← België

Decreet tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Ener

Kort samengevat

Deze wet heft delen van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie op en vormt het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, met als doel een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling in Wallonië te realiseren. Het regelt de doelstellingen, middelen, actoren en de organisatie van adviesorganen voor ruimtelijke ordening.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

24 APRIL 2014. - Decreet tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling

(1)Het Waalse Parlement heeft aangenomen en Wij, Waalse Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.De artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie worden opgeheven. De volgende tekst vormt het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling : BOEK I. - Algemene bepalingen Enige Titel - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Doelstellingen en middelen Art. D.I.1. § 1. Het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, afgekort "CoDT", beoogt een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijk ontwikkeling. Deze ontwikkeling voldoet op een evenwichtige manier aan de sociale, economische, demografische, energetische, patrimoniale, milieu- en mobiliteitsbehoeften van de gemeenschap, rekening houdend, zonder discriminatie, met de ruimtelijke dynamiek en specificiteit, alsook met de sociale cohesie. § 2. Het Gewest en de andere overheidsorganen zijn, elk binnen zijn bevoegdheden en in coördinatie met het Gewest, de actoren, de beheerders en de vrijwaarders van deze ontwikkeling. Daarvoor moeten ze middelen voor de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en stedenbouw uitwerken. Het grondgebied van Wallonië is een gemeenschappelijk erfgoed. De inwoners en de de privé actoren dragen bij tot een duurzame ruimtelijke ontwikkeling door hun deelneming aan de uitwerking van middelen, de ontwikkeling van projecten en de adviezen die zij uitbrengen. § 3. In dit kader worden de volgende principes ten uitvoer gelegd : 1° het principe van rationeel gebruik van de grondgebieden en hulpbronnen;2° het principe van socio-economische attractiviteit en van territoriale competitiviteit;3° het principe van het kwalitatief beheer van de leefomgeving;4° het principe van beheerste mobiliteit;5° het principe van de versterking van de stedelijke en landelijke centrumfuncties. Art. D.I.2. § 1. De Regering bezorgt het Waalse Parlement om de drie jaar een verslag over de stand van zaken en de vooruitzichten inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw. Het verslag bedoeld in het eerste lid bevat de opvolging van de aanzienlijke milieueffecten van de tenuitvoerlegging van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gewestplannen die aan een milieueffectenbeoordeling onderworpen zijn. Het verslag maakt het voorwerp uit van een driejaarlijkse voor het publiek toegankelijke publicatie. § 2. De Regering zorgt voortdurend voor de coördinatie van de bepalingen van dit Wetboek. Zij zorgt ook voortdurend voor de coördinatie van de vertalingen van de bepalingen van het Wetboek in het Frans en in het Duits. HOOFDSTUK II. - Door de Regering overgedragen delegaties en opdrachten Art. D.I.3. § 1. De Regering bepaalt het deel van het grondgebied waartoe de gemeente behoort en wijst voor elk deel van het grondgebied, ambtenaren van het Operationeel Directoraat-Generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie van de Waalse Overheidsdienst, hierna DGO4, aan om de in het Wetboek bedoelde opdrachten te vervullen. Deze ambtenaren worden hierna "gemachtigde ambtenaren" genoemd. § 2. Er wordt een cel gebiedsontwikkeling opgericht met zetel te Namen, die onder het gezag van een algemene afgevaardigde belast is met de uitvoering van de prioritaire beslissingen van de Regering inzake ruimtelijke ordening en gebiedsontwikkeling inzake strategische planificatie. De Regering legt de nadere werkingsregels van de cel vast en geeft er de opdrachten van nader aan. § 3. Er wordt een algemene afvaardiging voor de beroepen opgericht met zetel te Namen, onder het gezag van een algemene afgevaardigde. Ze wordt belast met het onderzoek van de beroepen ingediend op basis van de bepalingen bedoeld in het Wetboek alsook met de beslissing over bepaalde beroepen of ten gevolge van de schorsing van de vergunning. De Regering legt de werkingsregels van de afvaardiging vast. HOOFDSTUK III. - Deelname Art. D.I.4. Met uitzondering van de bepalingen bedoeld in artikel D.IV.41, eerste lid, 2°, verloopt de deelname van het publiek aan de beslissingen genomen in toepassing van het Wetboek overeenkomstig de bepalingen van Titel III van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek. HOOFDSTUK IV. - Milieueffectenbeoordeling Art. D.I.5. De milieueffectenbeoordeling van de beslissingen genomen in toepassing van het Wetboek verloopt overeenkomstig de bepalingen van Deel V van Boek I van het Milieuwetboek. HOOFDSTUK V. - Commissies Afdeling 1 - De "Commission régionale de l'aménagement du territoire" (Gewestelijke commissie voor ruimtelijke ordening) Onderafdeling 1 - Oprichting en opdrachten Art. D.I.6. Er wordt een "Commission régionale de l'aménagement du territoire" ingesteld, hierna de "Gewestelijke commissie" genoemd, met zetel te Namen, die de adviezen verleent die ze vanwege het Wetboek moet geven, namelijk over de middelen voor ontwikkeling, ordening en stedenbouw. Naast de adviezen die ze vanwege het Wetboek moet geven, kan de Gewestelijke commissie initiatiefadviezen geven over de onderwerpen die zij als relevant beschouwt in het kader van haar bevoegdheden. De Regering kan alle vragen betreffende ruimtelijke ordening, stedenbouw en landelijke- en stedelijke inrichting ter advies voorleggen. De gewestelijke commissie wordt, behoudens bijzonder gemotiveerde dringende gevallen of voor de ontwerpen van decreet bedoeld in artikel D.IV.17, derde lid, door de Regering geraadpleegd voor elk ontwerp van decreet of besluit met een algemeen bereik dat onder ruimtelijke ordening en stedenbouw ressorteert. Onderafdeling 2 - Samenstelling Art. D.I.7. § 1. De Regering legt de samenstelling en de werkingsregels van de Gewestelijke commissie en eventueel haar afdelingen vast. § 2. De Gewestelijke commissie kan zich in afdelingen splitsen. In dit geval wijst de Regering de afdeling(
  1. en)aan die ermee belast is (zijn) het Bureau het verzochte advies te verlenen. § 3. Het bureau van de Gewestelijke commissie bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitters en, in voorkomend geval, uit twee leden per afdeling. § 4. De Regering kan het bedrag van het presentiegeld waarop de afdelingsvoorzitter en -ondervoorzitters en de leden van de Gewestelijke commissie recht hebben, vastleggen. De Gewestelijke commissie kan een beroep doen op de medewerking van bijzonder gekwalificeerde personen in het kader van de analyse van een project dat haar expertise vereist en, met de instemming van de Regering, op ambtenaren van het Gewest. Afdeling 2 - Adviescommissie over de beroepen Art. D.I.8. § 1. Bij de Regering wordt een adviescommissie opgericht die haar zetel in Namen heeft. Opdracht ervan is, advies uit te brengen over de beroepen die worden ingediend tegen de beslissingen betreffende de vergunningsaanvragen genomen door het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar. § 2. De voorzitter en de leden worden door de Regering benoemd. De voorzitter vertegenwoordigt de Regering. Naast de voorzitter bestaat de commissie uit vier leden : twee leden gekozen onder de personen die door de Gewestelijke commissie worden voorgedragen en twee leden gekozen onder de personen die door de orde der architecten worden voorgedragen. Indien het dossier betrekking heeft op een onroerend goed bedoeld in artikel D.IV.10, eerste lid, 3°, zetelt er in de adviescommissie een vertegenwoordiger van de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen van het Waalse Gewest. § 3. De commissie vergadert slechts rechtsgeldig als ten minste de voorzitter en twee andere leden aanwezig zijn. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de commissie en haar werkingswijze. Afdeling 3 - Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit Onderafdeling 1 - Oprichting en opdrachten Art. D.I.9. § 1. Op voorstel van de gemeenteraad stelt de Regering een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit in, hierna "gemeentelijke commissie" genoemd. Naast de adviezen die ze vanwege het Wetboek moet geven, kan de gemeentelijke commissie initiatiefadviezen geven over de onderwerpen die zij als relevant beschouwt. Het gemeentecollege of de gemeenteraad kan elk dossier dat hij als relevant beschouwt aan de raadpleging van de gemeentecommissie voorleggen. § 2. De gemeenteraad kan op elk ogenblik beslissen over de oprichting van de gemeentelijke commissie. Indien de gemeentelijke commissie reeds bestaat, beslist de gemeenteraad binnen drie maanden na zijn eigen installatie over de hernieuwing ervan. In beide gevallen belast de gemeenteraad het gemeentecollege met een openbare oproep binnen de maand na de beslissing tot oprichting of vernieuwing van de commissie. De openbare oproep tot de kandidaten wordt bekendgemaakt zowel door aanplakking als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld. Het model en de afmetingen van het bericht worden door de Regering bepaald. De kandidatuurakte is persoonlijk en moet ingediend worden op de wijze en binnen de termijn die in de oproep zijn opgelegd. Het gemeentecollege legt de kandidatenlijst voor aan de gemeenteraad. Binnen twee maanden na de indiening van de kandidaturen kiest de gemeenteraad, op voordracht van één of meer van zijn leden, de voorzitter en de commissieleden met inachtneming van de criteria bedoeld in artikel D.I.11. Ofwel op eigen initiatief ofwel op voordracht van de gemeenteraad kan de Regering het besluit tot oprichting van de gemeentelijke commissie opheffen wanneer deze commissie niet meer bijeenkomt, onregelmatig werkt of wanneer de in het eerste lid bedoelde beslissing tot hernieuwing niet wordt genomen. Onderafdeling 2 - Afdelingen Art. D.I.10. Op voorstel van de gemeenteraad kan de Regering de gemeentelijke commissie onderverdelen in afdelingen waarvan ze de taken bepaalt. Het voorstel van de gemeenteraad en de beslissing van de Regering eerbiedigen, in de keuze van de leden die de afdelingen samenstellen : 1° een evenwichtige geografische verspreiding;2° een evenwicht in de verdediging van de sociale, economische, erfgoed- en milieubelangen van de gemeente. Onderafdeling 3 - Samenstelling Art. D.I.11. § 1. Naast de voorzitter bestaat de gemeentelijke commissie uit : 1° twaalf leden voor een bevolking van minder dan twintigduizend inwoners;2° zestien leden voor een bevolking van minstens twintigduizend inwoners. De voorzitter van de gemeentelijke commissie wordt door de gemeenteraad gekozen. De Regering kan het mandaat van de voorzitter en van de leden verlengen indien blijkt dat het aantal kandidaten onvoldoende is bij de hernieuwing van de commissie volgens de bepalingen vermeld in dit artikel. Voor elk lid duidt de gemeenteraad één of meer plaatsvervangers aan die dezelfde belangen vertegenwoordigt. Elk lid van de gemeentelijke commissie, de voorzitter inbegrepen, mag niet meer dan twee opeenvolgende effectieve mandaten uitoefenen. De gemeentelijke commissie telt een vierde van de leden van de gemeenteraad of hun afgevaardigden verdeeld volgens een vertegenwoordiging in verhouding met de omvang van de meerderheid en de oppositie van de gemeenteraad en respectievelijk gekozen door de gemeenteraadsleden van beiden. Op verzoek van de gemeenteraad kan van de evenredigheidsregel worden afgeweken ten gunste van de minderheid. Naargelang van de ontvangen kandidaturen wordt de commissie samengesteld met inachtneming van : 1° een evenwichtige geografische verspreiding;2° een specifieke vertegenwoordiging van de sociale, economische, patrimoniale, milieu- en mobiliteitsbelangen binnen de gemeente; 3 een weergave van de leeftijdspiramide die eigen is aan de gemeente; 4° een maximum van twee derde van de leden van hetzelfde geslacht, het maximumaantal wordt afgerond naar de hogere eenheid. § 2. De ambtenaren die belast zijn met de behandeling van dossiers inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw m.b.t. de gemeente of die zich over die dossiers moeten uitspreken, mogen niet deel uitmaken van de gemeentelijke commissie. Een lid van het gemeentecollege mag de gemeentelijke commissie niet voorzitten. De leden van het gemeentecollege die bevoegd zijn voor ruimtelijke ordening, stedenbouw en mobiliteit en de adviseur bedoeld in artikel D.I.14, eerstel lid, 8°, hebben zitting in de gemeentelijke commissie met raadgevende stem. § 3. De Regering wijst onder de ambtenaren van DGO4 een afgevaardigde aan die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie. § 4. De leden van de gemeentelijke commissie blijven in dienst tot de aanstelling van hun opvolgers of tot de verzending van de beslissing van de Regering waarbij het besluit tot instelling van de commissie wordt ingetrokken. § 5. De voorzitter en elk lid van de gemeentelijke commissie zijn verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens van de dossiers waarvan ze kennis hebben, alsook van de debatten en van de stemmingen van de gemeentelijke commissie. In geval van belangenconflict verlaat de voorzitter of elk lid de zitting van de gemeentelijke commissie. In geval van kennelijk wangedrag van een lid of van ernstig verzuim in de uitoefening van zijn opdracht, verwittigt de voorzitter van de gemeentelijke commissie de gemeenteraad, die de Regering kan voorstellen om akte te nemen van de schorsing of de afzetting van bedoeld lid. Art. D.I.12. De Regering bepaalt de regels voor de werking van de gemeentelijke commissie en haar afdelingen. Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de gemeentelijke commissie recht hebben kan door de Regering vastgelegd worden. HOOFDSTUK VI. - Erkenningen Art. D.I.13. De erkenningen vereist voor de uitwerking of de herziening van de betrokken stedenbouwkundige documenten gebeuren met inachtneming van de artikelen 9, § 1, en 16, §§ 1 en 3, van Richtlijn 2006/123/EG betreffende de diensten op de interne markt. De Regering wordt erkend voor de opmaak of de herziening van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gewestplan. De Regering erkent, op basis van de criteria en volgens de procedure die ze zelf vaststelt, de privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die belast kunnen worden met de opmaak of de herziening van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan, de gewestplannen, de gemeentelijke ruimtelijke plannen, met inbegrip van de bebouwingsschema's i.v.m. een ontwerp van omtrek van gewestelijk belang of gemeentelijke stedenbouwkundige richtlijnen. De Regering erkent, op basis van de criteria en volgens de procedure die ze zelf vaststelt, de privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die belast kunnen worden met de opstelling van de milieueffectenrapporten betreffende een ontwerp van opmaak van gewestplan of van gewestplanherziening, een gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan van een urbanisatieomtrek of een bebouwingsschema betreffende een omtrek van gewestelijk belang of een omtrek van een herin te richten locatie. De Regering kan de gevallen bepalen waarin, rekening houdend met het betrokken gebied of de oppervlakte, de projectontwerper niet noodzakelijk over de erkenning moet beschikken om een gemeentelijk ruimtelijk plan bedoeld in het derde lid uit te werken of te herzien. HOOFDSTUK VII. - Subsidies Art. D.I.14. De Regering kan onder de haar bepaalde voorwaarden subsidies verlenen : 1° aan de gemeenten voor de aankoop van de goederen die nodig zijn voor de uitvoering van de doelstellingen van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan;2° aan de gemeenten voor de uitwerking van het basisdossier van herziening van het gewestplan;3° aan de gemeenten voor de uitwerking of de gehele of gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ruimtelijk plan of een gemeentelijke stedenbouwkundige richtlijn; 4° aan de gemeenten, voor een milieueffectenrapport i.v.m. een ontwerp van herziening van het gewestplan of van het gemeentelijk ruimtelijk plan; 5° voor een analyse van het algemeen nut van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw; 6° voor de organisatie van informatievergaderingen m.b.t. ruimtelijke ordening en stedenbouw; 7° voor de werking van de gemeentelijke commissie en voor de opleiding van haar leden en het betrokken gemeentepersoneel;8° voor de jaarlijkse indienstneming, op verzoek van een gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of vereniging van gemeenten, van één of verschillende adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening en stedenbouw; 9° aan universiteitsinstellingen in het kader van het actieprogramma van de permanente conferentie voor de ontwikkeling van het grondgebied met de volgende opdrachten :
  2. a)d.m.v. onderzoeken op middellange termijn en expertisen op korte termijn de Regering een hulpmiddel verschaffen bij haar besluitvorming;
  3. b)een jaarlijkse interuniversitaire leerstoel van de ruimtelijke ontwikkeling organiseren;
  4. c)zorgen voor de in punt 8° bedoelde voortgezette opleiding voor de adviseurs inzake de ruimtelijke ordening, door de onderzoekers van de vaste conferentie inzake ruimtelijke ontwikkeling en de adviseurs in contact te brengen met elkaar;
  5. d)verschillende wijzen van transmissie en vulgarisatie van de onderzoeken en de resultaten van de onderzoeken uitwerken op het gebied van ruimtelijke ordening, stedenbouw en ruimtelijke ontwikkeling. Op de wijze bepaald door de Regering kan de Regering adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening en stedenbouw ter beschikking van de gemeenten stellen. Bij het vaststellen van de wijze waarop subsidies worden toegekend aan de gemeenten bedoeld in het eerste lid, 8, en van de wijze waarop de adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening bedoeld in het tweede lid ter beschikking worden gesteld, begunstigt de Regering de gemeenten die de voorwaarden verenigen voor de toepassing van artikel D.IV.8, eerste lid, 1°, of die een aanvang maken met het proces dat ertoe leidt dat bedoelde voorwaarden verenigd worden. HOOFDSTUK VIII. - Overgangsrecht Afdeling 1. - De commissies Art. D.I.15. De Gewestelijke commissie opgericht vóór de inwerkingtreding van dit wetboek blijft geldig samengesteld tot de hernieuwing ervan. De oprichting van een gemeentelijke adviescommissie aangenomen door de gemeenteraad voor de inwerkingtreding van dit Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de vóór die datum vigerende procedure. Een gemeentelijk commissie waarvan de samenstelling door de Regering werd goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van dit wetboek blijft geldig samengesteld tot de hernieuwing ervan overeenkomstig artikel D.I.9 van het Wetboek. Afdeling 2. - Subsidies Art. D.I.16. De subsidies toegekend op basis van de vigerende wetgeving en die in uitvoering zijn vóór de inwerkingtreding van het Wetboek blijven onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren toen ze toegekend werden. BOEK II. - Planificatie Titel I. - Ruimtelijke plannen Art. D.II.1. De doelstellingen van de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en, in voorkomend geval, van de stedenbouw alsook de beheers- en programmeringsmaatregelen van hun uitvoering zijn opgesplitst in drie schalen : 1° het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan voor Wallonië;2° het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan voor het gehele gemeentelijke grondgebied of voor de urbanisatieomtrek;3° het bebouwingsschema voor een deel van het gemeentelijk grondgebied. HOOFDSTUK I. - Gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan Afdeling 1. - Begripsomschrijving en inhoud Art. D.II.2. § 1. Het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan bepaalt, voor Wallonië, de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening alsook hun uitvoerings-, beheers- en programmeringsmaatregelen. § 2. Het plan bevat : 1° het ontwerp van het grondgebied en de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening voor Wallonië, met inbegrip van hun grafische vormgeving;2° de uitvoeringsmaatregelen van het ontwerp van grondgebied en van de doestellingen, met inbegrip van hun eventuele grafische vormgeving en bestaande uit de structuur van het gewestelijk grondgebied dat de volgende elementen identificeert :
  6. a)de kernen;
  7. b)de ontwikkelingsgebieden;
  8. c)het groene en blauwe lint;
  9. d)de vervoersnetwerken;
  10. e)de principes van de ontwikkeling van de stedelijke en landelijke centrumfuncties;3° de maatregelen voor de opvolging en de beoordeling van de uitvoering van het plan;4° een niet-technische samenvatting met de verschillende documenten. Het plan kan andere uitvoeringsmaatregelen omvatten van het ontwerp van grondgebied en van de doelstellingen, met inbegrip van hun eventuele grafische vormgeving, met name : 1° de regels voor de aanwending van de grondbeschikbaarheden;2° de vermelding van een fasering van de te ontwikkelen grondgebieden;3° de oriëntaties van de ruimtelijke ordening en hun programmering, met steun aan de sectorale aangelegenheden rekening houdend met de andere gewestelijke middelen indien ze bestaan;4° de uitwerking, de herziening of de opheffing van plannen, richtlijnen of middelen voor de operationele ordening en het grondbeheer;5° de voorstellen tot herziening van de gewestplannen. Afdeling 2. - Procedure Art. D.II.3. § 1. Het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de Regering opgemaakt op basis van een diagnose die o.a. betrekking heeft op de toekomstgerichte evaluatie van de sociale, demografische, economische, energetische, patrimoniale, milieu- en mobiliteitsbehoeften en uitdagingen en op de analyse van de potentialiteiten en feitelijke beperkingen van het grondgebied van Wallonië. De gewestelijke commissie en de "Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable" (Waalse Raad voor het Leefmilieu voor Duurzame Ontwikkeling) worden op de hoogte gebracht van de voorafgaande studies en kunnen voorstellen doen telkens als ze het nodig achten. § 2. De Regering neemt het ontwerpplan aan dat aan de evaluatieprocedures van de milieugevolgen en deelname worden onderworpen en die onder Boek I van het Milieuwetboek ressorteren. § 3. De Regering neemt het plan definitief aan. Afdeling 3. - Herziening Art. D.II.4. De regels voor de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan gelden ook voor de herziening ervan. Het herzieningsdossier mag evenwel alleen de gegevens bevatten die verbonden zijn met de geplande herziening. HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke ruimtelijke plannen Afdeling 1. - Gemeentelijke ruimtelijke plannen Art. D.II.5. Een gemeente kan zich voorzien van een gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan dat het geheel van het gemeentelijk grondgebied of één of meerdere urbanisatieomtrekken dekt, alsook van één of meerdere stedenbouwkundige ruimtelijke plannen. Wanneer de omstandigheden het vereisen, kunnen meerdere gemeenten in overleg, elk voor wat haar betreft, een gemeentelijk ruimtelijk plan opmaken. In dat geval is het milieueffectenrapport bedoeld in artikel D.II.8, § 2, eerste lid, gemeenschappelijk en heeft het betrekking op de effecten van de verschillende ontwerpplannen. De gemeenteraden wijzen dezelfde persoon aan voor de uitwerking van de ontwerpplannen Het openbaar onderzoek en de raadplegingen bedoeld in artikel D.II.8, § 4, gebeuren gelijktijdig voor de verschillende plannen. De betrokken gemeenten kunnen bovendien hun respectievelijke gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening en mobiliteit (C.C.A.T.M.) uitnodigen om hun werkvergaderingen gezamenlijk te houden. Het overleg bedoeld in het vorig lid kan volgens de wijzen van samenwerking bedoeld in Boek V van het eerste deel van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie plaatsvinden. Afdeling 2. - Begripsomschrijving en inhoud Onderafdeling 1. - Gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan Art. D.II.6. § 1. Het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan bepaalt voor het gehele gemeentelijke grondgebied of voor de urbanisatieomtrek(ken) bedoeld in artikel DII.64, § 4, waarop het betrekking heeft, de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening van het grondgebied, alsook de beheers- en programmeringsmaatregelen van hun uitvoering. § 2. Het plan bevat : 1° het ontwerp van het grondgebied en de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening van het gemeentelijk grondgebied of van de urbanisatieomtrek(ken), met inbegrip van hun grafische vormgeving;2° de uitvoeringsmaatregelen van het ontwerp van grondgebied en van de doelstellingen, met inbegrip van hun eventuele grafische vormgeving, en bestaande uit :
  11. a)de structuur van het grondgebied dat hij uitvoert, bestaat uit : 1.de gebouwde structuur, met inbegrip van de centraliteitsplaatsen; 2. de landschapsstructuur;3. het groene en blauwe lint;4. de vervoersnetwerken;
  12. b)voor de urbanisatieomtrek : 1.het of de urbanisatiegebied(
  13. en)die de mogelijkheid biedt om alle stedelijke functies op uiteenlopende wijze te vervullen, namelijk woningen, openbare en gemeenschappelijke voorzieningen, de recreatie, de economische activiteiten, met uitzondering van de activiteiten met een industrieel karakter, behalve de kleine industrie, en de ontginning; 2. de voor bebouwing bestemde gebieden volgens de nomenclatuur van de gebieden van het gewestplan wanneer een specialisatie van de bestemming het rechtvaardigt;3. de niet voor bebouwing bestemde gebieden volgens de nomenclatuur van de gebieden van het gewestplan;4. de maatregelen voor de functionele en sociale gemengdheid, voor de hernieuwing van de bebouwing en de concentratie;
  14. c)de maatregelen voor het beheer van de mobiliteit, rekening houdend met het stedelijk mobiliteitsplan en met het gemeentelijke mobiliteitsplan indien ze bestaan;3° de maatregelen voor de opvolging en de beoordeling van de uitvoering van het plan;4° een niet-technische samenvatting met de verschillende documenten. Het plan kan andere uitvoeringsmaatregelen omvatten van het ontwerp van grondgebied en van de doestellingen, met inbegrip van hun eventuele grafische vormgeving, namelijk : 1° een programma voor de aanwending van de grondbeschikbaarheden;2° de vermelding van een fasering van de te ontwikkelen grondgebieden;3° de uitvoeringsmaatregelen van de sectorale doelstellingen en hun programmering, namelijk, de economische activiteiten, de huisvesting, de mobiliteit, energie, de gemeenschappelijke uitrustingen en infrastructuren, de valorisatie van het erfgoed en van de biodiversiteit rekening houdend met de andere gewestelijke middelen indien ze bestaan;4° de uitwerking, de herziening of de opheffing van plannen, richtlijnen of middelen voor de operationele ordening en het grondbeheer;5° de voorstellen tot herziening van het gewestplan, buiten de urbanisatieomtrek(ken);6° voorstellen tot de oprichting of de wijziging van de urbanisatieomtrek(ken), namelijk met het oog op hun uitbreiding. Gelet op het feit dat het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan uitsluitend betrekking heeft op één of meerdere urbanisatieomtrek(ken) van minder dan veertig ha, zal elke urbanisatieomtrek slechts de punten 1°, 2°, b), 3° en 4°, van het eerste lid, kunnen bevatten. Onderafdeling 2. - Het bebouwingsschema Art. D.II.7. Het bebouwingsschema bepaalt, voor een deel van het gemeentelijk grondgebied, de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw alsook de beheers- en programmeringsmaatregelen van hun uitvoering. Het schema bevat : 1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor de betrokken omtrek, met inbegrip van hun grafische vormgeving;2° de uitvoeringsmaatregelen van deze doelstellingen, bestaande uit :
  15. a)de structuur van het betrokken grondgebied dat minstens het volgende bevat : 1.de bestemmingen per ruimte en, voor de residentiële bestemmingen, de woningsdichtheid; 2. het groene en blauwe lint;3. de verkeersnetwerken;4. de technische netwerken;
  16. b)de oriëntaties i.v.m. 1. de vestiging en de hoogte van de gebouwen en de bouwwerken;2. de samenstelling van de wegen en openbare ruimtes;
  17. c)de maatregelen voor het beheer van de mobiliteit, rekening houdend met het stedelijk mobiliteitsplan en met het gemeentelijke mobiliteitsplan indien ze bestaan;
  18. d)de maatregelen voor de opvolging en de beoordeling van de uitvoering van het plan;3° een niet-technische samenvatting met de verschillende documenten. Het schema kan andere uitvoeringsmaatregelen van de doelstellingen bevatten, namelijk : 1° de oriëntaties i.v.m. de architectuur van de gebouwen en de bouwwerken en de inrichting van hun omgeving; 2° de grenzen van de percelen die ontworpen dienen te worden;3° een programma voor de aanwending van de grondbeschikbaarheden;4° de vermelding van een fasering van de te ontwikkelen grondgebieden. Afdeling 3. - Procedure Art. D.II.8. § 1. Het schema wordt op initiatief van de gemeenteraad opgemaakt op basis van een diagnose die o.a. betrekking heeft op de toekomstgerichte evaluatie van de sociale, demografische, economische, energetische, patrimoniale, milieu- en mobiliteitsbehoeften en uitdagingen en op de analyse van de potentialiteiten en feitelijke beperkingen van het betrokken grondgebied. § 2. De gemeenteraad stelt de natuurlijke dan wel de privaat- of publiekrechtelijke personen aan, onder de personen erkend overeenkomstig artikel D.I.13, die hij belast met het opstellen van het schema-ontwerp en de natuurlijke dan wel de privaat- of publiekrechtelijke personen die hij belast met het opstellen van het milieueffectenrapport. De gemeenteraad kan eenzelfde persoon aanwijzen die belast is met het opstellen van het schema-ontwerp en van het milieueffectenrapport. De gemeentelijke commissie wordt geïnformeerd over de voorafgaande studies en kan op elk ogenblik suggesties doen die zij nuttig acht. Elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een zakelijk recht op één of meerdere percelen opgenomen als gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, kan aan het gemeentecollege een voorontwerp van bebouwingsschema voorstellen dat betrekking heeft op het betrokken gebied, opgesteld door een persoon erkend overeenkomstig artikel D.I.13, waarop de gemeenteraad zich uitspreekt binnen een termijn van vijfenveertig dagen. In geval van gunstig advies over het voorontwerp, wordt de procedure tot aanneming van het schema-ontwerp voortgezet overeenkomstig de procedure bedoeld in de §§ 3 tot 6. § 3. De gemeenteraad neemt het schema-ontwerp en het milieueffectenrapport voorlopig aan. § 4. Het schema-ontwerp en, behalve vrijstellingen, het milieueffectenrapport worden tegelijkertijd door het gemeentecollege voor advies voorgelegd aan de gemeentelijke commissie, aan de gewestelijk commissie en aan de "'Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable" (Waalse milieuraad voor duurzame ontwikkeling), aan de gemachtigd ambtenaar en aan de personen en instanties die hij nodig acht te raadplegen. Het ontwerp van bebouwingsschema wordt echter bij gebrek aan een gemeentelijk commissie aan het advies van de gewestelijk commissie voorgelegd. Het gemeentecollege legt het schema-ontwerp ambtshalve en, behalve vrijstelling, het milieueffectenrapport ter advies voor aan het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst, hierna DGO3, ofwel indien het schema betrekking heeft op de vestiging van één of verschillende inrichtingen die een risico vormen voor personen, goederen of het leefmilieu in de zin van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning, ofwel indien het verslag betrekking heeft op plaatsen die door het publiek worden bezocht of op één of meerdere bestemmingen zoals bedoeld in artikel D.II.20, tweede lid, gelegen in een kwetsbaar gebied zoals bedoeld in artikel D.II.64, § 2, 6°, zoniet, rondom dergelijke inrichtingen voor zover ze het risico zouden kunnen verhogen op zware ongevallen of er de gevolgen van zouden kunnen verergeren. Elk advies moet worden toegezonden binnen vijfenveertig dagen na verzending van het verzoek van het gemeentecollege; bij gebreke hiervan wordt het geacht gunstig te zijn. § 5. De gemeenteraad neemt het schema definitief aan. De gemeenteraad richt het plan samen met het volledige dossier aan de gemachtigde ambtenaar. Binnen dertig dagen na ontvangst van de verzending maakt de gemachtigde ambtenaar het dossier over aan de Regering en richt hij een afschrift van zijn verzending aan het gemeentecollege. Indien het afschrift van de overmaking van het dossier door de gemachtigde ambtenaar binnen zestig dagen na zijn verzending niet is ontvangen, kan het gemeentecollege het dossier zelf aan de Regering richten. § 6. De Regering keurt het schema goed of weigert het. De goedkeuring van het schema gebeurt rekening houdend met : 1° de volledigheid van het schema t.o.v. de artikelen D.II.6 of D.II.7; 2° de regelmatigheid van de procedure;3° de overeenstemming met de bepalingen met reglementaire waarde genomen krachtens het Wetboek;4° de overeenstemming met de bepalingen met indicatieve waarde of de naleving van de afwijkingsvoorwaarden. Vooraleer de Regering een beslissing neemt, kan zij aan het gemeentecollege vragen om wijzigingsdocumenten voor te leggen, evenals een aanvullend vervolg op het milieueffectenrapport van het schema. In voorkomend geval worden de wijzigingsdocumenten en het aanvullend milieueffectenrapport via het gemeentecollege onderworpen aan het advies van de diensten of commissies bedoeld in § 4, evenals aan de goedkeuring van de gemeenteraad. Die adviezen worden overgemaakt binnen de termijnen bedoeld in § 4, derde lid. Bij ontstentenis worden ze gunstig geacht. In dit geval lopen de termijnen bedoeld in de §§ 5 en 6 pas te rekenen vanaf de neerlegging van de wijzigingsdocumenten en het aanvullend milieueffectenrapport. De procedure bedoeld in het derde lid mag slechts twee keer worden gebruikt. Het regeringsbesluit wordt naar het gemeentecollege gestuurd binnen een termijn van dertig dagen ingaand de dag van ontvangst door de Regering van het volledige dossier overgemaakt door de gemachtigd ambtenaar of door het gemeentecollege in het geval bedoeld in § 6, derde lid. Wordt het besluit niet verstuurd, dan kan het gemeentecollege de Regering daarop wijzen. Als het gemeentecollege bij verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen ingaand op de datum van versturen van de herinneringsbrief, het besluit niet gekregen heeft, wordt het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan geacht geweigerd te zijn en wordt het bebouwingsschema geacht goedgekeurd te zijn. Het geheel of een deel van de kosten die betrekking hebben op de evaluatie van de gevolgen kunnen door de gemeente aan de aanvrager worden doorgerekend. Afdeling 4. - Herziening Art. D.II.9. De regels voor de opmaak van het plan gelden ook voor de herziening ervan. Het herzieningsdossier mag echter alleen de gegevens bevatten die verbonden zijn met de geplande herziening. Afdeling 5. - Opvolging van de milieugevolgen Art. D.II.10. Het gemeentecollege dient om de vijf jaar een verslag bij de gemeenteraad in over de opvolging van de significante effecten die de tenuitvoerlegging van het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de bebouwingsschema's heeft op het milieu en over de eventueel te treffen correctiemaatregelen. Het publiek wordt voorgelicht volgens de nadere regels bedoeld in artikel L1133-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie. Afdeling 6. - Opheffing Art. D.II.11. § 1. Wanneer hij vindt dat de doelstellingen van het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kan de gemeenteraad het geheel of een gedeelte ervan opheffen buiten de urbanisatieomtrekken. Wanneer hij vindt dat de doelstellingen van het bebouwingsschema zijn voorbijgestreefd, kan de gemeenteraad het geheel of een gedeelte ervan opheffen buiten de omtrekken van gewestelijk belang en de omtrekken van de herin te richten locaties. Voor de urbanisatieomtrekken van gewestelijk belang en van de herin te richten locaties kan de opheffing slechts gebeuren mits uitwerking van een gedeeltelijk gewestplan dat de omtrek dekt overeenkomstig artikel D.II.51. § 2. De regels voor de opmaak van het plan gelden ook voor de opheffing ervan. Indien het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan van de urbanisatieomtrek(ken) één of meerdere opheffingen voorstelt, zullen laatstgenoemden evenwel vrijgesteld worden van een nieuwe evaluatie. Als het voorstel tot opheffing door de Regering is goedgekeurd bij de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan van de urbanisatieomtrek(ken), moet de beslissing van de gemeenteraad bovendien niet ter goedkeuring aan de Regering worden voorgelegd. § 3. Het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan kan tegelijk met het ontwerp van opheffing van één of meerdere bebouwingsschema's worden aangenomen. In dit geval kunnen beide ontwerpen tegelijk aan de formaliteiten bedoeld in artikel D.II.8 worden onderworpen. HOOFDSTUK III. - Rechtsgevolgen en hiërarchie van de plannen Afdeling 1. - Rechtsgevolgen Art. D.II.12. Elk plan heeft een indicatieve waarde. Onverminderd de artikelen D.II.13 en D.II.14 is het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan van toepassing op elke beslissing genomen overeenkomstig Boek II en Boek III van het Wetboek, alsook op de vergunningsaanvragen : 1° hetzij tot bebouwing van de gronden van meer dan 2 ha en met betrekking tot :
  19. a)hetzij de bouw van woningen;
  20. b)hetzij een oppervlakte bestemd voor de verkoop van kleinhandel goederen;
  21. a)hetzij de bouw van kantoren;
  22. d)hetzij een ontwerp dat twee of drie van deze bestemmingen combineert; 2° hetzij met betrekking tot een openbare nutsvoorziening en gemeenschapsvoorziening :
  23. a)hetzij bedoeld in artikel D.IV.18;
  24. b)hetzij dat een lineaire infrastructuur vormt bedoeld in de structuur van het gewestelijk grondgebied van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan;
  25. c)hetzij dat straalt op schaal van een ontwikkelingsruimte in de zin van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en waarvan de Regering de lijst vastlegt. Het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan is ook van toepassing op de daarmee overeenstemmende stedenbouwkundige attesten. Deze beslissingen kunnen daarvan afwijken mits een motivering waaruit blijkt dat het ontwerp : 1° de hoofdelementen van het plan betreffende dit ontwerp niet in het gedrang brengt en specificiteiten toont die deze afwijkingen rechtvaardigen;2° voldoet aan de goede inrichting van de plaatsen en de hoofdlijnen van het al dan niet bebouwde landschap naleeft, versterkt of herstelt, overeenkomstig een logica van continuïteit of breuk. Het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en het bebouwingsschema, ook als hij een omtrek van gewestelijk belang ontsluit, is van toepassing op elke beslissing genomen overeenkomstig het Wetboek. Deze beslissingen kunnen daarvan afwijken mits een motivering waaruit blijkt dat het ontwerp : 1° de hoofdelementen van het plan betreffende dit ontwerp niet in het gedrang brengt en specificiteiten toont die deze afwijkingen rechtvaardigen;2° voldoet aan de goede inrichting van de plaatsen en de hoofdlijnen van het al dan niet bebouwde landschap naleeft, versterkt of herstelt, overeenkomstig een logica van continuïteit of breuk. Afdeling 2. - Hiërarchie Art. D.II.13. Elk plan, met uitzondering van het bebouwingsschema dat een omtrek van gewestelijk belang of van een te saneren site ontsluit, vertaalt de doelstellingen en richt zich naar de uitvoeringsmaatregelen van de plannen op hogere schaal van het grondgebied. De gemeentelijke plannen kunnen echter, onder de voorwaarden van artikel D.II.12, afwijken van het (
  26. de)plan(nen) of hogere schaal van het grondgebied. In dit geval houden de aanwijzingen van het plan waarvan het gemeentelijk plan afwijkt op uitwerking te hebben. Op een bepaald grondgebied zijn de doelstellingen en de uitvoeringsmaatregelen die van toepassing zijn, degenen die omschreven zijn door het plan dat betrekking heeft op het meest beperkt grondgebied. Art. D.II.14. In geval van onverenigbaarheid tussen het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan dat later in werking is getreden en een gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan, moet laatstgenoemde het voorwerp uitmaken van een herziening binnen de vier jaar met het oog op het in overeenstemming brengen met het gewestelijk plan. Bij gebrek zal het gemeentelijk plan ophouden uitwerking te hebben voor de punten die niet overeenstemmen met het gewestelijk plan. In geval van onverenigbaarheid tussen het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan dat later in werking is getreden en een bebouwingsschema, ook als hij een omtrek van gewestelijk belang ontsluit, zijn de doelstellingen en uitvoeringsmaatregelen die van toepassing zijn degenen die omschreven zijn door het bebouwingsschema. In geval van onverenigbaarheid tussen het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan dat later in werking is getreden, en een bebouwingsschema, met uitzondering van het bebouwingsschema dat een omtrek van gewestelijk belang of van een te saneren site ontsluit, worden de bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan toegepast. TITEL II. - Gewestplannen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. D.II.15. Het gewestplan bepaalt de inrichting van het grondgebied waarop het betrekking heeft. De Regering kan de indeling van het grondgebied in sectoren herzien volgens de bepalingen bedoeld in hoofdstuk II van deze Titel. Art. D.II.16. De domeinen van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en de autonome havens zijn niet bestemd door het gewestplan. HOOFDSTUK II. - Inhoud Afdeling 1. - Algemeen Art. D.II.17. Het gewestplan richt zich naar de aanwijzingen en richtlijnen van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan. Art. D.II.18. Het gewestplan bevat : 1° de verschillende bestemmingen van het grondgebied;2° het bestaande en het geplande tracé of de vervangende reserveringsomtrek van het net van de voornaamste verbindings- en verkeerswegen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen; Het plan kan eveneens bevatten : 1° bijkomende voorschriften van stedenbouwkundige of planologische aard;2° andere maatregelen ter inrichting van de ruimte. De Regering kan de grafische opstelling van het gewestplan bepalen. Afdeling 2 - Bestemming en algemene voorschriften van de gebieden Art. D.II.19. Toepassingsgebied. Deze afdeling bevat algemene voorschriften voor de inrichting en de toepassing van de door de Regering vastgelegde gewestplannen. Art. D.II.20. Indeling van het gewestplan in gebieden. Het gewestplan bestaat uit gebieden die voor bebouwing bestemd zijn en uit gebieden die niet voor bebouwing bestemd zijn. De volgende gebieden zijn voor bebouwing bestemd : 1° het woongebied;2° het woongebied met een landelijk karakter;3° het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;4° het recreatiegebied;5° de bedrijfsruimtes, namelijk :
  27. a)de gemengde bedrijfsruimte;
  28. b)de bedrijfsruimte met een industrieel karakter;
  29. c)de specifieke bedrijfsruimte;
  30. d)het gebied met een industrieel karakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
  31. e)het gebied van aanhorigheden van ontginningen. De volgende gebieden zijn niet voor bebouwing bestemd : 1° het landbouwgebied;2° het bosgebied;3° het groengebied;4° het natuurgebied;5° het parkgebied;6° het ontginningsgebied; Het gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg moet elke bestemming bedoeld in het tweede en derde lid krijgen. Het gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg en dat binnen een urbanisatieomtrek gelegen is, mag echter niet worden bestemd voor industriële economische activiteiten met uitzondering van de activiteiten van de kleine industrieën, de aanhorigheden van ontginningen of de ontginning. Art. D.II.21. Woongebieden. Woongebieden zijn hoofdzakelijk voor wonen bestemd. Ambachtelijke, dienstverlenende, verdelings-, onderzoeks- of klein industriële activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, alsmede landbouwbedrijven en toeristische of recreatieve accommodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving. De woongebieden moeten ook voorzien in openbare groene ruimten. Art. D.II.22. Woongebieden met een landelijk karakter. Woongebieden met een landelijk karakter zijn hoofdzakelijk bestemd voor verblijf en landbouwbedrijven, alsook voor hun bijkomende of diversificatie - activiteiten onder de voorwaarden bepaald overeenkomstig artikel D.II.31, § 3. Ambachtelijke, dienstverlenende, verdelings-, onderzoeks- of klein industriële activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, alsmede landbouwbedrijven en toeristische of recreatieve accommodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving. Art. D.II.23. Gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. § 1. Onverminderd hun vestiging in een woongebied of in een woongebied met een landelijk karakter zijn de gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bestemd voor activiteiten van openbaar of algemeen nut. In deze gebieden mogen enkel gebouwen of inrichtingen opgericht worden die in sociale behoeften voorzien via een publiek- of privaatrechtelijk persoon aan wie de overheid het beheer van een openbare dienst heeft toevertrouwd. Bouwwerken of inrichtingen die het algemeen nut bevorderen, zijn er eveneens toegelaten. § 2. Het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T. (centrum voor technische ingraving)" is hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging en de exploitatie van een centrum voor technische ingraving bedoeld in de wetgeving op de afvalstoffen, en voor installaties voor de afvalverzameling die aan bedoelde exploitatie voorafgaat. Daarnaast kan bedoeld gebied bestemd worden voor andere afvalbeheersactiviteiten voor zover bedoelde activiteiten verbonden zijn met de exploitatie van het toegelaten centrum voor technische ingraving of de exploitatie ervan niet in het gedrang brengen. Bij het beëindigen van de exploitatie van het centrum voor technische ingraving wordt de omtrek waarop dit centrum betrekking heeft een groengebied en wordt de sanering ervan geheel of gedeeltelijk vastgesteld bij de vergunning die is afgegeven voor de exploitatie van bedoelde installatie. In de gebieden of delen van gebieden met de overdruk "C.E.T." die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur worden toegelaten voor zover de toekomstige exploitatie van het centrum voor technische ingraving daarmee niet in het gedrang wordt gebracht. Het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T.D." wordt uitsluitend bestemd voor het behoud van een aan diens bestemming onttrokken centrum voor technische ingraving bedoeld bij de wetgeving op de afvalstoffen, waarin beperkingen opgelegd kunnen worden aan de handelingen en werken met als doel het garanderen van de instandhouding en de bewaking van de bouwwerken en de werken die zijn verwezenlijkt voor het herstel van vervuilde sites in hun oorspronkelijke staat. Voor de exploitatie en de instandhouding van in deze paragraaf bedoelde gebieden kunnen kantoor- of bewakingsgebouwen toegelaten worden. De gebieden bedoeld in deze paragraaf worden omringd door een afzonderingsoppervlakte of -marge. Art. D.II.24. Recreatiegebieden Het recreatiegebied is bestemd om onder de voorwaarden van artikel D.IV.45, de toeristische uitrustingen op te nemen, of de recreatieve, met inbegrip van de vakantiedorpen, de weekendverblijfparken of de toeristische campings in de zin van het Toerismewetboek of in de zin van artikel 1 van het decreet van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 over de campings en kampeerterreinen. Voor zover het recreatiegebied grenst aan een woongebied, aan een woongebied met een landelijk karakter of aan een ontsloten gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure is onderworpen dat geheel of gedeeltelijk voor verblijven wordt bestemd, mag het woningen bevatten, evenals ambachtelijke activiteiten, dienstverlenende activiteiten, sociaal-culturele uitrustingen, inrichtingen voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, voor zover : 1° die activiteiten tegelijk de voornaamste bestemming van het gebied waarvan sprake in paragraaf 1 aanvullen en eraan ondergeschikt zijn;2° het recreatiegebied tegelijk gelegen is in de omtrek van een vooraf door de Regering goedgekeurd bebouwingsschema. Art. D.II.25. Bedrijfsruimtes. De bedrijfsruimtes bevatten de gemengde bedrijfsruimtes, de industriële bedrijfsruimtes, de specifieke bedrijfsruimtes, het gebied met een industrieel karakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en de gebieden van aanhorigheden van ontginningen. Deze gebieden worden omringd door een afzonderingsmarge, behalve : 1° voor het deel van de omtrek die langs een verkeersinfrastructuur ligt die nuttig is voor diens economische ontwikkeling of wanneer een natuurlijk of kunstmatig element dat onder het publieke domein valt, zelf een voldoende afzonderingsomtrek of -marge vormt;2° tussen een gebied van aanhorigheden van ontginningen en een ontginningsgebied. De woning van de uitbater of van het bewakingspersoneel kan er toegelaten worden voor zover vereist door de veiligheid of de goede werking van de onderneming. Zij maakt volledig deel uit van het bedrijf. Art. D.II.26. Gemengde bedrijfsruimtes De gemengde bedrijfsruimtes zijn bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek of kleine industrie. De opslagplaatsen en opslaginstallaties worden er toegelaten. Art. D.II.27. Bedrijfsruimtes met een industrieel karakter. De bedrijfsruimte met een industrieel karakter is bestemd voor activiteiten met een industrieel karakter, met inbegrip van de activiteiten in verband met de verwerking van grondstoffen of halfafgewerkte stoffen, verpakking, opslag, logistiek of verdeling. Ze kunnen beoefend worden op meerdere bedrijfssites. Toegelaten worden de complementaire dienstverlenende ondernemingen en de bedrijfsactiviteiten zonder industrieel karakter die afgezonderd moeten worden om redenen van stedenbouwkundige opname, mobiliteit, veiligheid of bescherming van het leefmilieu. De detailverkoop is er verboden, behalve indien het een aanvulling vormt op een economische activiteit waarvan sprake in lid 1 en 2. Kunnen worden toegelaten : 1° in de bedrijfsruimtes met een industrieel karakter, de opslag van inerte afvalstoffen;2° in de bedrijfsruimtes met een industrieel karakter gelegen langs bevaarbare waterlopen, de opslag van uitgebaggerde aarde. Art. D.II.28. Specifieke bedrijfsruimtes. § 1. De gebieden met de overdruk "A.E." zijn uitsluitend bestemd voor agro-economische buurtactiviteiten, alsook voor houtverwerkingsbedrijven. De gebieden met de overdruk "G.D." zijn uitsluitend bestemd voor groothandelsdistributie. De daarbij horende dienstenbedrijven zijn er toegelaten. § 2. De gebieden met de overdruk "R.M. (hoog risico gebied)" zijn uitsluitend bestemd voor bedrijven die zeer schadelijk kunnen zijn voor mens, goederen of milieu. Onverminderd de verplichting om een afzonderingsoppervlakte of -marge aan te leggen, moeten deze gebieden geïsoleerd worden overeenkomstig artikel D.II.25, tweede lid. Art. D.II.29. Gebieden met een industrieel karakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is. § 1. Het gebied met een industrieel karakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, is bestemd voor de activiteiten bedoeld in de artikelen D.II.26 en D.II.27 alsook voor de agro-economische buurtactiviteiten, de activiteiten van de detailverkoop uitgesloten, behalve indien deze verkoop een aanvulling vormt op een toegelaten economische activiteit of dat het gebied is bestemd voor een gemengde bedrijfsruimte in de zin van artikel D.II.26. De bestemming ervan wordt bepaald door de ligging van het gebied, de omliggende buurt, de kostprijs en de behoeften voor de betrokken regio, de bestaande vervoersinfrastructuur, waarbij erover gewaakt wordt dat potentialiteiten worden ontwikkeld voor multimodaal vervoer en samenwerking met naburige gebieden. De ontsluiting van een gebied of een gebiedsdeel met industrieel karakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is wordt ondergeschikt gemaakt aan de aanneming door de gemeenteraad, ofwel op zijn eigen initiatief ofwel binnen een hem door de Regering opgelegde termijn, van een bebouwingsschema overeenkomstig artikel D.II.7, en overeenkomstig goedkeuring ervan door de Regering. § 2. Mocht de gemeentelijke overheid de verplichting bedoeld in § 1, tweede lid, niet binnen de vastgestelde termijn nakomen of mocht ze het haar ter goedkeuring voorgelegde bebouwingsschema weigeren, dan kan de Regering haar plaats innemen om het bebouwingsschema aan te nemen of te herzien. Art. D.II.30. Gebieden van aanhorigheden van ontginningen. De gebieden van aanhorigheden van ontginningen zijn bestemd voor de exploitatie van groeven en hun aanhorigheden, evenals voor het opslaan van resten van de ontginningsactiviteit, mits bescherming en rationeel beheer van de bodem en de ondergrond. In de gebieden van aanhorigheden van ontginningen of delen van de gebieden van aanhorigheden van ontginningen die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de toekomstige exploitatie van de afzettingen daarmee niet in gevaar wordt gebracht. Art. D.II.31. Landbouwgebieden. § 1. Landbouwgebieden zijn bestemd voor landbouw in de algemene zin van het woord. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw, alsook tot het behoud van het ecologische evenwicht. In landbouwgebieden mogen enkel gebouwen opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor het bedrijf en voor de huisvesting van de exploitanten die landbouwer van beroep zijn. Ze kunnen ook activiteiten bevatten die de activiteit van een landbouwer of van een landbouwvereniging aanvullen of diversifiëren. § 2. In de landbouwgebieden worden de modules voor elektriciteit- of warmteproductie die elk bouwwerk, installatie of gebouw gelegen op hetzelfde onroerend goed rechtstreeks bevoorraden, uitzonderlijk toegelaten voor zover ze de bestemming van het gebied onherroepelijk niet aan de kaak stellen. Landbouwgebieden kunnen ook één of verschillende windmolens omvatten onder de voorwaarden vastgesteld in de vigerende wetgeving op voorwaarde dat ze hun oorspronkelijke bestemming behouden. Landbouwgebieden kunnen uitzonderlijkerwijs bestemd zijn voor recreatieve activiteiten in de open lucht op voorwaarde dat ze hun oorspronkelijke bestemming behouden. Wat de recreatieve activiteiten betreft, kunnen de handelingen en werken slechts voor een beperkte duur toegelaten worden, behalve voor de verbouwing, de uitbreiding of de heroprichting van een bestaand gebouw. Vissers- en jachthutten en kleine schuilplaatsen voor dieren zijn er toegelaten voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk. Bosschages alsook de intensieve teelt van boomsoorten en visteelt kunnen er eveneens toegelaten worden. § 3. De Regering bepaalt de activiteiten bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, die de activiteit van een landbouwer of van een landbouwvereniging aanvullen of diversifiëren en de voorwaarden voor het afleveren van de desbetreffende vergunningen. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor bebossing, intensieve teelt van bossoorten, visteelt, vissers- en jachthutten, kleine schuilplaatsen en recreatieve activiteiten in de open lucht, de modules voor elektriciteits- en warmteproductie, alsmede voor de handelingen en werken die daaraan verbonden zijn. Art. D.II.32. Bosgebieden. § 1. Bosgebieden zijn bestemd voor de bosbouw en het behoud van het ecologische evenwicht. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw. De kerstbomenteelt wordt er toegelaten onder de voorwaarden bepaald door de Regering. In bosgebieden mogen alleen bouwwerken opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor de exploitatie, de eerste houtverwerking en het toezicht op de bossen. De elektriciteits- en warmteproductie uit de biomassa die hoofdzakelijk afkomstig is van de resten van het bosbeheer en van de eerste houtverwerking worden er toegelaten als aanvullende activiteit op de bosbeheersactiviteit. § 2. Jacht- en vissershutten zijn er toegelaten, voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk. Visteelt kan er ook toegelaten worden. § 3. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor de oprichting van gebouwen die onontbeerlijk zijn voor het toezicht op de bossen, voor de exploitatie ervan en de eerste houtverwerking, voor de eenheden voor de energievalorisering van de biomassa, voor de visteelt en de jacht- en vissershutten. § 4. Bosgebieden die onder de bosregeling vallen overeenkomstig het Boswetboek kunnen uitzonderlijk, aan de rand van de bestanden, activiteiten voor het publiek voorzien om didactische doeleinden, van inleiding in het bos, observatie van het bos, of om recreatieve of toeristische doeleinden, met uitzondering van het verlenen van onderdak, voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken hoofdzakelijk in hout worden uitgevoerd. De bosgebieden kunnen uitzonderlijk een dierentuin herbergen voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken, namelijk voor het onthaal van het publiek en de dierenschuilplaatsen, hoofdzakelijk in hout worden uitgevoerd. De activiteiten bedoeld in het eerste en het tweede lid 1 zijn toelaatbaar voor zover ze toegankelijk zijn via een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging, alsook met één of meerdere parkeerruimtes voor voertuigen die in verhouding staan met de opvangcapaciteit van deze activiteiten. De Regering bepaalt de voorwaarden voor het afleveren van de vergunning betreffende de bouwwerken alsook de uitrustingen, wegen, omgeving van de parkeerruimtes en parkeerruimtes bedoeld in het eerste, tweede en derde lid. Art. D.II.33. Groengebieden. Groengebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het leefmilieu. Ze dragen bij tot landschapsbouw of zijn de geschikte vegetale schakel tussen gebieden waarvan de bestemmingen onverenigbaar zijn. Art. D.II.34. Natuurgebieden. Natuurgebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van biologisch zeer waardevolle leefmilieus of leefmilieus waarin te beschermen soorten voorkomen, ongeacht of het om land- of om watersoorten gaat. In natuurgebieden zijn alleen handelingen en werken toegelaten die noodzakelijk zijn voor de actieve of passieve bescherming van deze milieus of soorten. Art. D.II.35. Parkgebieden. Parkgebieden zijn bestemd voor groene ruimten die ingericht worden met het oog op het esthetische. In deze gebieden zijn alleen handelingen en werken toegelaten die nodig zijn voor de inrichting, het onderhoud of de verfraaiing ervan. In parkgebieden met een oppervlakte van meer dan vijf ha kunnen ook andere handelingen of werken verricht worden, op voorwaarde dat de hoofdbestemming van de gebieden ongewijzigd blijft en dat een bebouwingsschema van toepassing is op de hele oppervlakte. De Regering mag de lijst opmaken van de handelingen en werken die in een parkgebied toegelaten zijn, alsook het percentage van de oppervlakte van het gebied waarop de werken uitgevoerd mogen worden. Art. D.II.36. Ontginningsgebieden. § 1. De ontginningsgebieden zijn bestemd voor de exploitatie van groeven, evenals voor het opslaan van resten van de ontginningsactiviteit. Ze mogen slechts voor een beperkte duur aanhorigheden bevatten die noodzakelijk zijn voor de ontginning. Deze gebieden bevat een afzonderingsomtrek of -marge die overeenstemt met artikel D.II.25, tweede lid. Na afloop van de exploitatie worden deze gebieden andere gebieden die niet voor bebouwing bestemd zijn, met uitzondering van de parkgebieden, en hun juiste bestemming wordt bepaald door het besluit tot herziening van het gewestplan. Hun gehele of gedeeltelijke heraanleg wordt bepaald door de vergunning die de ontginning toelaat. Wanneer de exploitatie in fasen gebeurt, bepaalt de vergunning elke fase en hun heraanleg, na afloop van elke fase, voor de landbouw, de bosbouw of het natuurbehoud. Het gemeentecollege stelt de afloop van de exploitatie vast, in voorkomend geval, van elke fase, in een proces-verbaal dat het per zending aan de houder van de vergunning richt. Een afschrift van de zending wordt aan de gemachtigd ambtenaar gericht. De exploitatie bedoeld in dit artikel verloopt mits bescherming en rationeel beheer van de bodem en de ondergrond. § 2. In de ontginningsgebieden of delen van ontginningsgebieden die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de toekomstige exploitatie van de afzettingen daarmee niet in gevaar wordt gebracht. Art. D.II.37. Gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is. § 1. De gebieden waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg en dat binnen een urbanisatieomtrek gelegen zijn, zijn voorzien voor elke bestemming die deze omtrek moet ontwikkelen, met uitzondering van de bedrijfsruimtes met een industrieel karakter, behalve de gebieden met kleine industrieën, de gebieden van aanhorigheden van ontginningen en de ontginningsgebieden. Wanneer de uitvoering geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op één of meerdere bestemmingen bedoeld in artikel D.II.20, tweede lid, wordt ze ondergeschikt gemaakt : 1° hetzij, aan de aanneming door de gemeenteraad ofwel op eigen initiatief ofwel binnen de door de Regering opgelegde termijn van het bebouwingsschema en aan zijn goedkeuring door de Regering;2° hetzij, aan het verstrekken van een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken die het hele gebied dekt, een minimale oppervlakte van twee ha of het niet-uitgevoerde restgebied. Mocht de gemeentelijke overheid de verplichting bedoeld in het tweede lid, 1°, niet binnen de vastgestelde termijn nakomen of mocht ze het haar ter goedkeuring voorgelegde bebouwingsschema weigeren, dan kan de Regering haar plaats innemen om het bebouwingsschema aan te nemen of te herzien. § 2. Het gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg en dat buiten een urbanisatieomtrek gelegen is, is bestemd voor elke bestemming bepaald in functie van de ligging, de buurt, de nabijheid van bevoorrechte initiatiefgebieden bedoeld in D.V.10 en de urbanisatieomtrek, de prestatie van de communicatie en distributienetwerken, de kosten die de verstedelijking op korte, middellange en lange termijn met zich meebrengen, alsook de behoeften van de gemeente en de bestemming van het geheel of deel van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg, en dat zich bevindt op het betrokken gemeentelijk grondgebied en op de aangrenzende gemeentelijke grondgebieden, indien het bestaat. § 2. Wanneer de ontsluiting van dat gebied geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op één of meer bestemmingen bedoeld in artikel D.II.20, tweede lid, wordt ze ondergeschikt gemaakt aan de aanneming door de gemeenteraad ofwel op eigen initiatief ofwel binnen de door de Regering opgelegde termijn, van het bebouwingsschema overeenkomstig artikel D.II.7, en overeenkomstig goedkeuring ervan door de Regering. Mocht de gemeentelijke overheid de verplichting bedoeld in het tweede lid, niet binnen de vastgestelde termijn nakomen of mocht ze het haar ter goedkeuring voorgelegde bebouwingsschema weigeren, dan kan de Regering haar plaats innemen om het bebouwingsschema aan te nemen of te herzien. § 3. Wanneer de ontsluiting van een gebied of van een deel van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, betrekking heeft op één of meer bestemmingen die niet voor bebouwing bestemd zijn, neemt de desbetreffende vergunning akte van, voor de betrokken percelen, van de bestemming bedoeld in artikel D.II.20, lid 3, en levert het bewijs van deze bestemming t.o.v. de criteria van paragraaf 2, eerste lid. § 4. De artikelen D.II.55 tot D.II.62 zijn van toepassing op elk gebied of deel van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg, al dan niet ontsloten, of wanneer het gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg één of meerdere bestemmingen bestrijkt bedoeld in artikel D.II.20, derde lid. Afdeling 3. - Tracé van de hoofdinfrastructuren Art. D.II.38. § 1. De Regering kan het net van de voornaamste verbindings- en verkeersinfrastructuren voor het vervoer van vloei- en brandstoffen bedoeld in artikel D.II.18, eerste lid, 2°, bepalen. § 2. Na de uitvoering van de verbindings- en verkeersinfrastructuur voor het vervoer van vloei- en brandstoffen houdt de betrokken reserveringsomtrek of het deel ervan op uitwerking te hebben. Als men ervan afziet de infrastructuur aan te leggen, en voor zover de impact van het afzien van de opneming van de reserveringsomtrek bij zijn opneming werd geraamd, kan de Regering het betrokken tracé of de betrokken omtrek opheffen. Afdeling 4. - Bijkomende voorschriften Art. D.II.39. Voor de gebieden bedoeld in artikel D.II.20 kunnen aanvullende voorschriften worden gegeven. De bijkomende voorschriften kunnen betrekking hebben op : 1° een nadere bepaling of een specialisering van de bestemming van de gebieden;2° de fasering van hun ingebruikname;3° de omkeerbaarheid van de bestemmingen;4° de dichtheid van de bebouwingen of woningen;5° de verplichting om een bebouwingsschema voorafgaand aan hun uitvoering uit te werken.6° de verplichting om een bebouwingsrichtlijn voorafgaand aan hun uitvoering uit te werken;7° de te bevoordelen wijzen van bebouwing, bouw en inrichting wegens hun geringe grondinneming, hun gematigde kost of hun respect voor het leefmilieu. De bijkomende voorschriften mogen niet indruisen tegen de zonering van het plan. De Regering kan de lijst van de bijkomende voorschriften vaststellen. HOOFDSTUK III. - Procedure Afdeling 1. - Herzieningsprocedure Onderafdeling 1. - Herziening op initiatief van de Regering Art. D.II.40 De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan; dat onderwerp wordt gegrond op een basisdossier dat volgende stukken bevat : 1° de verantwoording ten opzichte van artikel D.I.1; 2° de betrokken omtrek;3° de bestaande feitelijke en wettelijke situatie;4° een verslag ter verantwoording van de onderzochte en niet in aanmerking genomen alternatieve projecten, rekening houdend met name met de behoeften waarop de herziening van het plan moet inspelen, de ligging ervan, de beschikbaarheden inzake grond in de bebouwingsgebieden en de bereikbaarheid van de gekozen locaties;5° één of meerdere voorontwerpvoorstellen op schaal 1/10 000e; 6° in voorkomend geval, compensatievoorstellen bedoeld in artikel D.II.41, § 4; 7° de eventuele bijkomende voorschriften;8° in voorkomend geval, het onteigeningsplan of het ontwerp van onteigeningsplan. Onderafdeling 2. - Op de herziening toepasselijke principes Art. D.II.41. § 1. Elke herziening leeft de volgende principes inzake de aangrenzing, de lintbebouwing langs de weg en de compensatie na. § 2. De op te nemen bebouwingsgebieden moeten aan een bestaand bebouwingsgebied grenzen; van dit voorschrift kan enkel worden afgeweken voor een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, voor een recreatiegebied met een gevaarlijk, ongezond of hinderlijk karakter, voor een industriële bedrijfsruimte, voor een specifieke industriële bedrijfsruimte met de overdruk "A.E." of "R.M.", een ontginningsgebied of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat. § 3. De opneming van een nieuw bebouwingsgebied mag niet de vorm aannemen van lintbebouwing langs de weg; onder lintbebouwing wordt verstaan, de opneming van een gebied waarvan de vorm, door haar diepte, haar lengte en de verhouding van beide elementen enkel de ontwikkeling mogelijk maakt van een bouwlijn, met uitsluiting van een compositie van bouwwerken die op een netwerk van wegen uitgeven; § 4. De opneming van een nieuw bebouwingsgebied dat niet te verwaarlozen effecten op het leefmilieu zou kunnen hebben wordt, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, gecompenseerd door een gelijkwaardige wijziging van een bestaande bebouwingsgebied of een gemeentelijk overleggebied in een niet-bebouwingsgebied of door een alternatieve compensatie bepaald door de Regering zowel op operationeel, leefmilieu- of energie- als op mobiliteitsvlak waarbij meer bepaald rekening wordt gehouden met de impact van het bebouwingsgebied op de buurt. De Regering kan de modaliteiten betreffende de alternatieve compensaties bepalen De planologische of alternatieve compensatie kan per fasen uitgevoerd worden. Onderafdeling 3. - Procedure van het gemene recht Art. D.II.42. § 1. De Regering neemt het ontwerp van plan aan. Wanneer een aanvraag tot afwijking van de milieueffectenbeoordeling wordt ingediend, raadpleegt de Regering de gewestelijke Commissie. § 2. Het verslag over de milieueffecten omvat in voorkomend geval één of verschillende alternatieve voorstellen van plan op schaal 1/10 000e. De Regering maakt het ontwerp van plan aan de gewestelijke commissie over die tijdens de milieueffectenbeoordeling of op elk ogenblik opmerkingen kan maken of de voorstellen die zij nuttig acht, doen. Art. D. II.43. Aan het einde van de milieueffectenbeoordeling of indien het ontwerp van plan vrijgesteld is van die beoordeling legt de Regering het ontwerp van plan, en in voorkomend geval, het verslag over de leefmilieueffecten, ter advies voor aan de gemeentelijke commissie aan de "Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable" en aan de personen en instanties die hij nodig acht te raadplegen alsook aan het DGO3 indien het geraadpleegd is. De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. De Regering kan bedoelde termijn verlengen met een maximale duur van zestig dagen. Die verlenging van de termijn wordt behoorlijk gemotiveerd door kennisgeving aan de aanvrager van de herziening. Bij gebreke van een advies binnen bedoelde termijn worden ze geacht gunstig te zijn. Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke van de gemeenten waartoe het ontwerp van plan zich uitbreidt, de bezwaren, opmerkingen, processen-verbaal over aan de Regering. Art. D.II.44. § 1. De Regering stelt het plan definitief vast binnen twaalf maanden na afsluiting van het openbaar onderzoek. Indien de Regering afwijkt van het advies van de gewestelijke commissie, moet haar beslissing met redenen omkleed zijn. § 2. Binnen tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad worden afschriften van het plan en van de milieuverklaring aan de betrokken gemeenten overgemaakt, waarna elke gemeente de bevolking door aanplakking meedeelt dat het plan en de milieuverklaring ter inzage liggen in het gemeentehuis. Het plan en de milieuverklaring worden aan de gemeentelijke commissie, de "Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable" en, in voorkomend geval, aan de geraadpleegde personen en instanties en aan het DGO3 overgemaakt. Onderafdeling 4. - Herziening op initiatief van de gemeente Art. D.II.45. § 1. Indien de herziening van het gewestplan een nieuwe zonering beoogt die inspeelt op behoeften die ingelost kunnen worden via een lokale inrichting, kan de herziening van het gewestplan op verzoek van de gemeenteraad dat bij zending wordt gericht, beslist worden door de Regering. Bij het verzoek wordt een basisdossier gevoegd, dat overeenstemt met artikel D.II.40 § 2. Het verzoek wordt ter advies voorgelegd aan de gemachtigd ambtenaar, aan de gemeentelijke commissie of, bij ontstentenis, aan de gewestelijke commissie en aan de "Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable". De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. De Regering kan bedoelde termijn verlengen met een maximale duur van zestig dagen. Bij gebreke van een advies binnen bedoelde termijn worden ze geacht gunstig te zijn. § 3. Binnen zestig dagen na ontvangst van het verzoek en van het basisdossier neemt de Regering een ontwerp van plan aan en stelt ze de in artikel D.II.41, § 4 bedoelde compensaties voorlopig vast. Bij gebrek aan zending van het besluit van de Regering aan de gemeente kan ze per schrijven een rappelbrief aan de Regering richten. Als de gemeente bij verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen ingaand op de datum van versturen van de rappelbrief, het regeringsbesluit niet gekregen heeft, wordt het verzoek geacht geweigerd te zijn. § 2 van artikel D.II.42 is van toepassing. De gemeenteraad legt de ontwerp-inhoud van het verslag over de milieugevolgen van het ontwerp van plan ter advies aan de gemeentelijke commissie, of, zo niet, aan de gewestelijke commissie voor. Het verslag over de milieugevolgen wordt aan de Regering overgemaakt. Art. D.II.46. Het gemeentecollege legt het ontwerp van plan en, behalve afwijking, het verslag over de milieugevolgen ter advies voor aan de gemeentelijke commissie of, zo niet, aan de gewestelijke commissie, aan de "Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable" en aan de personen en instanties die hij nodig acht te raadplegen. Tegelijkertijd legt de gemeenteraad het dossier dat het ontwerp van plan omvat, samen met het verslag over de milieugevolgen ter advies voor aan de personen en instanties die hij nodig acht te raadplegen alsook aan het DGO3 indien het geraadpleegd is. De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de gemeenteraad overgemaakt. De gemeenteraad kan bedoelde termijn verlengen met een maximale duur van zestig dagen. Bij gebreke van een advies binnen bedoelde termijn worden ze geacht gunstig te zijn. Art. D.II.47. Binnen twaalf maanden na afsluiting van het openbaar onderzoek neemt de gemeenteraad het plan wat hem betreft aan. Wanneer de gemeenteraad afwijkt van het advies van de gemeentelijke commissie of van de gewestelijke commissie, is zijn beslissing met redenen omkleed. Bovendien legt de gemeenteraad een milieuverklaring over. Art. D.II.48. Bij een met redenen omkleed besluit neemt de Regering het plan aan of weigert ze het aan te nemen. Zij kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan. Het plan en de milieuverklaring worden aan de gemeentelijke commissie, de "Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable" en, in voorkomend geval, aan de geraadpleegde personen en instanties en aan het DGO3 overgemaakt. Binnen zestig dagen na ontvangst van het door de gemeenteraad aangenomen plan neemt de Regering bij een met redenen omkleed besluit het plan aan of weigert ze het aan te nemen. Indien de Waalse Regering het regeringsbesluit niet aan de gemeente overmaakt, kan laatstgenoemde bij een zending de Waalse Regering daar in een rappelbrief op wijzen. Als de gemeente bij verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen ingaand op de datum van versturen van de rappelbrief, het regeringsbesluit niet gekregen heeft, wordt het plan geacht niet-aangenomen te zijn. Zij kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan. Onderafdeling 5. - Andere herzieningen Art. D.II.49. § 1. De herziening van het gewestplan kan door de Regering worden beslist op met een schrijven ingediend verzoek van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, indien die herziening betrekking heeft op de opneming van een bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.25, eerste lid, of van een ontginningsgebied en indien ze betrekking heeft op de opneming van het tracé van een hoofdinfrastructuur voor het vervoer van vloeistoffen of energie, of van de vervangende reserveringsomtrek. Bij het verzoek wordt een basisdossier gevoegd, dat overeenstemt met artikel D.II.40 § 2. Minstens vijftien dagen voor de publieksinformatie wordt het verzoek per zending gericht aan de gemeenteraad, die zijn advies binnen zestig dagen overmaakt aan de persoon bedoeld in § 1. Als die termijn eenmaal verstreken is, wordt het advies gunstig geacht. De zending aan de Regering bevat het van de gemeenteraad ontvangen advies. § 3. Binnen zestig dagen na ontvangst van het verzoek en van het basisdossier neemt de Regering een ontwerp van plan aan en stelt ze de in artikel D.II.41, § 4 bedoelde compensaties voorlopig vast. Bij gebrek aan zending van het besluit van de Regering aan de verzoeker kan hij per schrijven een rappelbrief aan de Regering richten. Als de verzoeker bij verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen ingaand op de datum van versturen van de rappelbrief, het regeringsbesluit niet gekregen heeft, wordt het verzoek geacht geweigerd te zijn. § 2 van artikel D.II.42 is van toepassing. Het verslag over de milieugevolgen wordt aan de Regering overgemaakt. § 4. De artikelen D.II.43 en D.II.44 zijn van toepassing. Onderafdeling 6. - Gezamenlijke procedure plan-vergunning Art. D.II.50. § 1. De procedure voor de vergunningsaanvraag of voor de globale vergunningsaanvraag kan gezamenlijk met een procedure voor de herziening van het gewestplan uitgevoerd worden wanneer ze noodzakelijk is voor de toekenning van de betrokken vergunning : 1° voor een hoofdinfrastructuur in de zin van artikel D.II.38, § 1; 2° voor een ontwerp van steengroeve gebonden aan de uitvoering van een ontginningsgebied en aanhorigheden van een ontginningsgebied;3° voor elk ontwerp waarvan de omvang en de socio-economische impact belangrijk zijn en erkend worden door de Regering in het bericht van ontvangt van het verzoek;4° voor elk ontwerp met het oog op de uitbreiding van een bedrijfsruimte bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek of kleine industrie die voor de inwerkingtreding van het gewestplan op de site aanwezig is en waarvan grondinneming niet hoger is dan twee hectare. § 2. Wanneer de aanvraag tot herziening van het plan bedoeld is in de artikelen D.II.45, § 1, en D.II.49, § 1, wordt ze aan de Regering gericht die er ontvangst van bericht. De vergunningsaanvraag wordt ingediend binnen een termijn waarin het eenmalig openbaar onderzoek overeenkomstig het vierde lid georganiseerd kan worden. In dit geval omvat de milieueffectenbeoordeling de elementen vereist voor de herziening van het gewestplan en de elementen vereist voor de vergunningsaanvraag. Het ontwerp van herziening van het gewestplan en de vergunningsaanvraag worden onderworpen aan hetzelfde eenmalig openbaar onderzoek volgens de modaliteiten die respectievelijk toepasselijk zijn op de herziening van het gewestplan en op de vergunningsaanvraag. De duur van het onderzoek is de voor de herziening van het gewestplan toepasselijke duur. De adviezen die respectievelijk in de artikelen D.II.43 en D.IV.36 bedoeld zijn, worden aangevraagd. Er wordt niet afgeweken van de regels betreffende de herziening van het gewestplan, noch van de regels betreffende de vergunningsaanvraag. De volgende bijzondere bepalingen zijn nochtans van toepassing : 1° de vergunning wordt verstrekt door de Regering;2° de termijnen voor de behandeling van de vergunningsaanvraag worden verlengd met de termijn gebruikt om te beslissen over de aanvraag tot herziening van het gewestplan; 3° de termijnen voor de behandeling van de aanvraag tot herziening van het gewestplan worden verlengd met de termijnen gebruikt om het dossier m.b.t. de vergunningsaanvraag in te vullen indien het onvolledig wordt verklaard, of om de formaliteiten volgend op een wijzing van de vergunningsaanvraag uit te voeren; 4° de milieuvergunningsaanvraag of de globale vergunningsaanvraag wordt behandeld overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning tot de zending van het syntheseverslag aan de Regering;wanneer het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning de technisch ambtenaar en, in voorkomend geval, de gemachtigd ambtenaar als bevoegde overheid aanwijst, richt(
  32. en)die ambtenaar(aren) een syntheseverslag aan de Regering binnen dezelfde termijnen als de termijnen waarover ze beschikken wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is; 5° een voorafgaande gezamenlijke informatievergadering wordt gehouden voor de aanvraag tot herziening van het gewestplan en het ontwerp. De Regering beslist gelijktijdig over de herziening van het gewestplan en van de vergunningsaanvraag. In geval van toekenning van de vergunning, begint bedoelde vergunning slechts te lopen op de dag na de inwerkingtreding van het herziene plan. Afdeling 2. - Opmakingsprocedure Art. D.II.51. Wanneer de Regering beslist een gedeeltelijk gewestplan op te maken voor een omtrek niet gedekt door een gewestplan, zijn de bepalingen die de herziening van het gewestplan regelen, van toepassing. HOOFDSTUK IV. - Juridische gevolgen Afdeling 1. - Algemeen Art. D.II.52. De Regering verleent bindende kracht aan het gewestplan. De grafische en de geschreven voorschriften van de plannen hebben regelgevende waarde. Bij tegenspraak tussen de grafische en de geschreven voorschriften, hebben de grafische voorschriften voorrang op de geschreven voorschriften. Art. D.II.53. § 1. Het gewestplan blijft in werking tot op het ogenblik waarop het geheel of gedeeltelijk vervangen wordt door een gewestplan na een herziening. § 2. Binnen de U-omtrekken in de zin van artikel D.II.64, § 4, blijft het gewestplan in werking tot de inwerkingtreding van het gemeentelijk ontwikkelingsplan waarvan de inhoud overeenstemt met artikel D.II.6, § 2, eerste lid, 2°, b). § 2. Binnen de omtrekken met een gewestelijke uitdaging bedoeld in artikel D.II.64, § 5, blijft het gewestplan in werking tot de gezamenlijke inwerkingtreding van de omtrek en van het desbetreffende bebouwingsplan. § 2. Binnen de betrokken omtrekken blijft het gewestplan in werking tot de gezamenlijke inwerkingtreding van de omtrek van de her in te richten site bedoeld in artikel D.II.64, § 3, 3° en in artikel D.V.2. Art. D.II.54. De voorschriften van de plannen kunnen beperkingen van het eigendomsrecht inhouden, met inbegrip van een bebouwingsverbod in de zin van artikel D.IV.3 of een verbod tot uitvoering van de handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.4. Afdeling 2. - Afwijkingen Art. D.II.55. De bouwwerken, de installaties of de gebouwen die bestaan vóór inwerkingtreding van het gewestplan of die toegelaten zijn, en waarvan de huidige of toekomstige bestemming niet overeenstemt met de voorschriften van het gewestplan kunnen onderworpen worden aan verbouwings-, vergrotings- of heropbouwwerken of het voorwerp uitmaken van een bestemmingswijziging. De aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties en gebouwen die van hen worden gescheiden, kunnen ook toegelaten worden. Art. D.II.56. Wegens economische of toeristische noden kunnen de bouwwerken, de installaties of de gebouwen die een functionele eenheid vormen, onderworpen worden aan verbouwings- of vergrotingswerken die een afwijking inhouden van de bestemming van een aangrenzend gebied, met uitsluiting van de natuur-, parkgebieden en de oppervlakten met een bemerkenswaardig uitzicht. In dit kader kunnen de aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties en gebouwen die van hen worden gescheiden, ook toegelaten worden. Art. D.II.57. Met het oog op elektriciteit- of warmteproductie mogen de modules die elk bouwwerk, installatie of gebouw gelegen op hetzelfde onroerend goed rechtstreeks bevoorraden, die met het plan van aanleg overeenstemmen toegelaten worden in een aangrenzend gebied. Met het oog op zuivering mogen de zuiveringsinstallaties van maximum 15 EH in verband met elk bouwwerk, installatie of gebouw gelegen op hetzelfde onroerend goed, die met het plan van aanleg overeenstemmen, toegelaten worden in een aangrenzend gebied. Art. D.II.58. Met uitsluiting van de natuur-, parkgebieden en de oppervlakten met een buitengewoon vergezicht kan er een stedenbouwkundige vergunning afgegeven worden in een gebied van het gewestplan dat niet verenigbaar is met het voorwerp van de aanvraag voor zover : 1° het grondstuk gelegen is tussen twee woningen die zijn opgetrokken vóór de inwerkingtreding van het gewestplan of tussen een woning die is opgetrokken vóór de inwerkingtreding van het gewestplan en een woning opgetrokken in een woongebied en die hoogstens honderd meter verwijderd zijn van elkaar;2° bedoeld grondstuk en bedoelde woningen gelegen zijn langs de weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;3° de bouwwerken, de verbouwingen, de uitbreidingen of heropbouwwerken brengen de inrichting van het gebied niet in het gedrang. De in het eerste lid, 1°, bedoelde afstand van 100 meter wordt onafhankelijk van de aanwezigheid in het betrokken grondstuk van een natuurlijk of kunstmatig element, zoals een waterloop of weg, berekend. Er wordt evenwel geen enkele vergunning afgegeven voor grondstukken die gelegen zijn langs openbare wegen die in minstens vier rijstroken zijn ingedeeld. Art. D.II.59. Buiten de ontginningsgebieden en de aanhorigheden van de ontginningsgebieden kan de vestiging bestemd voor de ontginning of de valorisering van sierrotsen uit een groeve die in bedrijf is geweest en die noodzakelijk is voor de renovatie, verbouwing, vergroting of de heropbouw van een pand in overeenstemming met de omgevende bebouwing voor een beperkte duur worden toegestaan, na advies van de gewestelijke commissie. Art. D.II.60. De in artikel D.IV.15 bedoelde vergunning kan toegekend worden door af te wijken van het gewestplan wanneer de aanvraag betrekking heeft op : 1° handelingen en werken die overwogen worden door een publiekrechtelijke persoon opgenomen op de door de Regering vastgestelde lijst;2° handelingen en werken van openbaar nut opgenomen op de door de Regering vastgestelde lijst; 3° handelingen en werken gelegen in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bedoeld in artikel D.II.23; 4° openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen;5° handelingen en werken gebonden aan de hernieuwbare energie, opgenomen op de door de Regering vastgestelde lijst daar ze het algemeen belang bevorderen;6° handelingen en werken gelegen in een stedelijke verkavelingsomtrek. Art. D.II.61. De in de artikelen D.II.55 tot D.II.59 bedoelde afwijkingen kunnen toegekend worden : 1° bij wijze van uitzondering, d.w.z. wegens de noodzaak om ze toe te kennen voor de optimale uitvoering van het ontwerp in de precieze plaats waar het overwogen wordt; 2° indien ze de coherente uitvoering van het gewestplan in de rest van zijn toepassingsgebied niet in het gedrang brengen;3° indien de hoofdlijnen van het al dan niet bebouwde landschap overeenkomstig een logica van continuïteit of van onderbreking naleven, versterken of opnieuw samenstellen. Art. D.II.61. De in de artikel D.II.60 bedoelde afwijkingen kunnen slechts toegekend worden : 1° indien ze rekening houdende met de specificiteiten van het ontwerp worden gerechtvaardigd;2° indien ze de coherente uitvoering van het gewestplan in de rest van zijn toepassingsgebied niet in het gedrang brengen;3° indien de hoofdlijnen van het al dan niet bebouwde landschap overeenkomstig een continuïteitlogica of in strijd daarmee naleven, versterken of opnieuw samenstellen. TITEL III. - Afwijkingen en verschillen in verband met de handelingen die onder andere wetgevingen ressorteren Art. D.II.63. De afwijkingen en de verschillen die zijn toegestaan in toepassing boek II zijn van toepassing op de handelingen die onder andere wetgevingen met betrekking tot hetzelfde ontwerp ressorteren. TITEL IV. - Specifieke omtrekken HOOFDSTUK I. - Soorten omtrek Art. D.II.64. § 1. De Regering kan de beschermingsomtrekken en de operationele omtrekken bepalen § 2. De beschermingsomtrekken zijn omtrekken : 1° met een buitengewoon vergezicht;2° met een ecologisch doorgangsgebied;3° met een landschappelijke waarde;4° met een culturele, historische of esthetische waarde;5° met een natuurgevaar of een aanzienlijke geotechnische druk zoals overstromingen, puin van rotswanden, aardverschuivingen, karstverzakkingen, mijnverzakkingen of aardbevingsgevaar; 6° van kwetsbare gebieden die gelegen zijn rondom de inrichtingen die een risico op een zwaar ongeval vormen in de zin van het decreet van 6° maart 11 betreffende de milieuvergunning of de gebieden die uitsluitend bestemd zijn voor de nijverheden die hoge risico's vormen voor de personen, de goederen of het leefmilieu zoals bedoeld in artikel D.II.28., § 2; 7° voor ontginningsuitbreidingen. § 3. De operationele omtrekken zijn : 1° de U-omtrekken;2° de omtrekken met een gewestelijke uitdaging; 3° de omtrekken van een her in te richten site bedoeld in artikel D.V.1. § 4. De U-omtrek(ken) identificeert(ren) voor elke gemeente het(
  33. de)grondgebied(
  34. en)waarvan het centraliteitspotentieel ontwikkeld moet worden door de vernieuwing, het functioneel en sociaal gemengd karakter en de concentratie; de U-omtrekken worden door de Waalse Regering bepaald op grond van de concentratie van woningen en de toegang tot de basisdiensten en -uitrustingen. Bedoelde omtrek kan niet-bebouwingsgebieden zoals bedoeld in artikel D.II.20, derde lid, omvatten voor zover ze : 1° ingesloten zijn;2° randgebieden van kleine grootte zijn, aangrenzend zijn aan één of meer bebouwingsgebieden gelegen in de U-omtrek en een diepte van maximum honderd vijftig meter hebben. De totale oppervlakte van de niet-bebouwingsgebieden opgenomen in de omtrek moet beperkt zijn rekening houdende met de totale oppervlakte van de U-omtrek en hun opneming in de omtrek moet gerechtvaardigd worden ten opzichte van de ontwikkelingsdoelstellingen van het centraliteitspotentieel. De Regering bepaalt de vaststellingsmethodologie en de toepasselijke parameters. § 5. De omtrek met een gewestelijke uitdaging identificeert een grondgebied uit één stuk erkend door de Regering om één of verschillende prioritaire acties van openbare of private initiatieven die gebonden zijn aan de sociale, economische, leefmilieu-, culturele, sport- en toeristische ontwikkeling van het Gewest alsook aan zijn infrastructuren uit te voeren. Bedoelde omtrek kan niet-bebouwingsgebieden zoals bedoeld in artikel D.II.20, derde lid, omvatten voor zover ze de volgende elementen omvatten : 1° ofwel handelingen en werken van openbaar nut, 2° ofwel openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen;3° ofwel economische activiteiten.In dit geval grenzen de niet-bebouwingsgebieden aan een voldoende uitgeruste en toegankelijke bedrijfsruimte waarvoor wordt aangetoond dat die bedrijfsruimte niet meer over voldoende ruimte beschikt om een prioritaire actie uit te voeren. De omtrek kan de bedrijfsruimte slechts met maximum 15 % uitbreiden. Die omtrek neemt naast die 15 % de oppervlakte op die nodig is voor de afzonderingsvoorziening bedoeld in artikel D.II.25, tweede lid. § 6. De Regering kan de inhoud van de in dit artikel bedoelde omtrekken nader bepalen. HOOFDSTUK II. - Aannemingsprocedure Afdeling 1. - Procedure van het gemene recht Art. D.II.65. § 1. Op eigen initiatief of op verzoek van een gemeente bepaalt de Regering de ontwerp-omtrek. Voor de U-omtrekken legt de Regering voor de aanneming van de ontwerpen-omtrekken voorontwerpen van omtrekken ter advies voor aan de gemeenteraden dien, in voorkomend geval, hun gemeentelijke commissie kunnen raadplegen. Die gemeenteraden brengen hun advies binnen drie maanden na de aanvraag uit. § 2. De Regering onderwerpt de ontwerp-omtrek en, behalve afwijking, het verslag over de leefmilieueffecten, alsmede het voorontwerp van plan aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Titel III, van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek en legt ze ter advies voor aan de gemeentelijke commissie, aan de "Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable", aan de gemeenteraden en aan de personen en instanties die zij nodig acht te raadplegen. De gemeenteraden, de gewestelijke commissie, de "Conseil wallon de l'environnement pour le développement durable" alsmede de in het eerste lid bedoelde personen en instanties brengen advies uit aan de Regering binnen vijfenveertig dagen na de einddatum van het openbaar onderzoek; bij gebrek worden de adviezen geacht gunstig te zijn § 3. De Regering neemt de omtrek definitief aan. § 4. Het regeringsbesluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Binnen tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad wordt een afschrift van de goedgekeurde omtrek naar het gemeentecollege en de gemachtigde ambtenaar gezonden. § 5. De bepalingen betreffende de aanneming van een omtrek gelden ook voor de herziening ervan. § 6. De U-omtrek kan op verzoek van de betrokken gemeente herzien worden. § 7. Een omtrek kan op hetzelfde moment als een ontwerp van herziening van een gewestplan bepaald worden. In dit geval wordt de ontwerp-omtrek tegelijk met het ontwerp van gewestplan onderworpen aan de formaliteiten voorzien voor de herziening van het gewestplan en bedoeld in de artikelen D.II.42 en volgende. Afdeling 2. - Procedure die toepasselijk is op de omtrek met een gewestelijke uitdaging Art. D.II.66. § 1. De Regering neemt gezamenlijk, op initiatief of op verzoek van de betrokken gemeente of van elke persoon betrokken bij het ontwerp van ontwikkeling ten grondslag aan de omtrek, de ontwerp-omtrek en het ontwerp van het desbetreffende bebouwingsplan waarvan de inhoud met artikel D.II.7. overeenstemt. De Regering wijst de privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen onder de personen erkend overeenkomstig artikel D.I.13 aan die door haar belast worden met de opmaking van het ontwerp van plan belast; ze wijst ook de privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen aan die door haar belast worden met de opmaking van het verslag over de milieugevolgen. De Regering kan eenzelfde persoon aanwijzen die belast is met de opmaking van het ontwerp van plan en van het verslag over de milieugevolgen. § 2. De ontwerp-omtrek en het ontwerp van bebouwingsplan worden onderworpen aan de in artikel D.II.65, § 2, bedoelde formaliteiten. § 3. De Regering neemt de omtrek, het bebouwingsplan en de milieuverklaring definitief en gezamenlijk aan. De post-beslissingsformaliteiten bedoeld in artikel D.II.65 worden toegepast. § 4. De omtrek met een gewestelijke uitdaging en het bebouwingsplan kunnen herzien worden op verzoek van de betrokken gemeente of van elke persoon betrokken bij het ontwerp van ontwikkeling ten grondslag aan de omtrek. De procedure m.b.t. de aanneming van de omtrek is van toepassing op zijn herziening. Afdeling 3. - Opheffing Art. D.II.67. § 1. Wanneer ze acht dat de doelstellingen van de omtrek verricht of overschreden zijn, kan de Regering bedoelde omtrek geheel of gedeeltelijk opheffen. § 2. Voor de U-omtrekken of de omtrekken met een gewestelijke uitdaging waarvoor een plan is goedgekeurd, kan de opheffing slechts gebeuren mits de opmaking van een gedeeltelijk plan van aanleg dat de omtrek overeenkomstig artikel D.II.51 dekt. De milieueffectenbeoordeling van de opheffing van de U-omtrek of van die met een gewestelijke uitdaging wordt opgenomen in de beoordeling betreffende de goedkeuring van het gedeeltelijk gewestplan. § 3. Indien de opheffing van de omtrek van de her in te richten site aanzienlijke gevolgen kan hebben op het leefmilieu, worden de §§ 2 tot 3 van artikel D.II.65 toegepast. § 4. Het besluit van de Regering tot opheffing van een omtrek wordt onderworpen aan § 4 van artikel D.II.65. HOOFDSTUK III. - Juridische gevolgen Art. D.II.68. De definitief door de Regering vastgelegde omtrek geldt als regelgeving. Titel V. - Overgangsrecht HOOFDSTUK I. - Gemeentelijke plannen Afdeling 1. - Gemeentelijk structuurplan Art. D.II.69. Het gemeentelijk structuurplan dat door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek goedgekeurd is en dat niet door de Regering is nietig verklaard, wordt een gemeentelijk ontwikkelingsplan. Indien het geen elementen bedoeld in artikel D.II.6 wat betreft de inhoud van het ontwikkelingsplan betreffende een U-omtrek omvat, is artikel D.II.53, § 2, eerste lid evenwel niet van toepassing op het gemeentelijk structuurplan dat een gemeentelijk ontwikkelingsplan is geworden. Art. D.II.70. Het ontwerp van plan dat voorlopig door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek aangenomen is, wordt verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen. De Regering keurt evenwel het plan goed of weigert het overeenkomstig artikel D.II.8, § 6, van dit Wetboek. In geval van goedkeuring door de Regering wordt het een gemeentelijk ontwikkelingsplan en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen. Afdeling 2. - Stedenbouwkundig en leefmilieuverslag Art. D.II.71. Het stedenbouwkundig en leefmilieuverslag dat op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerend is, wordt een bebouwingsplan en wordt onderworpen aan de desbetreffende bepalingen. Art. D.II.72. Het ontwerp van stedenbouwkundig en leefmilieuverslag dat voorlopig door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek aangenomen is, wordt verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen. Het is ook het geval voor het stedenbouwkundig verslag dat vóór de inwerkingtreding van het Wetboek wordt opgemaakt wanneer : 1° ofwel het college overeenkomstig artikel 33, § 2, eerste lid, van het CWATUPE de omvang en de nauwkeurigheidsgraad van de gegevens die het dient te bevatten, heeft bepaald;2° ofwel de gemeenteraad overeenkomstig artikel 18ter, § 2, tweede lid, van het CWATUPE, het verslag heeft vrijgesteld van de milieueffectenbeoordeling vereist overeenkomstig artikel 33, § 2, 2°, van hetzelfde CWATUPE. In de gevallen bedoeld in de vorige leden keurt de Regering evenwel het verslag goed of weigert het overeenkomstig artikel D.II.8, § 6, van het Wetboek. In geval van goedkeuring door de Regering wordt het een bebouwingsplan en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen. HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke plannen Afdeling 1. - Gewestplan Onderafdeling 1. - Bestemming en algemene voorschriften van de gebieden Art. D.II.73. De in de gewestplannen opgenomen volgende gebieden worden op de datum van inwerkingtreding van hun opname in laatstgenoemde plannen bekrachtigd : 1° de woonuitbreidingsgebieden met een landelijk karakter; 2°. de uitbreidingsgebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; 3° de recreatieuitbreidingsgebieden die de recreactieuitbreidingsgebieden, de recreactieuitbreidingsgebieden met verblijf, de uitbreidingsgebieden van recreatiegebieden met verblijf, de ontspannings- en verblijfuitbreidingsgebieden en de ontspanningsuitbreidingsgebieden omvatten;4° de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen;5° de gebieden voor industriële ontwikkeling die de gebieden voor industriële ontwikkeling en het gebied voor industriële ontwikkeling van Sart-Tilman omvatten;6° de dienstuitbreidingsgebieden;7° de industrie-uitreidingsgebieden die de industrie-uitbreidingsgebieden, het industrie-uitbreidingsgebied "BD", het thermale "industrie-uitbreidingsgebied, het industrie-uitbreidingsgebied van het onderzoekscentrum Sart-Tilman, het industrie-uitbreidingstgebied "GE" omvatten;8° de uitbreidingsgebieden verblijfparken. Art. D.II.74. In de vigerende gewestplannen : 1° is het in artikel D.II.21 bedoelde voorschrift van toepassing op het woongebied; 2° is het in artikel D.II.22 bedoelde voorschrift van toepassing op het woongebied met een landelijk karakter; 3° is het in artikel D.II.37 bedoelde voorschrift van toepassing op het uitbreidingsgebied van het woongebied en van het woongebied met een landelijk karakter; 4° is het in artikel D.II.23, § 1, bedoelde voorschrift van toepassing op het gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorziening, op de militaire domeinen en op de andere gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en infrastructuren; 5° is het in artikel D.II.23, § 2, bedoelde voorschrift van toepassing op de gebieden van centra voor technische ingraving en de aan diens bestemming onttrokken centra voor technische ingraving bedoeld in artikel 63 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, die definitief vastgesteld zijn bij de Regering aan het einde van de procedure voor de opmaking van het plan van de centra voor technische ingraving opgestart vóór 1 maart 1998 6° is het in artikel D.II.24 bedoelde voorschrift van toepassing op het recreatiegebied en het recreatie-uitbreidingsgebied; 7° zijn de in de artikel D.II.25 en D.II.26 bedoelde voorschriften van toepassing op het gebied voor ambachten of kleine en middelgrote ondernemingen, op het uitbreidingsgebied voor ambachten of kleine en middelgrote ondernemingen, op het onderzoeksindustriegebied, op het dienstengebied en op het dienstenuitbreidingsgebied; 8° zijn de in de artikelen D.II.25 en D.II.27 bedoelde voorschriften van toepassing op het industriegebied; 9° zijn de in de artikelen D.II.25 en D.II.29 bedoelde voorschriften van toepassing op het industrie-uitbreidingsgebied; 10° zijn de in de artikelen D.II.25 en D.II.30 bedoelde voorschriften van toepassing op het ontginningsgebied; 11° zijn de in de artikelen D.II.25 en D.II.30 bedoelde voorschriften van toepassing op het ontginningsuitbreidingsgebied; 12° is het in artikel D.II.31 bedoelde voorschrift van toepassing op het landelijk gebied en op het landbouwgebied; 13° is het in artikel D.II.32 bedoelde voorschrift van toepassing op het bosgebied; 14° is het in artikel D.II.33 bedoelde voorschrift van toepassing op het groengebied en het buffergebied; 15° is het in artikel D.II.34 bedoelde voorschrift van toepassing op het natuurgebied en op het natuurgebied met een landschappelijke waarde; 16° is het in artikel D.II.35 bedoelde voorschrift van toepassing op het parkgebied; 17° is de in artikel D.II.64, § 2, 4°, bedoelde omtrek met een cultureel, historisch of esthetisch waarde van toepassing op de cultureel, historisch of esthetisch waarvolle gebieden en sites; 18° is de in artikel D.II.64, § 2, 3°, bedoelde landschappelijk waardevolle omtrek van toepassing op het landschappelijk waardevolle gebied; 19° is de in artikel D.II.64, § 2, 5° bedoelde omtrek van toepassing op het overstromingsgebied; Op de andere gebieden, nadere aanwijzingen of overdrukken vermeld in de vigerende gewestplannen zijn de voorschriften betreffende de bestemming die overeenstemt met de op het plan aangegeven grondkleur van toepassing. Art. D.II.75. Het in artikel D.II.24 bedoelde recreatiegebied, ongeacht of het al dan niet aangrenzend is aan een woongebied, aan een woongebied met een landelijk karakter of aan een ontsloten een gemeentelijk overleggebied dat geheel of gedeeltelijk voor verblijven wordt bestemd, mag bij wijze van uitzondering woningen bevatten, evenals ambachtelijke activiteiten, dienstverlenende activiteiten, sociaal-culturele uitrustingen, inrichtingen voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, voor zover tegelijk : 1° een stedenbouwkundige vergunning verstrekt is voor groepen van bouwwerken, of een verkavelingsvergunning, vóór 12 juni 2009;2° de wegen en de openbare of gemeenschappelijke ruimten van het gebied onder het publiek domein vallen;3° de ambachtelijke, dienstverlenende activiteiten, de activiteiten van de sociaal-culturele voorzieningen, van de inrichtingen van openbare diensten en gemeenschappelijke uitrustingen elkaar aanvullen en onderworpen zijn aan de recreatie- of woonfunctie;4° het gelegen is in de omtrek van een vooraf door de Regering goedgekeurd bebouwingsplan;5° het opgenomen is op de lijst van de recreatiegebieden aangenomen door de Waalse Regering voor opmaak van het bebouwingsplan. Onderafdeling 2. - Procedure Art. D.II.76. De herziening van een gewestplan dat voorlopig door de Regering na advies van de gewestelijke commissie is vastgelegd vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, wordt verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen. Voor de andere procedures die op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerend zijn, worden de artikelen D.II.42 tot 44 en D.II.49 met dien verstande dat : 1° het besluit van de Regering tot bepaling van het voorontwerp van plan als ontwerp van plan en basisdossier in de zin van artikel D.II.40 geldt; 2° het vóór de datum van inwerkingtreding van het Wetboek voltooide milieueffectenonderzoek als verslag over de milieugevolgen in de zin van Boek I van het Milieuwetboek geldt;3° het op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerende milieueffectenonderzoek verder behandeld wordt en bij de voltooiing ervan het verslag over de milieugevolgen in de zin van Boek I van het Milieuwetboek vormt. Afdeling 2. - Gemeentelijk plan van aanleg Onderafdeling 1. - Juridische draagwijdte Art. D.II.77. Het gemeentelijk plan van aanleg, het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg en het gemeentelijk plan van aanleg tot herziening van het op de inwerkingtreding van het Wetboek vigerende gewestplan worden bebouwingsplannen in de zin van artikel D.II.7 en krijgen een indicatieve waarde. Artikel D.II.12 is erop van toepassing. De bepalingen van de afwijkende gemeentelijk plan van aanleg betreffende de bestemmingen en die afwijken van het gewestplan herzien het gewestplan in de zin van artikel D.II.53, eerste lid. Voor de gemeentelijk herzieningsplan van aanleg gaat de kaart met de bestemmingen van het grondgebied bedoeld in artikel 49, 2°, van het "CWATUPE" tot de herziening van het gewestplan over in de zin van artikel D.II.53, eerste lid Het bebouwingsplan betreffende de oude gemeentelijke afwijkende of herzieningsplannen van aanleg mag niet opgeven worden voor zover ze het gewestplan hebben herzien. Onderafdeling 2. - Procedure Art. D.II.78. De opmaking of de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg waarvan het voorontwerp aangenomen is of waarvan het ontwerp voorlopig aangenomen is door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, wordt verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen. Zijn goedkeuring door de Regering wordt evenwel als bebouwingsplan uitgevoerd en wordt onderworpen aan artikel D.II.8, § 6, van het Wetboek. Voor de gemeentelijk herzieningsplan van aanleg gaat de kaart met de bestemmingen van het grondgebied bedoeld in artikel 49, 2°, van het "CWATUPE" tot de herziening van het gewestplan over in de zin van artikel D.II.53, § 1. De opheffing besloten door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de voor die datum vigerende procedure. HOOFDSTUK III. - Andere plannen en schema's Art. D.II.79 Het leidend plan goedgekeurd door de Regering of het leidend schema aangenomen door de gemeenteraad, voor zover de goedkeuring door de Regering of de gemeente vóór 1 maart 1998 heeft plaatsgevonden, wordt een bebouwingsplan. HOOFDSTUK IV. - Erkenningen en toelagen Afdeling 1. - Erkenning Art. D.II.80. De private of openbare natuurlijke of rechtspersonen die erkend zijn voor de opmaking of de herziening van de schema's en van de plannen van aanleg op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek worden erkend in de zin van artikel D.I.13 onder de voorwaarden van hun erkenning. De erkenning voor de opmaking van de gemeentelijke structuurplannen geldt als erkenning voor de opmaking van de gemeentelijke ontwikkelingsplannen. De erkenning voor de opmaking van de gemeentelijke plannen van aanleg geldt als erkenning voor de opmaking van de bebouwingsplannen. Afdeling 2. - Toelagen Art. D.II.81. De in uitvoering zijnde toelagen voor de opmaking van een gemeentelijk structuurplan of van een gemeentelijk plan van aanleg blijven onderworpen aan de bepalingen die bij hun toekenning van toepassing zijn. Op met redenen omkleed voorstel van de gemeenteraad kan de Regering evenwel de in de in uitvoering zijnde toelagen bedoelde termijnen verlengen. BOEK III. - Stedenbouwkundige handleidingen Titel I. - Gewestelijke stedenbouwkundige handleiding HOOFDSTUK I. - Algemeen Art. D.III.1. De Regering kan een gewestelijke stedenbouwkundige handleiding aannemen. De gewestelijke handleiding legt voor Wallonië of voor een deel van het grondgebied ervan waarvan hij de grenzen bepaalt, de doelstellingen van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan vast in stedenbouwkundige doestellingen, aanwijzigen en normen met inachtneming van de specificiteiten van het(
  35. de)grondgebied(
  36. en)waarop hij betrekking heeft. HOOFDSTUK II. - Inhoud Art. D.III.2. De gewestelijke handleiding kan de volgende gegevens omvatten : 1° aanwijzingen over :
  37. a)het behoud, de volumetrie en de kleuren, de stevigheid, de algemene principes van de ligging van de bouwen en installaties op of onder de bodem
  38. b)het behoud, de afmeting en het aspect van de wegen en openbare ruimten met inachtneming van de wetgeving inzake de grote wegen;
  39. c)de aanplantingen, de wijziging van de bodemreliëf, de inrichting van de omgevingen, de afsluitingen en de opslagen;
  40. d)de inrichting van lokalen en van de ruimten bestemd voor het parkeren van voertuigen;
  41. e)de leidingen, kabels en kanalisaties;
  42. f)het straatmeubilair, de uithangborden, en de reclameborden;
  43. g)de antennes
  44. h)de bescherming van één of meer van de in artikel D.II.64 bedoelde omtrekken;
  45. i)de maatregelen voor de bestrijding van de overstromingen, met inbegrip van de architecturale voorzieningen. 2° normen over :
  46. a)de gezondheid, de veiligheid met name hun bescherming tegen brand en voorspelbare natuurrisico's, met inbegrip van de aanzienlijke fysische drukfactoren bedoeld in artikel D.II.64, § 2, 5°;
  47. b)de akoestische kwaliteit van de bouwwerken;
  48. c)wat personen met verminderde beweeglijkheid betreft, de bereikbaarheid en het gebruik van ruimtes en gebouwen of gedeelten van gebouwen die voor het publiek of voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn;
  49. d)de akoestische kwaliteit van bouwwerken in de zones B, C en D van de plannen voor langetermijnontwikkeling van de gewestelijke luchthavens. HOOFDSTUK III. - Procedure Art. D.III.3. § 1. De gewestelijke stedenbouwkundige handleiding wordt op initiatief van de Regering opgemaakt. § 2. De Regering neemt het ontwerp van handleiding aan. § 3. De Regering legt de ontwerp-handleiding ter advies voor aan de gewestelijke commissie en aan de personen en instanties die zij nodig acht te raadplegen. Wanneer de ontwerp-handleiding betrekking heeft op een gedeelte van het gewestelijke grondgebied waarvan hij de grenzen bepaalt, legt de Regering bedoelde ontwerp-handleiding ter advies voor aan de gemeenteraden en aan de gemeentelijke commissies van de gemeenten waarvan het grondgebied betrokken is. § 4. De gemeenteraden, de gewestelijke commissie alsook de in § 3 bedoelde personen en instanties maken hun advies aan de Regering over binnen vijfenveertig dagen na de adviesaanvraag; bij gebrek worden de adviezen geacht gunstig te zijn. § 5. De Regering neemt de handleiding definitief aan. TITEL II. - Gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding HOOFDSTUK I. - Algemeen Art. D.III.4. De gemeenteraad kan een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding aannemen. In voorkomend geval vult hij de doelstellingen, aanwijzingen of normen van de gewestelijke handleiding aan. De gemeentelijke handleiding legt voor het gemeentelijke grondgebied of voor een deel ervan waarvan hij de grenzen bepaalt, de doelstellingen van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gemeentelijke plannen vast in stedenbouwkundige doestellingen, met inachtneming van de specificiteiten van het(
  50. de)grondgebied(
  51. en)waarop hij betrekking heeft. De gemeentelijke handleiding kan ook normen ter aanvulling van die bedoeld in artikel D.III.2., eerste lid, 2°, bepalen. HOOFDSTUK II. - Inhoud Art. D.III.5. De gemeentelijke handleiding kan voor het hele gemeentelijke grondgebied of voor een deel ervan waarvan hij de grenzen vastlegt, aanwijzingen bevatten m.b.t. : 1° de wijze van groepering, de volumetrie, de ligging van de bouwwerken;2° de afmeting en het aspect van de wegen en openbare ruimten met inachtneming van de voorschriften inzake de grote wegen;3° het behoud, de kleuren, de stevigheid van de bouwwerken en installaties op of onder de bodem 4° de aanplantingen, de wijziging van de bodemreliëf, de inrichting van de omgevingen, de afsluitingen en de opslagen;5° de inrichting van lokalen en van de ruimten bestemd voor het parkeren van voertuigen;6° de leidingen, kabels en kanalisaties;7° het straatmeubilair, de uithangborden, en de reclameborden;8° de antennes; 9° de bescherming van één of meer van de in artikel D.II.64 bedoelde omtrekken; 10° de maatregelen voor de bestrijding van de overstromingen, met inbegrip van de architecturale voorzieningen. Hij kan bovendien normen ter aanvullingen van die uitgevaardigd bij de gewestelijke stedenbouwkundige handleiding bevatten over : 1° de gezondheid, de veiligheid met name hun bescherming tegen brand en voorspelbare natuurrisico's, met inbegrip van de aanzienlijke fysische drukfactoren bedoeld in artikel D.II.64, § 2, 5°; 2° de akoestische kwaliteit van de bouwwerken;3° wat personen met verminderde beweeglijkheid betreft, de bereikbaarheid en het gebruik van ruimtes en gebouwen of gedeelten van gebouwen die voor het publiek of voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn;4° de akoestische kwaliteit van bouwwerken in de zones B, C en D van de plannen voor langetermijnontwikkeling van de gewestelijke luchthavens. HOOFDSTUK III. - Procedure Art. D.III.6. § 1. De gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding wordt opgemaakt op initiatief van de gemeenteraad. De gemeenteraad kiest onder de krachtens artikel D.I.13 erkende personen een privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die het voorontwerp van gemeentelijke handleiding moet opmaken. De gemeentelijke commissie, indien er één is, wordt op de hoogte gehouden van voorafgaande studies en kan voorstellen doen telkens als ze het nodig acht. § 2. De gemeenteraad neemt de gemeentelijke stedenbouwkundige ontwerp-handleiding voorlopig aan. § 3. Het gemeentecollege legt tegelijk de ontwerp-handleiding ter advies voor aan de gemeentelijke commissie, of, in voorkomend geval, aan de gewestelijke commissie, aan de gemachtigde ambtenaar en aan de personen en instanties die het nodig acht te raadplegen. De adviezen wordt binnen vijfenveertig dagen na het verzoek van het overgemaakt; bij ontstentenis worden ze gunstig geacht. § 4. De gemeenteraad neemt de gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding aan. § 5. Binnen zestig dagen na ontvangst van het volledige dossier kan de Regering de handleiding bij een met redenen omkleed besluit goedkeuren of weigeren. Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden. Vóór haar beslissing kan de Regering het gemeentecollege verzoeken om documenten ter wijziging van de handleiding te overleggen. In voorkomend geval worden de wijzigingsdocumenten via de gemeente ter advies voorgelegd aan de diensten of commissies bedoeld in § 3. Die adviezen worden overgemaakt binnen de termijnen bedoeld in § 3. Bij ontstentenis worden ze gunstig geacht. In dit geval beginnen de in het eerste lid bedoelde termijnen pas te lopen vanaf de indiening van de wijzigingsdocumenten. De in het tweede lid bedoelde procedure kan slechts tweemaal gebruikt worden. De goedkeuring van de gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding gebeurt rekening houdende met : 1° de overeenstemming met de inhoud bedoeld in artikel D.III.5; 2° de regelmatigheid van de procedure;3° de overeenstemming met de bepalingen met een reglementaire waarden die krachtens het Wetboek genomen zijn;4° de overeenstemming met de bepalingen met een indicatieve waarde of de naleving van de afwijkingsvoorwaarden. Indien het besluit van de Regering niet binnen de voorgeschreven termijn wordt toegezonden, wordt de gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding geacht goedgekeurd te zijn. § 6. De gemeentelijke handleiding wordt op de website van de gemeente bekendgemaakt. De bekendmaking ervan wordt gehandhaafd tijdens de geldigheidsduur van bedoelde handleiding. TITEL III. - Gemeenschappelijke bepalingen HOOFDSTUK I. - Herziening en opheffing Art. D.III.7. § 1. De regels voor de opmaak van de gewestelijke of gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding gelden ook voor de herziening ervan. Het herzieningsdossier moet evenwel slechts de elementen in verband met de geplande herziening omvatten. § 2. De Regering kan het geheel of een gedeelte van de gewestelijke stedenbouwkundige handleiding opheffen. Het opheffingsontwerp wordt onderworpen aan de formaliteiten van artikel D.III.3, §§ 3 en 4. De gemeenteraad kan de gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding geheel of gedeeltelijk opheffen. Het opheffingsontwerp wordt onderworpen aan de formaliteiten van artikel D.III.6, §§ 33 en 5, eerste lid, 4 en 5. Indien het ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan van de U-omtrek(ken) de gehele of gedeeltelijke opheffing van een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding voorstelt en indien bedoelde opheffing bij de goedkeuring van het gemeentelijk ontwikkelingsplan van de U-omtrek(ken) door de Regering is goedgekeurd, moet de beslissing van de gemeenteraad niet ter goedkeuring aan de Regering worden voorgelegd. HOOFDSTUK II. - Juridische gevolgen Art. D.III.8. Alle stedenbouwkundige handleidingen hebben een indicatieve waarde met uitzondering van de normen van de gewestelijke handleiding en van de gemeentelijke handleiding die bindende kracht hebben. HOOFDSTUK III. - Hiërarchie Afdeling 1. - Band tussen de gewestelijke handleiding en de gemeentelijke handleiding Art. D.III.9. Een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding kan afwijken van de inhoud met een indicatieve waarde van de gewestelijke stedenbouwkundige handleiding mits een motivering waarbij wordt bewezen dat de afwijkingen : 1° rekening houdende met de specificiteiten van het grondgebied waarop hij betrekking heeft, worden gerechtvaardigd;2° de hoofdlijnen van het al dan niet bebouwde landschap overeenkomstig een continuïteitlogica of in strijd daarmee naleven, versterken of opnieuw samenstellen. Art. D.III.10. Wanneer de gewestelijke stedenbouwkundige handleiding in werking treedt of na de inwer

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.