← België

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen

Kort samengevat

Dit besluit regelt de administratieve status en de bezoldiging van ambtenaren die werken bij specifieke instellingen van openbaar nut in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het legt de rechten en plichten van deze ambtenaren vast.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst
Obsah (8)Artikel 1Art. 55Art. 80Art. 81Art. 104Art. 107Art. 123Art. 136

27 MAART 2014. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussel

Artikel 1.§ 1.

Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° de instellingen : de instellingen van openbaar nut van catégorie A en van categorie B van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

  1. a)de instellingen van categorie A : de instellingen behorende tot categorie A volgens de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;
  2. b)de instellingen van categorie B : de instellingen behorende tot categorie B volgens dezelfde wet;2° De Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 3° de minister : de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken;4° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan een instelling van openbaar nut afhangt krachtens de bevoegdheden die hij uitoefent;5° de benoemende overheid : 1.in de instellingen behorende tot categorie A :
  3. a)de Regering voor de graden van niveau A;
  4. b)de directeur generaal en de adjunct-directeur-generaal voor de andere graden;2. in de instellingen behorende tot categorie B is de benoemende overheid, de bevoegde instantie naar gelang het niveau, ingevolgde de oprichtingsordonnantie van de betreffende instelling.6° de functionele chef : personeelslid die de leiding en/of dagelijkse controle heeft over het functioneren van een team ingevolge diens functiebeschrijving;7° Vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in het bevoegde Sectorcomité in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;8° bestuursovereenkomst : geschreven document waarin de akkoorden staan die tussen de regering en de instelling van categorie A gesloten zijn.Die akkoorden houden strategische doelstellingen in teneinde de opdrachten van de instelling, de elementen uit de regeringsverklaring alsook de grote richtlijnen bepaald door de regering te realiseren; 9° HRM : dienst binnen de instelling belast met het personeelsbeheer;10° De HRM-verantwoordelijke : het personeelslid van minimum rang A3 die bevoegd is voor het personeelsbeheer. 11° getuigschrift van generieke competenties verworven buiten diploma : getuigschrift met als doel de bekwaamheid die de persoon via formele of niet-formele opleiding verworven heeft, te bekrachtigen en te bewijzen met het oog op de uitoefening van een functie binnen de instelling.. 12° wettelijk tweetalige : personeelslid die de kennis bewijst van een tweede taal die niet onder zijn taalrol valt op de bij artikel 43, § 3, 3e alinea voorgeschreven wijze van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966; § 2. Wanneer dit besluit voorziet in het versturen van een brief of een aangetekend schrijven, dan wordt het versturen via een elektronische procedure, die op een weerlegbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd. § 3. Wanneer dit besluit voorziet in een termijn wordt deze berekend in kalenderdagen, tenzij anders voorzien. § 4. Het gebruik in dit besluit van mannelijke woorden is gemeenslachtig met het oog op het waarborgen van de leesbaarheid van de tekst. Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing voor de ambtenaren van de volgende instellingen : 1° Instellingen van categorie A : - Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest; - Brussels Instituut voor Milieubeheer; - Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp; - Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel. 2° Instellingen van categorie B : - Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij; - Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling; - Gewestelijke vennootschap van de Haven van Brussel. § 2. Voor wat betreft de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, is dit besluit enkel van toepassing op de ambtenaren titularis van een van de graden bepaald door dit besluit. TITEL II. - De organisatie van de instellingen van openbaar nut HOOFDSTUK I. - De ambtenaren Art. 3.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband is in een instelling. De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut. Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten Art. 4.De ambtenaar oefent zijn functies op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit. Hij dient daartoe : 1° de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe hij behoort, na te leven;2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. Art. 5.De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten. Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden. Art. 6.§ 1. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering stelt de ambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft. § 2. De ambtenaar kan, buiten de gevallen van valse aangifte die een dienst of persoon schade toebrengen, niet onderworpen zijn aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij onregelmatigheden aangeeft of bekend maakt. Art. 7.De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt. Art. 8.De ambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar op basis ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt. Art. 9.De ambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte. In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen. De ambtenaar kan schriftelijk om het advies van de voorzitter van de directieraad of van diens afgevaardigde, vragen over een toestand waarin hij zich bevindt, dit om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict. Art. 10.De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt. Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de mededingingspositie van de instelling waarin de ambtenaar is tewerkgesteld, kunnen schaden. De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. Art. 11.De ambtenaar heeft recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn taken. De ambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. De ambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst. Art. 12.De ambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan. Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan voortgezette beroepsopleidingen worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. Art. 13.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en hiervan een kopie te krijgen. HOOFDSTUK III. - De graden Art. 14.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking in te nemen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 15.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer, de letter verwijst naar het niveau, het cijfer plaatst de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, zes rangen nl.de rangen A1, A2, A3, A4, A4+ en A5; 2° in niveau B, twee rangen, nl.rangen B1 en B2. 3° in niveau C, twee rangen, nl.rangen C1 en C2. 4° in niveau D, twee rangen, nl.rangen D1 en D2. 5° in niveau E, twee rangen, nl.rangen E1 en E2. Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 16.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A5 : directeur-generaal of directrice-generaal in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal of adjunct-directrice-generaal in rang A4 : directeur-diensthoofd of directrice-diensthoofd in rang A3 : ingenieur-directeur of ingenieur-directrice directeur of directrice wetenschappelijk directeur of wetenschappelijke directrice in rang A2 : eerste ingenieur eerste attaché eerste wetenschappelijk attaché havenkapitein in rang A1 : ingenieur attaché wetenschappelijk attaché geneesheer in rang B2 : eerste assistent of eerste assistente in rang B1 : assistent of assistente in rang C2 : eerste adjunct in rang C1 : adjunct in rang D2 : eerste klerk in rang D1 : klerk in rang E2 : eerste beambte in rang E1 : beambte HOOFDSTUK IV. - Het personeelsplan, generieke functiebeschrijvingen en het organogram Art. 17.Om het werk te organiseren, werkt de directieraad de personeelsplannen en organogrammen uit. Het personeelsplan is een plan waarin per activiteitsdomein, per niveau, per rang en per graad, het aantal statutaire en contractuele personeelsleden uitgedrukt in voltijds equivalenten, vastgelegd wordt die noodzakelijk geacht worden om de opdrachten toegewezen aan de instelling uit te oefenen. Art. 18.§ 1. In de instellingen van categorie A, de directieraad werkt het personeelsplan uit en legt het voor akkoord voor aan de Regering. Voor elk begrotingsjaar stelt de directieraad minstens een personeelsplan op. Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken boekjaar. Het moet eveneens verenigbaar zijn met de bepalingen van de bestuursovereenkomst bedoeld in artikel 479. § 2. In de instellingen van catergorie B, bepaalt het personeelsplan per functiedomein, per niveau, per rang en per graad, het aantal statutaire en contractuele personeelsleden uitgedrukt in voltijds equivalenten, die noodzakelijk geacht worden om de opdrachten toegewezen aan de instelling uit te oefenen. Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de bepalingen van de beheersovereenkomst van de instelling. De directieraad bereidt elk begrotingsjaar minstens één personeelsplan voor. Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken boekjaar. Het beheerscomité of de raad van bestuur keurt het personeelsplan goed mits de regeringscommissarissen een gunstig advies gegeven hebben met betrekking tot de conformiteit van het plan met de wettelijke en reglementaire bepalingen alsook met de bepalingen van de beheersovereenkomst. Bij ontstentenis van dit advies binnen de maand volgend op de overbrenging naar de regeringscommissarissen, wordt dit advies geacht gunstig te zijn. Bij gebrek aan een gunstig advies van een of van de regeringscommissarissen, kan de functioneel bevoegde minister het personeelsplan goedkeuren mits de ministers bevoegd voor Begroting en Openbaar Ambt hiermee instemmen. Indien een van deze laatsten zich niet akkoord verklaart, legt de voogdijminister het plan ter goedkeuring voor aan de Regering. § 3 Bij gebrek aan een bepaling of akkoord over het personeelsplan door de Regering, blijft het laatst bepaalde of goedgekeurde plan van toepassing. § 4. De vaststelling of het akkoord door de Regering over het personeelsplan houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming erin voorzien worden. § 5 Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan worden meegedeeld aan alle personeelsleden en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. 19.De dienst belast met het "human ressources management", afgekort als HRM stelt de generieke functiebeschrijvingen op en legt ze ter goedkeuring voor aan de directieraad. Aan iedere functiebeschrijving worden de kwalificaties toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen. Art. 20.De directieraad stelt het organogram vast. Het organogram van de instelling, evenals elke wijziging die er wordt aan aangebracht, wordt aan alle personeelsleden meegedeeld. HOOFDSTUK V. - De leidende ambtenaren Art. 21.De leidende ambtenaren zijn de leidende ambtenaar en de adjunct-leidende ambtenaar die respectievelijk de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal zijn.. Ze worden aangeduid per mandaat in overeenstemming met de bepalingen van Boek IV. Art. 22.De leidende ambtenaren kunnen binnen de perken van hun bevoegdheden voor de instellingen van categorie A of binnen de perken van hun organieke bepalingen voor de instellingen van categorie B, hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de ambtenaren van niveau A en B die zij aanwijzen. HOOFDSTUK VI. - De directieraad Art. 23.De directieraad bestaat uit de leidende ambtenaren en de ambtenaren van rang A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door de benoemende overheid. De directieraad wordt voorgezeten door de directeur-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-directeur-generaal. Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt de directieraad voorgezeten door het lid aangewezen door de directeur-generaal of door de adjunct-directeur-generaal. Art. 24.De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement op. Art. 25.De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent. Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de instelling aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden. HOOFDSTUK VII. - De gemeenschappelijke commissie van beroep inzake ambtenarenzaken Afdeling 1. - Opdracht en samenstelling van de commissie Art. 26.Voor de instellingen wordt een gemeenschappelijke commissie van beroep opgericht. Art. 27.De commissie bedoeld in artikel 26 is bevoegd voor de beroepen inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid. Art. 28.De commissie bestaat uit : 1° een effectieve en een plaatsvervangende voorzitter, magistraten of op rust gestelde magistraten, aangewezen door de Regering;2° per taalrol, drie leden gekozen onder de ambtenaren van ten minste rang A2, aangewezen door de Regering;3° per taalrol, drie leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen, door deze aangewezen. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde wijze aangewezen : per taalrol zes ambtenaren van ten minste rang A2 en zes vertegenwoordigers van de vakorganisaties. De minister bepaalt de toelage toegekend aan de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter van de commissie bedoeld in artikel 26. Afdeling 2. - De werking van de commissie Art. 29.De commissie vergadert in afdelingen per taalrol. De Regering wijst onder de ambtenaren van de instellingen een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan voor elke afdeling. Art. 30.De verenigde afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op. Art. 31.Elke afdeling van de commissie beraadslaagt slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is. Tijdens de stemming moet het aantal leden aangewezen door de Regering en aangewezen door de vakorganisaties gelijk zijn; in voorkomend geval, wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meerdere leden, na loting. Art. 32.Elk lid van de commissie, met inbegrip van de voorzitter, is stemgerechtigd. TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie Afdeling 1. - Algemene bepaling Art. 33.Voor de aanwerving en de overgang tot een hoger niveau, sluiten de minister en de gedelegeerd bestuurder van SELOR een samenwerkingsprotocol af voor het Ministerie en voor de instellingen bedoeld in artikel 2 van het besluit van het huidige besluit. De Minister pleegt voorafgaandelijk overleg met de leidende ambtenaren van het Ministerie en van de voormelde instellingen. Het samenwerkingsprotocol duidt de partijen bevoegd voor de organisatie van de selecties aan, hierna bedoeld door "organisator van de selectie", en bevat bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke overdracht van de organisatie van de selecties, onder toezicht van SELOR. Afdeling 2. - De toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden Art. 34.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten : 1° overeenkomstig artikel 2 van de ordonnantie van 11 juli 2002 tot verruiming van de nationaliteitsvoorwaarden voor de toegang tot betrekkingen in het gewestelijk openbaar ambt, Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten.4° slagen voor de voorziene selectie;5° met goed gevolg de stage volbrengen, behalve in geval van vrijstelling zoals bepaald in artikel 67;6° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens de bij dit besluit gevoegde tabel, of houder zijn van een getuigschrift voor vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot het niveau van de graad tot welke de functie behoort waarvoor de selectie georganiseerd wordt of slagen voor de instapkaartmodule. In uitzondering op de vorige alinea wordt de toegang tot het niveau A via aanwerving beperkt tot de kandidaten die bovendien minstens beschikken over een diploma of studiegetuigschrift dat minstens overeenkomt met het niveau B, volgens de bij dit besluit toegevoegde tabel. Art. 35.Voor een bepaalde selectie kunnen er de volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden : 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot het ambt waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° pertinente werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° de studenten toelaten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden op te leveren;in dat geval worden zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen ook tot dat wervingsexamen toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen; 4° behalve de in artikel 34, 6°, vermelde diploma's en getuigschriften de volgende, diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad en wanneer de vereisten van de uit te oefenen ambten dit toelaten :
  5. a)diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;
  6. b)diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveaus D en E het bezit van bepaalde vormingsattesten als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 34, 6°.7° medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt, indien de aard van het ambt dit vereist.8° andere voorwaarden vereist door de aard van het ambt. Afdeling 3. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissies Art. 36.Voorafgaandelijk aan de organisatie van elke selectie wordt de herplaatsing bedoeld in artikel 133 onderzocht. Art. 37.Voor elke vacante betrekking, die niet wordt ingevuld door herplaatsing, wordt een selectie georganiseerd. Op voorstel van het HRM kiezen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal één of gelijktijdig meerdere van de volgende mogelijkheden : - Interne mobiliteit zoals bepaald in artikel 127; - Intraregionale mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 5 tot 13 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - Externe mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 23 tot 25 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 104 en volgende; - Aanwerving. Art. 38.Er kunnen selecties georganiseerd worden voor alle graden, behalve voor de graden die bij mandaat verleend moeten worden. Art. 39.De selecties waarbij externe kandidaten opgeroepen worden die niet behoren tot het personeel van de instelling, worden minstens in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, met inachtneming van een redelijke termijn tussen de publicatie van de vacature en de uiterste datum van indiening van de kandidaatstelling. Wanneer enkel de mogelijkheden van herplaatsing, of interne mobiliteit gekozen worden, organiseert de instelling zelf de selectie. Art. 40.§ 1. Voor elke selectie stelt de organisator een selectiecommissie samen. De selectiecommissies bestaan uit de voorzitter, zijnde de HRM-verantwoordelijke of zijn vertegenwoordiger, en ten minste twee assessoren of hun plaatsvervangers. De beslissingen worden genomen bij consensus. § 2 Volgende personen kunnen deel uitmaken van de selectiecommissie, op voorwaarde dat zij minstens dezelfde rang hebben dan die van de in te vullen betrekking : 1° Personeelsleden van de instelling die beschikken over een professionele kwalificatie en ervaring die verband houden met het profiel van de te verlenen betrekking;2° personen die, wegens hun bevoegdheid bijzonder geschikt zijn. § 3 Een vergoeding kan worden toegekend aan de leden van de commissie bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, indien zij geen deel uitmaken van het personeelsbestand van het Ministerie of van een instelling van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De minister bepaalt het bedrag van deze vergoeding. § 4. Bij afwijking van voorgaande paragrafen, wordt de selectiecommissie voor de in te vullen betrekkingen van rang 2 en 3 samengesteld overeenkomstig de bepalingen zoals beschreven in hoofdstuk II, afdeling 1 van titel IV van dit boek. Afdeling 4. - Functiebeschrijving, programma en organisatie van de selectie Art. 41.Op basis van de generieke functiebeschrijvingen die goedgekeurd zijn door de directieraad overeenkomstig artikel 19, bepaalt de verantwoordelijke van de dienst waar een betrekking vacant is en het HRM de functiebeschrijving van de in te vullen betrekking, die eveneens de voor deze betrekking vereiste competenties en kwalificaties omvat. De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal keuren de specifieke functiebeschrijving goed. Art. 42.Op basis van de functiebeschrijving die opgesteld werd overeenkomstig het voorgaande artikel, legt de organisator van de selectie, het programma van de selectie vast en bepaalt hierin : 1° voor zover de aard van de betrekking het vereist, de bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden, zoals omschreven in artikel 35;2° het selectieprogramma, vastgesteld volgens afdeling 5;3° het aantal punten dat aan de volledige selectie, aan iedere proef en desgevallend aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;4° het minimaal aantal punten dat voor het slagen van de selectie wordt vereist;5° de uiterste datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de instapkaartmodule om te mogen deelnemen aan de generieke module;6° de datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de generieke module om te mogen deelnemen aan de specifieke module;7° de datum waarop aan de toelatingsvoorwaarden moet worden voldaan.8° het aantal toelaatbare kandidaten voor de specifieke module van de selectie indien een tussenmodule wordt georganiseerd. Art. 43.De organisator van de selectie bepaalt de kandidatenlijst en verzekert zich ervan dat zij de vereiste algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden vervullen voor de functie waarnaar hij meedingt. Van zodra de organisator van de selectie constateert dat een kandidaat een van de hoger vermelde algemene of specifieke voorwaarden niet vervult, sluit hij deze van de selectie uit en brengt hem hiervan op de hoogte. De organisator van de selectie roept de kandidaten op die zijn toegelaten tot de modules van selectieproeven, zoals voorzien in het selectieprogramma dat volgens de modaliteiten van artikel 42 is bepaald. Afdeling 5. - De selectieproeven Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Art. 44.De selectie kan bestaan uit meerdere opeenvolgende modules van selectieproeven waartoe de kandidaat slechts is toegelaten onder voorbehoud van slagen in of vrijstelling van de voorafgaande module. Een selectie bestaat minimaal uit een specifieke module. Bij het opstellen van het klassement wordt uitsluitend rekening gehouden met de resultaten van de specifieke module. Onderafdeling 2. - De instapkaartmodule en de generieke module Art. 45.De instapkaartmodule is een module met proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaat of de kandidaat over de basisvaardigheden en cognitieve vaardigheden die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachtens zijn graad, zijn diploma('
  7. s)of zijn studiegetuigschrift(
  8. en)aanspraak op kan maken. Het slagen geldt als getuigschrift voor vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot het niveau van de graad tot welke de functie behoort waarvoor de selectie georganiseerd wordt. De geldigheidsduur van dit getuigschrift wordt bepaald door de leidende ambtenaar van SELOR. Het certificaat voor vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn, kan eveneens behaald worden bij een door de Minister erkende instelling, na advies van het Beheerscomité van Actiris. Dit certificaat heeft een gelijke waarde als de instapkaartmodule. Art. 46.De generieke module van de selectie omvat de proeven die dienen om een eerste kwalitatieve selectie te maken van de kandidaten op basis van de generieke vaardigheden die verbonden zijn aan een functieniveau. Indien meerdere selecties binnen eenzelfde niveau een generieke module gemeenschappelijk hebben, geeft de organisator van de selectie de geslaagden een vrijstelling voor de generieke module wanneer ze deelnemen aan een andere selectie. De leidend ambtenaar van SELOR bepaalt de geldigheidsduur van de vrijstelling bij de betekening van het resultaat. Art. 47.De kandidaat die niet slaagt voor de instapkaartmodule of voor de generieke module van de vergelijkende selectie mag gedurende een periode van zes maanden geen proeven van dezelfde module afleggen. Deze periode van zes maanden wordt berekend vanaf de datum waarop waarop de resultaten van de proef worden betekend. Onderafdeling 3. - Specifieke module - Evaluatie van de specifieke vaardigheden die verbonden zijn aan de vacante betrekking Art. 48.Indien het aantal kandidaten voor een betrekking die geslaagd zijn voor de generieke module van de selectie, of hiervoor zijn vrijgesteld, en die naar de betrekking in kwestie solliciteren dit rechtvaardigt of als de complexiteit van het aan te werven profiel dit vereist, kan tussen de generieke en de specifieke module, een eliminatiemodule met een bijkomende proef/bijkomende proeven georganiseerd worden. De organisator van de selectie bepaalt, desgevallend in overleg met het HRM, de aard van de proef en de vaardigheden waarop deze tussenmodule betrekking zal hebben. Art. 49.De specifieke module van de selectie omvat de proef of de opeenvolgende proeven die dient/dienen om een kwalitatieve selectie te maken van de kandidaten op basis van de specifieke functievereisten van de vacante betrekking. Onder specifieke vereisten, verstaat men minstens : - de motivatie om de functie te bekleden; - de technische vaardigheden; - de essentiële specifieke vaardigheden. De proef/proeven wordt/worden georganiseerd door het HRM. De specifieke module bestaat minstens uit een gesprek met de commissie bedoeld in artikel 40. Dit gesprek kan aangevuld worden met een praktische proef ter evaluatie van de vaardigheden en/of kennis die vereist zijn voor de functie van de vacante betrekking. Art. 50.De kandidaten voor de specifieke module worden minstens acht dagen voor de proef opgeroepen door het HRM. De afwezige kandidaten worden uitgesloten. Art. 51.De geslaagden van de specifieke module die door de jury geschikt worden bevonden voor de uit te oefenen functie worden opgenomen in een rangschikking. De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal kunnen een andere instelling toelaten om dit klassement te gebruiken als een reserve van geslaagden op voorwaarde dat de gezochte functie gelijkaardig is aan deze van het betreffende klassement. Afdeling 6. - Regels voor de toelating van de geslaagden Art. 52.§ 1. De organisator van de selectie stelt het proces-verbaal op met de rangschikking van de kandidaten, op basis van de resultaten van de specifieke module zoals beschreven in artikel 51. Hij bepaalt de geldigheidsduur ervan. Elke geslaagde krijgt kennisgeving van zijn resultaat en zijn klassement. § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die, na deze aanvaarding, weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de rangschikking geschrapt. Indien de geslaagde de betrekking heeft aanvaard, dan verzekert het HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Indien het HRM vaststelt dat een aanvullend onderzoek noodzakelijk is om te beoordelen of een kandidaat voldoet aan het gedrag dat noodzakelijk is voor de functie die moet worden toegewezen, dan wordt deze laatste tijdelijk opzij gezet gedurende de tijd die nodig is om het onderzoek te voeren. De kandidaat wordt hiervan op de hoogte gesteld. Art. 53.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen. Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Afdeling 7. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden Art. 54.Het HRM roept de geselecteerde kandidaat in dienst. Het stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding. Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur houdt het HRM rekening met een eventuele opzegtermijn. Indien de geslaagde de functie niet binnen de gestelde termijn kan invullen, kan het HRM de volgende gerangschikte oproepen. HOOFDSTUK II. - De stage Afdeling 1. -

Art. 55.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.

De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° het geldelijk statuut;5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;6° de gemiddelde maximale arbeidsduur. De stagiair geniet : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het verlof wegens ziekte;5° het bevallingsverlof;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met hem onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;10° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;11° verlof voor wederoproeping als reservist;12° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 56.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg, zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 55, derde lid, 1° tot 3°, 7° en 8°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over een of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 57.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 58.De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal kan deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst;2° op aanvraag van de stagiair. De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal kan de stagiair toestaan zijn stage te vervullen in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. De stagiair die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is onderworpen aan de regels van dit besluit inzake stage. Het verlof van de stagiair voor detachering in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling

  1. - De inhoud van de stage Art. 59.§
  2. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn dienst, in de instelling en in het gewestelijk openbaar ambt in het algemeen. Daarom duidt de leidend ambtenaar van de administratie waarin de stagiaire is aangesteld, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan bevoegd voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genaamd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. §
  3. De dienst HRM zorgt eveneens voor de goede werking van de stage. In dat opzicht mag hij aan alle stagegesprekken deelnemen. §
  4. In afwijking van § 1, wijst de minister die de stagiair, die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, onder zijn gezag heeft, het personeelslid van zijn kabinet aan, dat belast wordt met de leiding van de stage, overeenkomstig de taalrol van de stagiair. Dit personeelslid heeft dezelfde prerogatieven als die uitgeoefend door de stagebegeleider. Afdeling
  5. - Het verloop van de stage Art. 60.§
  6. Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden : - De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair; - De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen; - De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiar vergroot wordt. Art. 61.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de dienst HRM. In afwijking van de voorgaande alinea is het personeelslid belast met de leiding van de stage verantwoordelijk voor het integratietraject van de stagiair die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Hij zorgt voor de vorming betreffende de in het kabinet behandelde materies en werkt samen met de vormingsdienst van de instelling. Deze laatste licht de stagiair in over de dienstactiviteiten van de instelling en bepaalt de vormingsactiviteiten waaraan de stagiair moet deelnemen. De instelling zorgt enkel voor de vormingen in verband met het onthaal van de stagiair. Art. 62.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 66, 4e lid, 68 et 70 op. De stagebegeleider kan, in overleg met het HRM en de functionele chef, beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn. De HRM-verantwoordelijke legt het model van het stageverslag vast. Art. 63.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van niveaus C, D en E. Art. 64.De directieraad kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 65.Na het eerste gesprek, voorzien in afdeling 2, organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden. De stagebegeleider brengt de dienst HRM op de hoogte van de gesprekken. Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de dienst HRM. Art. 66.Het gesprek gaat over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM. Afdeling
  7. - Vrijstelling van stage Art. 67.De geslaagde, die in dienst wordt geroepen, wordt vrijgesteld van de stage en onmiddellijk benoemd in de wervingsgraad waarvoor hij geslaagd is indien hij de drie volgende voorwaarden vervult : - door middel van een voltijds arbeidscontract, op ononderbroken wijze gedurende minstens een jaar op het moment van de publicatie van de vacante functie bij dezelfde dienst tewerkgesteld zijn; - dezelfde functie sinds minstens één jaar vervullen als die waarvoor hij aangesteld werd in het kader van zijn bovengenoemd arbeidscontract; - minstens een gunstige evaluatie gekregen hebben bij de laatste evaluatie. Afdeling
  8. - Het einde van de stage Art. 68.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek, zoals beschreven in artikel
  9. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met het HRM en de functionele chef. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 70 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mede, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 69.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 70.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal van het bestuur waarbij de stagiair wordt ingedeeld. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan de overheid bevoegd voor de benoeming, bedoeld in artikel
  10. Indien het eindverslag ongunstig is, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de instelling voor aan de overheid bevoegd voor de benoeming, bedoeld in artikel
  11. Art. 71.Indien de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat die een dringende reden uitmaakt waardoor elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt of wanneer de stagiair blijk geeft van een negatieve houding of niet voldoet aan de vereiste vaardigheden die inherent zijn aan de functie en ondanks waarschuwingen van de stagebegeleider geen blijk geeft van verbetering of ontwikkeling van deze vaardigheden, legt deze laatste een gemotiveerd ongunstig verslag voor aan de ambtenaren bedoeld in artikel
  12. Deze stellen het ontslag van de stagiair voor, wegens ongeschiktheid voor de uitoefening van de functie. Afdeling
  13. - De beroepsprocedure Art. 72.In de gevallen bedoeld in de artikelen 70, derde lid, en 71, beschikt de stagiair over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van het eindverslag of van het ongunstig verslag om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen bij de in het artikel 26 bedoelde commissie. Dit beroep is schorsend. Deze termijn wordt berekend volgens dezelfde regels als deze bedoeld in artikel 300, § 2 . De ambtenaar ontvangt een ontvangstbewijs van het beroep. Art. 73.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 74.De stagebegeleider brengt verslag uit over het verloop van de stage. Hij wordt gehoord. Art. 75.De commissie kan voorstellen aan de benoemende overheid : 1° de benoeming;2° het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de instelling. De commissie beslist binnen de twee maanden na de verzending van het ontvangstbewijs van het beroep. Bij ontstentenis wordt het dossier aan de benoemende overheid bezorgd. Art. 76.De beslissing tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid wordt door de overheid bevoegd voor de benoeming genomen. Bij een ernstige fout wordt hij zonder opzeggingstermijn of opzegvergoeding ontslagen. HOOFDSTUK III. - De benoeming Art. 77.De geschikt verklaarde stagiair of de overeenkomstig artikel 67 van de stage vrijgestelde geslaagde, wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld door de benoemende overheid overeenkomstig artikel 1, 5°. Art. 78.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de volgende termen : "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk. " De ambtenaren van niveau A leggen de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister. De anderen leggen de eed af in handen van de leidende ambtenaren. Voor de instellingen van categorie B leggen de ambtenaren van de eed af in handen van de leidende ambtenaren. Art. 79.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de pas benoemde ambtenaar de betrekking toe die overeenstemt met zijn laatste voorlopige aanstelling. TITEL IV. - de loopbaan HOOFDSTUK I. -

Art. 80.§ 1.

De directieraad bepaalt, op voorstel van het HRM, voor een vacant geworden betrekking in een graad van de rang 2 of 3 de selectieprocedure. Er kan op volgende procedés een beroep worden gedaan : - Hetzij enkel op bevordering door verhoging in graad voor de personeelsleden van de instelling; - Hetzij gelijktijdig op mobiliteit en op bevordering door verhoging in graad, enkel voor de personeelsleden van de instelling; - Hetzij gelijktijdig op mobiliteit en op bevordering door verhoging in graad, zonder zich te beperken tot de personeelsleden van de instelling. § 2. Wanneer ervoor wordt gekozen om de betrekking open te stellen zonder zich te beperken tot de personeelsleden van de instelling, kan de directieraad ook tegelijk een beroep doen op aanwerving. HOOFDSTUK II. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Bevordering door verhoging in graad. Onderafdeling 1. -

Art. 81

.De directieraad bepaald de aard van de vergelijkende proef of proeven bestemd om te evalueren in hoeverre de kandidaat over de capaciteit beschikt om in de bedoelde functie te functioneren. Die proef of proeven vorm(t)(en), voor de betrekkingen van rang 2 en 3, de specifieke selectiemodule bedoeld in artikel

  1. Voor de betrekkingen van de rang A3 en A2 omvat(ten) de proe(f)(ven) steeds minstens een gesprek met de commissie, bedoeld in artikel
  2. De kandidaten worden vooraf op de hoogte gebracht van de organisatie van de vergelijkende proe(f)(ven). De kandidaten die aangesloten zijn bij een van de instellingen, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Regering van 27 maart 2014 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, krijgen slechts toegang tot die vergelijkende proef/proeven als ze slagen of vrijgesteld worden van de module bedoeld in artikel
  3. Art. 82.§
  4. Een vacante betrekking in een graad van de rang A3, A2, B2, C2, D2 en E2, wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de ambtenaren van de instelling die de benoemingsvoorwaarden kunnen vervullen. De geïnteresseerden brengen hun visum voor ontvangst aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs naar zijn woonplaats gezonden. §
  5. Wanneer de promotie toegankelijk wordt gemaakt aan kandidaten die niet onder de instelling vallen, wordt de openstaande betrekking gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De openstaande betrekking bevat : - Het programma van de vergelijkende proe(f)(ven), zoals bepaald overeenkomstig artikel 81; - De termijn waarbinnen, en ter attentie van wie de kandidatuur ingediend dient te worden. - De elementen die het kandidaatstellingsdossier dient te bevatten; - De adresgegevens van de dienst waar een functiebeschrijving van de te begeven betrekking en desgevallend de omschrijving van de doeleinden bedoeld in artikel 83, § 3, en het gestandaardiseerd CV bedoeld in artikel 83, § 2, bekomen kunnen worden. Art. 83.§
  6. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van de instelling die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van twintig dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar, ofwel de dag volgend op de publicatie in het Belgisch Staatsblad voor de kandidaten die niet tot de instelling behoren. De hier bedoelde termijnen worden geregeld door dezelfde regels als diegene voorzien in artikel 300, § 2 van het huidige besluit. §
  7. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking dient een motivatiebrief te bevatten alsook een uiteenzetting van de aanspraken en ervaring die de kandidaat laat gelden om voor de betrekking te kandideren door gebruik te maken van een gestandaardiseerde CV opgesteld door de dienst HRM. §
  8. De kandidaten voor een betrekking van rang A3 leggen eveneens een voorstel van directieplan voor, waarin zij uiteenzetten op welke wijze zij de aangegeven doelstellingen zullen verwezenlijken. Het betreft de doelstellingen die zijn vastgelegd door de hiërarchische meerdere van de in te vullen betrekking en die voorkomen in de specifieke functiebeschrijving van de in te vullen betrekking. Art. 84.§
  9. Het HRM controleert de geldigheid van de kandidaturen. De toegangsvoorwaarden bedoeld in artikelen 86 tot 89 en 96 tot 98 moeten vervuld zijn voor de afloop van de termijn die vereist is om de kandidatuur in te dienen. De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden worden uitgesloten van de procedure tot bevordering bij gemotiveerde beslissing door de verantwoordelijke van het HRM. Elke uitsluiting van de bevorderingsprocedure wordt bij de betrokken kandidaten bekendgemaakt door een door de HRM-verantwoordelijke gemotiveerde beslissing per aangetekende brief. §
  10. Binnen de tien dagen die volgen op deze kennisgeving, kan elke kandidaat per aangetekend schrijven een bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad en kan hij vragen gehoord te worden door de directieraad. De kandidaat kan zich laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze. Na onderzoek van het bezwaar, neemt de directieraad een definitief besluit over de ontvankelijkheid en geeft hij zijn beslissing te kennen per aangetekend schrijven. Art. 85.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de voor het niveau bevoegde benoemende overheid zoals bedoeld in artikel 1, 5°. Onderafdeling
  11. - De bevordering tot een graad van rang A3 en A2 Art. 86.De betrekkingen van directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren titularissen van de graden van attaché van rang A1, van eerste attaché van rang A2 en van havenkapitein van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. De betrekkingen van ingenieur-directeur van rang A3 staan open voor ambtenaren de titularissen van de graden van ingenieur van rang A1 en van eerste ingenieur van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. De betrekkingen van wetenschappelijk directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren titularissen van de graden van wetenschapelijk attaché van rang A1 en van eerste wetenschapelik attaché van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. Art. 87.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2 staan open voor ambtenaren titularissen van de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste wetenschappelijk attaché van rang A2 staan open voor ambtenaren titularissen van de graad van wetenschappelijk attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste ingenieur van rang A2 staan open voor ambtenaren titularissen van de graad van ingenieur van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Art. 88.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A3 of A2 moet een evaluatie "gunstig" of "zeer gunstig" hebben en moet zich in een administratieve positie bevinden waar hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is doorgehaald. Art. 89.Wanneer de functie wordt toegekend overeenkomstig artikel 80, § 1, 3de gedachtenstreep, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden die equivalent zijn met diegene bedoeld in de artikelen 86, 87 et
  12. § 2 Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig de regels inzake aanwerving wordt van de kandidaten een nuttige ervaring voor de functie geëist van zes jaar voor de rang A3 en van drie jaar voor rang A
  13. Art. 90.§
  14. Voor iedere bevordering wordt er een bevorderingscommissie ingesteld door de directieraad. §
  15. Voor de betrekkingen van rang A3, is de commissie samengesteld uit : 1° een ambtenaar van minstens rang A3 van de instelling;2° een ambtenaar van minstens rang A4 van de instelling;3° een HRM-verantwoordelijke of zijn afgevaardigde van minstens rang A1 De commissie kan ook een ambtenaar van rang A3 bevatten die beschikt over een graadanciënniteit van drie jaar ten minste en die afkomstig is uit het Ministerie of een andere instelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zoals bedoeld in artikel 2 of een persoon die over expertise beschikt die verband houdt met de materies die behandeld worden door de in te vullen betrekking. §
  16. Voor de betrekkingen van rang A2 is de commissie samengesteld uit : 1° een HRM-verantwoordelijke of zijn afgevaardigde van minstens rang A1 2° twee personeelsleden van minstens rang A2 die behoren tot de administratie waarin de betrekking moet worden ingevuld en die beschikken over een kwalificatie en professionele ervaring aangaande deze in te vullen betrekking. §
  17. Wanneer een betrekking van rang A3 of A2 wordt vacant verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient een lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
  18. §
  19. Ten hoogste twee derden van de leden van de commissie behoren tot hetzelfde geslacht. Geen lid van de commissie mag zetelen wanneer hij zich in een situatie bevindt die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in gevaar wordt gebracht. Art. 91.§
  20. De commissie wordt belast met de evaluatie van de geschiktheden van de kandidaten om de betrekking uit te oefenen die beantwoordt aan de promotiegraad op basis van het vaardigheidsprofiel van de in te vullen betrekking. §
  21. Zij neemt in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de professionele ervaring die de kandidaat doet gelden om een bevordering in de vacante betrekking te verkrijgen;3° het voorstel tot directieplan voor de betrekkingen van rang A3;4° de adequaatheid van het profiel van de kandidaat rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. §
  22. De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat Tijdens dat gesprek stellen de kandidaten voor een betrekking van rang A3 hun directieplan voor. Art. 92.§
  23. Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen zoals bepaald in artikel
  24. §
  25. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A "geschikt" hetzij in de groep B "niet geschikt". In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria zoals bepaald in § 2 van artikel
  26. §
  27. Deze rangschikking wordt voorgelegd aan de directieraad. Art. 93.De directieraad werkt het definitief voorstel tot rangschikking van de kandidaten van groep A uit. Indien het voorstel niet overeenkomt met de rangschikking gegeven door de bevorderingscommissie, dient de directieraad haar beslissing omstandig te motiveren. Art. 94.Van het voorstel wordt per dienstnota kennis gegeven aan de kandidaten die zich kandidaat hebben gesteld voor de te verlenen betrekking. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden. De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen tien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 300, §
  28. De kandidaat wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 95.§
  29. Het definitief voorstel van rangschikking wordt voorgelegd aan de benoemende overheid overeenkomstig artikel 1, 5°. §
  30. De benoemende overheid volgt de definitieve voorstel klassement die eenparig wordt uitgebracht. Indien het voorstel niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid een andere kandidaat benoemt dan de persoon aan het hoofd van het rangschikkingsvoorstel, dan moet hij zijn beslissing omstandig motiveren. §
  31. Bij gelijkheid van de kandidaturen, wordt achtereenvolgens de voorkeur gegeven aan de kandidaat die behoort tot het geslacht dat het minst vertegenwoordigd wordt in deze bevorderingsrang binnen de instelling. Er wordt echter afgeweken van de voorgaande alinea wanneer, door de toepassing van de wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996, het onmogelijk is om over te gaan tot de benoeming van deze kandidaat. Onderafdeling
  32. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2, D2 en E
  33. Art. 96.De betrekkingen van rang B2, C2, D2 en E2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1, D1 en E1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Art. 97.Om bevorderd te kunnen worden, moet de kandidaat beschikken over een evaluatie "gunstig" of "zeer gunstig" en zich in een administratieve positie bevinden waar hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden. Hij mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is doorgehaald. Art. 98.Wanneer de functie wordt toegekend overeenkomstig artikel 80, § 1, 3e gedachtenstreep, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden die equivalent zijn met diegene bedoeld in de artikelen 96 en
  34. §
  35. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig de regels inzake aanwerving wordt van de kandidaten een nuttige ervaring voor de functie geëist van drie jaar. Art. 99.Voor iedere bevordering, wordt er een bevorderingscommissie ingesteld door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Deze commissie is samengesteld uit : 1° een HRM-verantwoordelijke of zijn afgevaardigde van minstens C1;2° twee ambtenaren die behoren tot de administratie waarin de betrekking moet worden ingevuld en die beschikken over een kwalificatie en professionele ervaring aangaande deze in te vullen betrekking. De leden die worden aangeduid voor elk van de commissies hebben een rang die minimaal gelijk is aan de rang van de betrekking die verleend moet worden. Ten hoogste twee derden van de leden behoren tot het hetzelfde geslacht. Wanneer een bevorderingsfunctie vacant wordt verklaard voor kandidaten van de twee taalrollen, dient een lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
  36. Indien geen van de leden over deze kennis beschikt wordt de commissie bijgestaan door een personeelslid die deze kennis heeft bewezen. Art. 100.§
  37. De commissie is bevoegd om de geschiktheden van de kandidaten om de bevorderingsgraad uit te oefenen, te evalueren op basis van het competentieprofiel van de in te vullen betrekking. §
  38. Zij neemt in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de professionele ervaring die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking;3° de adequaatheid van het profiel van de kandidaat rekening houdend met de resultaten van de eventuele proeven en de gesprekken. Art. 101.§
  39. Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en element zoals bepaald in artikel
  40. §
  41. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A "geschikt" hetzij in de groep B "niet geschikt". In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria zoals bepaald in § 2 van artikel
  42. §
  43. Deze rangschikking wordt voorgesteld aan de overheid die de bevoegdheid heeft om tot benoeming over te gaan. Art. 102.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te verlenen betrekking. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen tien dagen bezwaar indienen bij de bevorderingscommissie. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 300, §
  44. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de bevorderingscommissie gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 103.§
  45. Indien de overheid die de bevoegdheid heeft om tot benoeming over te gaan afwijkt van de rangschikking voorgesteld door de bevorderingscommissie dan moet zij de redenen voor haar beslissing omstandig te motiveren. §
  46. Bij gelijkheid van de kandidaturen, wordt de voorkeur gegeven aan de kandidaat die behoort tot het geslacht dat het minst vertegenwoordigd wordt in deze bevorderingsrang binnen de instelling. §
  47. Er wordt afgeweken van de voorgaande paragraaf wanneer, door de toepassing van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, het onmogelijk is om over te gaan tot de benoeming van deze kandidaat. Afdeling
  48. - De bevordering door overgang naar een hoger niveau Onderafdeling
  49. -

Art. 104.§ 1.

De overgangsprocedure naar een hoger niveau kan na de beslissing van een ambtenaar-generaal conform artikel

  1. §
  2. Om van een bevordering door overgang naar een hoger niveau te genieten moet de ambtenaar zich in een administratieve positie bevinden waar hij kan gebruik maken van zijn titels tot bevordering en moet hij een evaluatie « gunstig » of « zeer gunstig » hebben ontvangen en mag hij niet onderhevig zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is doorgehaald. §
  3. Hij moet aan de aanwervingsvoorwaarden van de vacante betrekking voldoen. §
  4. De ambtenaar moet batig gerangschikt zijn in het klassement van de specifieke module en een betrekking die overeenstemt met het profiel van de selectie waarvoor de ambtenaar geslaagd is, moet voorzien zijn om ingevuld te worden. Onderafdeling
  5. - Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau A Art. 105.§
  6. De ambtenaar kan bevorderd worden van de niveaus B of C naar het niveau A. De proeven voor de overgang naar het niveau A zijn in drie reeksen ingedeeld. §
  7. De eerste reeks wordt georganiseerd door SELOR. De proeven van die reeks beogen een evaluatie van het vermogen van een ambtenaar om in niveau A te functioneren. Ze worden afgesloten met een attest van slagen of een verslag van het niet-slagen. Het attest van slagen is onbeperkt in de tijd geldig. De afgevaardigd bestuurder van SELOR kan een vrijstelling toekennen voor proeven waarvoor men reeds geslaagd is. §
  8. Een ambtenaar die niet geslaagd is voor een proef wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van de mogelijkheid van het opnieuw afleggen ervan. §
  9. De tweede reeks omvat vier proeven die een evaluatie van de verwerving van kennis beogen. Elk van de vier proeven bestaat in het volgen van en slagen voor cursussen van minstens vier studiepunten volgens het European Credit Transfer System, afgekort ECTS, van een masterprogramma van een universiteit of hogeschool van de Europese Economische Ruimte. De tweede reeks proeven is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste reeks proeven. Een van die proeven dient gekozen te worden binnen de vakgebieden economie, recht of overheidsfinanciën. De drie andere proeven worden gekozen in onderling akkoord tussen de kandidaat en de HRM-verantwoordelijke. Voor elke proef van deze reeks is het slagen onbeperkt in de tijd geldig. De proeven van de huidige reeks worden ambtshalve beschouwd als proeven die voldoen aan de voorwaarden vastgesteld door artikel
  10. De inschrijvingskosten voor de proeven van de huidige reeks worden ten laste genomen door de instelling. §
  11. De derde reeks bestaat uit de modules zoals bepaald in de onderafdeling 3 van het hoofdstuk I van de titel III van het boek I. Ze wordt georganiseerd door de instelling. Ze is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste en de tweede reeks proeven. De derde reeks wordt afgesloten met een rangschikking van de kandidaten die geschikt zijn bevonden om de functie uit te oefenen. Onderafdeling
  12. - De overgang naar niveau B, C en D Art. 106.De bevordering door overgang naar een hoger niveau wordt toegekend aan een ambtenaar, geslaagde van de selectieprocedure die minstens de volgende modules bevat, zoals beschreven in hoofdstuk I van titel III van dit boek : - Instapkaartmodule; - Generieke module; - Specifieke module. HOOFDSTUK III. - De functionele loopbaan Afdeling
  13. -

Art. 107

.De functionele loopbaan bestaat erin dat de ambtenaar, zonder van graad te veranderen, een of twee hogere weddeschalen geniet dan diegene die welke verbonden zijn aan zijn graad, zolang hij voldoet aan de eisen die het statuut stelt inzake anciënniteit, evaluatie, individuele ontwikkeling en vorming. Art. 108.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of de door hen aangewezen ambtenaar beheren het stelsel van de functionele loopbanen. Zij kennen de hogere weddeschaal toe zodra een ambtenaar de voorwaarden inzake schaalanciënniteit, evaluatie, individuele ontwikkeling en vorming vervult. Afdeling

  1. - De gewone functionele loopbaan Art. 109.Aan de graden attaché, assistent, adjunct, klerk en beambte zijn de weddeschalen 101, 102 en 103 verbonden. Aan de graad van ingenieur, geneesheer en wetenschappelijk attaché zijn de weddeschalen 111, 112 en 113 verbonden. Aan de graad van eerste attaché zijn de weddeschalen 200, 210 en 220 verbonden. Aan de graad van eerste ingenieur en eerste wetenschappelijk attaché is de weddeschaal 220 verbonden. Aan de graad van directeur zijn de weddeschalen 300 en 310 verbonden. Aan de graad van ingenieur directeur en wetenschappelijk directeur is de weddeschaal 310 verbonden. De weddeschaal 101 of 111, naargelang van de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau. De weddeschaal 220 wordt toegekend aan de eerste ingenieur of de eerste wetenschappelijk attaché vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad. De weddeschaal 300 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad. De weddeschaal 102, 112, 210 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar anciënniteit telt, zoals berekend conform artikel 452, in de schaal 101, 111, 200 of 300;2° over een evaluatie "gunstig" of "zeer gunstig" beschikt;3° met goed gevolg de in artikel 283 bedoelde vorming heeft gevolgd, binnen de periode zoals bedoeld in 1°. Art. 110.De weddeschaal 103, 113 of 220, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar anciënniteit telt, zoals berekend conform artikel 452, in de schaal 102, 112 of 210;2° over een evaluatie "gunstig" of "zeer gunstig" beschikt;3° met goed gevolg de in artikel 283 bedoelde vorming heeft gevolgd, binnen de periode zoals bedoeld in 1°. Afdeling
  2. - De versnelde functionele loopbaan Art. 111.§
  3. De ambtenaar die beschikt over een minstens "gunstige" evaluatie en die met succes de vorming bedoeld in de artikelen 109, alinea 10, 3° en 110, 3° heeft gevolgd, kan, zijn functionele loopbaan versnellen door het succesvol afwerken van een professionneel ontwikkelingsplan met de dienst HRM, in overleg met zijn functionele chef. §
  4. Dit professioneel ontwikkelingsplan bevat een of meerdere vormingen bedoeld in artikel 287 die een belang toont in relatie tot de missies van de instelling en waarvoor een diploma of studiegetuigschrift kan behaald worden na minstens een gesanctionneerde proef door de instelling die de vorming organiseert. §
  5. Enkel de aflevering van het diploma of het studiegetuigschrift versnelt de functionele loopbaan van de ambtenaar voordat hij de vereiste anciënniteit telt in de weddeschaal voorzien in artikelen 109 en
  6. §
  7. Indien geen akkoord kon worden overeengekomen tussen het HRM en de ambtenaar, dan kan de ambtenaar een bezwaar indienen bij de directieraad binnen een maand na de betekening van de beslissing tot weigering. §
  8. De vorming moet beantwoorden aan de in artikelen 286 en 287 bedoelde voorwaarden en bedraagt hetzij in uren, hetzij in ECTS minstens : - 30 uur of 1 ECTS voor niveau E; - 75 uur of 3 ECTS voor niveau D; - 100 uur of 6 ECTS voor de overige niveaus. Ze moet gevolgd worden gedurende de periode die in rekening wordt genomen voor de anciënniteit van de schaal 101, 111, 200 of 300 als statutair ambtenaar voor de eerste overgang in schaal en gedurende de periode die in rekening wordt genomen voor de anciënniteit van de schaal 102, 112, 210 als statutair ambtenaar voor de tweede overgang in schaal. §
  9. Onder de voorwaarden bepaald in de voorgaande paragrafen, wordt de weddeschaal 102, 112, 210 of 310, naargelang van de graad, toegekend zodra de ambtenaar zes jaar anciënniteit telt, zoals berekend conform artikel 452 in de schaal 101, 111, 200 of
  10. §
  11. Onder de voorwaarden bepaald in de voorafgaande paragrafen, wordt de weddeschaal 103, 113, 220, naargelang van de graad, toegekend nadat de ambtenaar zes jaren anciënniteit heeft, zoals berekend conform artikel 452, in de weddeschalen 102, 112 of
  12. Als de ambtenaar reeds een versnelde loopbaan heeft genoten om tot schaal 102, 112 of 210 over te gaan, naargelang van de graad, wordt weddeschaal 103, 113 of 220, naargelang van de graad, toegekend nadat de ambtenaar vier jaar anciënniteit telt, zoals berekend conform artikel 452, in de tweede weddeschaal van zijn graad, mits de vastlegging van een tweede professioneel ontwikkelingsplan, van de uitreiking van het diploma of het certificaat bedoeld in § 3 van dit artikel. HOOFDSTUK IV. - De uitoefening van een hoger ambt Art. 112.Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in het personeelsplan voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan die waarvan de ambtenaar titularis is. Art. 113.Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk onbezet is. Art. 114.Alleen de ambtenaar die minimaal drie jaar dienstanciënniteit heeft en die een vermelding "gunstig" of "zeer gunstig" gekregen heeft bij de evaluatie, kan voor het uitoefenen van een hoger ambt worden aangeduid. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen mag niet worden aangesteld alvorens zijn straf is doorgehaald. Art. 115.In een tijdelijk vacante betrekking kan een ambtenaar alleen worden aangesteld indien de titularis ten minste een maand afwezig is. Een hoger ambt kan alleen worden toegekend met ingang van de eerste dag van een maand. Art. 116.De aanwijzing voor de uitoefening van een hoger ambt gebeurt voor een duur van maximaal een jaar, hernieuwbaar voor een periode van maximum zes maanden, mits een gemotiveerde beslissing van de directieraad. Art. 117.§
  13. De oproep tot kandidaatstelling voor een hoger ambt wordt ter kennis gebracht van de ambtenaren van de instelling door een dienstnota. §
  14. De geïnteresseerde ambtenaren dienen hun kandidatuur in, vergezeld van een motivatiebrief tegen ontvangstbevestiging bij de voorzitter van de directieraad, binnen de twintig dagen na het versturen van de dienstnota. Art. 118.Een voorstel tot rangschikking van de kandidaten wordt door het HRM samen met de functionele chef van het ambt dat tijdelijk moet worden ingevuld voorgesteld bij de directieraad. Zij stelt de kandidaat die het meest geschikt is om het ambt uit te oefenen voor, rekening houdend met de motivatie van de kandidaten en hun profiel. Art. 119.De directieraad beslist over de toewijzing van het hoger ambt. Indien hij afwijkt van het voorstel geformuleerd door het HRM en de functionele chef, dan moet de beslissing gemotiveerd worden. Art. 120.De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat tijdelijk vacant is, zijn huidige titularis en de reden van diens afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om een hoger ambt toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. 121.Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven. Art. 122.De uitoefening van een hoger ambt verleent geen aanspraak op een benoeming in de graad van dat ambt. TITEL V. - de interne mobiliteit HOOFDSTUK I. -

Art. 123

.De interne mobiliteit is de overgang van een ambtenaar naar een andere betrekking van zijn graad in dezelfde dienst of in andere dienst van de instelling. Art. 124.De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden weddeschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie. Art. 125.De interne mobiliteit vindt plaats hetzij door vrijwillige mobiliteit, hetzij door ambtshalve mobiliteit, hetzij door herplaatsing. Art. 126.Om te zich kandidaat te stellen voor een vrijwillige interne mobiliteit, moeten de ambtenaren hun functies uitoefenen in hun betrekking sinds ten minste twee jaar. HOOFDSTUK II. - De vrijwillige mobiliteit door een interne oproep Art. 127.§

  1. Het personeelslid dient zijn verzoek voor interne mobiliteit in : - 1° hetzij door te antwoorden op een mobiliteitsaanbod dat door de dienst HRM minstens per dienstnota wordt meegedeeld; - 2° hetzij door zijn kandidatuur in te dienen bij de dienst HRM zonder dat er een mobiliteitsaanbod bestaat; - 3° hetzij door te antwoorden op een oproep aan de kandidaten in het kader van een open selectie aan de kandidaten buiten de instelling. In dat geval wordt het personeelslid vrijgesteld van de generieke module bedoeld in artikel 46 §
  2. De onder § 1, 1° vermelde dienstnota vermeldt het volgende : 1° de functiebeschrijving;2° het gewenste profiel van de kandidaten;3° binnen welke termijn het personeelslid zijn belangstelling voor de betrekking kan kenbaar maken. Zij wordt ter kennis gebracht van alle personeelsleden. Art. 128.Het personeelslid dat zijn kandidatuur voor een vacante betrekking indient via de interne mobiliteit, is slechts aan de proeven onderworpen zoals voorzien in artikelen 48 et 49 van het eerste hoofdstuk van titel III. Art. 129.§
  3. De dienst HRM registreert de gegevens van de verzoeken die zijn ingediend op basis van artikel 127, § 1, 2°, in de databank. Het personeelslid ontvangt een bericht van ontvangst van zijn verzoek; §
  4. Het personeelslid wordt verzocht zich voor de selectie bedoeld in artikel 128 in te schrijven als een betrekking die aan zijn of haar vraag beantwoordt, vacant wordt; §
  5. Het verzoek van interne mobiliteit verliest zijn geldigheid een jaar nadat het ontvangst aan het personeelslid werd bevestigd. Art. 130.Aan het einde van de selectie, begint het personeelslid die geselecteerd is zijn nieuwe functie uit te oefenen aan het einde van een termijn die in wederzijds akkoord tussen zijn vroegere en nieuwe functionele chef wordt bepaald. Die termijn mag niet meer dan drie maanden bedragen. Die termijn kan tot een maximum van zes maanden opgevoerd worden door de directieraad bij dringende redenen die het belang van de dienst aantasten. Deze laatste motiveert haar beslissing. HOOFDSTUK III. - De ambtshalve mobiliteit Art. 131.De directieraad kan over een ambtshalve mobiliteit beslissen als de vrijwillige mobiliteit geen resultaat opleverde of als er bijzondere eisen inzake kennis of ervaring zijn vereist om een betrekking te bekleden. Hij raadpleegt vooraf de betrokken verantwoordelijke en de betrokken ambtenaar en motiveert zijn beslissing aan de hand van de functiebeschrijving en het gewenste profiel om betrekking te kunnen bekleden. Tot ambtshalve mobiliteit kan eveneens worden beslist indien zij gerechtvaardigd is door dienstbehoeften of -noodwendigheid. Art. 132.De directieraad kan ook beslissen over een ambtshalve mobiliteit ingeval op een gemotiveerde wijze vastgesteld wordt dat de ambtenaar niet meer over de vereiste kwalificaties zou beschikken om zijn betrekking te bekleden. Hij hoort vooraf de betrokken ambtenaar. HOOFDSTUK IV. - De herplaatsing Art. 133.De herplaatsing vindt plaats : 1° indien de opheffing of de wijziging van een opdracht van de instelling de afschaffing van een of meer betrekkingen met zich meebrengt;2° indien een ambtenaar medisch ongeschikt wordt bevonden voor de uitoefening van zijn ambt, maar opnieuw kan worden geplaatst in een betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand.3° indien een ambtenaar in disponibiliteit wordt gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;4° wanneer de ambtenaar niet meer is toegewezen aan een betrekking; Art. 134.De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een betrekking behorend tot dezelfde of tot een andere dienst van de instelling. De betrokken ambtenaar wordt voorafgaandelijk gehoord door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of hun afgevaardigde. Art. 135.De herplaatsing wordt beslist door de directieraad. Een herplaatste ambtenaar behoudt zijn rechten inzake wedde en zijn aanspraken op bevordering; de herplaatsingsperiode wordt aangerekend voor de administratieve en de geldelijke anciënniteit. TITEL VI. - de evaluatie HOOFDSTUK I. -

Art. 136

.De evaluatie heeft tot doel het werk van de ambtenaar in de functie die hij vervult, aan de hand van de functiebeschrijving ervan, doorlopend te beoordelen. Art. 137.§

  1. De evaluator van de ambtenaar is zijn functionele chef. Hij wordt minstens aangeduid door het diensthoofd van de ambtenaar. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de functionele chef, om evaluator te zijn, een voldoende kennis van de taal van de geëvalueerde ambtenaar te bezitten, ofwel omdat hij als ambtenaar behoort tot het tweetalig kader, die krachtens artikel 43, § 3, derde lid van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, het bewijs heeft geleverd de tweede taal voldoende te kennen, ofwel omdat hij in het bezit is van een taalbewijs waaruit de voldoende kennis van de andere taal blijkt dat uitgereikt is op grond van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten4 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van dezelfde wetten. § 2.Indien de functionele chef niet aan deze voorwaarde voldoet : - hetzij wijst minstens zijn diensthoofd het personeelslid aan die met de evaluatie wordt belast, met inachtneming van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurzaken; In dit geval woont de functionele chef de verschillende onderhouden bij als observator. - hetzij moet de functionele chef bijgestaan worden door een ambtenaar die behoort tot het tweetalig kader van de taalrol van de geëvalueerde. De wettelijk tweetalige voert de gesprekken in de taal van de geëvalueerde en keurt het evaluatieverslag pas goed wanneer het de inhoud van de gesprekken weerspiegelt. §
  2. Een ambtenaar mag geen evaluatie uitvoeren zonder eerst een passende opleiding te hebben gevolgd. Art. 138.De evaluatie gebeurt op basis van een evaluatiedossier. Dit dossier bevat : 1° de functiebeschrijving;2° het verslag van het functiegesprek dat onder meer de individuele doelstellingen bevat;3° de tussentijdse verslagen bedoeld in artikel 143;4° de documenten betreffende de vaststellingen en de gunstige of ongunstige beoordelingen bedoeld in artikel 143;5° het evaluatieverslag;6° het verslag van auto-evaluatie indien dit door de ambtenaar gewenst wordt. De modellen voor de documenten bedoeld in het voorgaande lid worden opgesteld door het HRM. Het evaluatiedossier is ter beschikking van de ambtenaar zelf, van zijn functionele chef, desgevallend van zijn evaluator aangeduid met toepassing van artikel 137 § 2, van het personeelslid dat de geregelde leiding en/of toezicht heeft over de werking van de evaluator en van het HRM. Het evaluatiedossier maakt deel uit van het persoonlijk dossier van de ambtenaar. HOOFDSTUK II. - Het verloop van de evaluatie Afdeling
  3. - Voorwerp van de evaluatie Art. 139.De evaluatie is verplicht voor elk personeelslid die effectief in dienst is. De evaluatieperiode van de ambtenaar is de periode tussen het functiegesprek en het evaluatiegesprek. Die periode bedraagt een jaar. Art. 140.De directieraad bepaalt de praktische modaliteiten voor de organisatie van de evaluaties. Art. 141.§
  4. In het begin van elke evaluatieperiode en bij elke benoeming of dienstaanwijzing van de ambtenaar heeft de evaluator een functiegesprek met hem, waarbij de te bereiken doelstellingen waarop de ambtenaar zal worden geëvalueerd op basis van de functiebeschrijving, worden omschreven. Deze betreffen : - de prestatie die beoordeeld wordt rekening houdend met de kwalitatieve resultaten of kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van de prestaties van de geëvalueerde gedurende de evaluatieperiode, rekening houdend met zijn functiebeschrijving en de doelstellingen die voorafgaandelijk werden bepaald. - De vaardigheden worden beoordeeld rekening houdend met het competentieprofiel bepaald in de functiebeschrijving; - de werkattitude. §
  5. Van zodra een personeelslid aan een project als hoofd van het project of assistent van het project deelneemt en waarvoor hij een premie ontvangt bedoeld in hoofdstuk IX, titel II van Boek II van het huidig besluit, wordt hij geëvalueerd op zijn bekwaamheden om een projectgroep efficiënt te leiden en eraan te werken. §
  6. De functionele chef en, desgevallend de evaluator aangeduid met toepassing van artikel 137 § 2, worden ondermeer op de leiderscapaciteiten geëvalueerd, waaronder de kwaliteit van de evaluaties die ze gerealiseerd hebben. Art. 142.Binnen vijftien dagen na het gesprek stelt de evaluator een verslag op van het functiegesprek. Dit verslag wordt geviseerd door de ambtenaar. Als de ambtenaar het verslag van het functiegesprek niet tekent voor ontvangst, wordt het verslag hem aangetekend opgestuurd. De evaluator stuurt dit verslag naar het HRM binnen dertig dagen na het functiegesprek. Afdeling
  7. - Tijdens de evaluatieperiode Art. 143.In de loop van elke evaluatieperiode kan de evaluator gunstige of ongunstige vaststellingen op basis van de doelstellingen en de evaluatiecriteria bedoeld in artikel 141, aan het evaluatiedossier toevoegen. Deze vaststellingen worden ter kennis van de ambtenaar gebracht, die er zijn eventuele opmerkingen kan aan toevoegen binnen de 15 dagen na kennisname. De ambtenaar kan de evaluator vragen een document met een gunstige beoordeling betreffende de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toe te voegen. Gedurende elke evaluatieperiode van een jaar, kunnen een of meerder tussentijdse gesprekken plaatsvinden op het verzoek van de ambtenaar of de evaluator. In een tussentijdsgesprek kunnen ondermeer aan bod komen : 1° oplossingen voor problemen in verband met het functioneren van de geëvalueerde;2° oplossingen voor problemen die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken;deze kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en de werking van de dienst, de begeleiding door de chef als op externe factoren; 3° de ontwikkeling van de ambtenaar binnen de huidige functie. Ter gelegenheid van dit gesprek kunnen bijsturingen worden aangebracht aan de individuele doelstellingen van de ambtenaar De evaluator voegt een verslag van dit gesprek toe aan het evaluatiedossier. Dit verslag wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar die eventuele opmerkingen aan dit verslag mag toevoegen binnen de vijftien dagen na kennisname. Wanneer de ambtenaar het voorwerp uitmaakt van een interne mobiliteit, vindt een tussentijds gesprek plaats voor zijn mobiliteit. Afdeling
  8. - De evaluatie Art. 144.Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de evaluator een evaluatiegesprek met de ambtenaar. § 2 Indien de ambtenaar hoofd is van een project, dan verzoekt de evaluator aan de promotor van het project om zijn vaststellingen te formuleren in verband met de doelstellingen van het project § 3 Indien de ambtenaar assistent is bij een project, dan verzoekt de evaluator aan het hoofd van het project om zijn vaststellingen te formuleren Art. 145.De evaluator houdt rekening met de onvoorziene of onafhankelijke omstandigheden die de gehele of gedeeltelijke realisatie van de doelstellingen bedoeld in artikel 142 onmogelijk hebben gemaakt voor de verlening van een vermelding. Art. 146.Bij toekenning van een vermelding "onvoldoende" moet een nieuwe evaluatie plaatshebben na een evaluatieperiode van zes maanden. Art. 147.Binnen de vijftien dagen die volgen op het evaluatiegesprek, stelt de evaluator een evaluatieverslag op en verleent de vermelding « zeer gunstig », « gunstig », « onder voorbehoud » of « onvoldoende » vergezeld van een motivatie. Het evaluatieverslag wordt binnen dezelfde termijn gedateerd en ondertekend door de evaluator; het wordt geviseerd voor ontvangst door de geëvalueerde ambtenaar en onmiddellijk gericht aan het HRM. Indien de ambtenaar het evaluatieverslag niet viseert voor ontvangst, dan wordt deze aan hem toegestuurd per aangetekend schrijven. Art. 148.Op het einde van het evaluatiegesprek heeft een nieuw functiegesprek plaats over de volgende evaluatieperiode conform artikel 141, hetzij op hetzelfde ogenblik, hetzij binnen de vijftien dagen. Afdeling
  9. - De eindvermeldingen Art. 149.§
  10. De vermelding " zeer gunstig " wordt toegekend aan de ambtenaar die, gelijktijdig : - alle prestatiedoelstellingen zoals bepaald in het functiegesprek heeft bereikt en deze in meerdere domeinen heeft overtroffen; - zijn competenties heeft ontwikkeld boven de gewone vereisten die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze uit te oefenen; - meer dan gemiddeld heeft bijgedragen tot het gemiddelde van de teamprestaties en in hoge mate beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst; §
  11. De vermelding "gunstig" wordt toegekend aan de ambtenaar die aan één of meerdere van onderstaande criteria beantwoordt : - de meeste van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd die werden overeengekomen in het functiegesprek; - de competenties heeft ontwikkeld die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze uit te oefenen; - correct heeft bijgedragen tot de teamprestaties en beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst; §
  12. De vermelding "onder voorbehoud" wordt toegekend aan de ambtenaar die aan één of meerdere van onderstaande criteria beantwoordt : - zijn prestatiedoelstellingen die werden bepaald in het functiegesprek minstens voor de helft heeft gerealiseerd; - de competenties die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze te kunnen blijven uitoefenen niet voldoende heeft ontwikkeld; - weinig heeft bijgedragen tot de teamprestaties en niet of weinig beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst; §
  13. De vermelding " onvoldoende " wordt toegekend aan de ambtenaar die aan één of meerdere van onderstaande criteria beantwoordt : - minder dan de helft van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd die werden bepaald in het functiegesprek; - niet de competenties heeft ontwikkeld die noodzakelijk zijn om zijn functie uit te oefenen en zich in een situatie bevindt waarin hij die functie niet meer zal kunnen uitoefenen; - niet heeft bijgedragen tot de teamprestaties en niet beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst; - doelbewust heeft geweigerd om geëvalueerd te worden. §
  14. Deze beoordeling moet worden gemotiveerd door de evaluator en gesteund op elementen die zich bevinden in het dossier van de ambtenaar. Art. 150.De ambtenaar die zijn prestaties niet effectief gedurende ten minste zes maanden heeft geleverd en die afwezig is, met verlof is, of zijn functie niet vervult, behoudt zijn laatste evaluatie. De evaluatie vindt plaats bij de terugkeer van de ambtenaar. Buiten de gevallen bedoeld in alinea 1, ontvangt de ambtenaar die niet werd geëvalueerd terwijl geen overmacht kan worden ingeroepen, een gunstige evaluatie. Na afloop van de stage ontvangt de benoemde ambtenaar ambtshalve een gunstige evaluatie. HOOFDSTUK III. - De beroepsprocedure Art. 151.De ambtenaar die zijn goedkeuring niet kan hechten aan de vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" beschikt over een termijn van vijftien dagen om beroep in te dienen per aangetekend schrijven bij de commissie van beroep. Het beroep is opschortend. Art. 152.Deze termijn is berekend volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 300, §
  15. Er wordt de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep uitgereikt. Art. 153.De commissie van beroep dient zich uit te spreken binnen twee maanden na ontvangst van het beroep. De ambtenaar wordt gehoord. De ambtenaar kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. Indien de ambtenaar, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, beschouwt de voorzitter de zaak als niet meer bij de commissie aanhangig en doet hij het dossier toekomen aan de directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal. De commissie hoort de evaluator die de betwiste vermelding heeft verleend. De afwezigheid van de evaluator is, behoudens overmacht. Art. 154.De commissie formuleert een advies waarin de vermelding verleend aan de ambtenaar, bevestigd wordt ofwel een andere vermelding voorzien in artikel 149 voorgesteld wordt. De vermelding mag niet worden verzwaard. De commissie van beroep zendt binnen de vijftien dagen na het advies het volledige dossier alsook haar advies aan de verzoeker en de directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal. De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal nemen hun beslissing binnen de vijftien dagen die volgen op de ontvangst van het advies van de commissie. Indien het advies unaniem werd uitgebracht zijn zij erdoor gebonden. Indien het advies niet unaniem werd uitgebracht, kunnen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de vermelding behouden of kan deze vervangen door één van de vermeldingen voorzien in artikel
  16. De vermelding mag niet worden verzwaard. De beslissing wordt betekend aan de ambtenaar per aangetekend schrijven. De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal delen hun beslissing mee aan de commissie van beroep en aan de evaluator. HOOFDSTUK IV. - De gevolgen van de vermelding "onder voorbehoud" of "onvoldoende" Art. 155.De periode gedurende welke de ambtenaar de vermelding "onder voorbehoud" of "onvoldoende" krijgt, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de graadanciënniteit vereist voor het bekomen van een hogere weddeschaal met toepassing van de gewone of versnelde functionele loopbaan. Art. 156.De ambtenaar die een evaluatie heeft met de vermelding « onvoldoende » of « onder voorbehoud » kan niet worden aangesteld als evaluator. Wanneer de evaluator niet in staat is de evaluatie uit te voeren, met toepassing van vorige alinea, of omwille van een andere reden, wordt een evaluator aangeduid met toepassing van artikel
  17. Art. 157.§
  18. Indien gedurende een periode van 36 maanden, de ambtenaar meer dan één keer de vermelding "onvoldoende" ontvangt, dan wordt hij definitief beroepsongeschikt verklaard door de benoemende overheid. §
  19. De ambtenaar die zijn goedkeuring niet kan hechten aan de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid beschikt over een termijn van vijftien dagen om per aangetekend schrijven beroep in te dienen bij de commissie van beroep. Deze termijn is berekend volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 300, §
  20. Er wordt de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep uitgereikt. De procedure bedoeld in artikelen 153 en 154 is van toepassing. De commissie brengt advies uit bij de benoemende overheid. Deze spreekt zich uit over de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid. Indien het advies unaniem werd uitgebracht is de benoemende overheid erdoor gebonden. §
  21. In geval van bevestiging van de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, of indien de ambtenaar tegen de verklaring van beroepsongeschiktheid niet in beroep is gegaan, wordt de ambtenaar door de benoemende overheid ontslagen. Aan de wegens beroepsongeschiktheid ontslagen ambtenaar wordt een vergoeding wegens ontslag toegekend. Deze vergoeding is gelijk aan twaalf maal de laatste maandbezoldiging van de ambtenaar indien hij ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang de ambtenaar tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft. Voor de toepassing van dit artikel moet onder « bezoldiging » worden verstaan elke wedde, elk loon of elke vergoeding geldend als wedde of loon, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. De in aanmerking te nemen bezoldiging is die welke verschuldigd is voor volledige prestaties, eventueel met inbegrip van de haard- of standplaatstoelage, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. TITEL VII. - De administratieve standen, de afwezigheden en de verloven HOOFDSTUK I. - De administratieve standen Afdeling
  22. - De dienstactiviteit Art. 158.De dienstactiviteit is de gewone administratieve stand van de ambtenaar. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal. Hij kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden. Afdeling
  23. - De non-activiteit Art. 159.De ambtenaar kan, krachtens de bepalingen van dit besluit, van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in non-activiteit worden geplaatst. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in deze stand geen recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan. Art. 160.Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om te worden gepensioneerd. Afdeling
  24. - De disponibiliteit Onderafdeling
  25. - De disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst Art. 161.De ambtenaar kan, zonder opzegging, in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wanneer hij een bepaald ambt niet kan uitoefenen en hij niet onmiddellijk in een beter geschikte betrekking wederom tewerkgesteld kan worden. Op voorstel van de directieraad neemt de benoemende overheid een beslissing omtrent de indisponibiliteitstelling. De betrokkene wordt vooraf door de directieraad gehoord en kan worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze. Art. 162.De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddeschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan. Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit is gesteld. Onderafdeling
  26. - De disponibiliteit wegens ziekte Art. 163.§
  27. Onverminderd artikel 241 is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximaal aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 237, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte. Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal. Artikel 242 is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte. §
  28. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde. Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan : 1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten. Het wachtgeld wordt vastgesteld op basis van de laatste activiteitswedde. In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt. §
  29. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waaraan hij lijdt door het Bestuur van de medische expertise van de Staat als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden. Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen. §
  30. De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in artikelen 170 tot 175, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding vanaf 50 of 55 jaar en de vierdagenweek zoals bedoeld in de artikelen 176 tot 183, noch aan verminderde prestaties om persoonlijke redenen bedoeld in de artikelen 184 tot
  31. Voor de toepassing van § 2 van dit artikel, is de laatste activiteitswedde deze welke vóór de verminderde prestaties verschuldigd was. Art. 164.§
  32. De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens een ernstige ziekte van lange duur, wordt ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 244 in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld. §
  33. De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt minstens ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel
  34. §
  35. Verschijnt de ambtenaar niet voor de medische controledienst bedoeld in artikel 246 op het tijdstip bepaald in het eerste lid, dan wordt de uitkering van zijn wachtgeld vanaf dat tijdstip geschorst tot hij verschijnt. Onderafdeling
  36. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 165.De directieraad kan de betrekking waarvan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar titularis was, onmiddellijk vacant verklaren in geval van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. De vacantverklaring kan slechts worden beslist na verloop van een jaar in geval van disponibiliteit wegens ziekte. Art. 166.De directieraad kan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroepsgeschiktheid- en lichamelijke geschiktheid bezit. De ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte, wiens betrekking niet vacant werd verklaard, neemt zijn betrekking opnieuw op wanneer hij zijn dienst hervat. De ambtenaar is in elk geval gehouden binnen de termijn bepaald door de benoemende overheid, de betrekking te bekleden die hem werd toegewezen. De ambtenaar die dit zonder geldige reden weigert, wordt na tien werkdagen afwezigheid, ambtshalve ontslagen. Art. 167.Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij voldoet aan de voorwaarden om gepensioneerd te worden. HOOFDSTUK II. - De afwezigheden Art. 168.De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof of dienstvrijstelling te hebben gekregen. Onder dienstvrijstelling wordt verstaan de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met het behoud van al zijn rechten. Met uitzondering van de in dit besluit bepaalde gevallen worden de verloven en dienstvrijstellingen door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of de door hun aangewezen ambtenaar toegekend. Art. 169.§
  37. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf, bevindt de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, zich van rechtswege in non-activiteit. §
  38. De deelname van een ambtenaar aan een overlegde werkstaking wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Hij heeft echter geen recht op zijn wedde. Indien de ambtenaar zonder geldige reden meer dan tien werkdagen afwezig is, wordt hij ambtshalve ontslagen. HOOFDSTUK III. - De verloven van loopbaanonderbreking, van vierdagenweek en van halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar Afdeling
  39. - Het verlof voor loopbaanonderbreking Art. 170.§
  40. De ambtenaar krijgt verlof om zijn loopbaan te onderbreken volgens de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 onder het stelsel van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten3 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen alsmede van alle bepalingen die deze regeling mochten wijzigen of vervangen. §
  41. De ambtenaar kan verlof voor loopbaanonderbreking krijgen volgens de voorwaarden en modaliteiten van het Koninklijk Besluit bedoeld in de eerste alinea : 1° volledig;2° gedeeltelijk, naar rata van een vijfde of de helft van de duur van de dienstprestaties die normaal behoren te worden verricht;3° met het oog op hulpverlening aan of verzorging van een gezins- of familielid tot de tweede graad dat aan een ernstige kwaal lijdt;4° met het oog op palliatieve verzorging;5° in het kader van het ouderschapsverlof bij de geboorte of de adoptie van een kind. Art. 171.§
  42. Iedere ambtenaar heeft recht op de verloven voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en in het kader van het ouderschapsverlof bedoeld in artikel 170 § 2, 4° en 5°. §
  43. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op de verloven voor volledige loopbaanonderbreking, voor gedeeltelijke loopbaanonderbreking en voor loopbaanonderbreking in het kader van de medische bijstand bedoeld in artikel 170 § 2, 1° tot 3°. De houders van een bevorderingsgraad kunnen deze verloven genieten, middels de toelating van de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. De mandaathouders worden ervan uitgesloten. Art. 172.§
  44. Bij gedeeltelijke loopbaanonderbreking worden de dienstprestaties ofwel dagelijks ofwel volgens een andere indeling van de werkweek verricht. In afwijking van het eerste lid kunnen de ambtenaren-generaal beslissen voor sommige door hun bepaalde functies een indeling van de dienstprestaties per maand op te leggen. §
  45. Een ambtenaar kan zijn ambtsverrichtingen hervatten vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verstreken is met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden die per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal ter kennis wordt gebracht, tenzij laatstgenoemde een kortere termijn aanvaardt. Art. 173.§
  46. Een ambtenaar die de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en die verlof verkrijgt tot loopbaanonderbreking overeenkomstig artikel 8 van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten3 bedoeld in artikel 170, § 1, is ertoe gehouden zich ertoe te verbinden zijn loopbaan gedeeltelijk tot aan de pensionering te onderbreken. Hij kan voor een andere regeling opteren, op voorwaarde dat de duur van de verrichte dienstprestaties wordt beperkt. §
  47. Een ambtenaar die de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en die verlof verkrijgt tot loopbaanonderbreking overeenkomstig artikel 8bis van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten3 bedoeld in artikel 170, § 1, is ertoe gehouden zich ertoe te verbinden zijn loopbaan gedeeltelijk tot aan de pensionering te onderbreken. Hij kan voor een andere regeling opteren, op voorwaarde dat de duur van de verrichte dienstprestaties wordt beperkt. Art. 174.De ambtenaar kan tijdens zijn verlof geen aanspraak maken op zijn wedde. Een ambtenaar die zich voltijds in loopbaanonderbreking bevindt komt niet in aanmerking voor de versnelde functionele loopbaan. Een ambtenaar die zich in deeltijdse loopbaanonderbreking bevindt, komt naar rata van de verrichte dienstprestaties in aanmerking voor de versnelde functionele loopbaan. Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Art. 175.Het verlof voor loopbaanonderbreking wordt in verlof voor persoonlijke redenen omgezet wanneer de ambtenaar een beroepsactiviteit uitoefent, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van het voormeld Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten3 of indien de ambtenaar een bijkomende beroepsactiviteit uitoefent als bezoldigd werknemer. Afdeling
  48. - Verlof in het kader van de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar Onderafdeling
  49. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 176.§
  50. Op grond van de artikelen 4 tot en met 8 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/2012 pub. 06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom. 19/07/2012 pub. 04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft

(1)sluiten betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector alsook op grond van alle bepalingen die deze wijzigen of vervangen, kan de ambtenaar een regime van vierdagenweek met premie en halftijds werken genieten vanaf 50 of 55 jaar. §
  1. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op de stelsels van de vierdagenweek met en zonder premie of het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar. De houders van een andere rang dan rang 1 kunnen deze stelsels genieten, met toestemming van de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. De mandaathouders worden van deze stelsels uitgesloten. §
  2. Dit verlof is niet bezoldigd en wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Art. 177.De ambtenaar kan het verlof genieten overeenkomstig volgende modaliteiten : 1° de ambtenaar die gebruik wenst te maken van dit verlof, dient daartoe bij zijn diensthoofd een aanvraag in;2° de aanvraag geschiedt minstens drie maanden vóór de aanvang van de periode van het verlof.Deze termijn kan in gemeenschappelijk overleg worden ingekort. Deze aanvraag bevat een voorstel van werkschema waarin bepaald wordt hoe de arbeidsprestaties worden geregeld; 3° de periode van het verlof neemt een aanvang op de eerste dag van een maand. Onderafdeling
  3. - Het stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek met premie Art. 178.§
  4. De ambtenaar die voltijds werkt geniet de vierdagenweek met premie zoals voorzien in de artikelen 4 tot en met 6 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/2012 pub. 06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom. 19/07/2012 pub. 04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft
(1)sluiten gedurende een periode van minimaal drie maanden en maximaal vierentwintig maanden. Voor elke verlenging, is een verzoek van de ambtenaar vereist. Dit verzoek moet worden ingediend minimaal één maand voor het vervallen van de lopende periode. §
  1. De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of hun afgevaardigde kennen het verlof toe en bepalen de arbeidsagenda. Zij kunnen het begin van het verlof uitstellen met maximaal drie maanden voor noodwendigheden van de dienst. In functie van de noodwendigheden van de dienst of op verzoek van de ambtenaar, zal de werkkalender worden aangepast door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of hun afgevaardigde. Zij brengen de ambtenaar minimaal twee maanden op voorhand op de hoogte van de beslissing. Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk bij wederzijds akkoord. §
  2. Gedurende de periode tijdens welke de ambtenaar geen prestaties dient te leveren binnen het kader van de vierdagenweek met premie, mag hij geen andere professionele activiteiten uitoefenen. Onder professionele activiteit dient te worden begrepen elke activiteit waarvan het resultaat een professionele inkomst is zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek Inkomstenbelastingen van
  3. De politieke mandaten bedoeld in artikel 262 en volgende worden niet beschouwd als een professionele activiteit. Art. 179.Gedurende de periode van de vierdagenweek met premie, kan het de ambtenaar niet toegelaten worden verminderde prestaties uit te voeren voor welke reden dan ook. Hij kan ook geen beroep doen op een regime van deeltijdse loopbaanonderbreking. Het verlof voor de vierdagenweek met premie wordt ambtshalve geschorst indien de ambtenaar één van de volgende verloven geniet : 1° moederschapsverlof en het verlof voor arbeidsvrijstelling in toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeids wet van 16 maart 1971Rele

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.