5 DECEMBER 2008. - Besluit van de Waalse Regering tot vaststelling van het administratieve en bezoldigingsstatuut van het personeel van « Wallonie-Bruxelles international » De Waalse Regering, Gelet o
Art. 35.Er zijn twee soorten bevorderingen.
- 1° de bevordering door verhoging in graad;
- 2° de bevordering door overgang naar het hogere niveau; Art. 36.Bij aanvang van elk jaar legt de administrateur-generaal de Regeringen het gebudgetiseerde jaarlijks plan voor de aanwervingen en bevorderingen voor, geeft een overzicht van de vacant te verklaren betrekkingen samen met een functieprofiel en de te raadplegen wervingsreserves. De keuze van de te raadplegen reserves wordt bepaald en gemotiveerd door het directiecomité, waarbij het functieprofiel van de te begeven betrekkingen in overweging wordt genomen, met dien verstande dat voor gelijkaardige betrekkingen identieke reserves gebruikt zullen worden. De Regeringen berichten ontvangst van het jaarlijks plan en beschikken te rekenen van de ontvangst van het plan, over zestig dagen om hun beslissing mede te delen aan de administrateur-generaal. Indien de Regeringen het jaarlijks plan niet binnen de voorgeschreven termijn aannemen of weigeren, wordt het plan als aanvaard beschouwd. Art. 37.Het aantal bevorderingsbetrekkingen, staffuncties niet inbegrepen, wordt volgens de volgende normen vastgesteld : - voor de rang A5, op minstens 30 % van het totaal van de betrekkingen van de rangen A5 en A6; - voor de rang B1, op minstens 16 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2+; - voor de rang B2, op minstens 30 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2+; - voor de rang C1, op minstens 16 % % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2; - voor de rang C2, op minstens 30 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2; - voor de rang D1, op minstens 20 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 3; - voor de rang D2, op minstens 30 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 3; - voor de rangen D3 en D4, op minstens 50 % van het totaal van de betrekkingen van niveau
- De Regeringen benoemen de ambtenaren die bevorderd zijn. Art. 38.§
- De bevordering door verhoging in graad is de benoeming in de naast hogere graad van hetzelfde niveau als het niveau waartoe de ambtenaar behoort. Ze is ondergeschikt aan het vacant zijn van een betrekking. §
- De bevordering door verhoging in graad heeft uitwerking de eerste dag van de maand volgend op de benoeming. Indien de betrekking nog ingevuld is op datum van de benoeming, heeft deze benoeming uitwerking de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop ze daadwerkelijk ophoudt ingevuld te zijn. Art. 39.De bevordering door overgang naar het hogere niveau is de benoeming in een aanwervingsgraad van een hoger niveau dan het niveau waartoe de ambtenaar behoort. Ze is ondergeschikt aan het vacant zijn van een betrekking van die graad. De bevordering door overgang naar het hogere niveau heeft uitwerking de eerste dag van de maand volgend op de benoeming. Indien de betrekking nog ingevuld is op datum van de benoeming, heeft deze benoeming uitwerking de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop ze daadwerkelijk ophoudt ingevuld te zijn. Art. 40.De procedure van oproep tot de kandidaten voor de vacant verklaarde betrekkingen wordt vastgesteld overeenkomstig de leden 2 tot en met
- De voorwaarden moeten verenigd zijn op de dag waarop de betrekking vacant wordt verklaard en op de dag van de bevordering of de mutatie. De oproep voor de kandidaten voor de mutatie of de bevordering wordt tegelijk per ter post aangetekend schrijven verzonden naar de ambtenaren die tot de personeelsformatie van de instelling behoren. De oproep tot de kandidaten bevat het functieprofiel en de selectie- en rangschikkingscriteria. Op straffe van nietigheid bedraagt de termijn voor de indiening van de kandidaturen éénentwintig dagen te rekenen ofwel van de tweede werkdag volgend op de dag van de indiening bij De Post van het bericht tot vacantverklaring gericht aan de kandidaten. De procedure voor de oproep tot het indienen van kandidaturen mag niet opgestart worden tussen 15 juli en 31 augustus. Op straffe van nietigheid vermeldt de ambtenaar die kandidaat is voor meerdere betrekkingen zijn voorkeur in dalende volgorde en in Arabische cijfers. Op straffe van nietigheid wordt de kandidatuur voor elke betrekking gemotiveerd en samen verzonden met een curriculum vitae die overeenstemt met het model opgenomen in bijlage V. De kandidaturen worden ingediend bij ter post aangetekend schrijven, op straffe van nietigheid. Afdeling
- - Bevordering door verhoging in graad in de graad van directeur. Art. 41.De ambtenaar van niveau 1 van rang A5 of A6 kan bij verhoging in graad bevorderd worden tot de graad tot directeur, als hij de volgende voorwaarden vervult :
- 1° acht jaar niveauanciënniteit hebben;
- 2° aantonen dat de evaluatie positief is;
- 3° niet het voorwerp zijn van een niet geschrapte en definitieve disciplinaire maatregel;
- 4° houder zijn van het directiebrevet. Art. 42.Het directiecomité stelt op grond van met name het bekwaamheidsprofiel en de visie op de uitoefening van de opdracht gebonden aan de in te vullen betrekking, een voorlopig voorstel tot rangschikking van de kandidaten vast die het geschikt acht voor :
- de mutatie;
- de bevordering door verhoging in graad. Het directiecomité stelt enkel een voorstel vast voor de bevordering door verhoging in graad bij afwezigheid van elke kandidatuur voor de toekenning van de betrekking bij mutatie of als de Regering beslist heeft de betrekking aan geen enkele kandidaat toe te kennen. Het voorlopige voorstel tot rangschikking of niet-rangschikking wordt gemotiveerd en aan de kandidaten medegedeeld. Elke kandidaat mag binnen de vijftien dagen na de mededeling zijn opmerkingen laten gelden of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité spreekt zich uit over het bezwaar binnen de maand na ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord als laatstgenoemde de wens daartoe geuit heeft. De bezwaarindiener mag zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Van de met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaarschrift wordt bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst kennis gegeven aan degene die zijn opmerkingen heeft laten geworden of die een bezwaarschrift heeft ingediend. Bij wijziging van het voorlopige voorstel wordt het definitieve, gemotiveerde voorstel aan alle kandidaten medegedeeld. Afdeling
- - Bevordering door verhoging in graad in de graden van eerste attaché; eerste gegradueerde, eerste assistent, eerste adjunct Art. 43.Bevorderd door verhoging in graad kunnen worden :
- tot de graad van eerste attaché, de attaché;
- tot de graad van eerste gegradueerde, de eerstaanwezend gegradueerde;
- tot de graad van eerste assistent, de eerstaanwezend assistent;
- tot de graad van eerste adjunct, de eerstaanwezend adjunct. Voor de staffuncties in de rangen B1 en C1 kunnen eveneens bevorderd worden door verhoging in graad :
- tot de graad van eerste gegradueerde, de gegradueerde;
- tot de graad van eerste assistent, de assistent. Art. 44.Voor de staffuncties kan door verhoging in graad worden bevorderd de ambtenaar die aan volgende voorwaarden voldoet : - aantonen dat de evaluatie positief is; - niet het voorwerp zijn van een niet geschrapte en definitieve disciplinaire maatregel; - laureaat zijn van minstens één proef ter bevestiging van de bekwaamheid in het betrokken niveau; - zes jaar niveauanciënniteit hebben; - laureaat zijn van een geschiktheidsexamen voor staffuncties voor het betrokken niveau en verkregen binnen de vier jaar die voorafgaan aan de vacantverklaring van de betrekking; - zich onderwerpen aan een beroepsselectietest om na te gaan of het profiel van de laureaat overeenstemt met de in te vullen betrekking. Het directiecomité stelt een voorlopig voorstel tot rangschikking van de kandidaten in de staffuncties in de rang A5, B1 en C1 op, op grond van de test waarvan sprake in punt 6 en op grond van de rangschikking opgemaakt na het examen waarvan sprake in punt
- Het voorlopige voorstel tot rangschikking wordt gemotiveerd en aan de kandidaten medegedeeld. Elke kandidaat mag binnen de vijftien dagen na de mededeling zijn opmerkingen laten gelden of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité spreekt zich uit over het bezwaar binnen de maand na ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord als laatstgenoemde de wens daartoe geuit heeft. De bezwaarindiener mag zich laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze. Van de met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaarschrift wordt kennis gegeven aan degene die zijn opmerkingen heeft laten geworden of die een bezwaarschrift heeft ingediend. Bij wijziging van het voorlopige voorstel wordt het definitieve, gemotiveerde voorstel aan alle kandidaten medegedeeld. Bij gelijke uitslagen wordt bij verhoging in graad tot de staffunctie bevorderd, de ambtenaar die de hoogste anciënniteit in de hoogste raad heeft onder de geschikt bevonden kandidaten. Art. 45.Behalve de staffuncties kan door verhoging in graad worden bevorderd de ambtenaar die aan volgende voorwaarden voldoet :
- aantonen dat de evaluatie positief is;
- niet het voorwerp zijn van een niet geschrapte en definitieve disciplinaire maatregel;
- zes jaar niveauanciënniteit hebben;
- laureaat zijn van de proef ter bevestiging van de vaardigheden die overeenstemmen met de betrokken graad. Het directiecomité stelt voor de betrekkingen van elke graad op grond van met name het bekwaamheidsprofiel en de visie op de uitoefening van de opdracht gebonden aan de in te vullen betrekking, een voorlopig voorstel tot rangschikking van de kandidaten. Het voorlopige voorstel tot rangschikking wordt gemotiveerd en aan de kandidaten medegedeeld. Elke kandidaat mag binnen de vijftien dagen na de mededeling zijn opmerkingen laten gelden of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité spreekt zich uit over het bezwaar binnen de twee maanden na ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord als laatstgenoemde de wens daartoe geuit heeft. De bezwaarindiener mag zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Van de met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaarschrift wordt kennis gegeven aan degene die zijn opmerkingen heeft laten geworden of die een bezwaarschrift heeft ingediend. Bij wijziging van het voorlopige voorstel wordt het definitieve, gemotiveerde voorstel aan alle kandidaten medegedeeld. Art. 46.De administrateur-generaal deelt het definitieve rangschikkingsvoorstel aan de Regeringen mee. Afdeling
- - Bevordering door verhoging in graad in de graad eerstaanwezend gegradueerde, eerstaanwezend assistent, eerstaanwezend adjunct en geschoold adjunct Art. 47.Bevorderd door verhoging in graad kunnen worden :
- tot de graad van eerstaanwezend gegradueerde, de gegradueerde;
- tot de graad van eerstaanwezend assistent, de assistent;
- tot de graad van eerstaanwezend adjunct, de geschoolde adjunct;
- tot de graad van geschoolde adjunct, de adjunct. Art. 48.Door verhoging in graad kan worden bevorderd de ambtenaar die aan volgende voorwaarden voldoet : 1° aantonen dat de evaluatie positief is;2° niet het voorwerp zijn van een niet geschrapte en definitieve disciplinaire maatregel;3° zes jaar niveauanciënniteit hebben;4° laureaat zijn van minstens één proef ter bevestiging van de bekwaamheid in het betrokken niveau. Ter afwijking van lid 1 wordt bevorderd bij verhoging in graad tot de graad van geschoolde adjunct, de adjunct die voldoet aan de voorwaarden waarvan sprake in lid 1, 1° en 2°, na acht jaar ranganciënniteit. Art. 49.Het directiecomité stelt een voorlopig voorstel tot rangschikking van de kandidaten op voor de betrekkingen van elke graad op grond van de beste overeenstemming tussen het vaardigheidsprofiel van de kandidaten en het functieprofiel. Het voorlopige voorstel tot rangschikking wordt gemotiveerd en aan de kandidaten medegedeeld. Elke kandidaat mag binnen de vijftien dagen na de mededeling zijn opmerkingen laten gelden of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité spreekt zich uit over het bezwaar binnen de maand na ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord als laatstgenoemde de wens daartoe geuit heeft. De bezwaarindiener mag zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Van de met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaarschrift wordt kennis gegeven aan degene die zijn opmerkingen heeft laten geworden of die een bezwaarschrift heeft ingediend. Bij wijziging van het voorlopige voorstel wordt het definitieve, gemotiveerde voorstel aan alle kandidaten medegedeeld. Art. 50.De administrateur-generaal deelt het definitieve rangschikkingsvoorstel aan de Regeringen mee. Afdeling
- - Bevordering door overgang naar het hogere niveau Art. 51.Door overgang naar het hogere niveau kan worden bevorderd de ambtenaar van het of de lagere niveau(s) die aan volgende voorwaarden voldoet : 1° aantonen dat de evaluatie positief is;2° niet getroffen zijn door een definitieve en niet-geschrapte tuchtsanctie;3° laureaat zijn van een vergelijkend overgangsexamen naar het betrokken niveau. De ambtenaar mag deelnemen aan voorbereidende vormingen en ten vroegste voor de vergelijkende overgangsexamens inschrijven vier jaar na zijn benoeming : - in het niveau 3 voor de overgang naar niveau 2; - in het niveau 2 voor de overgang naar niveau 2+; - in het niveau 2 of 2+ voor de overgang naar niveau
- Art. 52.Bevorderd door overgang naar het hogere niveau kunnen worden : - in de graad van attaché, de ambtenaar van de niveaus 2+ of 2; - in de graad van gegradueerde, de ambtenaar van niveau 2; - in de graad van adjunct, de ambtenaar van niveau
- Art. 53.De administrateur-generaal deelt de rangschikking van de kandidaten die voor de bevordering door overgang naar het hogere niveau toelaatbaar zijn, mee aan de Regeringen. HOOFDSTUK VI. - Hogere functies Art. 54.Een ambtenaar kan aangewezen worden om hogere functies uit te oefenen die beantwoorden aan ofwel een betrekking van de formatie waarvan de titularis afwezig is sinds minstens twee maanden of voor een voorspelbare duur van minstens twee maanden, ofwel een betrekking van de formatie die vacant is verklaard. Art. 55.De aanwijzing voor de uitoefening van hogere functies kan verricht worden voor de betrekkingen van rang A3 als niet aan een mandaat onderworpen inspecteurs-generaal, A4 evenals voor de staffuncties van de rangen A5, B1 en C
- Art. 56.§
- Om aangewezen te worden om hogere functies uit te oefenen, dienen volgende voorwaarden uitgeoefend te worden :
- aantonen dat de evaluatie positief is;
- niet het voorwerp zijn van een niet geschrapte en definitieve disciplinaire maatregel;
- de voorwaarden voor de toegang tot de rang A3, A4, A5, B1 en C1 vervullen. §
- Voor de rang A4 kan bij gebrek aan een ambtenaar die alle voorwaarden vervult, een ambtenaar aangewezen worden die niet houder is van het directiebrevet. Onder ambtenaren die dezelfde voorwaarden vervullen, worden de hogere functies verleend aan de ambtenaar die het meest geschikt is om het ambt uit te oefenen. Art. 57.De hogere functies worden al naar gelang beëindigd : 1° op de datum waarop de titularis van de betrekking zijn ambt weer opneemt;2° op de datum van uitwerking van de benoeming van de titularis van de vacant verklaarde betrekking en uiterlijk bij verstrijken van een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de vacantverklaring van de betrekking, eenmaal verlengbaar voor dezelfde duur. Art. 58.De ambtenaar die belast is met de hogere functies oefent alle rechten en prerogatieven uit, vervult alle plichten en draagt alle lasten die met de betrekking waarvoor hij aangewezen is, verbonden zijn. Ter afwijking van voorgaand lid oefent hij niet de prerogatieven uit die verband houden met de tuchtregeling en de beoordeling van personeelsleden die titularis zijn van een graad die gelijk is aan of hoger is dan graad waarin hij is benoemd. Art. 59.De aanwijzingen voor de uitoefening van hogere functies gebeuren door de Regeringen op gemotiveerde voordracht van het directiecomité. Art. 60.In de gevallen waarin een mandataris sinds meer dan twee maanden afwezig is, waarin de mandataris zoals voorzien afwezig is voor een duur van twee maanden of waarin gewacht wordt op de aanwijzing van een nieuwe mandataris, voorzien bij een vroegtijdig einde van een mandaat, kan een ambtenaar van de instelling worden aangewezen om hogere functies uit te oefenen voor een betrekking van rang A2 volgens de voorwaarden bepaald in artikel
- HOOFDSTUK VII. - Opname van een ambtenaar van een andere overheid of van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon Art. 61.Bij overheveling van een bevoegdheid of een aangelegenheid naar het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap Wallonië-Brussel of naar de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waaraan nieuwe opdrachten voor de instelling gekoppeld zijn, kunnen de Regeringen, om die nieuwe opdrachten in termen van werkgelegenheid op te nemen en na advies van de leidend ambtenaar, in de voorafgaandelijk gewijzigde personeelsformatie van de instelling elke ambtenaar opnemen die behoort tot de diensten van een andere Regering of tot een publiekrechtelijke rechtspersoon die onder een andere overheid ressorteert. De ambtenaar moet aan alle voorwaarden van dit Boek I tegelijk voldoen om een betrekking waarvan sprake in lid 1 in te vullen. Hij krijgt geen nieuwe benoeming. Hij wordt door de Regeringen toegewezen op de datum van diens opname. TITEL IV. - Werving en loopbaan van de gehandicapte personen HOOFDSTUK I. - Verplichting om gehandicapte personen te werk te stellen Art. 62.De instelling is ertoe verplicht in de loop van een kalenderjaar een aantal gehandicapte personen vastgesteld op twee en een half percent van de bezetting van de personeelsformatie te werk te stellen. Als anderhalve eenheid worden geteld de gehandicapte personen wier graad van zelfredzaamheid op minstens twaalf punten is vastgesteld conform aan de bepalingen van het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. Vijf percent van de aanwervingen worden voorbehouden voor gehandicapte personen zolang het in het eerste lid vastgestelde tewerkstellingspercentage niet is bereikt. HOOFDSTUK II. - Werving en loopbaan van de gehandicapte personen Art. 63.Een betrekking van het quota dat voorbehouden is aan de gehandicapte personen kan bekleed worden door de kandidaten die op het tijdstip van de werving minstens aan één van de volgende voorwaarden voldoen : 1° geregistreerd zijn bij het Waalse agentschap voor de integratie van de gehandicapte personen, hierna « het agentschap » genoemd, of van de dienst van de Duitstalige gemeenschap voor de gehandicapte personen, hierna « de dienst » genoemd of van het « Brussels fonds voor de gehandicapte personen » of het « Vlaams fonds voor sociale integratie van personen met een handicap », beide hierna « het fonds » genoemd, het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot interventie van laatstgenoemden, en elke beslissing met betrekking tot de bepalingen inzake tegemoetkoming of sociale of beroepsintegratie getroffen door de federale overheid of een Gemeenschap meegedeeld hebben aan het agentschap, aan de dienst of aan het fonds;2° slachtoffer geworden zijn van een arbeidsongeval en een attest voorleggen afgeleverd door het Fonds voor arbeidsongevallen of door de medisch-sociale Rijksdienst waarmee een ongeschiktheid van minstens 30 % aangetoond wordt;3° slachtoffer geworden zijn van een beroepsziekte en een attest voorleggen afgeleverd door het Fonds voor beroepsziekten of door de medisch-sociale Rijksdienst waarmee een ongeschiktheid van minstens 30 % aangetoond wordt;4° slachtoffer geworden zijn van een ongeval van gemeen recht en een afschrift van het vonnis afgeleverd door de griffie van de rechtbank voorleggen waarmee aangetoond wordt dat de handicap of de ongeschiktheid minstens 30 % bereikt;5° slachtoffer geworden zijn van een huiselijk ongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling waarmee aangetoond wordt dat de permanente ongeschiktheid minstens 30 % bereikt;6° in aanmerking komen voor een inkomensvervangende of integratietoelage krachtens de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/02/1987 pub. 18/10/2004 numac 2004000528 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling sluiten betreffende de toelagen aan de gehandicapten. Art. 64.De vergelijkende wervingsexamens en de vergelijkende overgangsexamens worden aangepast aan de dwingende handicapgerelateerde omstandigheden van de ingeschreven kandidaten. De betrekkingen voorbehouden aan de gehandicapte personen worden prioritair toegewezen aan de personen die voldoen aan minstens één van de voorwaarden vastgesteld in artikel 63, 1° tot 6°, in de volgorde van hun rangschikking. Art. 65.De proef voor het behalen van het directiebrevet, de proeven ter bevestiging van de vaardigheden en de voorbereidende vormingen voor die proeven worden aangepast aan de dwingende handicapgerelateerde voorwaarden. Art. 66.De administrateur-generaal organiseert in samenwerking met het agentschap, de dienst of het fonds de opvang, de vorming en de integratie van de gehandicapte personen in het arbeidscircuit. In voorkomend geval stellen het Agentschap, de Dienst of het Fonds maatregelen voor de aanpassing van de arbeidsplaats voor. Art. 67.De administrateur-generaal stelt tegen uiterlijk 30 juni in samenwerking met het Agentschap, de Dienst of het Fonds een jaarverslag vast met betrekking tot de tewerkstelling van de gehandicapte personen in de instelling. Het verslag wordt medegedeeld aan de bevoegde ministers inzake ambtenarenzaken van het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en integratie van de gehandicapte personen, die er de Regeringen over inlichten. Het verslag wordt ter advies voorgelegd aan de Waalse adviesraad voor gehandicapte personen opgericht bij artikel 65 van het decreet van 6 april 1995 betreffende de integratie van de gehandicapte personen. TITEL V. - Vorming HOOFDSTUK I. - De directie vorming van het ministerie van het Waalse Gewest Art. 68.§
- De Regeringen nemen de doelstellingen van de voortgezette vorming van het personeel van de instelling aan, waarbij rekening gehouden wordt met de bevoegdheden van Gewest en Gemeenschap. §
- De directie vorming van het ministerie van het Waalse Gewest is uitsluitend bevoegd tegenover de instelling voor de uitoefening van de volgende opdrachten :
- het bedenken en uitvoeren van de vormingen in het stageprogramma in overleg met de verantwoordelijke van de vorming in de instelling;
- de invoering en de coördinatie van een netwerk van correspondenten voor de vorming en stageleiders aangewezen in de instelling op voordracht van de administrateur-generaal.De stageleider zorgt voor de zorgvuldige integratie en de opvolging van de stagiair;
- 3° in het kader van de vordering van de loopbaan van de ambtenaren, de uitvoering van vormingsacties voorzien en waarborgen, de validering van de vaardigheden voorbereiden, de validering van de vaardigheden doorvoeren, in overleg met de verantwoordelijke van de vorming in de instelling. §
- De instelling beschikt over een vormingsdirectie voor de andere opdrachten dan de opdrachten bepaald in §
- Art. 69.De directie vorming waarvan sprake in artikel 68, § 3, verzorgt het administratieve beheer van de individuele dossiers van de stagiairs van de instelling. HOOFDSTUK II. - De directie vorming van de instelling Art. 70.Naast de bevoegdheden die haar uitdrukkelijk erkend zijn bij dit besluit, heeft de directie vorming van de instelling als opdracht de uitvoering van de vormingsprogramma's in overleg met de bevoegde diensten van de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest en de begeleiding van de stagiairs. Voor de begeleiding van de stagiairs wordt ze bijgestaan door stageleiders. HOOFDSTUK III. - Vormingen Afdeling
- -
Art. 71.De instelling kan voor haar personeel vormingsplannen opstellen.
Die plannen worden goedgekeurd door de administrateur-generaal na advies van de directie vorming van het ministerie van het Waalse Gewest. Ze bevatten de doelstellingen, de programma's, de duur en de wijze van beoordeling van de vormingen. Art. 72.Onder loopbaanvorming wordt elke vorming verstaan met het oog op het voldoen aan de evaluatiecriteria, evenals de proefvoorbereidende vormingen voor het behalen van het directie- en/of managementbrevet, de proefvoorbereidende vormingen voor de bevestiging van de verworven vaardigheden en de vergelijkende examens voor de overgang naar het hogere niveau. Art. 73.§
- Indien het initiatief voor de vorming van het Ministerie van het Waalse Gewest uitgaat, neemt dat ministerie de kosten over voor de inschrijving op de vormingen waarvan sprake in dit hoofdstuk; in de andere gevallen worden die kosten rechtstreeks door de instelling overgenomen. §
- De ambtenaren die gebruik maken van het openbaar vervoer om zich naar loopbaanvormingen te begeven, krijgen een vergoeding berekend overeenkomstig de bepalingen inzake het gebruik van de openbare vervoersmiddelen. De ambtenaren die gebruik maken van hun persoonlijk voertuig om zich naar loopbaanvormingen te begeven, krijgen een vergoeding berekend overeenkomstig de bepalingen inzake het gebruik van het openbaar vervoer. De ambtenaren die zich op eigen initiatief naar andere vormingen begeven krijgen geen enkele vergoeding voor rondreiskosten. Afdeling
- - Dienstopdracht wegens verplichte vorming. Art. 74.De ambtenaar die een vorming volgt op initiatief van de instelling is verplicht eraan deel te nemen. Hij wordt beschouwd als in dienstopdracht zijnde. Art. 75.De vormingen bedoeld in bijlage VIII zijn erkend. Daarnaast keurt de administrateur-generaal de vormingen goed die georganiseerd worden door de directie vorming van de instelling. Art. 76.De dienstopdracht bestrijkt de tijd die nodig is voor het volgen van de vorming, met inbegrip van de tijd nodig om voor de heen- en terugreis. De ambtenaar kan de vormingsuren die plaatsvinden buiten de normale diensturen om met zijn diensturen compenseren. Afdeling
- - Dienstvrijstelling wegens vorming Art. 77.De ambtenaar krijgt een dienstvrijstelling om een vorming die door een Ministerie of een instelling georganiseerd wordt, te volgen. Afdeling
- - Vormingsverlof Art. 78.De ambtenaar die op eigen initiatief een vorming volgt goedgekeurd door een ministerie of een instelling kan een vormingsverlof krijgen. Dat verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 79.De vormingen bedoeld in bijlage VIII zijn erkend. De administrateur-generaal keurt de andere vormingen op initiatief van de ambtenaar goed die georganiseerd worden door de directie vorming van het Ministerie van het Waalse Gewest op advies van de verantwoordelijke van laatstgenoemde. Art. 80.De vorming op initiatief van de ambtenaar dient verband te houden ofwel met zijn tegenwoordige functie, ofwel met de functie die hij zou kunnen uitoefenen in de instelling. Art. 81.In de zin van deze afdeling wordt onder school- of academiejaar de periode verstaan die reikt van 1 september tot en met 31 augustus. Behalve voor de loopbaanvormingen kan het verlof worden geweigerd indien het onverenigbaar is met het belang van de dienst dat wordt aangetoond door de hiërarchische meerdere van minstens rang A
- De administrateur-generaal verleent of weigert, op advies van de directie vorming van het Ministerie van het Waalse Gewest, het vormingsverlof en licht er de ambtenaar en diens hiërarchische meerdere over in. Art. 82.Het verlof kan niet meer dan één keer voor dezelfde vorming worden verleend. Voor éénzelfde vorming kan het verlof niet gecumuleerd worden met de dienstopdracht bedoeld in artikel
- Art. 83.De duur van het verlof is gelijk aan het aantal vormingsuren, na aftrek van de uren waarvan de ambtenaar is vrijgesteld. Voor een vorming die een regelmatige aanwezigheid niet nodig maakt, is het aantal vormingsuren gelijk aan het aantal uur of lessen waaruit het studieprogramma bestaat. Art. 84.De som van de dienstvrijstellingen en verloven toegekend aan de ambtenaar voor het volgen van de vormingen mag, zonder rekening te houden met de verplichte vormingen, de honderdtwintig uur per jaar voor daadwerkelijke diensten met volledige arbeidsprestaties niet overschrijden. Die honderdtwintig uur worden naar verhouding verminderd voor ambtenaren op wie een deeltijdse arbeidsregeling van toepassing is. Art. 85.Tot de verhoudingsgewijze vermindering van de 120 uur per jaar geven aanleiding : - de stageduur; - de periodes van niet-activiteit en disponibiliteit; - het stageverlof of de proefperiode; - het verlof wegens opdracht; - het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan; - het verlof wegens kandidaatstelling voor de verkiezingen voor bepaalde wetgevende vergaderingen zoals bedoeld in boek III van dit besluit. Art. 86.De ambtenaar dient bij de directie vorming van de instelling een inschrijvingsattest in tijdens de maand van aanvang van een vorming die niet door haar georganiseerd wordt of binnen de maand na het versturen van het eerste werk dat hem opgelegd wordt binnen het kader van het afstandsonderwijs. In de maand waarin de vorming die niet door de directie vorming georganiseerd wordt of waarin het studieprogramma beëindigd wordt, maakt de ambtenaar een nauwgezetheidsbewijs aan die directie over. Art. 87.§
- Het verlof voor een vorming die tijdens het schooljaar wordt georganiseerd wordt opgenomen tussen het begin van het schooljaar en het einde van de eerste of, eventueel, de tweede examenperiode. Het verlof voor een vorming die niet tijdens het schooljaar georganiseerd wordt, wordt opgenomen tussen de aanvang en het einde van de vorming. Het verlof voor een vorming waarbij een regelmatige aanwezigheid niet vereist wordt, wordt opgenomen tussen de aanvang en het einde van de opgelegde werken. Als die vorming gevolgd wordt door de deelname aan een examen, wordt de periode verlengd of aan het einde van de eerste of, eventueel, de tweede examenperiode. §
- Rekening houdend met de behoeften van de instelling, het aantal uren of lessen die de vorming inhoudt, kan de administrateur-generaal op aanvraag van het diensthoofd eisen dat het verlof gespreid en gepland opgenomen wordt. De spreiding mag het recht van de ambtenaar om het geheel van zijn verlof op te nemen noch diens recht om het verlof te gebruiken om zich naar de vorming te begeven, deze bij te wonen, zijn arbeidsplaats na de vorming te bereiken en aan de examens deel te nemen, aantasten. Art. 88.De ambtenaar geeft schriftelijk binnen een termijn van vijf dagen kennis aan de directie vorming dat hij de vorming opgeeft of dat hij definitief ophoudt de opgelegde taken op te sturen. Bij afstandsonderwijs geeft de ambtenaar kennis aan de directie vorming van elke onderbreking van meer dan twee maanden in het opsturen van de opgelegde taken, ongeacht of de ambtenaar zijn vorming slechts één keer of meerdere keren onderbreekt. In beide gevallen maakt de ambtenaar het nauwgezetheidsbewijs aan de directie vorming van de instelling over. De Directie Vorming van de instelling beëindigt het verlof op de datum van de kennisgevingen bedoeld in het eerste en het tweede lid. De opgave, het feit dat het versturen van de opgelegde taken definitief of tijdelijk onderbroken wordt, worden verantwoord op straffe van de sanctie bepaald in artikel
- Art. 89.Het recht op verlof wordt geschorst indien uit het nauwgezetheidsbewijs of uit andere informatiegegevens blijkt :
- 1° ofwel dat de ambtenaar van de cursussen afwezig is gebleven zonder wettige reden tijdens meer dan één vijfde van de duur ervan;
- 2° ofwel dat de ambtenaar een onderbreking van meer dan twee maanden in het opsturen van de opgelegde taken niet medegedeeld heeft. De opschorting van het recht op verlof wordt uitgesproken door de administrateur-generaal op voorstel van de vormingsverantwoordelijke van de instelling. De opschorting strekt zich uit over het overblijvende deel van het lopende jaar en op de twee daarop volgende jaren. TITEL VI. - Wervings- en loopbaanproeven HOOFDSTUK I. - Vergelijkende wervingsexamens en vergelijkende examens voor de overgang naar het hogere niveau Afdeling
- -
Art. 90
.De vergelijkende wervings- en overgangsexamens worden ingericht door Selor op verzoek van de instelling en, in voorkomend geval, in samenwerking met de diensten van de Regeringen. Art. 91.De programma's voor de wervingsexamens en examens voor de overgang naar het hogere niveau worden opgesteld door de Regeringen, na advies van Selor. Die programma's moeten de mogelijkheid bieden om na te gaan of de vorming en het profiel van de kandidaten beantwoorden aan de vereisten van de te begeven betrekking. Art. 92.Er wordt een programmacommissie ingesteld. Ze heeft als opdracht het voorbereiden, voor de Regeringen, van de ontwerp-programma's voor de vergelijkende wervings- en overgangsexamens, ervoor te zorgen dat ze samenhang hebben, ze te beoordelen en elk voorstel voor te leggen met het oog op verbetering ervan. De programmacommissie bestaat uit de directeur van de vorming, minstens één vertegenwoordiger van elke afdeling en ze wordt voorgezeten door de administrateur-generaal of diens gemachtigde. Afdeling
- - Vergelijkende wervingsexamens. Art. 93.§
- De vergelijkende wervingsexamens houden één of verschillende basisproeven in die bestemd zijn om de capaciteiten waarvan sprake in bijlage II te evalueren. §
- De proeven en proefgedeelten kunnen schriftelijk en/of mondeling, theoretisch en/of praktisch zijn en een beroep doen op het gebruik van informatica- of multimediamiddelen. Het verbeteren ervan kan geautomatiseerd gebeuren. Art. 94.§
- De Regeringen bepalen in de oproep tot de kandidaten :
- het aantal proeven en proefgedeelten, evenals hun inhoud;
- het aantal punten dat aan het geheel van het vergelijkend examen toegewezen wordt, evenals aan elke proef en elk proefgedeelte;
- in voorkomend geval, het maximumaantal kandidaten die in aanmerking komen na afloop van de eerste proef.Als meerdere kandidaten een gelijk aantal punten hebben voor de toewijzing van de laatste plaats, wordt het maximumaantal in aanmerking komende kandidaten in hun voordeel verhoogd;
- 4° het of de diploma's of studiegetuigschriften die vereist zijn onder de titels vermeld in bijlage I, evenals de vermelding « of ander gelijkwaardig diploma of studiegetuigschrift ». §
- De kandidaten dienen minstens vijftig percent van de punten op elke proef en elk proefgedeelte te behalen en minstens zestig percent van de punten voor alle proeven. §
- Voor de proeven en proefgedeelten waarvan de verbetering geautomatiseerd verloopt kan de jury niet zonder motivering het verkregen puntenaantal afronden. §
- De kandidaten worden in de reserve gerangschikt op grond van het totaal aantal behaalde punten voor alle basisproeven. Bij een gelijk puntenaantal wordt de oudste kandidaat het eerst gerangschikt. Art. 95.§
- Er wordt door Selor proces-verbaal opgesteld na de basisproef/-proeven; hij stelt de lijst vast van de laureaten die de reserve uitmaken. Bij een bijkomende proef behouden de laureaten ervan hun aanvankelijke rangschikking in de reserve. Enkel de laureaten van de bijkomende proef kunnen toegelaten worden tot de betrekkingen die er het voorwerp van uitmaken. §
- Voor het proces-verbaal na de basisproef (-proeven) afgesloten wordt, vergewist Selor zich ervan dat de laureaten aan alle algemene toelaatbaarheidsvoorwaarden bepaald bij artikel 19, 5°, voldoen en de vereiste diploma's of studiegetuigschriften bezitten en verklaart de laureaten die aan die voorwaarden voldoen toegelaten. Indien de bijkomende proef het houden van diploma's of getuigschriften vereist, wordt het proces-verbaal van de bijkomende proef gesloten onmiddellijk nadat Selor is nagegaan of elke laureaat de vereiste diploma's of getuigschriften bezit. §
- Voor hun aanwijzing vergewist de instelling zich ervan dat de laureaten aan alle toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 19, 1° tot 4° en 6° voldoen. Als er een bijkomend onderzoek vereist is in het kader van het nazicht van de voorwaarden bedoeld in artikel 19, 1° en 2°, wordt de laureaat van de reserve geschorst. De laureaat van wie na onderzoek wordt vastgesteld dat hij voldoet aan de voorwaarden en die voorbijgegaan is door een minder goed gerangschikte kandidaat neemt zijn rang in bij diens werving na de datum van werving van de minder goed gerangschikte laureaat. De laureaat van wie na onderzoek is vastgesteld dat hij niet voldoet aan de voorwaarden wordt van de reserve geschorst zolang hij niet aantoont dat hij opgehouden heeft er niet aan te voldoen; hij wordt ervan uitgesloten als aangetoond wordt dat hij voor geen enkele betrekking waaraan de reserve toegang verleent, zal kunnen voldoen. De beslissing om een bijkomend onderzoek te voeren en de beslissingen tot opschorting van of uitsluiting uit de reserve worden door de instelling getroffen en aan de laureaat medegedeeld. Art. 96.De laureaten die na afloop van de termijn waarvan sprake in artikel 97 om in te gaan op de voorstellen van betrekking alle toegangsvoorwaarden vervullen waarvan sprake in artikel 19, 6°, voor de te begeven betrekking worden tot de stage toegelaten in de volgorde van hun rangschikking. Art. 97.§
- De laureaten kunnen hun voorkeur uitdrukken voor één of meerdere bepaalde betrekkingen. Met hun wens wordt, voor zover mogelijk en volgens hun rang in de rangschikking, rekening gehouden De laureaten die een voorstel van betrekking weigeren, verliezen het voordeel van hun rang in de rangschikking, behalve indien ze de aanvraag uitdrukken om opnieuw geraadpleegd te worden, binnen de dertig dagen na ontvangst van het voorstel die hem wordt voorgelegd, bij ter post aangetekend schrijven. Die laureaten die hun voorkeur voor één of meerdere betrekkingen kenbaar maken, verbinden zich ertoe de hun toegekende betrekking te aanvaarden. De laureaten die, na die aanvaarding, weigeren aan te treden krijgen de mededeling dat ze uit de reserve worden uitgesloten. De laureaten delen elke adreswijziging mee aan de dienst die belast is met het beheer van de wervingsreserves. Elk voorstel wordt hun rechtsgeldig aan het laatst opgegeven adres medegedeeld. Art. 98.Een wervingsreserve blijft geldig tot aan de samenstelling van de volgende reserve en minstens vier jaar te rekenen van het proces-verbaal die de reserve opricht. Afdeling
- - Vergelijkende examens voor de overgang naar het hogere niveau Art. 99.Er worden minstens om de vier jaar overgangsexamens georganiseerd. Art. 100.De overgangsexamens, waarmee overgangsreserves worden opgericht, bevatten uitschakelende basisproeven waarvan de inhoud opgenomen is in bijlage II. Die basisproeven worden brevetten genoemd voor de vergelijkende examens voor de overgang naar niveau
- Het slagen voor elke proef blijft definitief verworven. De proeven kunnen schriftelijk en/of mondeling, theoretisch en/of praktisch zijn, en een beroep doen op het gebruik van informatica- of multimediamiddelen. Het verbeteren ervan kan automatisch gebeuren. De proeven kunnen in proefgedeelten verdeeld worden. Art. 101.Als een vergelijkend examen bestaat uit een algemene proef en één of meerdere bijzondere proeven, worden de ambtenaren die voor de algemene proef geslaagd zijn op eigen verzoek vrijgesteld van die proef indien ze in het vervolg opnieuw deelnemen aan één of meerdere vergelijkende examens van hetzelfde niveau of van een lager niveau. Art. 102.§
- De Regeringen bepalen in de oproep tot de kandidaten : 1° het aantal proeven en proefgedeelten, evenals hun inhoud;2° het aantal punten dat aan het geheel van het vergelijkend examen toegewezen wordt, evenals aan elke proef en elk proefgedeelte. §
- De kandidaten dienen minstens vijftig percent van de punten bij elke proef en proefgedeelte te behalen en zestig percent voor alle proeven. §
- Voor de proeven en proefgedeelten waarvan de verbetering geautomatiseerd verloopt kan de jury niet zonder motivering het verkregen puntenaantal afronden. §
- De kandidaten worden in de reserve gerangschikt op grond van het totaal aantal punten verkregen bij de gezamenlijke basisproeven. Bij een gelijk puntenaantal wordt de rangschikking opgemaakt op grond van de dienstanciënniteit, waarbij de oudste als eerste gerangschikt wordt. Blijven ze gelijk, dan wordt de oudste kandidaat als eerste gerangschikt. Art. 103.Er wordt door de afgevaardigd bestuurder van de SELOR proces-verbaal opgesteld na de basisproeven; hij stelt de lijst vast van de laureaten die de reserve uitmaken. De laureaten behouden onbeperkt het voordeel van hun goede uitslag. Art. 104.De geslaagden voor de te begeven betrekking worden bevorderd in de volgorde van hun rangschikking. Wanneer de laureaten van verschillende vergelijkende examens naar dezelfde bevordering dingen, worden zij gerangschikt volgens de datum van de processen-verbaal van afsluiting, te beginnen met de verst afgelegen datum, en, voor elk vergelijkend examen, in de volgorde van hun rangschikking. HOOFDSTUK II. - Directiebrevet Afdeling
- - Voorbereidende vorming voor het directiebrevet Art. 105.De voorbereiding voor de proef vereist voor het behalen van het directiebrevet wordt elk oneven jaar door de instelling georganiseerd. Afdeling
- - Examen voor het behalen van het directiebrevet Art. 106.Het examen voor het behalen van het directiebrevet heeft betrekking op de vaardigheden die vereist zijn om een betrekking van directeur te bekleden. Het programma en het reglement worden vastgelegd door de Regeringen. Art. 107.Het reglement van het examen wordt ter kennis gebracht van de kandidaten door middel van een dienstnota. De kandidaten moeten ten minste vijftig procent van de punten behalen voor elke proef examen en elk proefgedeelte en zestig procent voor het geheel van de proeven. Art. 108.Het examen voor het behalen van het directiebrevet wordt door de instelling georganiseerd de even jaren. Het brevet wordt afgeleverd door een jury paritair samengesteld uit twee universiteitsprofessoren en twee ambtenaren-generaal van de instelling aangewezen door de Regering. Hij wordt voorgezeten door de administrateur-generaal of de ambtenaar-generaal met de hoogste rang. Art. 109.De laureaten behouden onbeperkt het voordeel van hun goede uitslag. HOOFDSTUK III. - Proef ter bevestiging van de verworven vaardigheden Afdeling
- - Vorming ter voorbereiding van de proef ter bevestiging van de verworven bekwaamheden Art. 110.De voorbereiding voor de proeven ter bevestiging van de verworven vaardigheden wordt voor de overkoepelende vaardigheden door de instelling georganiseerd in samenwerking met het Waalse Gewest. De voorbereiding voor de proef voorafgaand aan de eerste bevordering in een niveau heeft de even jaren plaats, tegelijk met het Waalse Gewest; de voorbereiding voor de proef voorafgaand aan de tweede bevordering in een niveau heeft plaats de oneven jaren, tegelijk met het Waalse Gewest. Afdeling
- - Organisatie van de proeven ter bevestiging van de verworven vaardigheden Art. 111.De proeven ter bevestiging van de verworven vaardigheden worden door de instelling georganiseerd, in samenwerking met het Waalse Gewest. De examens voor de eerste bevorderingsgraad vinden de oneven jaren plaats; de examens voor de tweede bevorderingsgraad vinden de even jaren plaats. De Regeringen stellen de vereiste vaardigheden vast voor de uitoefening van de functies in elke rang, bij voorkeur onder de proeven ter bevestiging van de vaardigheden van het Waalse Gewest. Art. 112.Op voorstel van de commissie voor de programma's, bepalen de Regeringen het programma en het reglement van de proeven. Art. 113.De administrateur-generaal of zijn gemachtigde kondigt d.m.v. een dienstnota de organisatie van elke proef af waarvoor elk personeelslid dat andere bevorderingsvoorwaarden vervult dan de goede uitslag van het examen, zich kan inschrijven. Art. 114.De jury van elke proef wordt aangewezen door de administrateur-generaal na overleg met de directeur van de vorming van het ministerie van het Waalse Gewest. Hij stelt het huishoudelijk reglement vast voor de organisatie van de proef en waakt over de toepassing ervan; hij stelt het proces-verbaal op ter bepaling van de lijst van de laureaten. De verantwoordelijke van de vorming van de instelling deelt de uitslagen aan de kandidaten mee. Art. 115.De kandidaat die slaagt voor de bevestigingsproef wordt laureaat verklaard. Die verklaring wordt opgenomen in het jaarboek waarvan sprake in artikel
- De laureaten behouden onbeperkt het voordeel van hun goede uitslag. TITEL VII. - Onverenigbaarheden Art. 116.De ambtenaren mogen geen beroepsactiviteiten cumuleren. Onder beroepsactiviteit verstaat men, in de zin van dit besluit, elke tewerkstelling die aanleiding geeft tot een beroepsinkomen, zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek op de Inkomstenbelastingen
- In afwijking van het tweede lid wordt een openbaar politiek mandaat niet beschouwd als een beroepsactiviteit. Art. 117.§
- In afwijking van artikel 116 wordt de cumulatie van beroepsactiviteiten eigen aan de functie van rechtswege uitgeoefend. Een opdracht is eigen aan de uitoefening van de functie indien : - ze verbonden is, krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling, aan de functie uitgeoefend door het personeelslid; - de ambtenaar van ambtswege daarvoor wordt aangewezen door de hiërarchische overheid waaronder hij ressorteert. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de door een dienstvrijstelling gedekte afwezigheiduren beschouwd als diensturen. §
- In afwijking van artikel 116 kunnen de Regeringen de cumulatie toestaan op voorafgaande schriftelijke aanvraag van de ambtenaar en na met redenen omkleed advies van het directiecomité bedoeld in artikel 131, tegen de volgende voorwaarden : - de cumulatie brengt de vervulling van de opdrachten verbonden met de functie niet in gevaar; - de cumulatie is niet tegenstrijdig met de waardigheid van die functie; - de cumulatie brengt de onafhankelijkheid van de ambtenaar niet in gevaar en veroorzaakt geen verwarring met zijn hoedanigheid van ambtenaar. §
- Uiterlijk binnen twee maanden vanaf de indiening van de aanvraag bij de administrateur-generaal brengt het directiecomité een met redenen omkleed advies uit. Na deze termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn. De Regeringen beslissen over de aanvraag van de ambtenaar binnen een termijn van zestig dagen ingaand op de datum van de ontvangst van het gemotiveerd advies van het directiecomité. Als die termijn eenmaal verstreken is, worden de Regeringen geacht zich te scharen achter het advies van het directiecomité. Indien het dossier de noodzakelijke informatie niet bevat, vraagt de overheid die het vaststelt, die informatie aan binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de datum van ontvangst van het dossier. De toestemming is herroepbaar indien niet meer wordt voldaan aan één van de in § 2 bedoelde voorwaarden. De beslissingen tot toestemming, weigering en herroeping zijn met redenen omkleed. §
- In geval van wijziging van zijn administratieve toestand, van de voorwaarden voor de uitoefening van de cumulatie of van de aard daarvan moet de ambtenaar een nieuwe aanvraag indienen. TITEL VIII. - Evaluatie Art. 118.§
- De evaluatie van de ambtenaar is bestemd om zijn bijdrage tot de goede werking van de dienst te beoordelen volgens zijn beroep en de hem toevertrouwde opdrachten. Die wordt de ambtenaar in kennis gesteld dmv een evaluatieblad dat overeenstemt met het in bijlage XII gevoegde model. §
- De evaluatie van de ambtenaar neemt het volgende in aanmerking :
- alle elementen betreffende zijn werkwijze : zijn relaties met de andere ambtenaren, de andere diensten en de gebruikers, zijn stiptheid, zijn organisatie, zijn methoden en zijn vormingsinspanningen, alsook de werkkwaliteit en -kwantiteit;
- de bijdrage van de ambtenaar tot het bereiken van de doelstellingen van de instelling en zijn dienst, vastgelegd volgens beheersmethoden eigen aan de betrokken instelling, en na bepaling van zijn functie en betrokkenheidniveau ivm het bereiken van die doelstellingen;
- het bereiken van de voorafgaand door de hiërarchische meerdere van minstens rang A4 bepaalde persoonlijke doeleinden. Het directiecomité legt de doelstellingen voor de ambtenaren van rang A4 vast. §
- De in § 2 bedoelde doelstellingen worden vastgelegd tijdens een planningsonderhoud; ze zijn specifiek, meetbaar, gericht op de resultaten en worden opgenomen in een kalender. Art. 119.De methodiek van de evaluatie wordt aangenomen door de Regeringen, na advies van het directiecomité. Art. 120.Het individuele dossier van de ambtenaar bevat elk bewijsstuk en een individuele fiche waarin de gunstige of ongunstige feiten of omstandigheden worden opgenomen die als beoordelingsgegeven in aanmerking zouden kunnen komen. Die feiten of vaststellingen kunnen enkel verband houden met de uitoefening van de functie en dienen geviseerd te worden door de ambtenaar, die eventueel zijn opmerkingen vermeldt. Elk feit of vaststelling die de ambtenaar beschouwt als een beoordelingsgegeven, wordt op zijn verzoek opgeschreven op zijn individuele fiche door de bevoegde hiërarchische meerdere, die zijn eventuele opmerkingen vermeldt. Art. 121.Een gunstige, voorbehouden of ongunstige evaluatie wordt toegekend aan de ambtenaar. Art. 122.De evaluatie wordt toegekend na afloop van een onderhoud, om de twee jaar tussen 15 september en 15 december en twee jaar na het planningsonderhoud bedoeld in artikel
- De eerste evaluatie wordt toegekend drie jaar na de benoeming. Art. 123.§
- Om de twee jaar worden de ambtenaren van rang A4 geëvalueerd door het directiecomité, die van rang A5 en A6 door de hiërarchische meerdere van rang A4 en die van niveau 2+, 2, 3 en 4 door de hiërarchische meerdere van minstens rang A5 of A
- De ambtenaar-generaal of de ambtenaar die de evaluatie uitvoert, moet een gunstige evaluatie gekregen hebben. §
- De ambtenaar die, om welke reden dan ook, afwezig is of zijn functie niet uitoefent en die zich bevindt in een administratieve positie waarin hij zijn recht op bevordering behoudt, behoudt zijn laatste evaluatie totdat hij zijn functie herneemt. Indien de afwezigheidduur het verantwoordt, vindt een planningsonderhoud plaats vanaf de herneming van zijn functies. Een jaar na de herneming van zijn functies kan hij een herziening van zijn evaluatie aanvragen. Art. 124.Binnen 15 dagen na het onderhoud, delen de in artikel 123 bedoelde hiërarchische meerderen het evaluatievoorstel mee. Binnen de vijftien dagen na de mededeling ondertekent de ambtenaar dat voorstel en zendt het terug samen met zijn eventuele opmerkingen. Doet hij dat niet, wordt hij geacht de evaluatie te aanvaarden, die definitief wordt. Art. 125.De door de ambtenaar gemaakte opmerkingen worden onderzocht door de rechtstreekse hiërarchische meerdere bedoeld in artikel 123 die het evaluatievoorstel geformuleerd heeft en de hiërarchische meerdere van laatstgenoemde. Ze delen hun beslissing aan de ambtenaar mee binnen de vijftien dagen na ontvangst van de opmerkingen. Art. 126.De ambtenaar die het voorwerp uitmaakt van een voorbehouden of ongunstige evaluatie, kan de zaak aanhangig maken bij de beroepskamer. De kennisgeving van de evaluatie vermeldt het bestaan en de vormen van het beroep. Art. 127.De Kamer van beroep brengt een gunstig advies of een beslissing tot vernietiging uit binnen de maand nadat de zaak er aanhangig is gemaakt. Het gemotiveerde advies wordt ter beslissing aan het directiecomité medegedeeld en de gemotiveerde beslissing die van rechtswege de toegekende evaluatie vernietigt wordt overgemaakt aan de personen bedoeld in artikel 125 opdat er een nieuwe evaluatie doorgevoerd wordt na een periode van vier maanden te rekenen van de ontvangst ervan. Laatstgenoemde personen worden bijgestaan door een vertegenwoordiger van de directie van het personeel en een waarnemer gekozen door de beoordeelde persoon, in voorkomend geval, onder de leden van een vakvereniging. Die tweede evaluatie kan niet door de Kamer van beroep worden vernietigd. De administrateur-generaal stelt de ambtenaar in kennis van de toegekende evaluatie. Art. 128.Wanneer de toegekende evaluatie voorbehouden of ongunstig is, vindt een tussenevaluatie plaats zes maanden na de toekenning daarvan. Art. 129.Na twee definitief toegekende opeenvolgende ongunstige evaluaties stelt de administrateur-generaal de ambtenaar in kennis van het voorstel tot ontslag wegens beroepsonbekwaamheid. Binnen vijftien dagen na deze kennisgeving kan de ambtenaar een beroep indienen bij de Kamer van Beroep bedoeld in Titel XI van dit besluit. De Kamer van Beroep, in plenaire vergadering, brengt een advies uit binnen de maand van zijn aanhangigmaking en deelt het mee aan de Regeringen. Na kennis te hebben genomen van het advies van de Kamer van Beroep kan de Regering beslissen de ambtenaar te ontslaan wegens beroepsonbekwaamheid. De administrateur-generaal geeft kennis van het ontslag wegens beroepsonbekwaamheid bij ter post aangetekende brief. TITEL IX. - College van de leidende ambtenaren-generaal, directiecomité en strategisch comité HOOFDSTUK I. - College van de leidende ambtenaren-generaal Art. 130.De administrateur-generaal van « WBI » is lid van het college der leidende ambtenaren-generaal bedoeld in artikel 153 van de Waalse Ambtenarencode. HOOFDSTUK II. - Directiecomité Art. 131.Er bestaat in de instelling een directiecomité dat de leidende ambtenaren-mandatarissen en de ambtenaren-generaal van de rangen A2 en A3 bevat. Art. 132.Naast de bij dit besluit toevertrouwde bevoegdheden neemt het directiecomité kennis van alle vraagstukken van
nut betreffende de organisatie en de werking van de instelling, met inbegrip van het uitbrengen van adviezen over de voorontwerpen of ontwerpen van regelgevende teksten. Art. 133.Het directiecomité wordt voorgezeten door de administrateur-generaal. Art. 134.Het directiecomité maakt zijn huishoudelijk reglement op, dat goedgekeurd wordt door de Regeringen. Art. 135.De personen die deelnemen aan een zitting van het directiecomité zijn tot de geheimhouding verplicht ten opzichte van de stukken en de beraadslagingen die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, de preventie en de bestraffing van misdrijven, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger en het respect voor de persoonlijke levenssfeer Dit geldt ook voor de feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van elke beslissing zolang er nog geen eindbeslissing is genomen, evenals voor de feiten die, wanneer ze verspreid worden, nadeel kunnen berokkenen aan de belangen van de instelling waarin de ambtenaar tewerkgesteld is. TITEL X. - Tuchtregeling Art. 136.De ambtenaren die hun plichten verzuimen zijn strafbaar met volgende straffen : 1° terechtwijzing;2° berisping;3° inhouding van wedde;4° strafmutatie;5° terugzetting in graad;6° ontslag van ambtswege;7° afzetting. Art. 137.De inhouding van wedde kan enkel worden uitgesproken voor een langere periode dan drie maanden. De inhouding van wedde betreft de helft van het gedeelte van de bezoldiging in gelden bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Art. 138.De terugzetting in graad bestaat in de benoeming tot een graad die met een voldoende aantal rangen lager is zodat de weddeschaal van de ambtenaar daadwerkelijk lager is dan degene die hem zou toekomen. Art. 139.De ambtenaar onderworpen aan een strafprocedure kan in elk stadium van de procedure worden bijgestaan door een persoon van zijn keuze. Art. 140.De ambtenaar heeft recht op raadpleging van zijn dossier en op een kosteloos afschrift daarvan. Art. 141.§ 1. Elke Minister kan bevelen dat er een tuchtvordering ingesteld wordt tegen een ambtenaar voor de feiten die hij opgeeft. In dat geval kan de administrateur-generaal een hiërarchische meerdere ermee belasten een voorstel tot tuchtsanctie uit te spreken. § 2. Insgelijks kan de administrateur-generaal van de instelling een hiërarchise meerdere bevelen een tuchtvordering in te stellen voor de feiten die hij opgeeft en hem een voorstel tot tuchtsanctie voor te leggen. § 3. De tuchtvordering heeft alleen betrekking op feiten die vastgesteld zijn of die ter kennis van de overheid zijn gebracht binnen zes maanden voor de datum waarop de vordering wordt ingesteld. Bij strafrechtelijke vordering en indien het Openbaar Ministerie de definitieve gerechtelijke beslissing heeft meegedeeld aan de bevoegde overheid om de tuchtstraf op te leggen, moet die tuchtvordering ingesteld of voortgezet worden binnen zes maanden na de mededelingsdatum. Art. 142.Elke hiërarchische meerdere kan een tuchtvordering instellen en een voorlopig voorstel tot terechtwijzing, berisping, inhouding van wedde, strafmutatie, terugzetting in graad, ontslag van rechtswege of afzetting uitspreken. Bij het voorstel voegt hij het proces-verbaal van verhoor van de aan de procedure onderworpen ambtenaar, behoorlijk ondertekend door laatstgenoemde, door de ambtenaar die de sanctie voorstelt en door degene die als secretaris optreedt bij het verhoor. De secretaris is houder van een graad ten minste gelijk aan die van de ambtenaar onderworpen aan de procedure. Het voorlopige voostel wordt doorgezonden aan de voorzitter van het directiecomité via de hiërarchische weg. De ambtenaar die een verhoor bijwoont is tot geheimhouding gedwongen. Art. 143.§ 1. Elk definitief voorstel tot terechtwijzing of berisping wordt opgemaakt door de hiërarchische meerdere van de ambtenaar of door de ambtenaar-generaal die het voorlopige voorstel heeft uitgesproken. § 2. Elk definitief voorstel tot inhouding van wedde, strafmutatie, terugzetting in graad, ontslag van ambtswege of afzetting wordt opgemaakt door het directiecomité. Art. 144.Degene die een definitief voorstel tot terechtwijzing of berisping uitspreekt, deelt die aan de ambtenaar mee. Elk definitief voorstel tot inhouding van wedde, strafmutatie, terugzetting in graad, ontslag van ambtswege of afzetting wordt door de administrateur-generaal aan de ambtenaar medegedeeld. De mededeling maakt melding van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin die uitgeoefend moeten worden. Art. 145.De terechtwijzing en de berisping worden opgelegd door de administrateur-generaal. De inhouding van wedde, de strafmutatie, de terugzetting in graad, het ontslag van rechtswege of de afzetting worden door de Regeringen opgelegd. Art. 146.Degene die een tuchtvordering heeft behandeld of die een voorlopig dan wel definitief tuchtstrafvoorstel heeft geformuleerd, mag niet deelnemen aan de straf. Art. 147.De opgelegde straf mag niet zwaarder zijn dan degene die definitief voorgesteld wordt en er wordt alleen rekening gehouden met de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de tuchtprocedure. Art. 148.De tuchtstraf wordt door de overheid opgelegd binnen twee maanden vanaf het verstrijken van de termijn voor het beroep bij de Kamer van Beroep of vanaf de kennisgeving van het advies van de Kamer van Beroep of van het proces-verbaal van afstand van verschijning. Art. 149.§ 1. Indien geen straf is opgelegd binnen de in artikel 148 bedoelde termijn, wordt de overheid geacht afstand daarvan te hebben gedaan. § 2. De straf wordt onverwijld bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst aan de ambtenaar medegedeeld. De mededeling maakt melding van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin die uitgeoefend moeten worden. Indien de Kamer van Beroep een advies heeft uitgebracht, wordt de straf ook ter kennis daarvan gebracht. Art. 150.Wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar gelegd wordt, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf. Art. 151.Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven zonder dat de lopende procedure onderbroken wordt. Art. 152.De doorhaling van de tuchtstraffen wordt van ambtswege uitgevoerd na een termijn die ingaat op de datum waarop de straf is opgelegd en gelijk aan : 1° drie maanden voor de terechtwijzing;2° zes maanden voor de berisping;3° negen maanden voor de inhouding van wedde, de strafmutatie en de terugzetting in graad. De doorhaling heeft als enig gevolg elke vermelding van of verwijzing naar de tuchtstraf uit het dossier te nemen. Art. 153.Bij gerechtelijke vervolging kan de tuchtprocedure verder worden gezet met een gemotiveerde beslissing van de Regeringen. De tuchtstraf wordt door de Regeringen bevestigd, ingetrokken dan wel aangepast binnen de zes maanden te rekenen van de dag waarin een gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden. Art. 154.De ambtenaar die een voorstel tot tuchtstraf moet uitspreken of die een tuchtstraf moet opleggen en het directiecomité worden bijgestaan door een rechtskundige ambtenaar die uitdrukkelijk daartoe is aangewezen door de administrateur-generaal. De rechtskundige ambtenaar woont de verhoren bij, zorgt voor het goede verloop van de procedure en mag geen advies uitbrengen over de inhoud. Hij viseert alle documenten van de procedure. De instelling kan, als ze daarom heeft verzocht, bijgestaan worden door de rechtskundige ambtenaar van het Ministerie van het Waalse Gewest. TITEL XI. - Kamer van Beroep HOOFDSTUK I. - Bevoegdheid en samenstelling van de Kamer van Beroep Art. 155.De Kamer van Beroep is bevoegd : 1° om een met redenen omkleed advies te geven over :
- a)elk definitief voorstel tot tuchtstraf;
- b)elke beslissing tot schorsing in het belang van de dienst, al dan niet samen met een inhouding van wedde;
- c)elk voorstel tot ontslag wegens beroepsonbekwaamheid;
- d)elk voorstel tot ontslag van een stagiair;
- e)elke evaluatie toegekend aan een ambtenaar;2° om een beslissing te treffen over elk beroep betreffende elke beslissing inzake verloven, disponibiliteit en afwezigheden;3° onverminderd 1°, e), om een beslissing te treffen tot vernietiging betreffende elk beroep in verband met elke toegekende evaluatie. Art. 156.§ 1. Er wordt een Kamer van beroep ingesteld bevoegd voor de ambtenaren van de rangen A4 tot D3. Ze bestaat uit : 1° een voorzitter en een ondervoorzitter;2° zes vaste bijzitters en zes plaatsvervangende bijzitters, ambtenaren of ambtenaren-generaal van de instelling. Ze wordt bijgestaan door één vaste en één plaatsvervangende griffier. § 2. De voorzitter en de ondervoorzitter worden aangewezen door de Regering onder de vaste of eremagistraten. Een verzoek wordt bij voorrang gericht aan de vaste of de eremagistraten die gelijkaardige functies uitoefenen in de Kamer van beroep van het Waalse Gewest of de Franse Gemeenschap. Drie vaste bijzitters en drie plaatsvervangers worden aangewezen door de Regeringen onder de ambtenaren of de ambtenaren-generaal van de instelling. Drie vaste bijzitters en drie plaatsvervangers worden aangewezen door de representatieve vakverenigingen in de zin van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. De bijzitters aangewezen door de vakverenigingen moeten door de Regering erkend zijn. De weigering tot erkenning wordt aan het Sectorcomité voorgelegd. De vaste en de plaatsvervangende griffier worden aangewezen door de Regeringen onder de personeelsleden van niveau 1 van de instelling. Art. 157.In elke zaak wordt een ambtenaar aangewezen door de administrateur-generaal om het beslissingsvoorstel of de betwiste beslissing te verdedigen. Die ambtenaar mag de beraadslaging niet bijwonen. In het advies wordt van de naleving van dat verbod gewag gemaakt. De Kamer wordt bijgestaan door een beëdigd vertaler Duits wanneer de ambtenaar behoort tot het Duitse taalstelsel. Art. 158.De Kamer van Beroep maakt haar huishoudelijk reglement op, dat goedgekeurd wordt door de Regeringen. Het huishoudelijk reglement voorziet in een werkmethode. Art. 159.De verzoeker heeft om wettige redenen het recht elke bijzitter te wraken. Elke magistraat die de Kamer of een afdeling voorzit wraakt de bijzitter wiens onpartijdigheid in opspraak zou kunnen worden gebracht. Art. 160.De Kamer van beroep beraadslaagt rechtsgeldig enkel als er minstens vijf leden aanwezig zijn, namelijk de voorzitter of de ondervoorzitter, twee bijzitters aangewezen door de Regeringen en twee bijzitters aangewezen door de vakverenigingen en erkend door de Regeringen. HOOFDSTUK II. - Procedure van beroep voor de Kamer van Beroep Art. 161.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beroepen tegen de beslissingsvoorstellen en de beslissingen bedoeld in artikel 155. Art. 162.De ambtenaar beschikt over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisgeving van het/de betwiste beslissingsvoorstel of beslissing om zijn zaak bij de raad van beroep aanhangig te maken. Bij gebrek aan beroep binnen die termijn is het beslissingsvoorstel of de beslissing definitief. De beroepen tegen een beslissing tot schorsing in het belang van de dienst en een eventuele inhouding van wedde en de beroepen tegen een beslissing inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid hebben geen schorsende kracht. Art. 163.De griffier vraagt onmiddellijk het volledige dossier van de zaak op bij degene die de beslissing trof of degene die het voorstel tot beslissing indiende, die het dossier dan per kerende post aan de Kamer overmaakt. De opgevraagde bijkomende stukken en gegevens worden eveneens per kerende post overgemaakt. De voorzitter maakt een keer per jaar de administrateur-generaal een samenvattend overzicht over van de termijnen waarin de dossiers en de bijkomende stukken en gegevens zijn overgemaakt. Art. 164.Geen beroep mag het voorwerp zijn van de beraadslagingen van de Kamer van Beroep indien de in artikel 167 bedoelde onderzoeken niet volledig afgehandeld zijn, als de verzoeker niet in staat is gesteld zijn verweermiddelen te gelde te maken. Art. 165.§ 1. De ambtenaar wordt bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst opgeroepen ten minste vijftien dagen vóór zijn verschijning voor de raad van beroep. De oproeping moet vermelden : 1° de feiten die het beslissingsvoorstel of de beslissing rechtvaardigen.2° de samenstelling van een volledig administratief dossier betreffende het beslissingsvoorstel of de beslissing;3° de plaats, de dag en het uur van de verschijning;4° het recht van de ambtenaar zich te laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze, die echter geen lid van de Kamer van beroep mag zijn, onder welke hoedanigheid dan ook;5° de plaats waar er kennis genomen kan worden van het dossier en de dagen en uren van deze kennisneming;6° het recht het verhoor van getuigen te vragen. § 2. Vanaf de ontvangst van de oproeping tot verschijning tot aan de dag vóór de verschijning kan de ambtenaar kennis nemen van het dossier en, indien hij het wenst, de verweermiddelen schriftelijk aan de Kamer van Beroep betekenen. Art. 166.§ 1. Behalve bij overmacht of akkoord van de Kamer van Beroep verschijnt de ambtenaar persoonlijk en mag geen afstand daarvan doen. § 2. De ambtenaar die niet verschijnt, ofschoon behoorlijk opgeroepen, wordt geacht afstand te doen van het ingediende beroep, behalve bij overmacht of instemming van de Kamer van Beroep. § 3. De ambtenaar die niet persoonlijk kon verschijnen wegens overmacht of akkoord van de Kamer van Beroep, wordt onmiddellijk opnieuw opgeroepen. Art. 167.§ 1. De Kamer van Beroep kan beslissen getuigen te verhoren, van ambtswege of op verzoek van de ambtenaar. Het verhoor van de getuigen vindt plaats in aanwezigheid van de ambtenaar. Het als getuige opgeroepen personeelslid mag zich niet verzetten tegen zijn verhoor. § 2. De Kamer van beroep mag beslissen bijkomende onderzoeken te verrichten en daartoe twee bijzitters afvaardigen die de beraadslagingen bijgewoond hebben. Die bijzitters worden, behoudens de gevallen waarin geen enkele bijzitter daartoe aangewezen wordt door de vakverenigingen, gekozen uit de afvaardiging van de overheid voor de ene, uit de afvaardiging van de vakverenigingen voor de andere. Art. 168.§ 1. Het proces-verbaal van verhoor wordt opgesteld en aan de ambtenaar medegedeeld binnen de zeven dagen na verschijning met het verzoek het te ondertekenen en zijn eventuele opmerkingen mede te delen. De ambtenaar zendt het proces-verbaal met zijn eventuele opmerkingen terug binnen de vijftien dagen na de mededeling, zoniet is het proces-verbaal definitief. § 2. Indien de ambtenaar geen gevolg aan de uitnodiging tot verschijnen gegeven heeft, ofschoon behoorlijk opgeroepen, wordt een proces-verbaal van het gebrek aan verschijnen opgemaakt. § 3. Het proces-verbaal van de verschijning of van het gebrek daaraan vermeldt de uitvoering van alle vereiste procedurehandelingen. Art. 169.§ 1. De Kamer van Beroep brengt haar advies uit binnen zes maanden vanaf het ogenblik waarop de zaak bij haar aanhangig is gemaakt. Bij beroep tegen het voorstel tot ontslag van een stagiair bedoeld in artikel 29 wordt het advies evenwel binnen de twee maanden uitgebracht. Bij beroep tegen een beslissing inzake evaluatie, verloven, afwezigheden of disponibiliteit wordt van de beslissing van de Kamer van beroep aan de verzoeker kennis gegeven binnen de twee maanden. § 2. Behoudens een beroep tegen een beslissing inzake ontslag van een stagiair waarvan sprake in artikel 29 en van een beroep tegen een beslissing inzake verloven kan de Voorzitter, d.m.v. een met redenen omklede beslissing, de termijn voor het uitbrengen van een advies verlengen voor een periode van drie maanden. Bij gebrek aan advies of beslissing binnen de voorgeschreven termijn, wordt de Kamer van Beroep geacht een gunstig advies of een gunstige beslissing te hebben uitgebracht aan de verzoeker. Het advies wordt tegelijk medegedeeld aan de verzoeker en aan de overheid bevoegd om de beslissing te treffen. Het dossier van de zaak wordt bij de mededeling van het advies aan de overheid bevoegd om de beslissing te treffen gevoegd. Bij gebrek aan beslissing van de bevoegde overheid binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het advies van de Kamer van Beroep wordt de bevoegde overheid geacht afstand te doen van de maatregel. TITEL XII. - Schorsing in het belang van de dienst Art. 170.Wanneer het belang van de dienst het vereist, kan de ambtenaar uit zijn functies geschorst worden. Art. 171.Wanneer de ambtenaar het voorwerp uitmaakt van straf- of tuchtvervolgingen wegens grove tekortkoming met ontdekking op heterdaad of bewijsaanwijzingen, kan de schorsing in het belang van de dienst samen met een inhouding van wedde opgelegd worden. De inhouding van wedde mag niet hoger zijn dan het gedeelte van de bezoldiging in gelden bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Art. 172.De ambtenaar heeft het recht verhoord te worden door de administrateur-generaal of zijn gemachtigde over de hem verweten feiten, vóór de beslissing tot schorsing in het belang van de dienst. De ambtenaar heeft inzage in het dossier dat opgemaakt werd met het oog op het instellen van een vordering tot schorsing in het belang van de dienst. Art. 173.De ambtenaar mag worden bijgestaan door een persoon naar eigen keuze in elk stadium van de procedure tot schorsing in het belang van de dienst. Art. 174.§ 1. Over de schorsing in het belang van de dienst wordt door de Regeringen beslist voor een termijn van hoogstens zes maanden. Bij strafvervolging kunnen de Regeringen die termijn verlengen voor opeenvolgende periodes van hoogstens zes maanden, tot en met de mededeling van een definitieve gerechtelijke beslissing. De ambtenaar kan een beroep indienen bij de Kamer van Beroep overeenkomstig artikel 155. De Regering neemt een nieuwe beslissing binnen twee maanden na de kennisgeving van een advies van de Kamer van Beroep dat gunstig is voor de verzoeker. Bij gebreke daarvan worden alle gevolgen van de schorsing in het belang van de dienst en van de eventuele inhouding van de wedde opgeheven. Geen beroep staat open bij de Kamer van Beroep tegen die nieuwe beslissing, tenzij die nieuwe beslissing strenger is dan de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het advies. § 2. Indien geen tuchtstraf wordt opgelegd binnen zes maanden vanaf de mededeling van de definitieve gerechtelijke beslissing, worden alle gevolgen van de schorsing in het belang van de dienst en van de eventuele inhouding van de wedde opgeheven. Art. 175.De beslissing tot schorsing in het belang van de dienst en de eventuele inhouding van wedde worden binnen de vijftien dagen na de beslissing bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst medegedeeld. De mededeling maakt melding van de beroepsmogelijkheden en de termijnen waarin die uitgeoefend moeten worden. Art. 176.Behoudens ontslag van ambtswege of afzetting wordt de wedde ingehouden tijdens de schorsing in het belang van de dienst terugbetaald aan de ambtenaar zodra de schorsing eindigt. TITEL XIII. - Administratieve standen en anciënniteiten HOOFDSTUK I. - Administratieve standen Art. 177.Ten alle tijden bevindt de ambtenaar zich in een van de volgende administratieve standen : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° disponibiliteit. Art. 178.De ambtenaar wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht in actieve dienst te zijn behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem, hetzij van rechtswege, hetzij bij beslissing van de bevoegde overheid, in een andere administratieve stand plaatst. Art. 179.De ambtenaar wordt geacht daadwerkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich in een administratieve stand bevindt op grond waarvan hij recht heeft op zijn activiteitswedde of bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt. De dienstonderbreking wordt de ambtenaar toegerekend indien ze toe te schrijven is aan een onverantwoord initiatief zijnerzijds of aan zijn fout. In dat geval wordt de dienstonderbreking opzettelijk geacht. Art. 180.De maximale gemiddelde duur van de werktijd is gelijk aan achtendertig uur per week voor voltijdse prestaties. Art. 181.Behoudens andersluidende bepaling, heeft de ambtenaar in de stand van dienstactiviteit : 1° recht op de wedde;2° recht op bevordering tot een hogere wedde;3° en kan zijn aanspraak op bevordering doen gelden. Art. 182.Behoudens andersluidende bepaling, heeft de ambtenaar in de stand van non-activiteit : 1° geen recht op de wedde;2° geen recht op bevordering tot een hogere wedde;3° en kan zijn aanspraak op bevordering niet doen gelden. Art. 183.De ambtenaar kan niet in non-activiteit worden gesteld of gehouden indien hij voldoet aan de vereiste voorwaarden om in ruste te worden gesteld. Art. 184.De ambtenaar die zonder toelating afwezig is of dat zonder geldige reden de duur van zijn verlof overschrijdt, is van ambtswege in de stand van non-activiteit. Art. 185.In de voorwaarden vastgesteld in de verlofregeling en andere afwezigheden waarvan sprake in Boek III kan de ambtenaar in disponibiliteit gesteld worden : 2° wegens ziekte of gebrekkigheid waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan voor verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;3° wegens persoonlijke aangelegenheid.3° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. Art. 186.De ambtenaar kan niet in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de vereisten voldoet om in ruste te worden gesteld. Art. 187.§ 1. Een wachtgeld tot een in Boek III van dit besluit vastgelegd bedrag wordt verleend aan de ambtenaren die in disponibiliteit worden gesteld wegens ziekte of gebrekkigheid. § 2. De ambtenaren die in disponibiliteit worden gesteld wegens ziekte of gebrekkigheid, behouden hun aanspraken op bevordering alsook hun dienst- en pecuniaire anciënniteit. § 3. Er wordt geen wachtgeld toegekend aan de ambtenaar die in disponibiliteit wordt gesteld wegens persoonlijke aangelegenheid. Hij kan geen ziekten of gebrekkigheden doen gelden die hij tijdens zijn periode van disponibiliteit heeft opgelopen. Hij kan geen aanspraken doen gelden op bevordering, mutatie of bevordering tot een hogere wedde. HOOFDSTUK II. - Administratieve anciënniteiten Art. 188.Voor de toepassing van de verordeningsbepalingen die uitgaan van de anciënniteit wordt, onder de ambtenaren wier anciënniteit moet worden vergeleken, de voorrang als volgt bepaald : 1° de ambtenaren met de grootste graadanciënniteit;2° bij gelijke graadanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar. Art. 189.§ 1. In aanmerking komen voor het berekenen van de niveau-anciënniteit, de werkelijke diensten die ambtenaar als statutair of contractueel in de volgende instellingen heeft verricht : 1° elke instelling van internationaal recht waarvan de federale Staat, een gewest of een gemeenschap lid is;2° elke instelling, al dan niet opgericht als afzonderlijke rechtspersoon, die ressorteert onder de wetgevende, uitvoerende of gerechtelijke macht van de federale Staat, een Gewest, een Gemeenschap of een Gemeenschapscommissie;3° elke instelling die ressorteert onder een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een agglomeratie of een federatie van gemeenten, alsook elke instelling die ressorteert onder een inrichting ondergeschikt aan een provincie of een gemeente;4° elke instelling van internationaal recht waarvan een andere Staat van de Europese economische ruimte of Zwitserland lid is of een onderdeel van één van die Staten vergelijkbaar met een Gewest of een Gemeenschap;5° elke instelling van een andere Staat van de Europese economische ruimte of Zwitserland vergelijkbaar met de instellingen waarvan sprake in 2° en 3°. Toelaatbare diensten voor de berekening van het anciënniteitniveau zijn eveneens de daadwerkelijke diensten die de ambtenaar in vast dienstverband zonder vrijwillige onderbreking volbracht heeft bij elke instelling of onderwijsinstelling, dienst voor school- of beroepsoriëntatie of psycho-medisch-sociaal centrum die onder een Gemeenschap, de Staat of een gesubisidieerde inrichtende macht vallen, alsook bij elke vergelijkbare instelling, dienst of centrum van een andere Staat van de Europese economische ruimte of Zwitserland. § 2. In aanmerking komen voor het berekenen van de ranganciënniteit, de werkelijke diensten die de ambtenaar als statutair en zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht in een rang minstens gelijkwaardig aan zijn aanwervingsrang, in de instellingen bedoeld in § 1. § 3. In aanmerking komen voor het berekenen van de dienstanciënniteit, de werkelijke diensten die de ambtenaar als statutair of contractueel en zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht in de instellingen bedoeld in § 1. Art. 190.Toelaatbare diensten voor de berekening van de rang-, de niveau- en de dienstanciënniteit met een maximum van tien haar zijn eveneens de diensten volbracht als statutair of contractueel in de openbare sector in een andere Staat dan die bedoeld in artikel 189, § 1, in de privé-sector alsook als zelfstandige indien het diensten betreft die overeenstemmen met een bij de werving vereiste beroepservaring. Art. 191.Voor het berekenen van de graad- en niveau-anciënniteit komen rechtstreeks in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als titularis van een ambt met volledige prestaties. Voor de rang- of niveau-anciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in de overwogen rang of in het overwogen niveau of vanaf de datum waarop hij voor latere bevordering is gerangschikt ingevolge terugwerking van zijn benoeming in zulke graden. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen rechtstreeks in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar in enigerlei hoedanigheid zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als titularis van een ambt met volledige prestaties. Art. 192.§ 1. De in aanmerking komende diensten die betrekking hebben op hele maanden, worden rechtstreeks meegerekend voor het bepalen van de rang-, niveau- en dienstanciënniteit. § 2. De toelaatbare diensten die maandgedeelten betreffen worden op het einde van het jaar opgeteld. De maandgedeelten die periodes van dertig dagen tellen worden gevaloriseerd in de rang-, de niveau- en de dienstanciënniteit tegen één maand per periode van dertig dagen. De in aanmerking komende diensten, bedoeld in het eerste lid, hebben pas uitwerking op 1 januari van het volgende jaar. De maandgedeelten, die aan het einde van het jaar minder dan dertig dagen bedragen, worden naar het volgende jaar overgebracht waar ze aan het einde van het boekjaar opnieuw worden onderworpen aan de in het eerste en het tweede lid bedoelde bepalingen. Art. 193.De duur van de diensten die in aanmerking komen voor de berekening van de rang-, niveau- en dienstanciënniteit mag nooit langer zijn dan de reële duur van de periodes waarop de werkelijke diensten betrekking hebben. Art. 194.De diensten die in aanmerking komen voor de berekening van de rang-, niveau- en dienstanciënniteit, worden vastgelegd door de administrateur-generaal op aanvraag van de ambtenaar die zijn aanvraag moet indienen uiterlijk binnen drie maanden vanaf zijn benoeming in vast verband. De ambtenaar voegt alle nuttige bewijsstukken bij zijn aanvraag. Genoemde diensten komen in aanmerking op de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag. TITEL XIV. - Verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en ambtsneerlegging Art. 195.Niemand kan de hoedanigheid van ambtenaar verliezen vóór de normale leeftijd voor de pensionering, behalve in de gevallen voorzien bij de pensioenwetgeving en bij dit besluit. Art. 196.Van ambtswege en zonder vooropzeg verliest de hoedanigheid van ambtenaar : 1° de ambtenaar wiens benoeming onregelmatig is, op voorwaarde dat, behoudens arglist of bedrog, die onregelmatigheid vastgesteld is door de overheid die hem benoemd heeft binnen de termijn vereist om een beroep tot vernietiging in te dienen voor de Raad van State of, indien zo'n beroep ingediend is, tijdens de procedure;2° de ambtenaar die niet meer voldoet aan de nationaliteitsvoorwaarde, die zijn burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet, die niet meer voldoet aan de dienstplichtwetten of wiens medische ongeschiktheid behoorlijk is vastgesteld;3° de ambtenaar die, zonder geldige reden, zijn post verlaat en afwezig blijft tijdens meer dan tien dagen;4° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waar de toepassing van de burgerlijke en strafwetten de ambtsneerlegging als gevolg heeft;5° de ambtenaar die ontheven is wegens tuchtredenen of die ontslagen is. Art. 197.Ambtsneerlegging is eveneens gevolg van : 1° vrijwillig ontslag.In dit geval mag de ambtenaar zijn dienst verlaten uiterlijk acht dagen na kennisgeving van zijn vrijwillige ontslag aan de administrateur-generaal; 2° de opruststelling;3° het ontslag wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid. TITEL XV. - Geldelijk statuut HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsbepalingen Art. 198.De bezoldiging van een ambtenaar bestaat uit : 1° de wedde;2° de haardtoelage of standplaatstoelage. Art. 199.De wedden van de ambtenaren van het Gewest worden in schalen vastgesteld. Een weddeschaal bestaat uit : 1° een minimumwedde;2° tussenwedden die met weddetrappen van geldelijke anciënniteit overeenkomen en voortvloeien uit jaarlijkse, tweejaarlijkse en zesjaarlijkse tussentijdse verhogingen;3° een maximumwedde. Elke weddeschaal bestaat uit een aantal in munteenheden uitgedrukte wedden die overeenstemmen met hun niet-geïndexeerd jaarbedrag tegen 100 %. Art. 200.De geldelijke anciënniteit is samengesteld uit het geheel van de voor de vaststelling van de wedde in aanmerking komende diensten. HOOFDSTUK II. - Wedden Afdeling 1. - Vaststelling van de weddeschalen Art. 201.De weddeschalen zijn die, welke opgenomen zijn in bijlage X. Art. 202.Een weddeschaal wordt toegekend aan de houder van een graad overeenkomstig volgende lijst : - weddeschaal A2 voor de graad van administrateur-generaal; - weddeschaal A3 voor de graad van adjunct-administrateur-generaal en inspecteur-generaal; - weddeschaal A4S voor de graad van directeur houder van een diploma doctor in de wetenschappen, landbouwkundig en burgerlijk ingenieur, geneesheer, apotheker en veearts of master in de informatica en die een functie uitoefent die in rechstreeks en concreet verband staat met het diploma waarvan hij houder is; - weddeschaal A4 voor de graad van directeur; - weddeschaal A5S voor de graad van eersteattaché houder van een diploma doctor in de wetenschappen, landbouwkundig en burgerlijk ingenieur, geneesheer, apotheker en veearts of master in de informatica en die een functie uitoefent die in rechstreeks en concreet verband staat met het diploma waarvan hij houder is; - weddeschaal A5 voor de graad van eerste attaché; - weddeschaal A6S voor de graad van attaché houder van een diploma doctor in de wetenschappen, landbouwkundig en burgerlijk ingenieur, geneesheer, apotheker en veearts of master in de informatica en die een functie uitoefent die in rechstreeks en concreet verband staat met het diploma waarvan hij houder is; - weddeschaal A6 voor de graad van attaché; - weddeschaal B1 voor de graad van eerste gegradueerde; - weddeschaal B2 voor de graad van eerstaanwezend gegradueerde; - weddeschaal B3 voor de graad van gegradueerde; - weddeschaal C1 voor de graad van eerste assistent; - weddeschaal C2 voor de graad van eerstaanwezend assistent; - weddeschaal C3 voor de graad van assistent; - weddeschaal D1 voor de graad van eerste adjunct; - weddeschaal D2 voor de graad van eerstaanwezend adjunct; - weddeschaal D3 voor de graad van adjunct. De ambtenaar aan wie een weddeschaal A6S of A5S wordt toegekend, die erom verzoekt een ander beroep uit te oefenen dan hetgeen waarvoor weddeschalen A6 of A5 voorzien zijn, verliest het voordeel van de weddeschalen A6S of A5S zodra hij dat ander beroep uitoefent. Art. 203.De wedde van elke ambtenaar wordt vastgelegd in de schaal van zijn graad. Art. 204.Bij iedere wijziging in het geldelijk statuut van een graad wordt elke aan die graad verbonden wedde opnieuw vastgesteld alsof het nieuw geldelijk statuut altijd had bestaan. Indien de aldus vastgestelde nieuwe wedde in dezelfde graad lager is dan de wedde die de ambtenaar geniet bij de inwerkingtreding van een nieuwe geldelijke loopbaan, blijft hij de oude geldelijke loopbaan genieten totdat hij een ten minste gelijke wedde verkrijgt in de nieuwe geldelijke loopbaan. Art. 205.In de weddeschaal verbonden aan de graad waartoe hij is bevorderd, heeft de ambtenaar nooit een lagere wedde dan hij in zijn vorige graad genoot of zou hebben genoten. Afdeling 2. - In aanmerking komende diensten Art. 206.§ 1. In aanmerking komen voor het berekenen van de niveau-anciënniteit, de werkelijke diensten die de ambtenaar als statutair of contractueel en zonder vrijwillige onderbreking in de volgende instellingen heeft verricht : 1° elke instelling van internationaal recht waarvan de federale Staat, een Gewest of een Gemeenschap lid is;2° elke instelling, al dan niet opgericht als afzonderlijke rechtspersoon, die ressorteert onder de wetgevende, uitvoerende of gerechtelijke macht van de federale Staat, een Gewest, een Gemeenschap of een Gemeenschapscommissie;3° elke instelling die ressorteert onder een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een agglomeratie of een federatie van gemeenten, alsook elke instelling die ressorteert onder een inrichting ondergeschikt aan een provincie of een gemeente;4° elke andere instelling van Belgisch recht die inspeelt op gemeenschappelijke behoeften, van
of plaatselijk belang, en in het bestuur waarvan het overwicht van de openbare overheid wordt vastgesteld;5° elke instelling van internationaal recht waarvan een andere Staat van de Europese economische ruimte of Zwitserland lid is of een onderdeel van één van die Staten vergelijkbaar met een Gewest of een Gemeenschap;6° elke instelling van een andere Staat van de Europese economische ruimte of Zwiterland vergelijkbaar met de instellingen waarvan sprake in 2° en 4°.7° elke instelling of onderwijsinrichting, dienst voor school- of beroepsoriëntatie of gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum, evenals elke vergelijkbare instelling of inrichting, dienst of centrum van een andere Staat van de Europese economische ruimte of Zwitserland. §
- Eveneens in aanmerking komen voor het berekenen van de geldelijke anciënniteit, voor een maximum duur van zes jaar, de diensten verricht als werkloze tewerkgesteld in de openbare sector in België en in een hoedanigheid vergelijkbaar met die van tewerkgestelde werkloze in de openbare sector van een andere Staat van de Europese economische ruimte of Zwitserland. §
- Eveneens in aanmerking komen voor het berekenen van de geldelijke anciënniteit, voor een maximum duur van zes jaar, de diensten verricht als statutair of contractueel in een andere Staat dan die bedoeld in § 1, in de privé-sector en als zelfstandige. Die grens wordt op tien jaar gebracht indien het diensten betreft die overeenstemmen met een beroepservaring vereist bij de aanwerving. Art. 207.De werkelijke diensten die onvolledige prestaties bevatten die de ambtenaar voorheen heeft volbracht in een functie bedoeld in artikel 206 worden toegelaten met een duur die evenredig is met een voltijdse arbeidsregeling die representatief zijn voor die diensten op het ogenblik waarop ze volbracht worden. Art. 208.§
- De in aanmerking komende diensten die volle maanden bedragen worden rechtstreeks meegerekend in de geldelijke anciënniteit. §
- De toelaatbare diensten die maandgedeelten betreffen worden op het einde van het jaar opgeteld. De maandgedeelten die periodes van dertig dagen tellen worden gevaloriseerd in de rang-, de niveau- en de dienstanciënniteit tegen één maand per periode van dertig dagen. De in aanmerking komende diensten, bedoeld in het eerste lid, hebben pas uitwerking op 1 januari van het volgende jaar. Die diensten hebben evenwel uitwerking de dag van de aanwerving in de hoedanigheid van personeelslid of stagiair of op de eerste dag van de maand volgend op de aanwerving in die hoedanigheid indien de dag van de aanwerving de maand niet aanvangt. De maandgedeelten, die aan het einde van het jaar minder dan dertig dagen bedragen, worden naar het volgende jaar overgebracht waar ze aan het einde van het personeelsjaar opnieuw worden onderworpen aan de in het eerste en het tweede lid bedoelde bepalingen. Art. 209.De duur van de diensten die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit mag nooit langer zijn dan de reële duur van de periodes waarop de werkelijke diensten betrekking hebben. De duur van de in aanmerking komende diensten die de ambtenaar in het onderwijs ad interim of als tijdelijke heeft verricht, wordt vastgesteld aan de hand van het attest afgegeven door de bevoegde autoriteiten. De vo