← België

Wet betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van

Kort samengevat

Deze wet regelt de oprichting, de werking en het toezicht op betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld in België, en de toegang tot betalingssystemen. Het doel is om de regels voor betalingsdiensten en de uitgifte van elektronisch geld vast te leggen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst

11 MAART 2018. - Wet betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen

(1)FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : BOEK I. - DOEL - DEFINITIES - ALGEMENE BEPALINGEN TITEL I. - Algemene bepaling en doel Artikel 1.§ 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. § 2. Deze wet regelt de oprichting en de werkzaamheden van en het toezicht op in België bedrijvige betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld, evenals bepaalde verplichtingen die gelden voor de verschillende categorieën van betalingsdienstaanbieders en de toegang tot betalingssystemen. § 3. De bepalingen van Boek II van deze wet, die strekken tot omzetting van de bepalingen van de Titels I en II en van de artikelen 65 tot 67 en 95 tot 98 van Titel IV van Richtlijn (EU) 2015/2366, regelen de werkzaamheden van betalingsdienstaanbieders, het statuut van betalingsinstellingen en het toezicht op de naleving van de regels waaruit dit statuut bestaat. Boek III van deze wet strekt met name tot omzetting van artikel 35 van Richtlijn (EU) 2015/2366 en regelt de toegang tot en de interoperabiliteit van betalingssystemen in België en de scheiding tussen betaalkaartschema's en verwerkingsentiteiten. Boek IV van deze wet strekt tot omzetting van Richtlijn 2009/110/EG. Boek IV regelt bijgevolg de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, het statuut van instellingen voor elektronisch geld, evenals het toezicht op de naleving van de regels waaruit dit statuut bestaat. Tot slot voorzien de bepalingen van Boek V, Titel II, Hoofdstuk II, Afdeling II met name in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad. Deze artikelen strekken er met name toe de artikelen 2, punten 48, 82 en 84, 4, lid 7, 65, lid 2, 74, lid 2 en lid 3 en 86, lid 3 van de voornoemde richtlijn om te zetten. TITEL II. - Definities Art. 2.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° "betalingsdienst" : de in Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten; 2° "uitvoering van een overschrijving" : een betalingsdienst voor het crediteren van de betaalrekening van een begunstigde met een betalingstransactie of een reeks betalingstransacties van een betaalrekening van een betaler door de betalingsdienstaanbieder die de betaalrekening van de betaler beheert, op basis van een door de betaler gegeven instructie;3° "acceptatie van betalingstransacties" : een door een betalingsdienstaanbieder aangeboden betalingsdienst waarbij met een begunstigde een overeenkomst wordt gesloten voor de acceptatie en de verwerking van betalingstransacties, waardoor een geldovermaking naar de begunstigde ontstaat;4° "geldtransfer" : een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee overeenstemmende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder, en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld;5° "betalingsinitiatie" : een dienst voor het initiëren van een betalingsopdracht, op verzoek van de betalingsdienstgebruiker, om een betaalrekening te debiteren die door die gebruiker bij een andere betalingsdienstaanbieder wordt aangehouden, en om een andere betaalrekening te crediteren;6° "rekeninginformatiedienst" : een onlinedienst voor het verstrekken van geconsolideerde informatie over een of meer betaalrekeningen die de betalingsdienstgebruiker bij een andere betalingsdienstaanbieder of bij meer dan één betalingsdienstaanbieder aanhoudt;7° "uitgifte van betaalinstrumenten" : een door een betalingsdienstaanbieder aangeboden betalingsdienst waarbij een overeenkomst wordt gesloten om aan een betaler een betaalinstrument voor het initiëren en het verwerken van de betalingstransacties van de betaler te verstrekken;8° "betalingsinstelling" : een instelling als bedoeld in Boek II, Titel II;9° "geregistreerde betalingsinstelling" : een betalingsinstelling als bedoeld in Boek II, Titel II, Hoofdstuk II;10° "vergunninghoudende betalingsinstelling" : een betalingsinstelling als bedoeld in Boek II, Titel II, Hoofdstuk I;11° "betalingsdienstaanbieder" : de in artikel 5 bedoelde instellingen, overheden en entiteiten;12° "rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder" : een betalingsdienstaanbieder die ten behoeve van een betalingsdienstgebruiker een betaalrekening aanbiedt en beheert;13° "rekeninghoudende betalingsinstelling" : een betalingsinstelling die ten behoeve van een betalingsdienstgebruiker een betaalrekening aanbiedt en beheert; 14° "betalingsinitiatiedienstaanbieder" : een betalingsdienstaanbieder die de in Bijlage I.A, punt 7, bedoelde werkzaamheden uitoefent; 15° "betalingsinstelling die betalingsinitiatiediensten aanbiedt" : een betalingsinstelling die de in Bijlage I.A, punt 7, bedoelde werkzaamheden uitoefent; 16° "rekeninginformatiedienstaanbieder" : een betalingsdienstaanbieder die de in Bijlage I.A, punt 8, bedoelde werkzaamheden uitoefent; 17° "betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt" : een betalingsinstelling die de in Bijlage I.A, punt 8, bedoelde werkzaamheden uitoefent; 18° "betaalrekening" : een op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;19° "betalingsdienstgebruiker" : een natuurlijke of rechtspersoon die als betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt;20° "betaler" : hetzij een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingsopdracht vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij, bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft;21° "begunstigde" : een natuurlijke of rechtspersoon die de beoogde ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;22° "betalingstransactie" : een door of voor rekening van de betaler of door de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;23° "betalingstransactie op afstand" : een betalingstransactie die via internet of met een voor communicatie op afstand bruikbaar apparaat wordt geïnitieerd;24° "betalingsopdracht" : door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een betalingstransactie uit te voeren;25° "geldmiddelen" : bankbiljetten en muntstukken, giraal geld en elektronisch geld in de zin van de bepaling onder 77° ;26° "betaalinstrument" : gepersonaliseerd(
  1. e)instrument(
  2. en)en/of geheel van procedures, overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt voor het initiëren van een betalingsopdracht;27° "derde land" : een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;28° "lidstaat" : een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;29° "lidstaat van herkomst" : de lidstaat waar aan een betalingsinstelling een vergunning is verleend;30° "lidstaat van ontvangst" : andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, waar een betalingsinstelling een bijkantoor of agenten heeft, dan wel diensten verricht;31° "betalingssysteem" : systeem voor de overmaking van geldmiddelen met formele en gestandaardiseerde regelingen en gemeenschappelijke regels voor de verwerking, verrekening en/of afwikkeling van betalingstransacties;32° "retailbetalingssysteem" : een betalingssysteem dat hoofdzakelijk bedoeld is voor de verwerking, verrekening of afwikkeling van overschrijvingen of domiciliëringen die in het algemeen zijn gebundeld met het oog op het versturen ervan en voornamelijk kleine bedragen betreffen en een lage prioriteit hebben, en dat geen betalingssysteem voor grote bedragen is;33° "bijkantoor" : een bedrijfsvestiging die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een betalingsinstelling en rechtstreeks alle of bepaalde handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een betalingsinstelling;alle in eenzelfde lidstaat gelegen bedrijfsvestigingen van een betalingsinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden samen als één bijkantoor beschouwd; 34° "agent" : een natuurlijke of rechtspersoon die bij het aanbieden van betalingsdiensten voor rekening van een betalingsinstelling optreedt;35° "nauwe banden" :
  3. a)een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat, of
  4. b)een situatie waarin ondernemingen verbonden ondernemingen zijn, of
  5. c)een band van dezelfde aard als bedoeld in
  6. a)en
  7. b)hierboven tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;36° "uitbesteding" : een overeenkomst van om het even welke vorm tussen een betalingsinstelling en een dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener een proces, een dienst of een activiteit verricht die anders door de betalingsinstelling zelf zou worden verricht;37° "een gereglementeerde onderneming" : een onderneming met het statuut van : - kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3 van de bankwet; - verzekerings- of herverzekeringsonderneling in de zin van artikel 5 van de wet van 13 maart 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/03/2016 pub. 23/03/2016 numac 2016011092 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen type wet prom. 13/03/2016 pub. 30/09/2016 numac 2016000568 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 13/03/2016 pub. 27/01/2017 numac 2017010162 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. - Duitse vertaling van uittreksels sluiten op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; - beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, § 1 van de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten0 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies; - beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12° van de wet van 3 augustus 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/08/2012 pub. 18/02/2015 numac 2015000044 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen; - beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13° van de wet van 19 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/04/2014 pub. 17/06/2014 numac 2014003229 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders type wet prom. 19/04/2014 pub. 09/06/2016 numac 2016000324 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; en - elke andere onderneming opgericht naar buitenlands recht die, indien ze haar zetel in België zou hebben, een vergunning zou moeten verkrijgen voor de uitoefening van het bedrijf van beleggingsonderneming; 38° "elektronischecommunicatienetwerk" : een netwerk als gedefinieerd in artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten;39° "elektronischecommunicatiedienst" : een dienst als gedefinieerd in artikel 2, onder c), van Richtlijn 2002/21/EG;40° "digitale inhoud" : in digitale vorm geproduceerde en geleverde goederen of diensten die uitsluitend binnen een technisch apparaat kunnen worden gebruikt of verbruikt, en waarbij op geen enkele wijze fysieke goederen of diensten worden gebruikt of verbruikt;41° "eigen vermogen" : vermogen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 118, van Verordening (EU) nr.575/2013, met dien verstande dat ten minste 75 % van het tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van die verordening en het tier 2-kapitaal ten hoogste een derde van het tier 1-kapitaal uitmaakt; 42° "groep" : een groep van ondernemingen die onderling verbonden zijn door een betrekking als bedoeld in artikel 22, leden 1, 2 of 7 van Richtlijn 2013/34/EU, of ondernemingen als bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr.241/2014 van de Commissie
(1), die met elkaar verbonden zijn door een betrekking als bedoeld in artikel 10, lid 1, of in artikel 113, lid 6 of lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013; 43° "gekwalificeerde deelneming" : een gekwalificeerde deelneming als gedefinieerd in artikel 3, 28°, van de bankwet;44° "authenticatie" : een procedure waarmee een betalingsdienstaanbieder de identiteit van een betalingsdienstgebruiker dan wel de validiteit van het gebruik van een specifiek betaalinstrument kan verifiëren, het gebruik van de persoonlijke beveiligingsgegevens van de gebruiker inbegrepen;45° "sterke cliëntauthenticatie" : authenticatie met gebruikmaking van twee of meer factoren die worden aangemerkt als kennis (iets wat alleen de gebruiker weet), bezit (iets wat alleen de gebruiker heeft) en inherente eigenschap (iets wat de gebruiker
  1. is)en die onderling onafhankelijk zijn, in die zin dat compromittering van één ervan geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de andere en die zodanig is opgezet dat de vertrouwelijkheid van de authenticatiegegevens wordt beschermd;46° "gevoelige betalingsgegevens" : gegevens waarmee fraude kan worden gepleegd, waaronder persoonlijke beveiligingsgegevens.Voor de activiteiten van betalingsinitiatiedienstaanbieders en rekeninginformatiedienstaanbieders vormen de naam van de rekeninghouder en het rekeningnummer geen gevoelige betalingsgegevens; 47° "techniek voor communicatie op afstand" : middel dat, zonder dat de betalingsdienstaanbieder en de betalingsdienstgebruiker gelijktijdig fysiek aanwezig zijn, kan worden gebruikt voor de sluiting van een betalingsdienstovereenkomst;48° "strategische beslissing" : een beslissing die een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de instelling, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de instelling, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de instelling, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere instelling, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing.Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de instellingen. Zij maakt dat reglement openbaar; 49° "persoonlijke beveiligingsgegevens" : voor doeleinden van authenticatie door de betalingsdienstaanbieder aan een betalingsdienstgebruiker verstrekte gepersonaliseerde gegevens;50° "onafhankelijke controlefunctie" : de compliancefunctie, de risicobeheerfunctie of de interneauditfunctie als respectievelijk bedoeld in artikel 21, § 1, 5°, 6° en 7°, en in artikel 176, § 1;51° "exploitant" : entiteit of entiteiten die wettelijk aansprakelijk is of zijn voor de werking van een systeem;52° "domiciliëring" : een betalingsdienst voor het debiteren van de betaalrekening van een betaler, waarbij een betalingstransactie wordt geïnitieerd door de begunstigde op basis van een door de betaler aan de begunstigde, aan de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde, dan wel aan de betalingsdienstaanbieder van de betaler verleende instemming;53° "de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten" : de instelling bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I sluiten, hierna "de FSMA" genoemd;54° "de Bank" : de Nationale Bank van België, als bedoeld in de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten;55° "Richtlijn 2009/110/EG" : Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG;56° "Richtlijn 2013/36/EU" : Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG;57° "Verordening (EU) nr.575/2013" : Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; 58° "Richtlijn (EU) 2015/849" : Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie; 59° "Richtlijn (EU) 2015/2366" : Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr.1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG; 60° "uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366" : het geheel van uitvoeringsmaatregelen genomen ter uitvoering van Richtlijn (EU) 2015/2366;61° "Verordening (EU) nr.648/2012" : Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters; 62° "Verordening (EU) nr.260/2012" : Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overschrijvingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009; 63° "GTM-verordening" : Verordening (EU) nr.1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen; 64° "Verordening (EU) nr.2015/751" : Verordening (EU) nr. 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties; 65° "Verordening (EU) 2015/847 : Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr.1781/2006; 66° "de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten" : de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;67° "de wet van 16 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/06/2006 pub. 21/06/2006 numac 2006009492 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt sluiten" : de wet van 16 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/06/2006 pub. 21/06/2006 numac 2006009492 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt sluiten op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;68° "de wet van 21 december 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/2009 pub. 19/01/2010 numac 2009003476 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen type wet prom. 21/12/2009 pub. 26/05/2011 numac 2011000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten" : de wet van 21 december 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/2009 pub. 19/01/2010 numac 2009003476 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen type wet prom. 21/12/2009 pub. 26/05/2011 numac 2011000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;69° "de bankwet" : de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;70° "de wet van 18 september 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten2" : de wet van 18 september 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten2 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, en de uitvoeringsmaatregelen ervan;71° "de wet van 2 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/05/2007 pub. 04/08/2008 numac 2008000628 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen. - Duitse vertaling type wet prom. 02/05/2007 pub. 12/06/2007 numac 2007003215 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen sluiten" : de wet van 2 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/05/2007 pub. 04/08/2008 numac 2008000628 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen. - Duitse vertaling type wet prom. 02/05/2007 pub. 12/06/2007 numac 2007003215 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen sluiten op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen;72° "de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten0" : de wet van 25 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten0 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;73° "instelling voor elektronisch geld" : een instelling als bedoeld in Boek IV, Titels II en III;74° "beperkte instelling voor elektronisch geld" : een instelling als bedoeld in Boek IV, Titel II, Hoofdstuk II;75° "vergunninghoudende instelling voor elektronisch geld" : een instelling voor elektronisch geld als bedoeld in Boek IV, Titel II, Hoofdstuk I;76° "uitgevers van elektronisch geld" : de instellingen en andere entiteiten bedoeld in artikel 163, waarvan de werkzaamheden bestaan in het uitgeven van elektronisch geld;77° "elektronisch geld" : elektronisch, met inbegrip van magnetisch, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoordigd door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten in de zin van de bepaling onder 22° van dit artikel, en die wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elektronisch geld;78° "houder van elektronisch geld" : een natuurlijke of rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld door die uitgever;79° "gemiddeld uitstaand elektronisch geld" : het gemiddelde totale bedrag van de met elektronisch geld verband houdende financiële verplichtingen dat op het einde van elke kalenderdag in omloop is gedurende de zes voorafgaande kalendermaanden, berekend op de eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toegepast voor die kalendermaand;80° "distributeur" : een natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld overmaakt en/of terugbetaalt overeenkomstig artikel 190; 81° "werkdag" : een dag zoals omschreven in artikel I.9, 17°, van hoofdstuk 5, Titel 2, Boek I van het Wetboek van Economisch Recht. TITEL III - Algemene bepalingen Art. 3.In België mogen alleen betalingsinstellingen die in België zijn gevestigd en betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die op grond van artikel 124 in België werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten, publiekelijk gebruik maken van de term "betalingsinstelling" of meer in het algemeen van de termen die verwijzen naar het statuut van betalingsinstelling, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame. Art. 4.In België mogen alleen instellingen voor elektronisch geld die in België zijn gevestigd en instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die op grond van artikel 219 in België werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten, publiekelijk gebruik maken van de term "instelling voor elektronisch geld" of meer in het algemeen van de termen die verwijzen naar het statuut van instelling voor elektronisch geld, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame. BOEK II. - BETALINGSDIENSTAANBIEDERS TITEL I. - Monopolie ten gunste van betalingsdienstaanbieders Art. 5.§ 1. Onverminderd de bepalingen betreffende hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen, overheden en entiteiten, binnen de bij of krachtens deze wet vastgestelde beperkingen, beroepsmatig betalingsdiensten aanbieden in België : 1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, die gemachtigd zijn om in hun land van herkomst betalingsdiensten aan te bieden en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 312 en 313 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 333 van de bankwet en die op grond van het recht van dat derde land gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden;2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 218 tot 221, en, voor de betalingsdiensten die voor hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld vereist zijn, bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd op grond van artikel 228;3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of publieke autoriteit;5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit;6° betalingsinstellingen naar Belgisch recht als bedoeld in Titel II, met inbegrip van geregistreerde betalingsinstellingen, betalingsinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 120, 124 of 127, en bijkantoren van betalingsinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd op grond van artikel 144. § 2. Voor de toepassing van deze wet worden de in paragraaf 1 bedoelde instellingen, overheden en entiteiten als betalingsdienstaanbieders aangemerkt. Art. 6.§ 1. In afwijking van artikel 5, § 1, mag een onderneming naar Belgisch recht betalingsdiensten verrichten met betaalinstrumenten, voor zover die instrumenten enkel kunnen worden gebruikt in het kader van een beperkt netwerk. Een betaalinstrument wordt gebruikt in het kader van een beperkt netwerk, als bedoeld in het eerste lid, wanneer : 1° het betaalinstrument door de houder ervan uitsluitend kan worden gebruikt om in de bedrijfsgebouwen van de uitgever of, in het kader van een handelsovereenkomst met de uitgever, binnen een beperkt netwerk van dienstaanbieders goederen of diensten aan te schaffen;of 2° met het betaalinstrument uitsluitend goederen of diensten uit een zeer beperkt gamma kunnen worden aangeschaft;of 3° het betaalinstrument enkel kan worden gebruikt in België, met name op initiatief van een onderneming of een openbare instelling wordt aangeboden, door een Belgische overheidsinstantie voor specifieke sociale of fiscale doeleinden wordt gereguleerd en er specifieke goederen of diensten mee kunnen worden aangeschaft bij leveranciers die een handelsovereenkomst met de uitgever hebben gesloten. § 2. Ondernemingen die betalingsdiensten aanbieden die gebaseerd zijn op betaalinstrumenten die in het kader van een beperkt netwerk kunnen worden gebruikt, als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° of 2°, moeten aan de Bank de volgende gegevens meedelen wanneer de totale waarde van de betalingstransacties die tijdens de voorgaande twaalf maanden door de onderneming zijn verricht, 1 000 000 euro overschrijdt : 1° een gedetailleerde beschrijving van de betrokken betalingsdiensten;2° het bewijs dat het betaalinstrument voldoet aan de in paragraaf 1, tweede lid, 1° of 2°, bedoelde voorwaarden om als een in het kader van een beperkt netwerk gebruikt betaalinstrument te worden beschouwd. Indien de Bank op grond van die gegevens vaststelt dat de voorwaarden om als een in het kader van een beperkt netwerk gebruikt betaalinstrument te worden beschouwd, niet vervuld zijn, brengt zij de betrokken onderneming daarvan op de hoogte binnen twee maanden volgend op de ontvangst van een volledige kennisgeving en stelt zij de termijn vast waarbinnen de onderneming aan die voorwaarden moet voldoen of het statuut van betalingsinstelling moet verkrijgen. Indien de Bank geen beslissing neemt binnen deze termijn, moet ervan uitgegaan worden dat de voorwaarden om als een in het kader van een beperkt netwerk gebruikt betaalinstrument te worden beschouwd, vervuld zijn. De ondernemingen die de in het eerste lid bedoelde kennisgeving hebben verricht en die betalingsdiensten mogen aanbieden die gebaseerd zijn op betaalinstrumenten die in het kader van een beperkt netwerk kunnen worden gebruikt als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° of 2°, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, 3°. De Bank deelt de Europese Bankautoriteit mee van welke betalingsdiensten haar overeenkomstig het eerste lid kennis is gegeven. Art. 7.§ 1. In afwijking van artikel 5, § 1, mag een aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten naar Belgisch recht, mits hij de in paragraaf 2 bedoelde kennisgeving verricht, betalingstransacties uitvoeren, voor zover die betalingsdienst voor zijn abonnees wordt verricht ter aanvulling op elektronischecommunicatiediensten en de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° de waarde van de afzonderlijke betalingstransacties bedraagt niet meer dan 50 euro en de totale waarde van de betalingstransacties voor één enkele abonnee bedraagt niet meer dan 300 euro per maand, ongeacht of de abonnee zijn rekening bij de aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten heeft voorgefinancierd of niet;en 2° het bedrag van de betalingstransacties wordt in rekening gebracht via de factuur voor elektronischecommunicatiediensten en de betalingstransacties worden verricht :
  2. a)voor de aankoop van digitale inhoud en spraakgestuurde diensten, ongeacht het voor de aankoop of consumptie van de digitale inhoud gebruikte apparaat;
  3. b)voor de financiering van liefdadigheidsactiviteiten die door de Staat zijn erkend als recht gevend op aftrekbaarheid van de giften, en dit via een elektronisch apparaat.De Koning kan bij koninklijk besluit de lijst vaststellen van de in dit punt bedoelde liefdadigheidsactiviteiten; of nog
  4. c)voor de aankoop van elektronische tickets, en dit via een elektronisch apparaat. § 2. Aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die betalingstransacties wensen te verrichten onder de voorwaarden van paragraaf 1, moeten de Bank daar voorafgaandelijk van in kennis stellen. Bij deze kennisgeving dienen de volgende documenten te worden gevoegd : 1° een beschrijving van de betrokken activiteit;2° het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van paragraaf 1. Indien de Bank op grond van die gegevens vaststelt dat de voorwaarden van paragraaf 1 niet vervuld zijn, brengt zij de betrokken onderneming daarvan op de hoogte binnen twee maanden volgend op de ontvangst van een volledige kennisgeving en stelt zij de termijn vast waarbinnen de onderneming aan de voorwaarden van paragraaf 1 moet voldoen of het statuut van betalingsinstelling moet verkrijgen. Indien de Bank geen beslissing neemt binnen deze termijn, moet ervan uitgegaan worden dat de voorwaarden van paragraaf 1 vervuld zijn. § 3. Aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die op grond van dit artikel gemachtigd zijn om betalingstransacties te verrichten, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, 4°. De Bank deelt aan de Europese Bankautoriteit de voorwaarden van paragraaf 1 mee waaraan de aanbieder voldoet en waarvan hij haar met toepassing van paragraaf 2, eerste lid, kennis heeft gegeven. § 4. De aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten verstrekken aan de Bank jaarlijks een advies van hun commissaris, en, bij ontstentenis, van een bedrijfsrevisor, waaruit blijkt dat de activiteit wordt verricht met inachtneming van de in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedragen. Zij delen haar ook jaarlijks een bijgewerkte versie mee van de beschrijving van hun werkzaamheden inzake betalingstransacties. Art. 8.§ 1. De Bank houdt een lijst bij van de entiteiten die gemachtigd zijn om in België betalingsdiensten aan te bieden. In deze lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen : 1° betalingsinstellingen waaraan op grond van artikel 12 een vergunning is verleend;2° betalingsinstellingen die geregistreerd zijn als :
  5. a)beperkte betalingsinstelling, op grond van artikel 82;of
  6. b)betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt, op grond van artikel 91;3° andere personen dan die bedoeld in de punten 1° en 2°, die op grond van artikel 6 gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden;4° aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die op grond van artikel 7 gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden. De lijst verschaft ten minste de volgende gegevens : 1° de betalingsdiensten die in België mogen worden uitgeoefend, voor elke in paragraaf 1 bedoelde entiteit;2° het adres van de bijkantoren in België en in het buitenland, voor elke in het eerste lid, 1° en 2°,
  7. b)bedoelde instelling, en het adres van de bijkantoren in België, voor de in paragraaf 1, eerste lid, 2°,
  8. a)bedoelde instellingen;3° de identiteit van de agenten in België en in het buitenland, voor elke in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°,
  9. b)bedoelde instelling, en de identiteit van de agenten in België, voor de in het eerste lid, 2°,
  10. a)bedoelde instellingen;4° in voorkomend geval, het type beperkt netwerk als bedoeld in artikel 6, § 1, waarbinnen de betalingsdiensten worden aangeboden;5° in voorkomend geval, de voorwaarde van artikel 7, § 1, 2°, waaraan de aanbieder voldoet. § 2. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de in paragraaf 1 bedoelde gegevens en van de actualiseringen daarvan. § 3. De Bank maakt de lijst bekend op haar website en werkt de erin opgenomen gegevens regelmatig bij. TITEL II. - Betalingsinstellingen naar Belgisch recht HOOFDSTUK I. - Vergunninghoudende betalingsinstellingen Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf Onderafdeling 1. - Vergunningsplicht Art. 9.Eenieder die in België de in de punten 1 tot 7 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten wil aanbieden als betalingsinstelling, moet, vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, ongeacht de overige plaatsen waar hij zijn werkzaamheden uitoefent. Onderafdeling 2. - Procedure Art. 10.Bij de vergunningsaanvraag die bij de Bank wordt ingediend, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het volgende bevat : 1° een programma van werkzaamheden waarin vermeld wordt welke van de in de punten 1 tot 8 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten de instelling voornemens is te verrichten, en, eventueel, welke andere werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 43 en 44; 2° een bedrijfsplan met inbegrip van een financieel plan voor de eerste drie boekjaren, dat aantoont dat de aanvrager beschikt over de voor zijn voorgenomen werkzaamheden passende middelen om voor de betalingsdiensten een gezonde bedrijfsvoering te garanderen;3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in artikel 17 bedoelde aanvangskapitaal; 4° voor de betalingsinstellingen die voornemens zijn de in de punten 1 tot 6 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten aan te bieden : een omschrijving van de maatregelen die overeenkomstig artikel 42, § 1, zijn genomen ter bescherming van de geldmiddelen van de betalingsdienstgebruiker; 5° een beschrijving van de beleidsstructuur en van de organisatieregeling van de aanvrager, waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 21;6° een beschrijving van de wijze waarop het betalingsdienstenbedrijf zal worden uitgeoefend door de aanvrager, in voorkomend geval met inbegrip van een beschrijving van het gebruik dat zal worden gemaakt van uitbesteding, agenten en bijkantoren en van de planning van inspecties ter plaatse en aan de hand van documenten, als bedoeld in de artikelen 64 en 73, en, in voorkomend geval, van de voorgenomen deelname van de aanvrager aan een nationaal of internationaal betalingssysteem;7° de identiteit van de aandeelhouders of vennoten als bedoeld in artikel 19, de omvang van hun deelneming in kapitaalfracties van de aanvrager en stemrechten, alsmede alle gegevens waarmee kan worden aangetoond dat voldaan is aan de vereisten van artikel 19;8° de identiteit van de leiders bedoeld in artikel 20 en alle gegevens waarmee kan worden aangetoond dat voldaan is aan de vereisten van artikel 20;9° de identiteit van de commissaris(sen);10° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager;11° het adres van de zetel van de aanvrager;12° een beschrijving van de procedure voor het beheer van gevoelige betalingsgegevens, met inbegrip van de maatregelen die de naleving garanderen van de regels voor de authenticatie en de toegang tot betaalrekeningen in het geval van betalingsinitiatiediensten, waaruit blijkt dat voldaan is aan de artikelen 46 tot 48;13° een beschrijving van de regeling die garandeert dat de in artikel 49 bedoelde gemeenschappelijke en beveiligde open communicatienormen worden nageleefd;14° een beschrijving van het beveiligingsbeleid van de aanvrager, waaruit blijkt dat voldaan is aan de artikelen 50 tot 52, en met name een overeenkomstig artikel 50 uitgevoerde gedetailleerde analyse van de risico's verbonden aan de betalingsdiensten, en een beschrijving van de maatregelen op het gebied van risicobeheersing en -beperking die worden genomen om de gebruikers te beschermen en de in de artikelen 51 en 52 bedoelde operationele en veiligheidsrisico's te beheersen;15° een beschrijving van de procedure voor het beheer en de melding van veiligheidsincidenten, waaruit blijkt dat voldaan is aan de vereisten van artikel 53;16° een beschrijving van de beginselen en definities voor het verzamelen van statistische gegevens over prestaties, transacties en fraude, waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 54;17° een beschrijving van de bedrijfscontinuïteitsregelingen, met daarin een duidelijke uiteenzetting van de essentiële bedrijfsactiviteiten, alsmede noodplannen en een procedure om de toereikendheid van deze plannen periodiek te toetsen, overeenkomstig artikel 21, § 1, 9° ;18° voor het verstrekken van betalingsinitiatiediensten :
  11. a)een kopie van de ontwerpovereenkomst of van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of van een andere vergelijkbare waarborg, waaruit blijkt dat voldaan is aan de vereisten van artikel 18;
  12. b)de relevante informatie op grond waarvan de Bank kan beoordelen of het bedrag dat gedekt is door de in
  13. a)bedoelde verzekering of waarborg voldoende is om te voldoen aan de vereisten van artikel 18;19° voor het verstrekken van diensten die bestaan in de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten : een beschrijving van de procedure waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 55;20° voor het beheer van rekeningen : een beschrijving van de procedure waaruit blijkt dat voldaan is aan de artikelen 56 tot 58. Bovendien moet de aanvrager op verzoek van de Bank alle aanvullende inlichtingen verstrekken die nodig zijn om zijn aanvraag te kunnen beoordelen. Art. 11.§ 1. De Bank beslist over de vergunningsaanvraag na advies van de FSMA over de professionele betrouwbaarheid van de personen bedoeld in artikel 20, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die onder het toezicht staat van de Bank krachtens artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, of van de Europese Centrale Bank krachtens de GTM-verordening. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van veertien dagen na het verzoek om advies dat haar door de Bank werd bezorgd, en uiterlijk binnen een maand na dit verzoek. Afwezigheid van advies binnen deze termijn van een maand geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken. § 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in haar beslissing over de vergunningsaanvraag. Art. 12.De Bank spreekt zich uit over de vergunningsaanvraag binnen drie maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen twaalf maanden na indiening van de aanvraag. De Bank verleent een vergunning aan de betalingsinstellingen die voldoen aan de voorwaarden van Afdeling II. Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden van Afdeling II niet vervuld zijn, weigert zij de vergunning. De beslissingen inzake vergunning worden per aangetekende zending of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de aanvragers. In de beslissing van de Bank wordt gespecificeerd voor welke betalingsdiensten de vergunning wordt verleend. Deze diensten kunnen ook de in punt 8 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten omvatten. Art. 13.Teneinde een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen, kan de Bank in de vergunning voorwaarden stellen voor de uitoefening van bepaalde van de werkzaamheden. Art. 14.De instellingen waaraan krachtens dit Hoofdstuk een vergunning is verleend als betalingsinstelling, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°. Afdeling II. - Vergunningsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 15.Behalve met de voorwaarden van deze Afdeling houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de aanvragende instelling om te voldoen aan de in Afdeling III vastgestelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het financiële stelsel en voor de veiligheid van de betalingsdienstgebruikers. Onderafdeling 2. - Vennootschapsvorm Art. 16.Iedere betalingsinstelling naar Belgisch recht moet worden opgericht in de rechtsvorm van een handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht door één enkele persoon. Onderafdeling 3. - Aanvangskapitaal Art. 17.Om een vergunning te kunnen verkrijgen is een volgestort kapitaal vereist dat : 1° ten minste 20 000 euro bedraagt, wanneer de betalingsinstelling enkel de in punt 6 van Bijlage I.A bedoelde geldtransferdiensten verricht; 2° ten minste 50 000 euro bedraagt, wanneer de betalingsinstelling enkel de in punt 7 van Bijlage I.A bedoelde betalingsinitiatiediensten verricht; 3° ten minste 125 000 euro bedraagt, wanneer de instelling een of meerdere van de in de punten 1 tot 5 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten verricht. Voor bestaande vennootschappen die een vergunning aanvragen, worden de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitzondering van de herwaarderingsmeerwaarden, gelijkgesteld met kapitaal. Dit kapitaal moet echter de helft bedragen van de in het eerste lid bedoelde bedragen en ten belope van die bedragen zijn gestort. De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, welke elementen in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde aanvangskapitaal. Onderafdeling 4. - Beroepsaansprakelijkheidsverzekering Art. 18.De betalingsinstellingen die betalingsinitiatiediensten aanbieden, moeten over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering beschikken voor de gebieden waarin zij diensten aanbieden, of over een andere vergelijkbare voldoende grote waarborg, waarmee zij gedekt zijn voor hun aansprakelijkheid, overeenkomstig de artikelen 73, 89, 90 en 92 van Richtlijn (EU) 2015/2366. De Bank beoordeelt de toereikendheid van het door de verzekering of waarborg gedekte bedrag op grond van de richtsnoeren die door de Europese Bankautoriteit zijn opgesteld krachtens artikel 5, lid 4, van Richtlijn (EU) 2015/2366. Bij deze berekening wordt met name rekening gehouden met : 1° het risicoprofiel van de instelling; 2° het feit of de instelling andere in Bijlage I.A vermelde betalingsdiensten aanbiedt, of andere bedrijfswerkzaamheden verricht; 3° het belang van de verrichte werkzaamheden;en 4° het bedrag van de geïnitieerde betalingen. Onderafdeling 5. - Aandeelhouders of vennoten Art. 19.De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de natuurlijke of rechtspersonen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de betalingsinstelling een gekwalificeerde deelneming bezitten, niet geschikt zijn om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen. De beoordeling van de geschiktheid om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen, gebeurt aan de hand van de volgende criteria : 1° de betrouwbaarheid van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen;2° de professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid van elke in artikel 20 bedoelde persoon die het bedrijf van de betalingsinstelling feitelijk gaat leiden;3° de financiële soliditeit van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, op grond van hun vermogen om aan de instelling de nodige financiële steun te verlenen, rekening houdend met haar bedrijfswerkzaamheden;4° het vermogen van de betalingsinstelling om te voldoen en te blijven voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit deze wet en haar uitvoeringsreglementen, evenals, in voorkomend geval, uit de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366;5° of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat in hoofde van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren, of dat hun hoedanigheid van aandeelhouder van de betalingsinstelling het risico daarop zou kunnen vergroten. Onderafdeling 6. - Leiding Art. 20.§ 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de betalingsinstelling, de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling, evenals de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, zijn uitsluitend natuurlijke personen. De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functies vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. § 2. De effectieve leiding van de betalingsinstelling moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen. § 3. Artikel 20 van de bankwet is van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde personen. Onderafdeling 7. - Organisatie Art. 21.§ 1. Iedere betalingsinstelling beschikt over een solide en passende regeling voor de bedrijfsorganisatie, waaronder toezichtsmaatregelen, om een doeltreffende en prudente bedrijfsvoering van de instelling te garanderen, die met name berust op : 1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de instelling en, anderzijds, het toezicht op die leiding, en die binnen de instelling voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden;2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waaronder met name een controlesysteem dat enerzijds een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiëleverslaggevingsproces, zodat de jaarrekening in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering, en er anderzijds voor zorgt dat de verplichtingen opgelegd door de wet van 18 september 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten2 en door Verordening (EU) nr.2015/847, worden nageleefd; 3° passende controle- en beveiligingsmaatregelen op informaticagebied, die er met name voor zorgen dat de bepalingen van de artikelen 46 tot 49 en 51 worden nageleefd;4° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer, de opvolging en de interne rapportering van de risico's waaraan de betalingsinstelling blootstaat of bloot kan komen te staan door haar bedrijfswerkzaamheden, en in het bijzonder procedures voor het beheer van de operationele risico's en voor de beveiliging die voldoen aan de artikelen 50 tot 52 en procedures voor de rapportering van incidenten die voldoen aan artikel 53;5° een passende onafhankelijke compliance functie, om te verzekeren dat de wettelijke en reglementaire voorschriften in verband met de integriteit van de werkzaamheden van de betalingsinstellingen worden nageleefd door de instelling, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, haar effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden;6° een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie;7° een passende onafhankelijke interne auditfunctie die toelaat redelijke maatregelen vast te stellen om de belangen van de betalingsdienstgebruikers te beschermen en om de continuïteit en betrouwbaarheid bij het verstrekken van betalingsdiensten te garanderen;8° een passend integriteitsbeleid;9° de invoering van passende maatregelen op het vlak van de bedrijfscontinuïteit om te garanderen dat de essentiële bedrijfsfuncties kunnen worden behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden hersteld en dat de normale dienstverlening en activiteit binnen een redelijke tijdspanne kan worden hervat.Dit houdt met name in dat de essentiële bedrijfsactiviteiten duidelijk geïdentificeerd worden, dat er passende noodplannen worden opgesteld en dat er een procedure wordt ingesteld om de toereikendheid en efficiëntie van deze plannen regelmatig te beproeven en te herzien. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde organisatorische regeling is gedetailleerd uitgewerkt en is passend voor de aard, schaal en complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en aan de werkzaamheden van de instelling, met inbegrip van de in artikel 43, § 1, bedoelde werkzaamheden en de werkzaamheden die toegelaten zijn op grond van artikel 44. § 3. Onverminderd het bepaalde bij de paragrafen 1 en 2, en artikel 20, kan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie, een passende interne controle, passende controle- en beveiligingsmaatregelen op informaticagebied, doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer, de opvolging en de interne rapportering van de risico's, een passende onafhankelijke compliancefunctie, een passende onafhankelijke interneauditfunctie, een passend integriteitsbeleid, een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie en passende maatregelen op het vlak van de bedrijfscontinuïteit, en nadere regels opstellen conform de Europese regelgeving, met name regels waarin de minimumvoorwaarden worden vastgesteld die moeten worden vervuld wat betreft het in artikel 20 bedoelde vereiste om over passende deskundigheid te beschikken, met inbegrip van de modaliteiten met betrekking tot de procedure voor de beoordeling van dat vereiste. Art. 22.Als de betalingsinstelling nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor het toezicht op de betalingsinstelling. Als de betalingsinstelling nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder het recht van een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de tenuitvoerlegging ervan, geen belemmering vormen voor het toezicht op de betalingsinstelling. Onderafdeling 8. - Hoofdbestuur Art. 23.Het hoofdbestuur van een betalingsinstelling moet in België zijn gevestigd. Een substantieel deel van de bedrijfswerkzaamheden van de betalingsinstelling wordt in België uitgevoerd. Afdeling III. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Art. 24.Iedere betalingsinstelling moet blijvend voldoen aan de bij of krachtens de artikelen 15 tot 23 vastgelegde voorwaarden. De betalingsinstelling brengt de Bank onverwijld op de hoogte van alle wijzigingen die zij in de loop van de uitoefening van haar bedrijf heeft aangebracht in de gegevens die overeenkomstig artikel 10 zijn meegedeeld. Onderafdeling 2. - Wijzigingen in de kapitaalstructuur Art. 25.Onverminderd artikel 19 en onverminderd de wet van 2 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/05/2007 pub. 04/08/2008 numac 2008000628 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen. - Duitse vertaling type wet prom. 02/05/2007 pub. 12/06/2007 numac 2007003215 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen sluiten, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwalificeerde deelneming in een betalingsinstelling naar Belgisch recht te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de betalingsinstelling zijn dochteronderneming zou worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk kennis geven met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de relevante informatie die vereist is voor de beoordeling van de kennisgeving in het licht van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde criteria. De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding staat tot en afgestemd is op de aard van de kandidaat-verwerver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt. Art. 26.De periode waarover de Bank beschikt om haar beslissing met betrekking tot de in artikel 27 bedoelde beoordeling te nemen, bedraagt ten hoogste drie maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn conform de in artikel 25, tweede lid, bedoelde lijst. De Bank kan uit eigen beweging tijdens de beoordelingsperiode aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. In dit verzoek, dat schriftelijk moet worden gedaan, is vermeld welke aanvullende informatie nodig is. De beoordelingsperiode wordt onderbroken vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver. Art. 27.Bij de beoordeling van de in artikel 25 bedoelde kennisgeving en informatie, en van de in artikel 26 bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling die het doelwit is van de voorgenomen verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed van de kandidaat-verwerver op de betalingsinstelling, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving aan alle in artikel 19, tweede lid, bedoelde criteria. De Bank kan zich in de loop van de beoordelingsperiode bedoeld in artikel 26 verzetten tegen de voorgenomen verwerving indien zij, uitgaande van de in artikel 19, tweede lid, vastgestelde criteria, gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen, of indien de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt, onvolledig of onjuist is. Wanneer de Bank na voltooiing van de beoordeling besluit zich tegen de voorgenomen verwerving te verzetten, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis. Indien de Bank zich na afloop van de beoordelingsperiode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd. De Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze in voorkomend geval verlengen. Art. 28.Voor het verrichten van de in artikel 27 bedoelde beoordeling werkt de Bank in nauw overleg samen met alle andere betrokken bevoegde autoriteiten of, al naargelang het geval, in overleg met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een onderneming is die onderworpen is aan een bancair of financieel toezichtsstatuut dat onder de bevoegdheid van de FSMA valt of die een zeggenschapsband heeft met een dergelijke onderneming. Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en, uit eigen beweging, alle essentiële informatie. In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar besluit de eventuele standpunten of bedenkingen van de autoriteit die bevoegd is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA. Art. 29.Iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een betalingsinstelling te bezitten, stelt de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis met vermelding van de omvang van de deelneming na de afstoting. Die persoon stelt de Bank eveneens in kennis van zijn beslissing om de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van 20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de betalingsinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn. Art. 30.Indien de bij de artikelen 25 of 29 voorgeschreven voorafgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in artikel 27, tweede lid, bedoelde verzet, kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de betalingsinstelling haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, de in artikel 516, §§ 1 en 4, van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde maatregelen nemen. De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding uitgaande van de Bank. Artikel 516, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing. Art. 31.Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de betalingsinstellingen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in de artikelen 25 en 29 tot gevolg hebben. Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 19, eerste lid, bedoelde personen. Zij delen de Bank ten minste eens per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten. Zij delen de Bank eveneens mee voor hoeveel aandelen en voor hoeveel hieraan verbonden stemrechten zij een kennisgeving van verwerving of vervreemding hebben ontvangen overeenkomstig de statutaire bepalingen die toepassing geven aan artikel 515 van het Wetboek van Vennootschappen. Art. 32.Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een betalingsinstelling, een gezonde en prudente bedrijfsvoering van deze betalingsinstelling kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen : 1° de uitoefening schorsen van de aan de aandelen verbonden stemrechten die in bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot;zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken; 2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen. Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de betalingsinstelling die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt of, in voorkomend geval, die de betrokken effectenrekeningen laat wijzigen door het sekwester om de rekeninghouder te vervangen, en die de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning. Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de verrichtingen. Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer de voorwaarden met betrekking tot het aanwezigheids- of meerderheidsquorum voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zouden zijn vervuld. Onderafdeling 3. - Minimum eigen vermogen Art. 33.§ 1. Het eigen vermogen van een betalingsinstelling mag op geen enkel moment dalen onder het bedrag van het op grond van artikel 17 vastgestelde aanvangskapitaal. Er mag geen kapitaal worden terugbetaald als dit voor de instelling tot gevolg zou hebben dat zij niet meer zou voldoen aan de krachtens paragraaf 2 vastgestelde eigenvermogensvereisten. § 2. De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten de in aanmerking komende en kwalificerende eigenvermogensbestanddelen, met inbegrip van wat mag worden afgetrokken van deze bestanddelen, evenals de solvabiliteitsverplichtingen die moeten worden nageleefd door de betalingsinstellingen die de in de punten 1 tot 6 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten aanbieden of per categorie van betalingsinstelling, met uitzondering van de betalingsinstellingen waarvan de diensten beperkt zijn tot punt 7 van Bijlage I.A en stelt in voorkomend geval verschillende methodes vast naargelang van de categorie van betalingsinstelling. § 3. Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald bij de paragrafen 1 en 2, kan de Bank aanvullende maatregelen nemen in het geval van een betalingsinstelling die rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, als bedoeld in de artikelen 43 en 44, wanneer die andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te doen aan de financiële soliditeit van de betalingsinstelling. § 4. In specifieke gevallen kan de Bank afwijkingen toestaan van de bepalingen van de krachtens dit artikel vastgestelde reglementen. In het bijzonder, indien de voorwaarden van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervuld zijn, kan de Bank afwijken van de toepassing van de vereisten van paragraaf 2 voor betalingsinstellingen die onder het geconsolideerde toezicht op een moederkredietinstelling vallen uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU. Onderafdeling 4. - Leiding en leiders 4.1. Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan Art. 34.§ 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van en de overeenstemming met de wettelijke en reglementaire bepalingen van : 1° de organisatieregelingen van de instelling, als bedoeld in de artikelen 21 en 38, § 1, tweede lid, 1° ;2° de maatregelen die noodzakelijk zijn om de naleving van artikel 42, §§ 1 en 2 te verzekeren. Het ziet erop toe dat de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling de nodige maatregelen nemen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. § 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op de personen belast met de effectieve leiding en is verantwoordelijk voor het toezicht op hun beslissingen. Daarnaast beoordeelt het de goede werking van de in artikel 21 bedoelde onafhankelijke controlefuncties. Art. 35.Het wettelijk bestuursorgaan ziet toe op de integriteit van de boekhoud- en financiëleverslaggevingssystemen. Het beoordeelt de werking van de interne controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiëleverslaggevingsproces, zodat de jaarrekening en de financiële informatie in overeenstemming is met de geldende reglementering. Het wettelijk bestuursorgaan gaat regelmatig over tot de toetsing en beoordeling van het veiligheidsbeleid voor het aangaan, beheren, opvolgen en beperken van de operationele en veiligheidsrisico's waaraan de instelling is blootgesteld en van de procedures en maatregelen voor het beheer van gevoelige betalingsgegevens. 4.2. Maatregelen die moeten worden genomen door de personen belast met de effectieve leiding Art. 36.Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan nemen de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de artikelen 21, 38, § 1, tweede lid en 42, §§ 1 et 2. De personen belast met de effectieve leiding brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan, de Bank en de erkend commissaris, over de naleving van de bepalingen van het eerste lid en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. De informatieverstrekking aan de Bank en de commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt. 4.3. Benoemingen en ontslagen Art. 37.§ 1. De betalingsinstellingen stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de betalingsinstelling, van de personen belast met de effectieve leiding ervan, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de betalingsinstellingen aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 20 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag. § 2. De benoeming van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank. Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een financiële onderneming die onder het toezicht staat van de Bank krachtens artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, of van de Europese Centrale Bank krachtens de GTM-verordening, raadpleegt de Bank eerst de FSMA. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies. § 3. De betalingsinstellingen informeren de Bank over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan en tussen de personen belast met de effectieve leiding. Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2. Onderafdeling 5. - Uitbesteding Art. 38.§ 1. Iedere betalingsinstelling die functies, werkzaamheden of operationele taken uitbesteedt, blijft volledig verantwoordelijk voor de nakoming van al haar verplichtingen uit hoofde van deze wet of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366. In het bijzonder mag de uitbesteding van operationele taken, vooral wanneer deze belangrijk zijn, niet tot het volgende leiden : 1° er wordt afbreuk gedaan aan de kwaliteit van de organisatie en er wordt in het bijzonder afbreuk gedaan aan de kwaliteit van de interne controle van de betalingsinstelling;2° het operationele risico neemt onnodig toe;3° er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de Bank om na te gaan of de betalingsinstelling de verplichtingen nakomt die door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 zijn opgelegd;4° de continuïteit en toereikendheid van de dienstverlening aan de betalingsdienstgebruikers wordt ondermijnd. § 2. Vóór de uitbesteding, in België of in het buitenland, van functies, werkzaamheden of operationele taken die belangrijk of kritiek zijn, stellen de betalingsinstellingen de Bank tijdig in kennis daarvan evenals van iedere latere belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot deze taken. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een operationele taak als belangrijk of kritiek aangemerkt indien het gebrekkig of niet uitvoeren ervan de betalingsinstelling zou hinderen bij de continue naleving van de bepalingen die door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 zijn vastgesteld, of indien hierdoor wezenlijk afbreuk zou worden gedaan aan haar rentabiliteit of aan de financiële soliditeit of continuïteit van de betalingsdienstverlening. § 3. De Bank kan de voorgenomen uitbesteding met het oog op de naleving van paragraaf 1 aan voorwaarden of beperkingen onderwerpen. Onderafdeling 6. - Bijzondere verrichtingen 6.1. Fusies, splitsingen, overdrachten en andere verrichtingen waarvoor toestemming is vereist Art. 39.De toestemming van de Bank is vereist voor : 1° strategische beslissingen van een betalingsinstelling;2° fusies tussen betalingsinstellingen en fusies tussen betalingsinstellingen en andere financiële instellingen, evenals splitsingen van betalingsinstellingen;en 3° de volledige of gedeeltelijke overdrachten van het betalingsdienstenbedrijf of van het netwerk van agentschappen van de betrokken betalingsinstelling. De Bank kan haar toestemming enkel weigeren binnen twee maanden nadat zij van het project in kennis is gesteld met voorlegging van een volledig dossier, om redenen die verband houden met het vermogen van de instelling om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 zijn vastgesteld of die verband houden met een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. In voorkomend geval kan de Bank aan haar toestemming specifieke voorwaarden verbinden. Als die toestemming niet wordt gegeven binnen de voornoemde termijn, wordt ze geacht te zijn verkregen. 6.2. Deelnemingen Art. 40.Betalingsinstellingen mogen geen deelnemingen bezitten in handelsvennootschappen of vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, tenzij met de toestemming van de Bank. Het eerste lid is niet van toepassing op deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel van de in artikel 43 bedoelde betalingsdiensten, nevendiensten van betalingsdiensten of diensten inzake het beheer van betalingssystemen of krachtens artikel 44 toegelaten werkzaamheden verrichten of in vennootschappen waarvan het doel in hoofdzaak bestaat in het aanhouden van deelnemingen in dergelijke vennootschappen. Teneinde een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling en een passende risicobeheersing te verzekeren, kan de Bank voorwaarden verbinden aan deelnemingen die krachtens dit artikel worden genomen. Onderafdeling 7. - Verbod tot gebruik van en bescherming van geldmiddelen Art. 41.Betalingsinstellingen mogen in het kader van betalingsdiensten uitsluitend geldmiddelen van cliënten aanhouden op betaalrekeningen die voor betalingstransacties worden gebruikt. De betalingsinstelling mag de geldmiddelen die zij van de betalingsdienstgebruikers heeft ontvangen, uitsluitend gebruiken voor de uitvoering van betalingstransacties. Art. 42.§ 1. De geldmiddelen die een betalingsinstelling die de in de punten 1 tot 6 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten verricht, rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders van betalingsdienstgebruikers ontvangt voor de uitvoering van betalingstransacties, moeten : 1° in haar boekhouding te allen tijde afzonderlijk kunnen worden geïdentificeerd, met name ten opzichte van andere geldmiddelen, en 2° wanneer ze op het einde van de werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen, nog steeds door de betalingsinstelling worden aangehouden en nog niet aan de begunstigde of een andere betalingsdienstaanbieder zijn overgemaakt :
  14. a)worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van :
  15. i)kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat, of
  16. ii)bijkantoor in België van een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een derde land, of
  17. b)worden belegd in een erkend geldmarktfonds in de zin van artikel 4, 8° van het koninklijk besluit van 19 december 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1999 pub. 01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten5 tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten;of
  18. c)worden belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, zoals gedefinieerd door de Bank overeenkomstig het recht van de Unie; of 3° naar tevredenheid van de Bank gedekt zijn door een verzekering, garantie of waarborg van een verzekeringsonderneming of kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat of een derde land en die een vestiging heeft in België, en die niet tot dezelfde groep behoort als de betalingsinstelling.Die verzekering, garantie of waarborg moet een bedrag dekken dat minstens gelijk is aan het bedrag dat toegewezen geweest zou zijn met toepassing van punt 2°, en dat onvoorwaardelijk betaalbaar is ingeval de betalingsinstelling niet in staat is haar financiële verplichtingen na te komen. Wanneer een betalingsinstelling een betalingstransactie uitvoert voor zowel de betaler als de begunstigde, en aan de betaler een kredietlijn wordt verleend, zijn de regels van het eerste lid van toepassing en geldt de in het eerste lid, 2° of 3°, bedoelde bescherming voor de begunstigde zodra de betaler de betrokken kredietlijn gebruikt voor de uitvoering van een betalingstransactie ten gunste van die begunstigde. De in het eerste lid, 2°, bedoelde betrokken entiteiten mogen op de geldmiddelen die op een afzonderlijke rekening zijn geplaatst of die belegd zijn overeenkomstig het eerste lid, 2°,
  19. b)of c), geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de betalingsinstelling die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de betalingsinstelling op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan. De in het eerste lid, 3°, bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die in hoofde van de verzekeringsovereenkomst, garantie of waarborg verschuldigd zijn, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de betalingsinstelling die deze verzekeringsovereenkomst, garantie of waarborg heeft afgesloten. Beslag onder derden door de schuldeisers van de betalingsinstelling op deze geldmiddelen is evenmin toegestaan. De Bank kan toestaan dat de in het eerste lid, 2°, bedoelde geldmiddelen gedeponeerd worden bij een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een derde land en die geen vestiging heeft in België, of dat de in het eerste lid, 3° ) bedoelde verzekeringen, garanties of waarborgen verstrekt worden door een verzekeringsonderneming of een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een derde land en die geen vestiging heeft in België, indien deze kredietinstelling of verzekeringsonderneming onderworpen is aan een toezicht dat gelijkwaardig is met het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen zoals bepaald in de Europese regelgeving. § 2. Wanneer een gedeelte van de in paragraaf 1 bedoelde geldmiddelen bestemd is voor toekomstige betalingstransacties terwijl het resterende bedrag voor andere diensten dan betalingsdiensten gebruikt moet worden, zijn de verplichtingen van paragraaf 1 ook van toepassing op het voor toekomstige betalingstransacties ontvangen gedeelte van de geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel is of niet van tevoren gekend is, kunnen de betalingsinstellingen dit bedrag berekenen op basis van een gedeelte dat geacht wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt, mits een dergelijk gedeelte naar tevredenheid van de Bank redelijkerwijs op basis van historische gegevens kan worden geraamd. Zo niet is paragraaf 1 van toepassing op alle geldmiddelen. § 3. In geval van samenloop in hoofde van de betalingsinstelling, worden de geldmiddelen die met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 2°,
  20. a)op een afzonderlijke rekening zijn gedeponeerd of met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 2°,
  21. b)of
  22. c)zijn belegd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de voor de uitvoering van betalingstransacties ontvangen geldmiddelen. Hetzelfde geldt voor geldmiddelen die betaald zijn ter uitvoering van de in paragraaf 1, eerste lid, 3° bedoelde verzekeringsovereenkomst, garantie of waarborg. Onderafdeling 8. - Uitoefening van andere werkzaamheden 8.1. Operationele of nevenactiviteiten die nauw samenhangen met betalingsdiensten en beheer van betalingssystemen Art. 43.§ 1. Onverminderd artikel 13 mogen de betalingsinstellingen de volgende werkzaamheden uitoefenen : 1° het verstrekken van operationele diensten en nevendiensten die nauw samenhangen met betalingsdiensten, zoals het zorgen voor de goede uitvoering van betalingstransacties, valutawisseldiensten, bewaringsactiviteiten en de opslag en verwerking van gegevens;2° het beheer van betalingssystemen, onverminderd de bepalingen van Boek III. § 2. De betalingsinstellingen stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van hun voornemen om een van de in paragraaf 1 bedoelde werkzaamheden uit te oefenen. § 3. Paragraaf 1 is van toepassing onverminderd de naleving van de elders opgenomen specifieke wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het verstrekken van de betrokken operationele diensten en nevendiensten. 8.2. Andere hybride werkzaamheden Art. 44.§ 1. Betalingsinstellingen mogen geen andere werkzaamheden dan betalingsdiensten en de in artikel 43 bedoelde werkzaamheden verrichten, tenzij hiervoor voorafgaandelijk toestemming is verleend door de Bank. § 2. Gelet op de noodzaak om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling en een passende risicobeheersing te verzekeren of met het oog op het toezicht op deze instelling, kan de Bank aan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden bepaalde voorwaarden verbinden. Zo kan de Bank verlangen dat er voor het verrichten van betalingsdiensten een duidelijke scheiding gehanteerd wordt op organisatorisch vlak en, in voorkomend geval, dat de betalingsdiensten door een afzonderlijke juridische entiteit worden geleverd die overeenkomstig artikel 40 eigendom is van de betalingsinstelling. § 3. Onverminderd paragraaf 2 mogen betalingsinstellingen alleen onder de hiernavolgende voorwaarden kredieten verlenen aan betalingsdienstgebruikers : 1° het krediet wordt verleend door een betalingsinstelling die betalingsdiensten aanbiedt als bedoeld in de punten 4 of 5 van Bijlage I.A; 2° het krediet wordt uitsluitend als aanvulling op de uitvoering van een betalingstransactie verleend;3° het krediet wordt uitsluitend verleend uit het eigen vermogen van de betalingsinstelling en niet uit geldmiddelen van cliënten die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor de uitvoering van betalingstransacties;4° het eigen vermogen van de betalingsinstelling staat te allen tijde en naar genoegen van de Bank, in redelijke verhouding tot het totale bedrag van de verleende kredieten. Het verlenen van kredieten als bedoeld in het eerste lid doet geen afbreuk aan de naleving van de bepalingen van het Wetboek van Economisch Recht inzake kredietverlening. Wanneer het krediet in de context van de artikelen 59 tot 70 in een andere lidstaat wordt verleend, moet het uiterlijk binnen twaalf maanden worden terugbetaald, onverminderd de bepalingen van algemeen belang die van toepassing zijn in de lidstaat van ontvangst. 8.3. Verboden werkzaamheden Art. 45.Artikel 44 voorziet niet in de mogelijkheid voor betalingsinstellingen om werkzaamheden te verrichten die bestaan in het in ontvangst nemen van gelddeposito's of andere terugbetaalbare geldmiddelen in de zin van artikel 1 van de bankwet en van artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/06/2006 pub. 21/06/2006 numac 2006009492 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt sluiten, of in de uitgifte van betaalinstrumenten in de vorm van elektronisch geld. De geldmiddelen die betalingsinstellingen in het kader van betalingsdiensten van betalingsdienstgebruikers ontvangen, zijn geen gelddeposito's of andere terugbetaalbare geldmiddelen in de zin van artikel 1 van de bankwet en artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/06/2006 pub. 21/06/2006 numac 2006009492 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt sluiten, noch elektronisch geld. Onderafdeling 9. - Beheer van betalingsgegevens van betalingsdienstgebruikers 9.1. Beginsel Art. 46.§ 1. De betalingsinstellingen zorgen ervoor dat de toegang tot gevoelige betalingsgegevens wordt opgeslagen, gemonitord, beperkt en getraceerd overeenkomstig de bepalingen van de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98 van Richtlijn (EU) 2015/2366. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 nemen de betalingsinstellingen in het bijzonder de regels van de artikelen 47 en 48 in acht. 9.2. Authenticatie - algemene verplichtingen Art. 47.§ 1. De betalingsinstellingen voorzien in sterke cliëntauthenticatie indien een betaler : 1° zich online toegang tot zijn betaalrekening verschaft;2° een elektronische betalingstransactie initieert;3° via een communicatiemiddel op afstand een verrichting uitvoert die een risico op betalingsfraude of andere vormen van misbruik of bedrog met zich mee kan brengen. § 2. In het geval van een initiatie van een in paragraaf 1, 2°, bedoelde elektronische betalingstransactie bevat de sterke cliëntauthenticatie voor elektronische betalingstransacties op afstand elementen die transacties op dynamische wijze aan een specifiek bedrag en een specifieke begunstigde verbinden. § 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 beschermen de betalingsinstellingen de vertrouwelijkheid en integriteit van de persoonlijke beveiligingsgegevens van betalingsdienstgebruikers en voorzien zij in adequate veiligheidsmaatregelen. § 4. De paragrafen 2 en 3 zijn tevens van toepassing op betalingen die geïnitieerd worden via een betalingsinstelling die betalingsinitiatiediensten aanbiedt. De paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing wanneer de informatie wordt opgevraagd via een betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt. § 5. De maatregelen die met toepassing van de paragrafen 1 tot 3 worden genomen, zijn in overeenstemming met de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98, lid 1,
  23. a)en
  24. c)van Richtlijn (EU) 2015/2366. § 6. De betalingsinstellingen kunnen afwijken van de paragrafen 1 tot 3 mits voldaan is aan de voorwaarden van de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98, leden 1,
  25. b)en 3 van Richtlijn (EU) 2015/2366. 9.3. Bescherming van bepaalde gegevens in het geval van betalingsinitiatie door een betalingsinstelling die betalingsinitiatiediensten aanbiedt Art. 48.§ 1. Betalingsinstellingen die betalingsinitiatiediensten aanbieden voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de persoonlijke beveiligingsgegevens van de betalingsdienstgebruiker zijn niet toegankelijk voor andere partijen, met uitzondering van de gebruiker en de uitgever van die gegevens;2° de in punt 1° bedoelde gegevens worden via veilige en efficiënte kanalen verzonden;3° andere informatie dan de in punt 1° bedoelde gegevens die betrekking heeft op de betalingsdienstgebruiker en die is verkregen bij het verstrekken van de betalingsinitiatiedienst, wordt alleen aan de begunstigde en alleen met de uitdrukkelijke instemming van de betalingsdienstgebruiker verstrekt;4° zij zijn op geen enkel moment in het bezit van de met het aanbieden van de betalingsinitiatiedienst verband houdende geldmiddelen van de betaler. § 2. De betalingsinstellingen die betalingsinitiatiediensten aanbieden voldoen bovendien aan de volgende verplichtingen : 1° zij identificeren zich bij elke betalingsinitiatie ten overstaan van de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder(
  26. s)van de betaler;2° zij communiceren met de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder(s), de betaler en de begunstigde op een veilige manier, overeenkomstig artikel 49;3° zij bewaren geen gevoelige betalingsgegevens van de betalingsdienstgebruiker;4° zij vragen geen gegevens van de betalingsdienstgebruiker die niet nodig zijn voor het verstrekken van de betalingsinitiatiedienst;5° zij gaan niet over tot het gebruiken, zich toegang verschaffen tot of bewaren van gegevens voor andere doelstellingen dan het verstrekken van de door de betaler uitdrukkelijk gevraagde betalingsinitiatiedienst;6° zij brengen geen wijzigingen aan in het bedrag, de begunstigde of enig ander element van de transactie. Onderafdeling 10. - Beveiligde communicatie Art. 49.De betalingsinstellingen voldoen aan de gemeenschappelijke en beveiligde open communicatienormen ten behoeve van identificatie, authenticatie en informatieverstrekking, alsmede voor de uitvoering van beveiligingsmaatregelen, tussen rekeninghoudende betalingsdienstaanbieders, betalingsinitiatiedienstaanbieders, rekeninginformatiedienstaanbieders, betalers, begunstigden en andere betalingsdienstaanbieders, overeenkomstig de technische reguleringsnormen die met toepassing van artikel 98, lid 1, d), van Richtlijn 2015/2366 (EU) zijn vastgesteld. Onderafdeling 11. - Beveiligingsbeleid 11.1. Analyse van de operationele en veiligheidsrisico's Art. 50.§ 1. De betalingsinstellingen verrichten een gedetailleerde analyse van de operationele en veiligheidsrisico's die verbonden zijn aan de door hen aangeboden betalingsdiensten. § 2. De betalingsinstellingen verstrekken de Bank jaarlijks, of, op haar verzoek, met kortere intervallen, een geactualiseerde en uitgebreide beoordeling van zowel de operationele en veiligheidsrisico's die aan de door hen aangeboden betalingsdiensten zijn verbonden, als van de toereikendheid van de in reactie op deze risico's getroffen risicobeperkende maatregelen en ingevoerde controlemechanismen, overeenkomstig artikel 52. 11.2. Maatregelen om de gebruikers te beschermen tegen veiligheidsrisico's Art. 51.De betalingsinstellingen nemen maatregelen om de betalingsdienstgebruikers afdoende tegen de vastgestelde veiligheidsrisico's, waaronder fraude en illegaal gebruik van gevoelige gegevens en persoonsgegevens, te beschermen. Die maatregelen zijn in overeenstemming met de voorwaarden van de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/2366. De in het eerste lid bedoelde maatregelen waarborgen een hoog niveau van technische beveiliging en gegevensbescherming, ook wat betreft de IT-systemen, waaronder de software, die worden gebruikt door hen of door de ondernemingen waaraan zij werkzaamheden uitbesteden. 11.3. Beheer van veiligheidsrisico's en operationele risico's Art. 52.De betalingsinstellingen voorzien in passende risicobeperkende maatregelen en controlemechanismen ter beheersing van de operationele en veiligheidsrisico's die verbonden zijn aan de door hen aangeboden betalingsdiensten. De betalingsinstellingen handhaven doelmatige procedures voor het beheersen van incidenten, waaronder detectie en classificatie van grote operationele incidenten en veiligheidsincidenten. Die maatregelen en procedures voldoen aan de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366, met name die welke zijn opgesteld ter uitvoering van artikel 95, leden 3 en 4, van Richtlijn (EU) 2015/2366. Onderafdeling 12. - Beheer en melding van veiligheidsincidenten Art. 53.§ 1. De betalingsinstellingen zorgen ervoor dat veiligheidsincidenten en veiligheidsgerelateerde klachten van cliënten worden gemonitord, afgehandeld en opgevolgd. § 2. In geval van een groot operationeel of veiligheidsincident stellen de betalingsinstellingen de Bank onverwijld in kennis daarvan. Na ontvangst van de incidentmelding als bedoeld in het eerste lid verstrekt de Bank aan de Europese Bankautoriteit en aan de Europese Centrale Bank onverwijld de relevante incidentgegevens en na beoordeling van de relevantie van het incident voor andere betrokken Belgische autoriteiten, stelt zij deze hiervan dienovereenkomstig in kennis. De Bank beoordeelt de relevantie van het incident en welke gegevens aan de autoriteiten van andere lidstaten moeten worden meegedeeld met name op grond van de richtsnoeren die door de Europese Bankautoriteit zijn opgesteld krachtens artikel 96, lid 3, van Richtlijn (EU) 2015/2366. Op basis van die incidentmelding neemt de Bank, in voorkomend geval in overleg met de Federale Overheidsdienst Economie, alle nodige maatregelen om de onmiddellijke veiligheid van het financiële stelsel te beschermen. Onderafdeling 13. - Verstrekking van statistische gegevens Art. 54.De betalingsinstellingen verstrekken de Bank en de Federale Overheidsdienst Economie jaarlijks of, op verzoek van de Bank of de Federale Overheidsdienst Economie, met kortere intervallen, statistische gegevens over fraude met betrekking tot verschillende betaalwijzen. De Bank deelt die gegevens in geaggregeerde vorm mee aan de Europese Bankautoriteit en aan de Europese Centrale Bank. De betalingsinstellingen verstrekken de Bank ook jaarlijks, of, op haar verzoek, met kortere intervallen, statistische gegevens over de prestaties en transacties. Onderafdeling 14. - Uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten - specifieke verplichtingen van betalingsinstellingen die op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeven Art. 55.Wanneer de betalingsinstelling die een op een kaart gebaseerd betaalinstrument uitgeeft en de betalingsdienstaanbieder die de rekening beheert waaraan die kaart is gekoppeld, verschillende entiteiten zijn, beschikt de betalingsinstelling die het op de kaart gebaseerd betaalinstrument uitgeeft, over passende procedures om zich ervan te verzekeren dat wanneer zij aan de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder de in artikel 58 bedoelde bevestiging die bestaat uit een antwoord in de vorm van een "ja/nee" vraagt, de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° de betaler heeft er uitdrukkelijk mee ingestemd dat de betalingsdienstaanbieder om de bevestiging verzoekt;2° de betaler heeft de op de kaart gebaseerde betalingstransactie voor het betreffende bedrag geïnitieerd aan de hand van een betaalinstrument dat gebaseerd is op een door de betalingsinstelling uitgegeven kaart;3° vóór elk verzoek om bevestiging authenticeert zij zich bij de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder en zij communiceert op een veilige manier met de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder, overeenkomstig artikel 49. De bevestiging van de rekeninghouder wordt niet bewaard of voor andere doeleinden gebruikt dan voor de uitvoering van een op kaarten gebaseerde betalingstransactie. Dit artikel is niet van toepassing op betalingstransacties die worden geïnitieerd aan de hand van betaalinstrumenten die gebaseerd zijn op een kaart waarop elektronisch geld is opgeslagen. Onderafdeling 15. - Specifieke verplichtingen van rekeninghoudende betalingsinstellingen Art. 56.De rekeninghoudende betalingsinstellingen staan toe : 1° dat de rekeninginformatiedienstaanbieders zich voor hun tussenkomst op de authenticatieprocedures baseren die overeenkomstig artikel 47, §§ 1 en 3, door die rekeninghoudende betalingsinstellingen worden geboden;2° dat de betalingsinitiatiedienstaanbieders zich voor hun tussenkomst op de authenticatieprocedures baseren die overeenkomstig artikel 47, §§ 1 tot 3, door die rekeninghoudende betalingsinstellingen worden geboden. Art. 57.§ 1. Teneinde te garanderen dat de betalers een beroep mogen doen op een betalingsinitiatiedienstaanbieder of op een rekeninginformatiedienstaanbieder voor de diensten die respectievelijk zijn opgesomd in de punten 7 of 8 van Bijlage I.A met betrekking tot een online toegankelijke betaalrekening, voldoen de rekeninghoudende betalingsinstellingen aan de voorwaarden van dit artikel. § 2. De rekeninghoudende betalingsinstelling communiceert op een veilige manier met betalingsinitiatiedienstaanbieders en rekeninginformatiedienstaanbieders overeenkomstig artikel 49. § 3. Een rekeninghoudende betalingsinstelling kan een betalingsinitiatiedienstaanbieder of een rekeninginformatiedienstaanbieder de toegang tot een betaalrekening ontzeggen om objectief gerechtvaardigde redenen in verband met niet-toegestane of frauduleuze toegang tot de betaalrekening door die aanbieder, waaronder de niet-toegestane of frauduleuze initiëring van een betalingstransactie. De rekeninghoudende betalingsinstelling verleent toegang tot de betaalrekening zodra de redenen voor het ontzeggen van de toegang niet langer bestaan. De rekeninghoudende betalingsinstelling meldt het incident betreffende de betalingsinitiatiedienstaanbieder of de rekeninginformatiedienstaanbieder onmiddellijk aan de Bank. Daarbij moeten de relevante gegevens over het incident worden vermeld, en de redenen voor het nemen van maatregelen. De Bank bezorgt die inlichtingen aan de Federale Overheidsdienst Economie, beoordeelt het incident en neemt, indien noodzakelijk, passende maatregelen. Art. 58.§ 1. Wanneer de betalingsdienstaanbieder die een op een kaart gebaseerd betaalinstrument uitgeeft en de betalingsinstelling die de rekening beheert waaraan die kaart is gekoppeld, verschillende entiteiten zijn, beschikt de rekeninghoudende betalingsinstelling over passende procedures om op verzoek van de betalingsdienstaanbieder die het op de kaart gebaseerd betaalinstrument uitgeeft, onmiddellijk te bevestigen of de geldmiddelen die nodig zijn voor de uitvoering van een op de kaart gebaseerde betalingstransactie, beschikbaar zijn op de betaalrekening van de betaler waaraan de kaart gekoppeld is, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan : 1° de betaalrekening van de betaler is online toegankelijk op het moment van het verzoek;2° de betaler heeft er uitdrukkelijk mee ingestemd dat de rekeninghoudende betalingsinstelling antwoordt op verzoeken van de betrokken betalingsdienstaanbieder om te bevestigen dat het bedrag dat overeenkomt met een bepaalde op kaarten gebaseerde betalingstransactie, op de betaalrekening van de betaler beschikbaar is;3° de in punt 2° genoemde instemming is verleend voordat het eerste verzoek om bevestiging is gedaan. De in het eerste lid bedoelde bevestiging bestaat uit een antwoord in de vorm van een eenvoudige "ja" of "nee". De bevestiging dat het geld beschikbaar is laat de rekeninghoudende betalingsinstelling niet toe de geldmiddelen op de betaalrekening van de betaler te blokkeren. § 2. De rekeninghoudende betalingsinstelling communiceert op een veilige manier met betalingsinstellingen die op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeven overeenkomstig artikel 49. Onderafdeling 16. - Uitoefening van werkzaamheden in het buitenland 16.1. Uitoefening van het recht van vrije vestiging in het buitenland via een bijkantoor Art. 59.§ 1. Iedere betalingsinstelling die voornemens is in het buitenland een bijkantoor te vestigen om daar alle of een deel van de in Bijlage I.A opgesomde betalingsdiensten aan te bieden die zij in België mag verrichten, stelt de Bank hiervan in kennis. § 2. Naast de gegevens vermeld in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 worden bij deze kennisgeving het volgende gevoegd : 1° een programma van werkzaamheden, waarin met name vermeld wordt welke betalingsdiensten en andere werkzaamheden als bedoeld in artikel 43 de betalingsinstelling voornemens is te verrichten;2° de lidsta(a)t(
  27. en)of (het) derde land(
  28. en)waar de betalingsinstelling voornemens is haar werkzaamheden uit te oefenen;3° de organisatiestructuur van het bijkantoor en het adres ervan in het buitenland;4° een bedrijfsplan voor de verstrekking van betalingsdiensten door het bijkantoor, met inbegrip van een financieel plan voor de eerste drie boekjaren, dat aantoont dat de middelen die aan het bedrijf van het bijkantoor zijn toegewezen passend zijn en met name van die aard zijn om een gezonde bedrijfsvoering inzake betalingsdiensten te garanderen;5° een beschrijving van de beleidsstructuur en de organisatieregeling van de betalingsinstelling waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 21 met betrekking tot de werkzaamheden van het bijkantoor en de bepalingen die van toepassing zijn inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;6° de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. § 3. De artikelen 20 en 37 zijn van overeenkomstige toepassing op de effectieve leiders en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor van de betalingsinstelling. Art. 60.§ 1. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, legt de Bank de met toepassing van artikel 59 ontvangen gegevens binnen een maand na ontvangst ervan ter beoordeling voor aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in haar beoordeling die zij aan de Bank heeft overgemaakt, bezorgdheden heeft geuit, houdt de Bank daar rekening mee in haar besluit. Indien de Bank in haar besluit geen rekening houdt met de in het tweede lid bedoelde bezorgdheden, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in kennis van de redenen daarvoor. § 2. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde land is, kan de Bank in overleg met de toezichthouder op de betalingsinstellingen van dat land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor, alsook voor de informatie-uitwisseling tussen de twee autoriteiten, met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4, van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten. Art. 61.§ 1. De Bank kan zich verzetten tegen de voorgenomen opening van het bijkantoor bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of het toezicht op de betalingsinstelling, met inbegrip van de specifieke risico's die voortvloeien uit dergelijke werkzaamheid. Wanneer het land van vestiging van het bijkantoor een derde land is, welke ook de geplande werkzaamheden voor dit bijkantoor zijn, kan de Bank zich ook verzetten tegen de opening van het bijkantoor indien zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetgeving van het derde land voorziet, of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling betreffende de samenwerking met de toezichthouders van het d

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.