform de andere VLAREL-erkenningen met als gebruikseis het vijfjaarlijks slagen voor een actualisatie-examen. Indien het voorgelegde certificaat ouder is dan vijf jaar, zal men onmiddellijk moeten slagen voor het actualisatie-examen indien men de erkenning wenst te gebruiken. Een examen, gelijkwaardig aan het Vlaamse actualisatie-examen, kan aanvaard worden. Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 Dit artikel bepaalt dat dit besluit onder andere voorziet in de omzetting van richtlijn 2014/99/EU van de Commissie van 21 oktober 2014 tot wijziging, met het oog op aanpassing aan de technische vooruitgang, van Richtlijn 2009/126/EG inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van motorvoertuigen in benzinestations. HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM Artikel 2 Aangezien de componenten die momenteel met de term "ozonafbrekende stoffen" in titel II van het VLAREM aangeduid worden de ozonlaag aantasten is het meer aangewezen om de term "ozonlaagafbrekende stoffen" te hanteren in titel II van het VLAREM. Ook in de verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen wordt de term "ozonlaagafbrekende stoffen" gebruikt. Artikel 3 Dit artikel wijzigt artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM. Punt 1° en 2° wijzigen de definities voor dieren en opslag van mest. Meer bepaald wordt de definitie voor inheemse grote en kleine zoogdieren gewijzigd conform de wijziging die vervat zat in de VLAREM-trein 2013, zijnde het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten5. Met deze wijziging werd namelijk in rubriek 9.4.3 en 9.7 van de indelingslijst de term `inheems' weggelaten bij resp. grote en kleine zoogdieren maar dit is toen niet gebeurd bij de definities in titel II van het VLAREM. Dit wordt hiermee rechtgezet. Punten 3°, 4° en 5° vervangen de definities voor "gefluoreerde broeikasgassen", "fluorkoolwaterstoffen" en "perfluorkoolstoffen". Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 is in werking getreden op 1 januari 2015. Met dit artikel wordt in de definitie van "gefluoreerde broeikasgassen", "fluorkoolwaterstoffen" en "perfluorkoolstoffen" een correctie doorgevoerd waarbij verwezen wordt naar verordening (EU) nr. 517/2014 in plaats van naar verordening (EG) nr. 842/2006. Punt 6° vervangt de definitie van "nominale koelmiddelinhoud". De nominale koelmiddelinhoud is van belang voor bijvoorbeeld de frequentie van lekkagecontrole. Hoe hoger de nominale koelmiddelinhoud, hoe frequenter de lekkagecontroles uitgevoerd moeten worden omdat bij een lek meer koelmiddel kan ontsnappen. Met de huidige definitie is het niet duidelijk of een buffer- of reservevat moet meegerekend worden of niet. Met de voorgestelde aanpassing wordt dit verduidelijkt : het buffer- of reservevat moet in rekening gebracht worden. Bij een lek kan namelijk ook het koelmiddel in het aangekoppelde buffer- of reservevat ontsnappen. Punt 7° In de definitie van `bevoegde koeltechnicus' moet voor de erkenning van de koeltechnicus verwezen worden naar het VLAREL en niet meer naar het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten6 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici. De verplichting dat het bedrijf waar de technicus werkzaam is, ook moet erkend zijn, wordt niet meer opgenomen in de definitie maar zal met voorliggend wijzigingsbesluit in de exploitatievoorwaarden van titel II van het VLAREM geregeld worden. Punt 8° De definitie van het nominaal koelvermogen wordt gewijzigd. Onder de huidige definitie vallen meerdere individuele airconditioninginstallaties van elk minder dan 12 kW binnen eenzelfde gebouw niet onder de keuringsverplichting. Nochtans is voor deze koeling van gebouwen evenveel, of zelfs meer energie nodig door de vaak lagere energie-efficiëntie van deze individuele installaties of door de beperktere regeling van deze installaties. De definitie van een "airconditioningsysteem" in titel II van het VLAREM en de Europese richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) luidt : "een combinatie van de bestanddelen die nodig zijn voor een vorm van inpandige luchtbehandeling waardoor de temperatuur wordt geregeld of kan worden verlaagd". Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen een centrale installatie dan wel verschillende individuele installaties binnen het gebouw. Volgens artikel 15 van de richtlijn 2010/31/EU moeten airconditioningsystemen met een nominaal vermogen van meer dan 12 kW regelmatig energetisch gekeurd worden. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan gelet op de koelingsbehoeften van het gebouw. Dit artikel impliceert duidelijk dat alle airconditioninginstallaties op gebouwniveau in beschouwing genomen moeten worden. De Europese Commissie zegt bovendien dat de som van het nominaal koelvermogen van alle onderdelen die bijdragen tot de airconditioning van het gebouw in beschouwing genomen moet worden. Daarom is het aangewezen om de definitie van nominaal koelvermogen aan te passen waarbij het vermogen bepaald moet worden op basis van alle bestanddelen van het airconditioningsysteem binnen een gebouw. Door op gebouwniveau te werken vallen kleinere maar minder energie-efficiënte systemen ook onder de keuringsverplichting. Op deze manier kunnen exploitanten bij de installatie van een nieuw airconditioningsysteem de keuringsverplichting ook niet meer ontwijken door voor meerdere individuele installaties te opteren. Wanneer binnen een gebouw een gecentraliseerd airconditioningsysteem gedeeld wordt door verschillende exploitanten zal het volledige systeem in rekening gebracht worden voor het bepalen van het nominaal koelvermogen. Wanneer er binnen een gebouw meerdere decentrale systemen aanwezig zijn die onder verschillende exploitanten vallen wordt enkel het nominaal koelvermogen bepaald door alle installaties van eenzelfde exploitant in beschouwing genomen. Punt 9° : Dit punt voegt de definities "ton CO2-equivalent" en "aardopwarmingsvermogen" toe aan de definities voor koelinstallaties. Deze definities zijn afgestemd met verordening (EU) nr. 517/2014. Punt 10° Dit punt wijzigt de definitie van A-weging. De norm NBN C 97-122 is vervallen. De norm IEC 61672 is sinds 2003 in voege en vervangt de opvolger van de norm NBN C 97 - 122. IEC is de afkorting van International Electrotechnical Commission. IEC verschaft een platform voor bedrijven, de industrie en de overheden om te vergaderen, te discussiëren en International Standards die nodig zijn, te onwikkelen. De International Electrotechnical Commission (IEC) is als organisatie wereldleider in het voorbereiden en publiceren van Internationale Standaarden voor alle elektrische, elektronische en gerelateerde technologieën. De documenten zijn te raadplegen op internet (http ://www.iec.ch/) en afgeleide sites. De standaarden en documenten zijn downloadbaar mits betaling. Punten 11° en 12° Deze punten wijzigen een aantal definities met betrekking tot geluid in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM. In de definitie van tonaal geluid wordt het begrip smalbandanalyse verduidelijkt. Een smalbandanalyse moet uitgevoerd worden in 1/24 octaafbanden. De keuze voor de bandbreedte vindt haar oorsprong in de Waalse wetgeving en beoogt een `level playing field'. Er wordt nu gekozen om de term smalbandanalyse verder te verduidelijken teneinde een meer objectieve beoordeling te bekomen van tonaal geluid. Indien deze term niet verduidelijkt wordt kan de term smalbandanalyse ruim geïnterpreteerd worden met als gevolg een sterke invloed op het resultaat. De definitie van meetperiode wordt gecorrigeerd door het woord meetduren te vervangen door het woord metingen. Een meetduur is een eigenschap van een meting. Punt 13° Dit punt voegt nieuwe definities toe aan de definities geluid voor de nieuwe voorwaarden voor laad- en losverrichtingen voor bepaalde inrichtingen ingedeeld volgens rubriek 16.3.1, waaronder de definities voor het nieuwe begrip `dagrand', `laad- en losverrichtingen' en zijn twee onderdelen `het manoeuvreren van de vrachtwagen' en `het laden en lossen van goederen', laad- en losverrichtingen met geluidsarm materiaal en een aantal infrastructuuruitvoeringen van een supermarkt. De specifieke vereisten voor laad- en losverrichtingen met geluidsarm materiaal worden opgenomen in een bijlage die aan titel II van het VLAREM wordt toegevoegd. Het begrip dichtstbijzijnde woningen wordt in deze context ook verder verduidelijkt en gaat uit van het principe dat men de rust in de woningen zelf niet wil verstoren. Om deze reden wordt gekozen voor een positie ter hoogte van de ramen die minder geluidsisolerend zijn dan bijvoorbeeld een blinde muur. Er wordt ook gekozen voor de woningen waar de hoogste geluidsniveaus ten gevolge van de laad- en losverrichtingen te verwachten zijn. Door eventuele afscherming is dit niet altijd de dichtstbijzijnde woning in vogelvlucht. Belangrijk hierbij is ook te noteren dat hoewel het begrip `dagrand' wordt ingevoerd, dit geenszins betekent dat de klassieke indeling `overdag', 's avonds' en 's nachts' in de definities inzake geluid in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM voor wat betreft deze afdeling gewijzigd wordt. De dagrand heeft louter betrekking op het tijdsvenster waarbinnen leveringen buiten de dagperiode onder het nieuwe geluidskader uitgevoerd kunnen worden. De toepasselijke geluidsnormen volgen nog steeds de klassieke `overdag', 's avonds' en 's nachts'-indeling. Punt 14° In het kader van de nieuwe subafdeling 5.32.8.3 inzake het traditioneel buksschieten worden er een aantal definities toegevoegd om termen uit de subafdeling te verduidelijken. De definitie van het traditioneel buksschieten verduidelijkt de scope van de nieuwe subafdeling. De nieuwe subafdeling is enkel van toepassing op het schieten met een zware buks, een zwaar geweer dat gebruikt werd in de Middeleeuwen en ambachtelijk vervaardigd wordt, in het kader van het traditioneel schieten in schuttersgilden. Deze traditionele schuttersgilden komen voornamelijk voor in Limburg en zijn hierbij sterk verankerd in de lokale dorpscultuur en -traditie. De definitie van HLTS geeft een duidelijke omschrijving van het referentiedocument waarnaar verwezen wordt in de nieuwe subafdeling. De betreffende handreiking Limburgs traditioneel schieten (HLTS) is gratis beschikbaar op www.limburg.nl/dsresource?objectid=40268&type=org. Verdere definities in dit artikel geven duiding bij een aantal begrippen uit de wereld van het traditioneel buksschieten. Punt 15° wijzigt de definitie voor zeehavengebied. Het decreet van 2 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/03/1999 pub. 08/04/1999 numac 1999035415 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende het beleid en het beheer van de zeehavens sluiten houdende het beleid en het beheer van de zeehavens (Havendecreet) bepaalt in artikel 3 dat de Vlaamse Regering, overeenkomstig de wetgeving op de ruimtelijke ordening, de grenzen van de havengebieden, zoals bedoeld in artikel 2, vaststelt. Voor de zeehavens gelden de in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen als zeehavengebied afgebakende terreinen. Vermits alle zeehavens thans afgebakend zijn in een gewestelijk RUP zoals bepaald in artikel 3 van het Havendecreet, is het aangewezen om de definitie in VLAREM II hiermee in overeenstemming te brengen en dus de verwijzing naar het KB van 2 februari 1993 tot vaststelling van de lijst van de havens en hun aanhorigheden overgedragen van de Staat aan het Vlaamse Gewest te vervangen door een verwijzing naar het Haven decreet van 2 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/03/1999 pub. 08/04/1999 numac 1999035415 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende het beleid en het beheer van de zeehavens sluiten. Punt 16° Dit punt voegt een definitie toe aan de definities voor de emissies van broeikasgassen, namelijk voor "registeradministrateur", naar aanleiding van de wijzigingen die met dit besluit worden doorgevoerd aan hoofdstuk 4.10 van VLAREM II. Punt 17° voegt aan de definities voor windturbines een definitie toe voor "tiphoogte". Punt 18° Tenslotte wordt aan artikel 1.1.2 een subtitel "Definities werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen" toegevoegd om een aantal begrippen te verduidelijken. Waar mogelijk is er een afstemming met verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. Artikel 4 Dit artikel vervangt punten 1° tot en met 3° van artikel 1.3.1.1, § 4, van titel II van het VLAREM. De terminologie van de milieudeskundigen wordt aangepast conform de geldende regelgeving. Artikel 5 Overeenkomstig dit besluit wordt een nieuwe afdeling toegevoegd aan het hoofdstuk 2.8 van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt het opschrift van hoofdstuk 2.8 aangepast. Artikel 6 Dit artikel heft afdeling 2.8.0 van titel II van het VLAREM op. Deze afdeling bevat de `Beleidstaken ter uitvoering van de EU-Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging' (=IPPC-richtlijn). Deze richtlijn is niet meer geldig vanaf 7 januari 2014 overeenkomstig artikel 81, lid 1, van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging). De beleidstaken van de IPPC-richtlijn mogen dus opgeheven worden. Artikel 7 Dit artikel voegt een nieuwe afdeling 2.8.2 toe aan hoofdstuk 2.8 van titel II van het VLAREM. Deze nieuwe afdeling biedt een vaste werkwijze om de Vlaamse BBT-studies op te maken. Dit biedt een grotere garantie aan alle betrokken partijen dat de Vlaamse BBT-studies zullen opgemaakt worden op een eenvormige manier met garantie op transparantie en voldoende inspraak. Deze afdeling stelt ook hoe aanbevelingen uit de Vlaamse BBT-studies vertaald worden naar milieuvoorwaarden. Deze afdeling bestaat uit 4 artikelen : Artikel 2.8.2.1 : De beste beschikbare technieken kunnen vastgesteld worden door middel van Vlaamse BBT-studies. Het doel van de Vlaamse BBT-studies is om aanbevelingen te formuleren rond het bepalen van BBT. De Vlaamse BBT-studies dienen hierbij enkel als ondersteunend middel en hebben geen rechtstreekse werking op de milieuvoorwaarden. Ze vormen een stimulans voor betere milieuprestaties in Vlaanderen. Er wordt vermeld in welke gevallen een BBT-studie kan opgemaakt worden. Dit kan onder meer ingeval van een Vlaamse beleidsprioriteit, zijnde een prioriteit die vermeld wordt in het Regeerakkoord, de ministeriële beleidsbrief of beleidsnota. Artikel 2.8.2.2 : Dit artikel beschrijft de taken die uitgevoerd worden door het begeleidingscomité en de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling bij de opmaak van een Vlaamse BBT-studie. De door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling staat in voor het opstellen of herzien van Vlaamse BBT-studies, de instelling organiseert en coördineert hiervoor de informatie-uitwisseling binnen het begeleidingscomité. Artikel 2.8.2.3 : Deze stuurgroep is onder andere verantwoordelijk om een voorstel van het werkprogramma voor het komende jaar op te maken. De stuurgroep consulteert hierover de leden van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en legt het voorstel ter goedkeuring voor aan de Vlaamse minister. Artikel 2.8.2.4 : Voor de omzetting in milieuvoorwaarden met het oog op de naleving van beste beschikbare technieken wordt gekozen voor een getrapt implementatietraject. In het eerste lid wordt bepaald dat na het afwerken van een Vlaamse BBT-studie er eerst geëvalueerd wordt als een aanpassing van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden noodzakelijk is. In voorkomend geval, wordt door de Vlaamse minister een ontwerp uitgewerkt wordt tot het bepalen van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden op basis van de aanbevelingen van de Vlaamse BBT-studies. Het doorvertalen van aanbevelingen uit de Vlaamse BBT-studies naar milieuvoorwaarden gebeurt waar mogelijk en bij voorkeur door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden, zoals voorzien wordt in het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten0 betreffende de omgevingsvergunning. Dit om in Vlaanderen een gelijk speelveld te creëren en de administratieve last zowel voor de inrichtingen als voor de vergunningverlenende overheden te beperken. In het tweede lid wordt bepaald dat er door de Vlaamse minister richtlijnen worden opgesteld. Deze richtlijnen kunnen aanwijzen op welke wijze bepaalde aanbevelingen via bijzondere milieuvoorwaarden doorvertaald kunnen worden. Artikel 8 Dit artikel wijzigt artikel 3.2.3.3 van titel II van het VLAREM. Dit artikel werd ingevoegd met de VLAREM-trein 2013. Er staan echter enkele verwijzigingsfouten in opgenomen die met dit wijzigingsartikel worden rechtgezet. Artikel 9 Dit artikel wijzigt de terminologie van artikel 4.1.7.1 van titel II van het VLAREM. Artikel 10 Dit artikel brengt de bepalingen in artikel 4.1.9.1.3, § 1, 4°, van titel II van het VLAREM in overeenstemming met de bepalingen in artikel 3.2.2, § 1, d), van het decreet van 5 april 1995 (DABM). Artikel 11 Dit artikel vervangt het eerste lid van artikel 4.2.5.1.2 van titel II van het VLAREM. In analogie met artikel 4.2.5.1.1 dat het voorzien van controle-inrichtingen voorziet voor bedrijfsafvalwater, waaronder ook voor kleine debieten van 2 m®/dag, wenst de afdeling Milieu-inspectie ook een regeling voor kleine debieten koelwater van Bedoeling is om makkelijk een monster te kunnen nemen via een ordelijk en toegankelijk putje. Artikel 12 Dit artikel vervangt paragraaf 4 van artikel 4.2.8.1.1 van titel II van het VLAREM. De huidige bepalingen van het VLAREM houden nog onvoldoende rekening met de specifieke problematiek van al dan niet grootschalige evenementen die ondanks hun tijdelijk karakter een grote milieu-impact kunnen hebben. Bepaalde activiteiten als onderdeel van een evenement (boren grondwaterwinningsput, elektrische vermogensgroep, lozen afvalwater,...) zijn reeds meldings- of vergunningsplichtig. Rubriek 3 van de indelingslijst bij titel I van het VLAREM bepaalt dat het lozen van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met inbegrip van de eventueel bijhorende waterzuiveringsinstallatie een niet ingedeelde inrichting is, voor zover het debiet niet meer bedraagt dan 600 mo/j. Bij grotere lozingsvolumes is er een vergunningsplicht wanneer de locatie gelegen is in collectief te optimaliseren buitengebied of een meldingsplicht op alle andere locaties. Het afvalwater afkomstig van evenementen is te beschouwen als huishoudelijk afvalwater maar wordt echter niet gespreid over een jaar geloosd, maar vaak kortstondig gedurende 1 of enkele dagen en is bovendien vaak erg geconcentreerd. Niet op alle locaties waar evenementen worden georganiseerd is er bovendien een adequate afvalwaterinfrastructuur aanwezig. De bepalingen van titel II van het VLAREM die in artikel 6.2.2.3.1, § 2, en 4.2.8.1.1, § 4, stellen dat voor lozingen in collectief te optimaliseren buitengebied een septische put volstaat om aan de algemene voorwaarden voor huishoudelijk afvalwater te voldoen, zijn niet aanvaardbaar voor een tijdelijk evenement waar op 1 dag tijd enorm veel bezoekers kunnen aanwezig zijn. Bovendien is de optie van afvoer steeds mogelijk. Artikel 13 Dit artikel voegt een artikel 4.2.8.2.2 toe aan subafdeling 4.2.8.2 van titel II van het VLAREM. De motivatie hieromtrent is dezelfde als hierboven beschreven in artikel 7. Artikel 14 Dit artikel schrapt het tweede lid uit paragraaf 1 van artikel 4.4.2.3 van titel II van het VLAREM. Dit tweede lid was het gevolg van een wijzigingsvoorstel dat mee opgenomen zou worden in de VLAREM-trein 2013. Het betreffende wijzigingsvoorstel werd echter niet weerhouden in het wijzigingsbesluit dat door de Vlaamse Regering goedgekeurd werd, zodat dit tweede lid, dat toen ten onrechte was blijven staan, nu kan geschrapt worden. Artikel 15 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.4.1 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt wijzigt paragraaf 1. De algemene emissiegrenswaarde in bijlage 4.4.2 geldt voor SOx en niet voor SO2. Bijgevolg moeten ook de bepalingen omtrent meetfrequenties betrekking hebben op SOx. Punten 2° tot en met 5° Deze punten wijzigen paragraaf 2. De algemene emissiegrenswaarde in bijlage 4.4.2 geldt voor SOx en niet voor SO2. Bijgevolg moeten ook de bepalingen omtrent meetfrequenties betrekking hebben op SOx. Het is echter zeer moeilijk om SOx continu te meten. Er wordt voorzien dat SO2 continu gemeten kan worden en dat in de milieuvergunning bepaald kan worden op welke wijze de emissiewaarden voor SO3 bepaald worden en inbegrepen worden in de toetsing aan de emissiegrenswaarde voor zwaveloxiden. Artikel 16 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.4.2, § 4, van titel II van het VLAREM. De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen wordt tot 30 juni 2017 uitgevoerd conform een code van goede praktijk. Vanaf 1 juli 2017 dienen de CEN-normen toegepast te worden. In de herziene Vlaamse code van goede praktijk voor kwaliteitsborging van vast opgestelde emissiemeettoestellen

(2014)zijn bijkomende bepalingen opgenomen, aanvullend aan de CEN-normen. Deze moeten tevens toegepast worden. Artikel 17 Dit artikel voegt in artikel 4.4.4.4, § 1, van titel II van het VLAREM een lid in, tussen het eerste en het tweede lid. In artikel 4.4.3.1, § 2, van titel II van het VLAREM is een bepaling opgenomen omtrent de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden bij aanwezigheid van verschillende onder hetzelfde van de in bijlage 4.4.2 vermelde subpunten geklasseerde stoffen. Een dergelijke bepaling is niet opgenomen bij de bepalingen omtrent meetstrategie. Bij de bepaling van de meetstrategie moet tevens rekening gehouden worden met de som van de verschillende onder eenzelfde van de in bijlage 4.4.2 vermelde subpunten geklasseerde stoffen. Artikel 18 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.1.1 van titel II van het VLAREM. Opslagtanks hebben apparaten die kunnen lekken. In praktijk stelt zich evenwel een aantal problemen : o Het dak van opslagtanks is niet altijd toegankelijk omwille van veiligheidsredenen; o Discussie over indeling van apparaten van de opslagtank (bijv. veiligheidsklep op dak tanks); o Niet alle lekkages (bijv. disfunctionerende dichting van vlottend dak) kunnen met klassieke LDAR opgemerkt worden; o Praktische uitvoering van LDAR bij tanks die dikwijls andere producten bevatten is praktisch niet evident. Omwille van deze praktische problemen, worden opslagtanks uit het toepassingsgebied van afdeling 4.4.6 gelicht. Omwille van de praktische problemen met betrekking tot opslagtanks (zie ook de wijziging aan artikel 4.4.6.1.1 (punt 1° )), worden apparaten op de bovenkant en de wanden van verticale bovengrondse houders expliciet vrijgesteld van het toepassingsgebied van subafdeling 4.4.6.2. Artikel 19 Dit artikel heft het eerste lid op van artikel 4.4.6.1.2 van titel II van het VLAREM : overgangstermijnen zijn verstreken en bijgevolg niet langer relevant. Artikel 20 Dit artikel vervangt paragraaf 1 van artikel 4.4.7.2.10 van titel II van het VLAREM. Voor inrichtingen die pas na 1 juli 2014 de drempel voor de opstelling van een stofrapport overschrijden door uitbreiding van de opslagcapaciteit of overslaghoeveelheid voor stuivende stoffen, is momenteel niet bepaald wanneer uiterlijk een stofrapport opgesteld moet worden. Voorafgaand aan het overschrijden van de drempel voor opslagcapaciteit moet de exploitant reeds een stofrapport opstellen. Of de drempel voor overslaghoeveelheid al dan niet overschreden wordt, kan slechts op het eind van een kalenderjaar vastgesteld worden (gemiddelde over drie voorgaande kalenderjaren). Indien de drempel overschreden wordt, moet uiterlijk op 31 juli van het lopende jaar een stofrapport opgesteld worden. Artikel 21 Dit artikel voegt een afdeling 4.4.8 "Installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen" toe aan hoofdstuk 4.4 van titel II van het VLAREM. Nu de erkenningsbesluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 opgeheven worden (zie verder voor meer details), moet de verplichting voor het bezit van een erkenning als technicus of bedrijf voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden aan de onderdelen van de apparaten die een uitstoot van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen kunnen veroorzaken, worden ingeschreven in titel II van het VLAREM en dit voor de volgende installaties :
  1. a)stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen,
  2. b)stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen,
  3. c)elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen,
  4. d)klimaatregelingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen in motorvoertuigen die onder de scope van richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad vallen,
  5. e)stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat. De erkenningsverplichting wordt ingevoerd voor zowel de ingedeelde als de niet-ingedeelde installaties en is een uitvoering van de verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. De erkenningsplichtige activiteiten worden niet gewijzigd ten opzichte van de huidige wetgeving met uitzondering van de volgende gevallen :
  6. a)voor de technicus en het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur en de koeltechnicus en het koeltechnisch bedrijf wordt nu expliciet "buitendienststelling" als erkenningsplichtige activiteit opgenomen,
  7. b)de erkenningsplichtige werkzaamheden voor de technicus voor elektrische schakelinrichtingen worden vanaf 1 juli 2017 uitgebreid met "installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling" en "terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit andere elektrische schakelinrichtingen dan hoogspanningsschakelaars".Tot nu toe moest de technicus enkel voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars erkend zijn. Deze wijzigingen komen er omwille van de verordening (EU) nr. 517/2014 die deze erkenningsplichtige activiteiten vastlegt en die op 1 januari 2015 in werking getreden is. De installatie, het onderhoud, de reparatie en de buitendienststelling van hermetisch afgesloten apparatuur kan evenwel uitgevoerd worden door het daartoe bevoegd personeel zonder dat zij over een erkenning als technicus moeten beschikken in het kader van VLAREL indien bij de werkzaamheden niet geraakt wordt aan het circuit of een onderdeel dat gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat of daartoe ontworpen is. Artikel 22 Dit artikel voegt een nieuwe afdeling 4.5.7 toe aan hoofdstuk 4.5 van titel II van het VLAREM. Deze afdeling bevat de voorwaarden voor laad- en losverrichtingen voor bepaalde inrichtingen ingedeeld volgens rubriek 16.3.1. Het nieuwe geluidsnormenkader inzake laad- en losverrichtingen wordt met dit artikel toegevoegd als een nieuwe afdeling in het hoofdstuk inzake de beheersing van geluidshinder binnen de algemene voorwaarden in titel II van het VLAREM. Artikel 4.5.7.0.1 legt het toepassingsgebied van het nieuwe geluidsnormenkader inzake laad- en losverrichtingen vast. Zoals reeds eerder gesteld beperkt de scope van dit kader zich tot supermarkten die ingedeeld zijn als hinderlijke inrichting gezien het uitgevoerde onderzoek in het PIEK-project zich ook tot deze sector beperkte en de bijhorende conclusies ook enkel van toepassing zijn op deze sector. Deze beperking in scope is terug te vinden in twee van de drie vereisten : - de inrichting valt onder categorie 47.11 van het referentiekader voor de productie en de verspreiding van statistieken met betrekking tot economische activiteiten in Europa (NACE 2008). Deze categorie wordt omschreven als detailhandel in niet-gespecialiseerde winkels waarbij voedings- en genotsmiddelen overheersen. - de inrichting is een inrichting als vermeld in rubriek 16.3.1. De derde vereiste betreft het feit dat de supermarkt ook uitgerust moet zijn met een bedrijfseigen laad- en losplaats om gebruik te kunnen maken van het aangepaste geluidsnormenkader. Dit wordt nodig geacht omdat er specifieke maatregelen genomen moeten worden aan deze laad- en losplaats om de levering op een stillere manier te laten verlopen. Indien een inrichting geen bedrijfseigen laad- en losplaats heeft binnen zijn perceelgrenzen kan de exploitant niet garanderen dat alle nodige maatregelen toegepast worden. Ten slotte kan nog gesteld worden dat het nieuwe geluidskader enkel betrekking heeft op de laad- en losverrichtingen en niet op enige andere activiteiten die doorgaan op de inrichting. Artikel 4.5.7.0.2 legt vast dat de exploitant van de inrichting (supermarkt) steeds de nodige maatregelen met toepassing van de best beschikbare technieken om het geluid voortgebracht door laad- en losverrichtingen te beperken en te verhinderen dat het geluid voortgebracht door laad- en losverrichtingen een bron van hinder is voor de omgeving. Dit is op elk moment van de dag van toepassing en beperkt zich niet louter tot de dagrand. Hoewel de dagrand de meest gevoelige periode is, is ook overdag de nodige zorgvuldigheid vereist om de omwonenden niet onnodig te hinderen. Artikel 4.5.7.0.3 legt voor het laden en lossen van de goederen geluidsnormen op die afwijken van de algemene geluidsvoorwaarden vermeld in de afdelingen 4.5.2 tot en met 4.5.5 van titel II van het VLAREM. Deze nieuwe geluidsnormen zijn soepeler dan de algemene geluidsvoorwaarden en zijn overdag en in de dagrand van toepassing. De verantwoording hiervoor werd reeds eerder toegelicht. Bij het vastleggen van de geluidsnormen werd gekozen voor geluidsniveaus die, gelet op de tijdsperiode, enerzijds ervoor zorgen dat de hinder naar de omwonenden toe beperkt blijft, en anderzijds ervoor zorgen dat het mogelijk is om supermarkten te beleveren. De numerieke waarden van de geluidsnormen werden opgenomen in twee bijlagen die toegevoegd worden aan titel II van het VLAREM. De normen overdag zijn soepeler dan deze in de dagrand. Overdag moet elke supermarkt, mits een zorgvuldige exploitatie, in de mogelijkheid zijn om beleverd te worden. In de dagrand zal dit naargelang de specifieke ligging en de voorzieningen op de inrichting mogelijk zijn. Er wordt bij deze nieuwe geluidsnormen geen onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande inrichtingen. De afwijking op de algemene geluidsvoorwaarden is niet geldig tussen 23 uur en 6 uur. In dit tijdsvenster blijven de algemene geluidsvoorwaarden van toepassing. Dit impliceert dat belevering van supermarkten in bewoonde gebieden in deze periode, zoals ook in de huidige situatie, niet mogelijk is. Het is niet wenselijk om belevering tijdens deze uren mogelijk te maken. Dit om de nachtrust van de omwonenden te respecteren. Om het specifieke geluid van het laden en lossen van goederen te karakteriseren werd gekozen voor de LA05,T en de LA01,T, respectievelijk een maat voor het gemiddelde niveau van de kortstondige geluidsverhogingen en een maat voor de hoogste kortstondige geluidsverhogingen. Er werd niet gekozen voor een energetisch gemiddelde gezien de geluidsverhogingen veroorzaakt door het laden en lossen van goederen wel groot in aantal maar zeer kortstondig zijn. Een geluidsparameter die uitgaat van een energetisch gemiddelde, zoals de LAeq,T, smeert de kortstondige geluidsverhogingen uit over een langer tijdsverloop en zal in dit geval de hinder van deze geluidsverhogingen onderschatten. Er werd niet gekozen voor een maximaal geluidsniveau omdat het laden en lossen van goederen zeer sterk beïnvloed wordt door menselijk handelen. Het is niet de bedoeling om een eenmalige accidentele geluidsverhoging, bijvoorbeeld het losschieten van een spankabel in het laadruim van de vrachtwagen, te gaan afstraffen maar rekening te houden met het algemene verloop van een levering. Dit neemt echter niet weg dat, als de maximale geluidsniveaus veroorzaakt worden door structurele problemen, zij het door menselijk handelen, zij het door de infrastructuur, en die in uitzonderlijke gevallen toch niet zouden gevat worden door een overschrijding van de geluidsnormen (LA01), de exploitant een onzorgvuldige exploitatie verweten kan worden en de exploitant geverbaliseerd kan worden wegens overtreding van artikel 4.5.7.0.2. Om de hinder naar de omwonenden te beperken wordt wel vereist dat de motor van de vrachtwagen stilgelegd wordt tijdens het laden en lossen van de goederen. Artikel 4.5.7.0.4 legt voor het manoeuvreren van de vrachtwagen geluidsnormen op die afwijken van de algemene geluidsvoorwaarden vermeld in de afdelingen 4.5.2 tot en met 4.5.5 van titel II van het VLAREM. Deze nieuwe geluidsnormen zijn soepeler dan de algemene geluidsvoorwaarden en zijn overdag en in de dagrand van toepassing. De verantwoording hiervoor werd reeds eerder toegelicht. De geluidsnormen voor het manoeuvreren van de vrachtwagen zijn soepeler dan deze voor het laden en lossen van goederen daar de toegang van de inrichting voor veel supermarkten vaak tussen twee woningen gelegen is of veel dichter bij woningen gelegen is dan de laad- en losplaats. Het is in tegenstelling tot de laad- en losplaats ook veel moeilijker om de toegang en het verdere traject dat de vrachtwagen tot aan de laad- en losplaats moet afleggen af te schermen. Daarnaast nemen de manoeuvres met de vrachtwagen in totaal een veel kortere tijd in beslag dan het laden en lossen van de goederen. Bij het vastleggen van de geluidsnormen in de dagrand werd gekozen voor geluidsniveaus die, gelet op de tijdsperiode, enerzijds ervoor zorgen dat de hinder naar de omwonenden toe beperkt blijft, en anderzijds ervoor zorgen dat naargelang de specifieke ligging en de voorzieningen op de inrichting het mogelijk is om supermarkten te beleveren. Overdag werd er voor het manoeuvreren van de vrachtwagen geen beperking op het geluidsniveau opgelegd. Overdag moet elke supermarkt, mits een zorgvuldige exploitatie, in de mogelijkheid zijn om beleverd te worden. Het niet opleggen van een beperking op het geluidsniveau is overdag te verantwoorden gezien het om een zeer kortstondige gebeurtenis gaat. Er wordt bij deze nieuwe geluidsnormen geen onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande inrichtingen. De afwijking op de algemene geluidsvoorwaarden is niet geldig tussen 23 uur en 6 uur. In dit tijdsvenster blijven de algemene geluidsvoorwaarden van toepassing. Dit impliceert dat belevering van supermarkten in bewoonde gebieden in deze periode, zoals ook in de huidige situatie, niet mogelijk is. Het is niet wenselijk om belevering tijdens deze uren mogelijk te maken. Dit om de nachtrust van de omwonenden te respecteren. Om het specifieke geluid van het manoeuvreren van de vrachtwagen te karakteriseren werd gekozen voor de LA01,T, een maat voor de hoogste kortstondige geluidsverhogingen. Gezien het manoeuvreren van de vrachtwagen een zeer kortstondige gebeurtenis is en het verloop van het geluidsniveau minder gekenmerkt wordt door zeer korte geluidspieken heeft wordt er hier niet gekozen voor een dubbele norm met de LA05,T. Er werd niet gekozen voor een energetisch gemiddelde gezien de geluidsverhogingen veroorzaakt door het laden en lossen van goederen wel groot in aantal maar zeer kortstondig zijn. Een geluidsparameter die uitgaat van een energetisch gemiddelde, zoals de LAeq,T, smeert de kortstondige geluidsverhogingen uit over een langer tijdsverloop en zal in dit geval de hinder van deze geluidsverhogingen onderschatten. Er werd niet gekozen voor een maximaal geluidsniveau omdat het manoeuvreren van de vrachtwagen zeer sterk beïnvloed wordt door menselijk handelen. Het is niet de bedoeling om een eenmalige accidentele geluidsverhoging te gaan afstraffen maar rekening te houden met het algemene verloop van een levering. Dit neemt echter niet weg dat indien de maximale geluidsniveaus veroorzaakt worden door structurele problemen, zij het door menselijke handelen, zij het door de infrastructuur, de exploitant een onzorgvuldige exploitatie verweten kan worden en de exploitant geverbaliseerd kan worden wegens overtreding van artikel 4.5.7.0.2. In de subafdeling inzake laad- en losverrichtingen in de dagrand toe, worden de bijkomende voorwaarden voor het uitvoeren van leveringen in de dagrand opgenomen. Deze bijkomende voorwaarden hebben enerzijds het doel om de hinder naar de omwonenden tot een minimum te beperken wanneer leveringen in de dagrand worden uitgevoerd door middel van een maatregelenpakket. Anderzijds hebben ze als doel een eenvoudige toetsing te bieden aan exploitanten naar de mogelijkheid van belevering in de dagrand in de voorliggende supermarkt aan de hand van eenvoudige afstandsregels en zonder uitgebreid akoestisch onderzoek. De afstandsregels die in deze subafdeling opgenomen zijn in wezen en omzetting van de nieuwe geluidsnormen naar een corresponderende afstand. Bij het berekenen van deze afstanden werd rekening gehouden met de infrastructuur van de inrichting en het al dan niet gebruiken van geluidsarm logistiek materiaal. Indien men niet aan de afstandsregels kan voldoen en toch leveringen in de dagrand wenst uit te voeren, moet men aan de hand van een geluidsstudie aantonen dat men aan de nieuwe geluidsnormen kan voldoen door bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen te nemen die nog niet in rekening werden gebracht bij het berekenen van de afstanden, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een geluidsscherm. Geluidsreducerende maatregelen die beïnvloed worden door het menselijke handelen kunnen niet als structurele geluidsreducerende maatregelen beschouwd worden gezien er geen garantie is dat deze effectief op structurele wijze het geluid zullen reduceren. Een belangrijke noot hierbij is dat de geluidsnormen steeds primeren op de afstandsregels. De vastgelegde afstanden gaan immers uit van een gemiddelde zorgvuldige exploitatie waarbij voldaan is aan de geluidsnormen. Indien men voldoet aan de afstandsregels maar niet aan de geluidsnormen kan men geverbaliseerd worden omdat men in dit geval moet concluderen dat niet zorgvuldig geëxploiteerd wordt. In artikel 4.5.7.1.1 worden de algemene bepalingen voor laad- en losverrichtingen in de dagrand vastgelegd. De hierin opgenomen maatregelen moeten voor elke levering in de dagrand getroffen worden om de hinder naar de omwonenden te beperken en betreffen : - het naleven van een code van goede praktijk die in een bijlage van titel II van het VLAREM zal worden opgenomen, - het stilleggen van de motor van de vrachtwagen - de aandrijving van eventuele koelgroepen waarmee de vrachtwagen uitgerust is moet worden stilgelegd. De koelgroepen mogen wel aangesloten worden op het elektriciteitsnet, - het uitschakelen van eventueel aanwezige radio's, - het beperken van het aantal toegelaten beleveringen in de dagrand. Zoals reeds eerder vermeld werden de geluidsnormen voor laad- en losverrichtingen in de nieuwe afdeling inzake de laad- en losverrichtingen omgezet naar een corresponderende afstand. In artikel 4.5.7.1.2 worden de afstandsregels bepaald voor het laden en lossen van goederen bij supermarkten die een laad- en losplaats in open lucht hebben en dit voor leveringen met geluidsarm materiaal en leveringen zonder geluidsarm materiaal. Indien men niet aan deze afstandsregels kan voldoen en toch leveringen in de dagrand wenst uit te voeren, moet men aan de hand van een geluidsstudie aantonen dat men aan de nieuwe geluidsnormen kan voldoen door bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen te nemen die nog niet in rekening werden gebracht bij het berekenen van de afstanden, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een geluidsscherm. Geluidsreducerende maatregelen die beïnvloed worden door het menselijke handelen kunnen niet als structurele geluidsreducerende maatregelen beschouwd worden gezien er geen garantie is dat deze effectief op structurele wijze het geluid zullen reduceren. De afstandsregels werden telkens bepaald voor inrichtingen en woningen gelegen in een gebied vermeld in punt 2° van bijlage 2.2.1 van titel II van het VLAREM. Gezien de geluidsnormen afhankelijk zijn van het type gebied waarin de dichtstbijzijnde woningen gelegen is, is in principe voor elk type gebied een andere afstandsregel nodig gezien vertrokken wordt vanuit de geluidsnormen. In de meeste situaties is echter type gebied 2° van toepassing. Dit impliceert dus dat er voor supermarkten gelegen in de andere gebieden geen afstandsregels opgenomen zijn. De geluidsnormen in de nieuwe afdeling inzake laad- en losverrichtingen blijven echter onverminderd van toepassing. Voor gebieden met strengere geluidsnormen zullen de afstanden ook groter zijn dan die in de opgenomen afstandsregels en voor gebieden met soepeler geluidsnormen zullen de afstanden kleiner zijn. In artikel 4.5.7.1.3 worden de afstandsregels bepaald voor het laden en lossen van goederen bij supermarkten die een overdekte laad- en losplaats hebben en dit voor leveringen met geluidsarm materiaal en leveringen zonder geluidsarm materiaal. Indien men niet aan deze afstandsregels kan voldoen en toch leveringen in de dagrand wenst uit te voeren, moet men aan de hand van een geluidsstudie aantonen dat men aan de nieuwe geluidsnormen kan voldoen door bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen te nemen die nog niet in rekening werden gebracht bij het berekenen van de afstanden, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een geluidsscherm. Geluidsreducerende maatregelen die beïnvloed worden door het menselijke handelen kunnen niet als structurele geluidsreducerende maatregelen beschouwd worden gezien er geen garantie is dat deze effectief op structurele wijze het geluid zullen reduceren. De afstandsregels werden telkens bepaald voor inrichtingen en woningen gelegen in een gebied vermeld in punt 2° van bijlage 2.2.1 van titel II van het VLAREM. Gezien de geluidsnormen afhankelijk zijn van het type gebied waarin de dichtstbijzijnde woningen gelegen is, is in principe voor elk type gebied een andere afstandsregel nodig gezien vertrokken wordt vanuit de geluidsnormen. In de meeste situaties is echter type gebied 2° van toepassing. Dit impliceert dus dat er voor supermarkten gelegen in de andere gebieden geen afstandsregels opgenomen zijn. De geluidsnormen in de nieuwe afdeling inzake laad- en losverrichtingen blijven echter onverminderd van toepassing. Voor gebieden met strengere geluidsnormen zullen de afstanden ook groter zijn dan die in de opgenomen afstandsregels en voor gebieden met soepeler geluidsnormen zullen de afstanden kleiner zijn. In artikel 4.5.7.1.4 worden de afstandsregels bepaald voor het laden en lossen van goederen bij supermarkten die een inpandige laad- en losplaats hebben. Gezien een inpandige laad- en losplaats voor een sterke geluidsreductie zorgt is er geen minimale afstand vereist. De afstandsregels werden telkens bepaald voor inrichtingen en woningen gelegen in een gebied vermeld in punt 2° van bijlage 2.2.1 van titel II van het VLAREM. Gezien de geluidsnormen afhankelijk zijn van het type gebied waarin de dichtstbijzijnde woningen gelegen is, is in principe voor elk type gebied een andere afstandsregel nodig gezien vertrokken wordt vanuit de geluidsnormen. In de meeste situaties is echter type gebied 2° van toepassing. Dit impliceert dus dat er voor supermarkten gelegen in de andere gebieden geen afstandsregels opgenomen zijn. De geluidsnormen in de nieuwe afdeling inzake laad- en losverrichtingen blijven echter onverminderd van toepassing. In artikel 4.5.7.1.5 worden de afstandsregels bepaald voor het manoeuvreren van de vrachtwagen. Indien men niet aan deze afstandsregels kan voldoen en toch leveringen in de dagrand wenst uit te voeren, moet men aan de hand van een geluidsstudie aantonen dat men aan de nieuwe geluidsnormen kan voldoen door bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen te nemen die nog niet in rekening werden gebracht bij het berekenen van de afstanden, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een geluidsscherm. Geluidsreducerende maatregelen die beïnvloed worden door het menselijke handelen kunnen niet als structurele geluidsreducerende maatregelen beschouwd worden gezien er geen garantie is dat deze effectief op structurele wijze het geluid zullen reduceren. Indien het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd volledig gelegen is in een afgesloten gebouw is er geen minimale afstand vereist gezien er een sterke geluidsreductie gerealiseerd wordt. De afstandsregels werden telkens bepaald voor inrichtingen en woningen gelegen in een gebied vermeld in punt 2° van bijlage 2.2.1 van titel II van het VLAREM. Gezien de geluidsnormen afhankelijk zijn van het type gebied waarin de dichtstbijzijnde woningen gelegen is, is in principe voor elk type gebied een andere afstandsregel nodig gezien vertrokken wordt vanuit de geluidsnormen. In de meeste situaties is echter type gebied 2° van toepassing en voor de eenvoud beperkt de tekst zich dan ook tot dit gebied. Dit kan bij een latere wijziging uitgebreid worden naar de andere type gebieden. Dit impliceert dus dat er voor supermarkten gelegen in de andere gebieden voorlopig nog geen afstandsregels zijn. De geluidsnormen in de nieuwe afdeling inzake laad- en losverrichtingen blijven echter onverminderd van toepassing. Artikel 23 Dit artikel wijzigt artikel 4.9.1.2, § 2, van titel II van het VLAREM. De bepaling omtrent economische pardonnabiliteit wordt aangevuld, zodat er, naast een verlenging van de uitvoeringstermijn, tevens een vrijstelling tot uitvoeren van bepaalde maatregelen verleend kan worden. Deze vrijstelling kan enkel verleend worden indien de exploitant aan de hand van berekeningen van de interne rentevoet aantoont dat het uitvoeren van deze maatregelen niet (langer) rendabel is. Artikel 24 Dit artikel wijzigt artikel 4.9.2.1 van titel II van het VLAREM. Punten 1°, 2° en 3° : Het toepassingsgebied van voormeld artikel verschilt van het toepassingsgebied vastgelegd in de Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie, terwijl dit niet de bedoeling was. De aanpassing brengt het toepassingsgebied in overeenstemming met dat van de Richtlijn 2012/27/EU. Punt 4° : Dit punt voegt een vijfde lid toe aan artikel 4.9.2.1 van titel II van het VLAREM. Door het omzetten van artikel 8 van de Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie via VLAREM II met de VLAREM-trein 2013 ( besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten5) wordt de verplichting gedefinieerd voor ingedeelde inrichtingen. Hierdoor vallen er ook ingedeelde inrichtingen onder de auditverplichting die helemaal niet bedoeld werden volgens de geest van de Richtlijn, bijv. grote schoolgebouwen, grote kantoorgebouwen van publieke organisaties. Deze beschikken echter wel over een EPC publieke gebouwen, waar ook aan energieregistratie gedaan wordt, een kengetal berekend wordt en maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie gedefinieerd worden. Bijgevolg kunnen deze ingedeelde inrichtingen, wanneer ze beschikken over een geldig EPC publieke gebouwen, vrijgesteld worden van de auditverplichting voor GO's. Artikel 25 Dit artikel vervangt artikel 4.9.3.4 van titel II van het VLAREM. Door de huidige bepaling in dit artikel, was de schriftelijke toestemming nodig van alle exploitanten opdat VEA bepaalde gegevens uit de webapplicatie kon gebruiken in het kader van rapporteringsverplichtingen. Ook had de toezichthouder volgens de huidige bepaling de schriftelijke toestemming van de exploitant nodig om zijn taak te kunnen uitvoeren. Onder strikte voorwaarden en rekening houdende met de confidentialiteit kan het Vlaams Energieagentschap voortaan in het kader van rapporteringsverplichtingen geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens uit de webapplicatie ter beschikking stellen van de bevoegde instanties voor zover het aggregatieniveau voldoende confidentialiteit waarborgt. Artikel 26 Dit artikel wijzigt artikel 4.10.1.3 van titel II van het VLAREM. Artikel 4.10.1.3. van het VLAREM II bepaalt het aantal emissierechten dat door een BKG-installatie dient ingeleverd te worden. De vervanging van het woord "gevalideerde" in "goedgekeurde" is noodzakelijk om de terminologie in dit artikel in lijn te brengen met de terminologie in artikel 4.10.1.5, § 3 alwaar de goedkeuring (en niet de validatie) van het emissiejaarrapport is voorzien. De term "validatie" wordt enkel in onderlinge communicatie tussen de registeradministrateur en afdeling gehanteerd, en hoort niet thuis in het VLAREM II. De toevoeging van de 2de zin in artikel 4.10.1.3. is noodzakelijk om tevens duidelijkheid te verschaffen over het aantal emissierechten dat moet ingeleverd worden indien er geen geverifieerd en goedgekeurd emissiejaarrapport is. In dit geval wordt de hoeveelheid BKG-emissies bepaald op basis van een conservatieve schatting, vermeld in (een nieuw) artikel 4.10.1.5, § 7. De mogelijkheid om een dergelijke conservatieve schatting te maken is voorzien in artikel 70 van de Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen. Artikel 27 Dit artikel wijzigt artikel 4.10.1.4, § 2, van titel II van het VLAREM. De zin "Voor BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning niet actualiseren, voegt de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 45 van titel I van het VLAREM het monitoringplan bij de milieuvergunning." wordt vervangen door de zin "Voor BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning niet actualiseren, bezorgt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het monitoringplan aan de bevoegde overheid die het bij besluit bij de milieuvergunning voegt.". Het is immers niet aangewezen om een procedure "wijziging voorwaarden" op te starten voor het toevoegen van een plan bij de vergunning. De vergunningverlenende overheid zal naar aanleiding van een verzoek van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, beslissen om het plan toe te voegen aan de vergunning. Tegen deze beslissing van de deputatie is geen beroep mogelijk. Artikel 28 Dit artikel wijzigt artikel 4.10.1.5 van titel II van het VLAREM. De toevoeging aan paragraaf 2, eerste alinea, verduidelijkt dat de emissies die de Vlaamse Bevoegde Autoriteit in eerste instantie doorgeeft aan de registeradministrateur, de "geverifieerde" emissies zijn, i.e. deze na de controle door erkende verificateurs, maar vóór de controle door de afdeling. Deze ingave van geverifieerde emissies in het register gebeurt in de meeste Europese lidstaten door de verificateurs zelf, in België wordt dit door de Bevoegde Autoriteiten gedaan. De 2de alinea in paragraaf 2 verduidelijkt dat het deze geverifieerde emissiejaarrapporten zijn die ter inzage liggen bij de afdeling. De nieuwe paragraaf 3 (ter vervanging van de huidige paragraaf 3) is noodzakelijk om duiding te geven bij het steekproefsgewijze controleproces door de afdeling dat plaatsvindt nadat de geverifieerde emissiejaarrapporten zijn ontvangen. Dit controleproces vangt aan op 14 maart (deadline indiening van een geverifieerd emissiejaarrapport), en eindigt zonder aanpassing van de huidige regelgeving op 31 maart, oftewel 11 tot 13 werkdagen later. Deze huidige werkwijze houdt het risico in dat omwille van deze serieuze tijdsdruk het controleproces te snel moet plaatsvinden, en daardoor geverifieerde emissiejaarrapporten onterecht worden goedgekeurd. Ook al heeft het controleproces alleen betrekking op een steekproef, toch blijft het aantal elementen dat nagekeken moet worden tijdens zo'n controleproces omvangrijk. Om die reden is het noodzakelijk deze deadline met 2 weken te verlengen. Ook met deze verlenging van 2 weken (en dus een maximale tijdspanne van een 22 tot 24 werkdagen tussen indiening geverifieerd emissiejaarrapport en goedkeuring emissiejaarrapport) zal het Vlaamse Gewest nog steeds behoren tot de groep overheden binnen Europa die de afhandeling van de geverifieerde emissiejaarrapporten het efficiëntst organiseert : enerzijds wordt rechtszekerheid geboden aan de bedrijven door expliciet in een goedkeuring van de geverifieerde emissies te voorzien (in vele andere Lidstaten bestaat dit niet, waardoor maanden/jaren na indiening van een geverifieerd emissiejaarrapport, een bevoegde autoriteit het cijfer nog in vraag kan stellen, met alle gevolgen van dien), en anderzijds draagt de bevoegde autoriteit door het garanderen van een niet onder té grote tijdsdruk staand controleproces bij tot de geloofwaardigheid naar de buitenwereld toe van de in het kader van EU ETS gerapporteerde en geverifieerde emissiecijfers. De nieuwe paragraaf 7 verduidelijkt dat in voorkomend geval een conservatieve schatting gemaakt kan worden door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging van de BKG-emissies van de BKG-installatie in het voorgaande jaar. Conform de bepalingen uit artikel 70 van de Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig, maakt de bevoegde autoriteit een dergelijke conservatieve schatting in volgende gevallen : - de exploitant van de BKG-installatie heeft geen geverifieerd emissiejaarrapport ingediend bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging; - het geverifieerde emissiejaarrapport voldoet niet aan de bepalingen van de Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad - het door de exploitant van de BKG-installatie ingediende emissiejaarrapport werd niet geverifieerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad; Er is bewust gekozen om geen timing voor dergelijke conservatieve schatting op te nemen. De nieuwe paragraaf 8 verduidelijkt welke gegevens door de afdeling op het internet worden gepubliceerd. Artikel 29 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.1.2, § 3, van titel II van het VLAREM door het woord "afvalstoffenaanvoer" te vervangen door de woorden "afvalstoffenaanvoer en -afvoer". Er is namelijk geen verschil naar hinder toe tussen aanvoer en afvoer van afvalstoffen. Artikel 30 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.1.7, § 3, van titel II van het VLAREM. Artikel 31 Dit artikel vervangt paragraaf 2 van artikel 5.2.1.9 van titel II van het VLAREM. Dit artikel is van toepassing voor alle inrichtingen ingedeeld in rubriek 2. Omwille van de aanpassingen van VLAREM ten gevolge van de CLP-verordening, zijn gevaarlijke afvalstoffen niet (meer) ingedeeld in rubriek 17. Aangezien de opslag van bedrijfsafvalstoffen in functie van de regelmatige afvoer ook niet ingedeeld is in rubriek 2 (uitgezonderd), werd voor deze tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met de vervanging van paragraaf 2 van artikel 5.2.1.9. van titel II van het VLAREM, minimale vereisten voor de veiligheid ingeschreven. Verder wordt in paragraaf 1 van artikel 5.2.2.5.2 van titel II van het VLAREM momenteel voor de gevaarlijke afvalstoffen verwezen naar de voorwaarden van hoofdstuk 5.17 betreffende de gevaarlijke producten bovenop de voorwaarden van subafdeling 5.2.2.5. Deze verwijzing is noodzakelijk, maar echter niet meer correct, gelet op de aanpassingen van VLAREM ten gevolge van de CLP-verordening, en analoge aanpassingen aan Richtlijnen en Verordeningen op Europees niveau aan de CLP-verordening. Gevaarlijke afvalstoffen worden door Europese regelgeving op twee manieren bepaald, namelijk in de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, enerzijds in bijlage III, en anderzijds in uitvoering van artikel 7 van de Richtlijn 2014/955/EU. De bijlage III van de Afvalstoffenrichtlijn bepaalt de gevaarlijke eigenschappen van afvalstoffen, en werd in die zin ook door Verordening EU 1357/2014 in lijn gebracht met de CLP-verordening (EG 1272/2008), waarop ook hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM is gebaseerd. Het besluit van de Commissie van 18 december 2018 (2014/955/EU) echter, legt een lijst vast van afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 7 van Afvalstoffenrichtlijn, gebaseerd op herkomst. In deze lijst staan gevaarlijke afvalstoffen met (*) aangeduid, maar voor een aantal van deze gevaarlijke afvalstoffen zijn de voorwaarden van hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM niet geschikt of toepasbaar. In die zin werd ook een voorstel tot aanpassing van artikel 5.2.2.5.2 uitgewerkt, waarbij de voorwaarden van hoofdstuk 5.17. enkel van toepassing zijn voor afvalstoffen met gevaarlijke eigenschappen zoals bepaald in Verordening (EU) 1357/2014 van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen. De voorwaarden van hoofdstuk 5.17. zijn met dit voorstel dus niet meer van toepassing voor gevaarlijke afvalstoffen volgens de lijst in het besluit 2014/955/EU. Vandaar dat de vervanging van paragraaf 2 van artikel 5.2.1.9 van titel II van het VLAREM belangrijk is, en minimale veiligheidsvoorwaarden vastlegt voor gevaarlijke afvalstoffen waarvoor de voorwaarden van hoofdstuk 5.17 niet gelden. Artikel 32 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.1.1, § 4, van titel II van het VLAREM, waarbij wordt bepaald dat op containerparken de afvalstoffen rechtstreeks in containers moeten worden opgeslagen, tenzij anders bepaald in de vergunning. Steeds meer worden specifieke fracties omwille van hun aard of omvang op een andere wijze opgeslagen (bigbags, stortvakken, ...). Momenteel moet dit telkens specifiek worden aangevraagd via de milieuvergunning. Om overbodige procedures te vermijden wordt de formulering van dit artikel aangepast, waarbij er wordt gesteld dat de afvalstoffen altijd gescheiden worden opgeslagen in aangepaste recipiënten of stockageruimten. Artikel 33 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.5.2 van titel II van het VLAREM. Punt 1° vervangt paragraaf 1. In paragraaf 1 wordt momenteel voor de gevaarlijke afvalstoffen verwezen naar de voorwaarden van hoofdstuk 5.17 betreffende de gevaarlijke producten bovenop de voorwaarden van subafdeling 5.2.2.5. Deze verwijzing is noodzakelijk, maar echter niet geactualiseerd en bovendien is het toepassingsgebied niet correct afgesteld. Gevaarlijke afvalstoffen worden door Europese regelgeving op 2 manieren bepaald, namelijk in de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, enerzijds in bijlage III, en anderzijds in uitvoering van artikel 7 van de Richtlijn in het besluit 2014/955/EU. De bijlage III van de Afvalstoffenrichtlijn bepaalt de gevaarlijke eigenschappen van afvalstoffen, en werd in die zin ook door verordening EU 1357/2014 in lijn gebracht met de CLP-verordening (EG 1272/2008), waarop ook hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM is gebaseerd. Het besluit van de Commissie van 18 december 2018 (2014/955/EU) echter, legt een lijst vast van afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 7 van de Afvalstoffenrichtlijn, gebaseerd op herkomst. In deze lijst staan gevaarlijke afvalstoffen met (*) aangeduid, maar voor een aantal van deze gevaarlijke afvalstoffen zijn de voorwaarden van hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM niet geschikt of toepasbaar. Daarnaast zijn de voorwaarden voor brandbare vloeistoffen sinds de aanpassing van VLAREM aan de CLP-verordening ( besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten5 (VLAREM-trein 2013)) niet meer opgenomen in hoofdstuk 5.17 maar in hoofdstuk 5.6 van titel II van het VLAREM. Door deze wijziging van artikel 5.2.2.5.2, § 1, worden bijgevolg enerzijds de voorwaarden voor gevaarlijke afvalstoffen geactualiseerd, en wordt anderzijds het toepassingsgebied beter afgesteld door enkel voor afvalstoffen met gevaarlijke eigenschappen te verwijzen naar hoofdstuk 5.17. Punt 2° vervangt paragraaf 3 van artikel 5.2.2.5.2 van titel II van het VLAREM met betrekking tot de bepalingen voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen. De wijziging betreft een actualisatie van de voorwaarden voor de opslag en behandeling van deze afvalstoffen met het oog op de voorkoming van bodem- en grondwaterverontreiniging. Punt 3° wijzigt artikel 5.2.2.5.2, § 9, van titel II van het VLAREM. Nu de erkenningsbesluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 opgeheven worden (zie verder voor meer details), moet de verplichting voor het bezit van een erkenning als technicus of bedrijf voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die schadelijke emissies van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen kunnen veroorzaken, worden ingeschreven in titel II van het VLAREM en dit voor de volgende installaties :
  8. a)stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen,
  9. b)stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen,
  10. c)elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen,
  11. d)klimaatregelingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen in motorvoertuigen die onder de scope van richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad vallen,
  12. e)stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat. De erkenningsverplichting wordt ingevoerd voor zowel de ingedeelde als de niet-ingedeelde installaties en is een uitvoering van de verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. De erkenningsplichtige activiteiten worden niet gewijzigd ten opzichte van de huidige wetgeving met uitzondering van de volgende gevallen :
  13. a)voor de technicus en het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur en de koeltechnicus en het koeltechnisch bedrijf wordt nu expliciet "buitendienststelling" als erkenningsplichtige activiteit opgenomen,
  14. b)de erkenningsplichtige werkzaamheden voor de technicus voor elektrische schakelinrichtingen worden vanaf 1 januari 2017 uitgebreid met "installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling" en "terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit andere elektrische schakelinrichtingen dan hoogspanningsschakelaars".Tot nu toe moest de technicus enkel voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars erkend zijn. Deze wijzigingen komen er omwille van de verordening (EU) nr. 517/2014 die deze erkenningsplichtige activiteiten vastlegt en die op 1 januari 2015 in werking getreden is. Artikel 34 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.6.4, § 1, van titel II van het VLAREM. In dit artikel wordt bepaald dat er een gescheiden opslag moet plaatsvinden van niet-gedepollueerde en gedepollueerde voertuigwrakken. Deze bepaling geeft in de dagdagelijkse praktijk bij de verwerkingsbedrijven echter belangrijke belemmeringen. Gezien de beperkte efficiëntie van deze bepaling, wordt deze aangepast, zodat onder welbepaalde voorwaarden een gezamenlijke opslag van niet-gedepollueerde en gepollueerde voertuigwrakken mag plaatsvinden. Zo kan deze gezamenlijke opslag enkel plaatsvinden indien elk gedepollueerd voertuigwrak wordt gemarkeerd met een duidelijk herkenbaar etiket dat zichtbaar is vanop de begane grond. Dit houdt in dat dit etiket olie-, vuil-, en weersbestendig moet zijn en dat niet gemarkeerde voertuigwrakken of voertuigwrakken waarvan de markering niet integraal zichtbaar is vanop de begane grond, worden beschouwd als niet-gedepollueerde voertuigwrakken. Dit geldt echter niet voor inrichtingen die over een shredderinstallatie beschikken. In dat geval moet de opslag van niet-gedepollueerde en gedepollueerde voertuigwrakken wel steeds gescheiden gebeuren. Artikel 35 Dit artikel voegt een subafdeling 5.2.2.9bis toe aan afdeling 5.2.2 van titel II van het VLAREM. Op basis van de aanbevelingen in de BBT-studie "Verwerking van externe bedrijfsafvalwaters en vloeibare/slibachtige bedrijfsafvalstromen" van mei 2013 wordt voor het aspect lucht (VOS en geur) een nieuwe subafdeling ingevoegd voor inrichtingen voor de verwerking van extern aangevoerde bedrijfsafvalwaters en vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen. Hierbij werd er gekozen om dit onmiddellijk na de bestaande subafdeling 5.2.2.9 "Inrichtingen voor het reinigen van recipiënten waarin stoffen werden opgeslagen of vervoerd" in te voegen, gezien de activiteiten met elkaar verwant zijn. Deze subafdeling is van toepassing op de verwerking van extern aangevoerde bedrijfsafvalwaters en vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen. In de VLAREM-trein 2015 zat reeds een gelijkaardig voorstel. Op basis van de opmerkingen uit publieke consulatie werd er echter beslist om dit voorstel niet mee te nemen met de VLAREM-trein 2015, met het oog op een verdere evaluatie van dit voorstel en een opname in de daaropvolgende VLAREM-trein. Het huidige voorstel is dus een aangepaste versie, rekening houdende met de opmerkingen uit de publieke consultatie van de VLAREM-trein 2015. In de BBT-studie worden de volgende middelvoorschriften aanbevolen ter beperking van emissie van VOS en geur : "Bij de verwerking van externe bedrijfsafvalwaters en/of vloeibare slibachtige bedrijfsafvalstromen, waarbij vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C, of sterk geurende stoffen worden vrijgesteld, wordt de lucht behandeld met een selectie of combinatie van een bio(trickling)filter, een actief kool filter, een gaswasser, een naverbrander of een ander gelijkwaardig behandelingssysteem. Procesonderdelen (handelingen) die minimum moeten worden afgedekt (ingesloten), afgezogen en nabehandeld zijn : o verladen van geurende en/of VOS emitterende afvalstoffen, incl. slibs, o.a. laden en lossen van tanks; o mengen en opbulken van geurende en/of VOS emitterende afvalstoffen; o opslaan van geurende en/of VOS emitterende afvalstoffen, incl. slibs; o reservoirs (b.v. ontvangstbekkens), opslagtanks, voorbehandelingszones en meng-/reactietanks; o bezinkingstanks; o fysicochemische behandelings-/reactievaten (o.a. deze voor neutralisatie, redoxreacties en behandeling van nitriet- en ammoniakhoudende afvalwaters); o slibindikkings-, conditionerings- en ontwateringsinstallaties (via kamerfilterpers, decanteercentrifuge, ...)." Voor deze maatregelen zal er van geval tot geval worden beoordeeld of deze worden opgelegd in de milieuvergunning. In de BBT-studie wordt verder nog voor VOS een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nmo in het geloosde afgas voorgesteld in het geval procesonderdelen worden afgedekt of ingesloten en de lucht wordt afgezogen en behandeld. Dit wordt sectoraal verankerd via het nieuwe artikel 5.2.2.9bis.2 Artikel 36 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.12 van titel II van het VLAREM en voegt een versoepeling toe aan de verplichte toepassing van de opties waarvan de baten hoger zijn dan de kosten wanneer er in de kosten-batenanalyse wordt gerekend met potentiële warmte- of koudevraagpunten. In dit geval is het voldoende dat met betrekking tot de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallaties voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude. Artikel 37 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.24, § 3, van titel II van het VLAREM. De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen moet uitgevoerd worden volgens de CEN-normen. In de herziene Vlaamse code van goede praktijk voor kwaliteitsborging van vast opgestelde emissiemeettoestellen
(2014)zijn bijkomende bepalingen opgenomen, aanvullend aan de CEN-normen. Deze moeten tevens toegepast worden. Artikel 38 Dit artikel wijzigt in artikel 5.2.3bis.3.8 de meetfrequentie voor dioxinen en furanen van zesmaandelijks naar tweejaarlijks. Via het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten5 (VLAREM-trein 2013) werd het artikel 5.2.3bis.3.8 volledig vervangen, waarbij de meetfrequentie gewijzigd werd, zonder dat dit de bedoeling was. Dit wordt hiermee nu rechtgezet. Artikel 39 Dit artikel schrapt in artikel 5.2.3bis.4.10, § 5, 5°, van titel II van het VLAREM de bepaling "in afwijking van hoofdstuk 4.4". De schrapping van deze bepaling heeft geen inhoudelijke wijziging van de wetgeving tot gevolg. Conform het lex specialis beginsel hebben de sectorale voorwaarden immers steeds voorrang op de algemene bepalingen. Artikel 40 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.4.11 van titel II van het VLAREM. De bepalingen van afdeling 5.19.1 werden gewijzigd via het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten5 (VLAREM-trein 2013), waarbij artikel 5.19.1.4 vervangen werd. De verwijzingen in artikel 5.2.3bis.4.11 naar artikel 5.19.1.4 werden echter toen niet aangepast. Dit wordt hiermee rechtgezet. Artikel 41 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.4.1.2, § 2, van titel II van het VLAREM. Aangezien Richtlijn 1999/45/EG van 31 mei 1999 (Preparatenrichtlijn) vanaf 1 juni 2015 niet meer van kracht is, kan punt 1° geschrapt worden. Punt 2° is dezelfde bepaling, maar dan gebaseerd op de CLP-verordening. Artikel 42 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.5.5.4, § 1, van titel II van het VLAREM. De vermelding 'boven de tussenafdek' wordt geschrapt, gezien de aanleg van een tussenafdek niet relevant is bij monostortplaatsen voor baggerspecie en bijgevolg niet moet worden opgelegd. Artikel 43 Dit artikel vervangt artikel 5.2.5.6.4 van titel II van het VLAREM. De voorwaarden hebben betrekking op water-, percolaat- en gascontrole. Artikel 44 Dit artikel voegt een paragraaf 6 toe aan artikel 5.4.1.2 van titel II van het VLAREM dat de verbodsregels bevat voor inrichtingen die worden ingedeeld in de rubrieken 4 (bedekkingsmiddelen) en 21 (kleurstoffen en pigmenten). Deze nieuwe paragraaf 6 stelt dat deze verbodsregels niet van toepassing zijn inrichtingen, vermeld in rubriek 4.4 van de indelingslijst (zijnde inrichtingen voor het thermisch behandelen van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen), die bestemd zijn voor het uitharden van poederlakken, wat veelal in moffelovens gebeurt. Dergelijke activiteit brengt immers geen emissie van VOS met zich mee, noch enige vorm van geluidshinder. Deze ovens worden gestookt op aardgas, zodat er ook geen emissie is van fijn stof. Voor deze installaties is er dus geen reden om te moeten voorzien dat zij bijvoorbeeld op een afstand van meer dan 50 meter van een woongebied moeten gelegen zijn. Artikel 45 Dit artikel wijzigt artikel 5.4.2.3, § 3, van titel II van het VLAREM. In voormeld artikel is momenteel de mogelijkheid voorzien om via de milieuvergunning af te wijken van de sectorale norm van 100 mg C/Nmo voor VOS-emissies. Uit de BBT-studie verf-, lak-, drukinkt- en lijmproductie
(2014)blijkt dat er in de vergunning hier geen gebruik van wordt gemaakt en dat er integendeel soms zelfs strengere emissiegrenswaarden worden opgelegd in de bijzondere voorwaarden. Deze afwijkingsmogelijkheid wordt bijgevolg geschrapt. Artikel 46 Artikel 47 Artikel 48 Artikel 49 Deze artikelen wijzigen respectievelijk artikel 5.6.1.2.9, 5.6.1.2.10, 5.6.1.3.15 en 5.6.1.3.16 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging betreft een verscherping van de voorwaarden om in de praktijk uit te sluiten dat een houder met oranje label nooit in orde wordt gesteld. Bij controles door toezichthouders wordt vastgesteld dat er geregeld een soort `oranje carrousel' ontstaat waarbij de erkende milieudeskundige diverse keren na mekaar een oranje klever of plaats aanbrengt, waardoor de houders in gebruik mogen blijven, maar binnen de zes maanden aan een bijkomend onderzoek moeten worden onderworpen. De huidige formulering van de artikels m.b.t. de klevers en platen laat deze manier van werken toe. Dergelijke oranje carrousel brengt echter geen oplossing op het terrein. Het is daarom aangewezen om te stellen dat bij de bijkomende controle niet opnieuw een oranje klever of plaat mag worden aangebracht als de oorspronkelijk vastgestelde gebreken niet werden gecorrigeerd. In dat geval moet een rode klever of plaat worden aangebracht, zodat de houder pas terug mag worden gevuld als de gebreken werden gecorrigeerd (en de houder met positief aan een nieuwe controle werd onderworpen). Als tijdens de bijkomende controle andere nieuwe gebreken worden vastgesteld die geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder, mag wel een oranje klever of plaat worden aangebracht (mits de oorspronkelijke gebreken werden gecorrigeerd). Er werd een uitzonderingsbepaling voorzien voor afwijkingen of gebreken waarvoor het niet mogelijk is om deze binnen de zes maanden aan te passen. Een voorbeeld daarvan zijn de aanpassingen aan grote inkuipingen of houders waarvoor bouwkundige ingrepen nodig zijn. Bij dergelijke bouwkundige aanpassingen moeten werken soms uitgesteld worden door het vriesweer, zijn er grote infrastructuur werkzaamheden nodig,... De exploitant moet motiveren waarom die termijn van zes maanden niet kan behaald worden en daarbij bv. een actieplan opstellen dat door de bevoegd deskundige moet opgevolgd worden. In de artikelen 5.6.1.2.9 (eerste lid) en 5.6.1.3.15 (eerste lid) wordt tevens een verwijzingsfout rechtgezet. Artikel 50 Dit artikel (punten 1°, 2° en 4° ) brengt artikel 5.6.2.3.4, § 1, van titel II van het VLAREM in overeenstemming met de Richtlijn 2014/99/EU. Deze Richtlijn wijzigt Richtlijn 2009/126/EG inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van motorvoertuigen in benzinestations. Het betreft meer bepaald de toepassing van de norm EN 16321-1 :2013 voor de typegoedkeuring van benzinedampterugwinningssystemen voor gebruik in benzinestations en de toepassing van de norm EN 16321-2 :2013 voor de controle van de werking van het benzinedampterugwinningssysteem. De EN 16321-1 is de Europese norm voor typegoedkeuring van fase II-benzinedampterugwinningssystemen en de EN 16321-2 is de Europese norm voor de controle van deze systemen. Dit zijn de standaarden binnen Europa die algemeen gehanteerd dienen te worden. Het betreffende artikel is immers een omzetting van de Richtlijn 2014/99/EU. In deze Richtlijn wordt expliciet verwezen naar de normen EN 16321-1 :2013 en EN 16321-2 :
  1. De EN-normen zijn beschikbaar in het Frans, Engels en Duits en zijn net zoals andere Europese of Belgische normen niet gratis beschikbaar. De norm kan o.m. aangekocht worden via het NBN, het Bureau voor Normalisatie, verantwoordelijk voor het ontwikkelen en verkopen van normen in België. Punt 3° wijzigt paragraaf 3 van dit artikel en betreft een verduidelijking van de meetfrequentie van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem, om te vermijden dat een periode van bijna 2 jaar tussen opeenvolgende metingen kan ontstaan. Artikel 51 Dit artikel wijzigt artikel 5.6.2.3.6, § 3, van titel II van het VLAREM. De huidige bepaling stelt dat de deskundige van elke controle, met uitzondering van de test, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 6, een attest moet opstellen waaruit ondubbelzinnig blijkt of het fase II-benzinedampterugwinningssysteem voldoet aan de vigerende voorschriften. Het is echter aangewezen dat, indien de test in kwestie wordt uitgevoerd door de deskundige, het resultaat hiervan wordt opgenomen in het attest. Artikel 52 Dit artikel wijzigt artikel 5.7.5.1, § 3, van titel II van het VLAREM. Het voorgestelde buitengebruikstellingsplan zal op 1 januari 2016 beschikbaar moeten zijn en uitgevoerd worden. Dit plan komt uit het uitvoeringsbesluit 2013/732/EU van de Commissie van 9 december 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van chlooralkali, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L332 van 11 december
  2. Naast de opname van deze bepaling in titel III van het VLAREM wordt deze ook opgenomen in titel II van het VLAREM. Het buitengebruikstellingsplan is daardoor eerder van toepassing dan voorgeschreven door de BBT-conclusies. Daardoor kan continuïteit met de eerder vastgestelde bepalingen uit titel II van het VLAREM worden gewaarborgd. Het is immers niet logisch om dit buitengebruikstellingsplan pas van toepassing te laten zijn in titel III van het VLAREM als de buitengebruiksstelling al achter de rug is. Artikel 53 Dit artikel wijzigt het opschrift van afdeling 5.9.2 van titel II van het VLAREM, "Bijkomende constructie- en gebruiksvoorwaarden voor stallen met betrekking tot de beperking van ammoniakemissie" als volgt "Bijkomende voorwaarden met betrekking tot de beperking van ammoniakemissie". Dit artikel laat toe om rekening te houden met de ruimer draagwijdte van de lijst van ammoniakemissie-reducerende technieken die in het kader van de milieuvergunning kunnen worden opgelegd. Artikel 54 Dit artikel voegt een paragraaf 5 toe aan artikel 5.9.2.1bis van titel II van het VLAREM. De toezichthouders of laboratoria moeten de drukkamer vóór de wasser en de uitlaat na de wasser kunnen betreden. Sommige luchtwassystemen zijn echter (zelfs met een hoogtewerker) heel moeilijk tot niet veilig toegankelijk. Om deze problematiek te verhelpen wordt nu opgenomen in artikel 5.9.2.1.bis, § 5,van titel II van het VLAREM dat de inlaat en de uitlaat van een luchtwassysteem bereikbaar en toegankelijk moet zijn met het oog op de veilige en praktische uitvoering van controlemetingen conform een code van goede praktijk. Artikel 55 Dit artikel voegt een tweede lid toe aan artikel 5.9.2.2, § 2, van titel II van het VLAREM. Mestopslagplaatsen bevinden zich vaak in de buurt van een waterloop, wat het risico op de lozing van mestsappen aanzienlijk vergroot. Als voorzorgsmaatregel is aan artikel 5.9.2.2, § 2, een tweede lid toegevoegd met voorschriften om, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, de mestopslagplaats zodanig in te planten dat deze niet in de richting van oppervlaktewater is georiënteerd. Deze verplichting is alleen geldig voor nieuwe mestopslagplaatsen. Artikel 56 Dit artikel voegt een tweede lid toe aan artikel 5.9.8.4, § 1, van titel II van het VLAREM. Er is heel wat onduidelijkheid over de status van `reinigingswater van pluimveestallen'. Dit reinigingswater bevat nog een kleine fractie mest, maar bij een correcte reiniging (zijnde eerst grof vuil droog verwijderen en achteraf reinigen gebruikmakend van hogedruk reinigers) is deze fractie dermate gering dat het reinigingswater niet als meststof kan worden beschouwd. Evenwel mag dit reinigingswater niet zomaar worden geloosd en wordt het bij voorkeur uitgereden op het land. Artikel 57 Dit artikel wijzigt artikel 5.9.8.5 van titel II van het VLAREM. Punten 1° en 2° De vermelde aanpassingen zijn enerzijds inhoudelijk verduidelijkend en anderzijds vormelijk. Punt 3° Het betreft louter een vormelijke aanpassing. Punt 4° De sectorale voorwaarden vermeld in paragraaf 4 en 5 van artikel 5.9.8.5 hebben niet enkel betrekking op de rundveehouderij maar zijn geldig voor alle veeteeltbedrijven. Punten 5° en 6° Het betreft enerzijds een inhoudelijk verduidelijkende aanpassing en anderzijds wordt er een lid toegevoegd waardoor deze bepaling (silosappen van de kuilplaat moeten worden opgevangen) enkel van toepassing is voor nieuwe kuilplaten. Punt 7° Kuilplaten bevinden zich vaak in de buurt van een waterloop, wat het risico op de lozing van silosappen aanzienlijk vergroot. Als voorzorgsmaatregel is aan artikel 5.9.8.5 een paragraaf 6 toegevoegd met voorschriften om, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, de kuilplaat zodanig in te planten dat deze niet in de richting van oppervlaktewater is georiënteerd. Deze verplichting is alleen geldig voor nieuwe kuilplaten. Artikel 58 Dit artikel wijzigt artikel 5.11.0.3, § 1, van titel II van het VLAREM, door de zinnen "De vloer van dit lokaal moet voorzien zijn van een opvanggoot en een of meer opvangputten. De vloer, de opvanggoot en de opvangputten moeten uitgevoerd zijn in voor de erop terechtkomende stoffen ondoorlatend en chemisch inert materiaal." te vervangen door de zin "De vloer is uitgevoerd in een materiaal dat ondoorlatend en chemisch inert is voor de stoffen die erop terechtkomen.". Hierdoor wordt de verplichting geschrapt voor drukkerijen dat de vloer moet voorzien zijn van opvanggoten- en putten. In drukkerijen wordt er namelijk meestal droog gepoetst. Ook het feit dat er een beperkt inktverbruik zou zijn in de inrichting is een bijkomende motivatie om de vloer niet te voorzien van opvangputjes en een opvanggoot. Artikel 59 Dit artikel wijzigt artikel 5.11.0.
  3. Met deze wijziging wordt de formulering voor ontvlambare stoffen en/of ontvlambare producten alsnog aangepast aan de CLP-verordening. Artikel 60 Dit artikel wijzigt artikel 5.11.0.5, § 2 van titel II van het VLAREM. In navolging van het voorstel in de BBT-studie Grafische sector
(2013)wordt de emissiegrenswaarde voor ethanol in geval van toepassing van met water verdunbare drukinkten die als organisch oplosmiddel uitsluitend ethanol met een massagehalte van ten hoogste 25% bevatten, geschrapt. Punt 1°, a), in de tabel wordt opgeheven. Uit een bevraging van leveranciers en bedrijven blijkt dat ethanol niet (meer) uitsluitend wordt gebruikt als organisch oplosmiddel in met water verdunbare drukinkten. De emissiegrenswaarde is bijgevolg niet langer relevant. Er geldt een emissiegrenswaarde voor chroom VI-verbindingen enerzijds, en voor chroom III-, strontium- en zinkchromaat anderzijds. Aangezien chroom III-, strontium- en zinkchromaat ook chroom VI-verbindingen zijn, is een afzonderlijke emissiegrenswaarde voor deze stoffen tegenstrijdig. De sectorale emissieg

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.