← België

Wet houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities e

Kort samengevat

Deze wet voegt Boek XX "Insolventie van ondernemingen" toe aan het Wetboek van economisch recht en definieert de termen en handhavingsbepalingen die specifiek zijn voor dit nieuwe boek. Het regelt procedures voor bedrijven die in financiële moeilijkheden verkeren.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

11 AUGUSTUS 2017. - Wet houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Wetboek van economisch recht Art. 2.In boek I, titel 2, van het Wetboek van economisch recht, wordt een hoofdstuk 14 ingevoegd, luidende: "Hoofdstuk 14. Definities eigen aan boek XX Art. I.22. Voor de toepassing van boek XX gelden de volgende definities: 1° "insolventieprocedure": een procedure van gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord of door een collectief akkoord of door overdracht onder gerechtelijk gezag of van faillissement;2° "hoofdinsolventieprocedure": hoofdprocedure zoals bepaald in artikel 3 van de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures;3° "beslissing tot opening van een insolventieprocedure": de beslissing van een rechterlijke instantie tot opening van een insolventieprocedure of tot bevestiging van de opening van een dergelijke procedure;4° "insolventierechtbank": de rechtbank van koophandel bevoegd om een insolventieprocedure te openen, of die ze geopend heeft;5° "tijdstip waarop de procedure is geopend": het tijdstip waarop de beslissing tot opening van een insolventieprocedure rechtsgevolgen heeft, onafhankelijk van de vraag of de beslissing nog voor rechtsmiddelen vatbaar is;6° "register": het Centraal Register Solvabiliteit is de geïnformatiseerde gegevensbank waar de dossiers betreffende de minnelijke akkoorden, de procedures van gerechtelijke reorganisatie of faillissement worden opgeslagen en bewaard;7° "insolventiefunctionaris": elke persoon of instantie waarvan de taak, mede op tussentijdse basis, erin bestaat, een of meer van de volgende taken te vervullen:

  1. i)de in het kader van een insolventieprocedure ingediende vorderingen te verifiëren en te aanvaarden;
  2. ii)het collectieve belang van de schuldeisers te behartigen; iii) het geheel of een deel van de goederen waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking werd ontzegd, te beheren;
  3. iv)de onder iii) bedoelde goederen te vereffenen en in voorkomend geval de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers; of
  4. v)toe te zien op het beheer van de onderneming van de schuldenaar; 8° "schuldenaar": de onderneming in de zin van artikel XX.1 van dit boek; 9° "schuldenaar die zijn goederen in bezit houdt": een schuldenaar ten aanzien van wie een insolventieprocedure is geopend, waarbij niet noodzakelijkerwijs een insolventiefunctionaris wordt aangewezen of waarbij de rechten en plichten aangaande het beheer van de goederen van de schuldenaar niet volledig aan een insolventiefunctionaris worden overgedragen, en waarbij de schuldenaar derhalve volledig of tenminste gedeeltelijk de zeggenschap over zijn goederen of zijn activiteiten behoudt; 10° "beoefenaar van een vrij beroep": de onderneming in de zin van artikel I.1.14° van dit boek; 11° "schuldvorderingen in de opschorting": de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissing genomen in het kader van de procedure volgen;12° "gewone schuldvorderingen in de opschorting": de schuldvorderingen in de opschorting andere dan de buitengewone schuldvorderingen in de opschorting;13° "gewone schuldeiser in de opschorting": de persoon die titularis is van een gewone schuldvordering in de opschorting;14° "buitengewone schuldvorderingen in de opschorting": de schuldvorderingen in de opschorting die gewaarborgd zijn op het ogenblik van de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, door een zakelijke zekerheid, en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars;de schuldvordering is slechts buitengewoon ten belope van het bedrag waarvoor, op de dag van de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, een inschrijving of registratie is genomen, of wanneer geen inschrijving of registratie is genomen, ten belope van de realisatiewaarde in going concern van het goed of indien het onderpand betrekking heeft op specifieke verpande schuldvorderingen, de boekhoudkundige waarde; de hiervoor omschreven beperking is slechts van toepassing met het oog op de uitwerking en stemming van het reorganisatieplan, zoals bedoeld in de artikelen XX.72 tot XX.83; 15° "buitengewone schuldeiser in de opschorting": de persoon die titularis is van een buitengewone schuldvordering in de opschorting;16° "schuldeiser-eigenaar": de schuldeiser die tot zekerheid van zijn schuldvordering eigenaar is van goederen in handen van de schuldenaar, op de dag van de opening van een insolventieprocedure;17° "centrum van de voornaamste belangen": de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is;18° "vestiging": elke plaats van handeling waar een schuldenaar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit die niet van tijdelijke aard is, uitoefent of heeft uitgeoefend in de periode van drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de hoofdinsolventieprocedure;19° "maatschappelijke zetel": de statutaire zetel;20° "opschorting": het door de rechtbank aan de schuldenaar toegekend moratorium teneinde een gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord of door een collectief akkoord of door overdracht onder gerechtelijk gezag te realiseren; 21° "reorganisatieplan": het door de schuldenaar in de loop van de opschorting opgesteld plan, bedoeld in de artikelen XX.70 en volgende; 22° "restschulden": de schulden die onbetaald zijn gebleven bij het einde van de insolventieprocedure;23° "Insolventieverordening": de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures;24° "moedervennootschap": een vennootschap die rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent over een of meer vennootschappen; een vennootschap die geconsolideerde financiële overzichten opstelt overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad wordt geacht een moedervennootschap te zijn; 25° "vennootschapsgroep": een moedervennootschap en al haar dochtervennootschappen;26° "verbonden ondernemingen": ondernemingen waartussen een relatie van verbondenheid bestaat in de zin van artikel 11, 1°, van het Wetboek van vennootschappen; 27° "elektronische ondertekening": een gekwalificeerde elektronische handtekening of een gekwalificeerd elektronisch zegel, bedoeld in respectievelijk artikel 3.12. en 3.27. van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, of door een andere elektronische handtekening die voldoet aan de criteria die de Koning kan bepalen ten einde de identiteit van de partijen en hun instemming met de inhoud van de akte te verzekeren. Art. 3.In hetzelfde Wetboek wordt een boek XX ingevoegd dat luidt als volgt "Insolventie van ondernemingen": "Titel 1. Algemene beginselen Hoofdstuk 1. - Toepassingsgebied Art. XX.1. § 1. Voor de toepassing van dit boek zijn ondernemingen: (
  5. a)iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;(
  6. b)iedere rechtspersoon;(
  7. c)iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Voor toepassing van dit boek zijn, in afwijking van het eerste lid, geen ondernemingen: (
  8. a)iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie;(
  9. b)iedere publiekrechtelijke rechtspersoon;(
  10. c)de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse Agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het openen van een insolventieprocedure ten aanzien van een onderneming waarvan de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn, houdt hierdoor niet noodzakelijk de opening van een insolventieprocedure ten aanzien van haar onbeperkt aansprakelijke vennoten in. De Koning bepaalt de nadere toepassingsregels van dit boek voor de vrije beroepen en hun verenigingen. § 2. De bepalingen van dit boek gelden onverminderd het bijzondere recht dat de gereglementeerde vrije beroepen of de ministeriële ambtenaren en notarissen betreft, met inbegrip van de toegang tot het beroep, de beperkingen aan het beheer en de overgang van het vermogen en de eerbiediging van het beroepsgeheim. De bepalingen van dit boek mogen niet derwijze worden uitgelegd dat zij een beperking inhouden van de plicht tot het bewaren van het beroepsgeheim of de vrije keuze van de patiënt of cliënt van de beoefenaar van een vrij beroep. § 3. De bepalingen van de titels II, III, IV en V van dit boek zijn niet van toepassing op de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de beleggingsondernemingen, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de verrekenings- en vereffeningsinstellingen en gelijkgestelde instellingen, de herverzekeringsondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings. § 4. In geval van twijfel betreffende de verenigbaarheid van een bepaling van dit boek met een verplichting volgend uit het wettelijk statuut van de ondernemingen bedoeld in paragraaf 2 kunnen de rechtbank, de gedelegeerd rechter, de rechter-commissaris, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van elke partij in de insolventieprocedure, het advies vragen van de Ordes of Instituten waarvan de beroepsbeoefenaar deel uitmaakt. Dit advies moet gegeven worden binnen een termijn van acht kalenderdagen vanaf de ontvangst van het verzoek tot advies. Hoofdstuk 2. - Procedureregels Art. XX.2. Geen verzet of hoger beroep staat open tegen: 1° de beslissingen van de kamers voor ondernemingen in moeilijkheden bedoeld in artikel XX.29; 2° de beslissingen waarbij een gedelegeerd rechter, een rechter-commissaris of een insolventiefunctionaris wordt benoemd of vervangen; 3° de beslissingen van de rechter-commissaris waarbij overeenkomstig artikel XX.122 uitstel of afstel wordt verleend voor de verkoop van in beslag genomen voorwerpen; 4° de beslissingen van de rechter-commissaris waarbij de verkoop van goederen en koopwaren die tot het faillissement behoren, wordt toegestaan;5° de vonnissen waarbij uitspraak wordt gedaan over de betwistingen inzake de afgifte, aan de gefailleerde natuurlijke persoon en aan zijn gezin, van de huisraad en de voorwerpen nodig voor eigen gebruik, evenals inzake de toekenning van levensonderhoud aan de gefailleerde natuurlijke persoon en aan zijn gezin;6° de vonnissen waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep tegen de beschikkingen die de rechter-commissaris of gedelegeerd rechter heeft gegeven bij de vervulling van zijn opdracht. Art. XX.3. Onverminderd de gevolgen die het Gerechtelijk Wetboek hecht aan betekeningen, beginnen de termijnen te lopen, telkens dit boek bepaalt dat gegevens of stukken geplaatst worden in het register, vanaf de dag volgend op deze van de plaatsing. De artikelen 50, tweede lid, 55 en 56 van het Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing op de vorderingen en betekeningen bedoeld in dit boek. Art. XX.4. Bij ontstentenis van een tussenkomst als bedoeld in artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek verwerft degene die, op zijn initiatief of op dat van de rechtbank, is gehoord of een geschrift neerlegt om zijn opmerkingen te laten gelden, iets te vorderen of middelen naar voor te brengen, door dit feit alleen geen hoedanigheid van partij. Elke vordering inzake faillissement wordt steeds mede gericht tegen de curator. Art. XX.5. In afwijking van de artikelen 1027 en 1029 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de in titel V van dit boek bedoelde eenzijdige verzoekschriften worden ondertekend door de schuldenaar alleen of door zijn advocaat en worden de daarop betrekking hebbende beslissingen van de rechtbank uitgesproken in openbare terechtzitting. Art. XX.6. Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat de verzoeker of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs van het bestaan inhoudt inzake een staking van betaling, de voorwaarden van de vaststelling van de datum van staking van betaling, de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie of een ter zake doend stuk aangaande andere beslissingen die tijdens de insolventieprocedure kunnen worden genomen en onverminderd de toepassing door de rechtbank van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de gedelegeerd rechter of de rechter-commissaris op vordering van iedere belanghebbende bevelen, overeenkomstig de artikelen 877 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, dat het stuk of een afschrift ervan bij een insolventiedossier wordt gevoegd. Art. XX.7. De rechtbank onderzoekt ambtshalve alle omstandigheden die relevant zijn voor de insolventieprocedure en beveelt ambtshalve elke nuttige onderzoeksmaatregel. Zij kan in dit verband getuigen horen en deskundigen aanstellen. In het kader van deze onderzoeksmaatregelen houdt de rechtbank rekening met de bijzondere regels die de ondernemingen bedoeld in artikel I.1.14°, beheersen en past, zo hiertoe aanleiding is, artikel XX.1, § 4, toe. De rechter kan ambtshalve in de rechtsplegingen in dit boek bedoeld de rechtsdag bepalen en is daartoe niet gebonden door akkoorden die de partijen hebben gesloten. Tegen deze maatregel staat geen rechtsmiddel open. Art. XX.8. Natuurlijke personen die niet bijgestaan worden door een raadsman of rechtspersonen met een maatschappelijke zetel in het buitenland kunnen steeds papieren akten neerleggen op de griffie, of, in geval van een faillissement, bij de curator. De neerlegging op de griffie, of, in geval van een faillissement, bij de curator, in papieren vorm blijft mogelijk wanneer het register tijdelijk buiten werking is. Het omzetten van op materiële drager opgemaakte of neergelegde stukken naar een elektronisch dossier wordt verricht door opname in het elektronisch dossier via elektronische lezing en bevestiging van de conformiteit met het elektronisch gelezen document door de griffier of in voorkomend geval door de curator. De griffier levert, zo nodig, een papieren afschrift van de elektronische gegevens af. Art. XX.9. Onverminderd de bepalingen van artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, vindt elke kennisgeving of mededeling of neerlegging bepaald in dit boek aan, bij of door een insolventiefunctionaris, een gedelegeerd rechter of rechter-commissaris plaats via het register. Wanneer dit boek een mededeling of kennisgeving voorschrijft of oplegt, geldt de plaatsing van het bericht in het register als mededeling of kennisgeving, mits hiervan een elektronische melding gebeurt aan de betrokkene. De datum van neerlegging, kennisgeving of mededeling wordt vastgesteld door het register. Het register levert een ontvangstbericht of verzendbericht af voor elke neerlegging, kennisgeving of mededeling. In de gevallen bedoeld in artikel XX.8, tweede lid, is de datum van ontvangst de datum waarop de akte bij de bestemmeling toekomt. De eindbestemmeling levert een ontvangstbericht af. Art. XX.10. Onverminderd elke kennisgeving of betekening die elders is gedaan, gebeuren de bekendmakingen bevolen krachtens dit boek in het Belgisch Staatsblad. Art. XX.11. Waar dit boek voorschrijft dat handelingen schriftelijk geschieden, wordt hieraan voldaan indien het stuk is neergelegd door een elektronisch geauthentiseerd persoon via het register en neergelegd met een elektronische handtekening. Art. XX.12. § 1. De insolventierechtbank gelegen in het rechtsgebied waarin op de dag dat de rechtbank wordt gevat, het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, is uitsluitend bevoegd een insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de maatschappelijke zetel te zijn. Dit vermoeden geldt alleen indien de maatschappelijke zetel in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een ander rechtsgebied is overgebracht. In het geval van een natuurlijke persoon die een vrij beroep of andere activiteit als zelfstandige uitoefent, wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van diens hoofdvestiging te zijn, of, indien het de titularis van een vrij beroep betreft onderworpen aan een inschrijving, de plaats waar zijn hoofdinschrijving is. Dit vermoeden geldt alleen indien de hoofdvestiging in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een ander rechtsgebied is overgebracht. § 2. Elke afdeling van de rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van een insolventieprocedure, onverminderd de mogelijkheid geboden aan de rechtbank om bij haar reglement de bevoegdheid van de afdelingen af te bakenen met toepassing van artikel 186 van het Gerechtelijk Wetboek. § 3. De afdeling waarbij de zaak eerst aanhangig wordt gemaakt, heeft voorrang op die waarvoor zij later wordt aangebracht. § 4. Paragraaf 1 is van toepassing op de procedure bedoeld in artikel XX.32. De rechtbank die de beslissing tot ontneming van het beheer heeft genomen, is uitsluitend bevoegd om het faillissement van de schuldenaar uit te spreken gedurende de termijn bepaald in artikel XX.32, § 5, vierde lid. Art. XX.13. De rechtbank bevoegd om kennis te nemen van een insolventieprocedure betreffende een onderneming is bevoegd om kennis te nemen van insolventieprocedures betreffende een met deze onderneming verbonden onderneming. Zij kan een gemeenschappelijke insolventiefunctionaris aanstellen voor alle procedures. Art. XX.14. De rechtbank bevoegd om kennis te nemen van een insolventieprocedure betreffende een onderneming bepaald in artikel XX.1, § 1, eerste lid, c), of een rechtspersoon waarvan de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn, is bevoegd om kennis te nemen van insolventieprocedures betreffende de vennoten van deze onderneming. Zij kan een gemeenschappelijke insolventiefunctionaris aanstellen voor alle procedures. Hoofdstuk 3. - Register Art. XX.15. Het register bevat alle gegevens en stukken waarvan de opgave wordt bepaald in dit boek. Het register geldt als authentieke bron voor alle akten en gegevens die erin zijn opgenomen. Art. XX.16. § 1. De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone respectievelijk bedoeld in artikel 488 van het Gerechtelijk Wetboek, hierna "de beheerder" genoemd, staan samen in voor de inrichting en het beheer van het register. § 2. De bewaartermijn van de in artikel XX.15 bedoelde gegevens bedraagt 30 jaar te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing die de procedure beëindigt. Wanneer deze termijn afloopt worden de gegevens aan het Rijksarchief bezorgd. § 3. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer: 1° de vorm en de nadere regels van de opname van gegevens in het register;2° de nadere regels inzake de toegang tot het register;3° de nadere regels voor de inrichting en werking van het register, en de gegevens van het register. Met betrekking tot de schuldenaar, de schuldeisers, de insolventiefunctionarissen, de gedelegeerd rechters en de rechters-commissarissen worden de volgende categorieën van persoonsgegevens in het register verwerkt: 1° identificatiegegevens, zijnde de gegevens die het mogelijk maken om de schuldenaar, de schuldeisers, de insolventiefunctionarissen, de gedelegeerd rechters en de rechters-commissarissen op unieke wijze te identificeren, onder meer: - naam, voornamen of de benaming van de schuldenaar; - nationaliteit; - beroep; - het Rijksregisternummer en het identificatienummer van de Kruispuntbank van ondernemingen; - het adres van inschrijving in het bevolkingsregister of de maatschappelijke zetel; 2° gerechtelijke gegevens, zijnde de gegevens in verband met het dossier van gerechtelijke reorganisatie of het faillissementsdossier, onder meer: - de rechtbank waarbij de procedure hangende is. Art. XX.17. § 1. De beheerder wordt met betrekking tot het register, bedoeld in artikel XX.15, beschouwd als verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. § 2. De beheerder stelt een aangestelde voor de gegevensbescherming aan. Deze is meer bepaald belast met: 1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens behandelt over zijn verplichtingen binnen het kader van dit boek en binnen het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer;3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;4° het functioneren als het contactpunt voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;5° het adviseren van de beheerder over de gepaste wijze waarop het beroepsgeheim van de beoefenaars van vrije beroepen betrokken in een insolventieprocedure kan worden beschermd;6° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de aangestelde voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beheerder, de nadere regels volgens dewelke de aangestelde voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert. § 3. De beheerder staat in voor de controle op de werking en het gebruik van het register. Overeenkomstig de artikelen 9 tot 12 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, stelt de beheerder, op de door de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepaalde wijze, iedere belanghebbende partij in kennis van: 1° de in artikel XX.15, tweede lid, bedoelde gegevens die hem betreffen; 2° de categorieën van personen die toegang hebben tot de onder 1° bedoelde gegevens;3° de bewaartermijn van de onder 1° bedoelde gegevens;4° de in § 2 van dit artikel bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van de onder 1° bedoelde gegevens. Art. XX.18. § 1. In de vervulling van hun wettelijke opdracht hebben de magistraten met inbegrip van de leden van het openbaar ministerie, de griffiers, de parketsecretarissen, de rechters-commissarissen en de gedelegeerd rechters, de insolventiefunctionarissen, de schuldenaren en gefailleerden bedoeld in dit boek, alsook de schuldeisers en derden die beroepsmatig rechtbijstand verlenen, in beginsel toegang tot de voor hen relevante in artikel XX.15 bedoelde gegevens, onverminderd de regels die voortvloeien uit de bescherming van het beroeps-en zakengeheim en van het geheim van de beraadslaging. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels van toegang tot het register, mede in acht genomen de bijzondere aard van bepaalde gegevens die beschermd moeten worden op grond van het beroepsgeheim of het zakengeheim. Elke belanghebbende derde kan, geheel of gedeeltelijk, toegang vragen tot het dossier aan de rechter-commissaris of de gedelegeerde rechter. De voorzitter van de rechtbank, de voorzitter van de kamer, de rechter-commissaris of de gedelegeerde rechter kunnen ook beslissen, geval per geval, dat bepaalde gegevens wegens hun vertrouwelijke aard, slechts beperkt toegankelijk zijn. Zij delen hun beslissing mede aan de beheerder van het register. De Koning kan, na advies van de Commissie voor de bescherming van de levenssfeer, andere categorieën van personen de toestemming geven om die gegevens te raadplegen onder de voorwaarden die Hij bepaalt. § 2. Het is de beheerder verboden om de in artikel XX.15 bedoelde gegevens te verstrekken aan andere dan de in paragraaf 1 bedoelde personen. § 3. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel XX.15 bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing. Art. XX.19. § 1. De registratie, de raadpleging, de wijziging, de hernieuwing, de verwijdering van gegevens in het register en het beheer van het insolventiedossier kunnen, teneinde de kosten te dekken die veroorzaakt worden door het beheer van het register, aanleiding geven tot de inning van een retributie. Het bedrag van de retributies bedoeld in het eerste lid kan variëren naar gelang de partij die gebruik maakt van het register en naargelang de wijze van registratie. § 2. Het bedrag, de voorwaarden en de nadere regels van inning worden door de Koning nader bepaald na ter zake het advies van het Beheers- en Toezichtscomité, de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone te hebben ingewonnen. De Koning bepaalt de gevallen van vrijstelling van retributie wanneer zulks vereist is om te voldoen aan de bepalingen van het recht van de Europese Unie of om tegemoet te komen aan de maatschappelijke noden van de betrokkenen. De retributies zijn betaalbaar aan en worden geïnd door de beheerder. De overheidsinstellingen die in het kader van hun opdracht gebruikmaken van het register, zijn niet verplicht de retributies bedoeld in dit artikel te betalen. § 3. Het bedrag van de retributie bedoeld in paragraaf 2 wordt op 1 januari van ieder jaar aan de hand van de volgende formule van rechtswege aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer. Het beginindexcijfer is dat van de maand december van het jaar gedurende hetwelk het bedrag van de retributie is vastgesteld. Het nieuwe indexcijfer is dat van de maand december van het jaar voorafgaand aan de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk de aanpassing plaatsvindt. Het resultaat wordt op een eenheid naar boven afgerond. HOOFDSTUK 4. - Insolventiefunctionarissen Art. XX.20. § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel XX.122, worden de insolventiefunctionarissen, aangewezen krachtens deze wet, gekozen op grond van hun kwaliteiten en volgens de noodwendigheden van de zaak. Ze dienen waarborgen te bieden van bekwaamheid, ervaring, onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Hun beroepsaansprakelijkheid moet verzekerd zijn, behalve wanneer zij organen zijn van een overheid of van een overheidsinstelling. De Ordes, de Instituten van beoefenaars van vrije beroepen of andere beroepsverenigingen stellen een lijst op van de personen die door de rechtbank als insolventiefunctionaris kunnen worden aangeduid, onverminderd de bepaling van paragraaf 2. Deze lijsten worden jaarlijks bijgewerkt en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. § 2. De curatoren worden aangewezen op de wijze bepaald in artikel XX.122. § 3. De kosten en erelonen van de curatoren worden vastgesteld verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht, in de vorm van een proportionele vergoeding op de gerealiseerde activa en desgevallend rekening houdend met de tijd nodig voor de vervulling van hun prestaties. De kosten en erelonen van de andere insolventiefunctionarissen worden vastgesteld in verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht en op grond van de tijd nodig voor de vervulling van hun prestaties en desgevallend rekening houdend met de waarde van de activa. De Koning bepaalt de regels en de barema's betreffende de vaststelling van de erelonen van de curatoren en stelt de grondslag vast waarop de insolventiefunctionarissen worden vergoed. § 4. De Koning kan tevens bepalen welke kosten afzonderlijk worden vergoed en op welke wijze ze worden begroot. Bij elk verzoek tot toekenning van een ereloon wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties gevoegd. Bij elk verzoek tot toekenning van de kostenvergoeding, worden de stukken die deze kosten verantwoorden gevoegd. Voor de faillissementen waarvan de activa niet voldoende zijn om de beheers- en vereffeningskosten van de boedel te dekken, wordt een forfaitaire vergoeding van de curator bepaald waarvan het jaarlijks geïndexeerd bedrag door de Koning wordt bepaald. § 5. Op verzoek van de curatoren en op eensluidend advies van de rechter-commissaris kan de rechtbank de curator toestaan om onkostenvergoedingen en een provisioneel ereloon in te houden waarvan zij het bedrag bepaalt. Behoudens bijzondere omstandigheden mag het geheel van de provisionele kosten en het provisioneel ereloon niet hoger zijn dan drie vierden van de sommen vastgesteld volgens de door de Koning bepaalde vergoedingsregels. In geen geval kan het provisioneel ereloon worden toegekend wanneer de curatoren de in het artikel XX.130 bedoelde verslagen niet in het register neerleggen. De rechtbank kan op verzoek van de andere insolventiefunctionarissen onkostenvergoedingen en een provisioneel ereloon toekennen. § 6. Op vordering van elke belanghebbende, op verzoek van de insolventiefunctionaris of ambtshalve kan de rechtbank op elk ogenblik en voor zover dit noodzakelijk wordt geacht, overgaan tot een bijkomende aanstelling, een vervanging of een beëindiging van het mandaat van de insolventiefunctionaris. Elke vordering van derden wordt bij de rechtbank ingesteld, volgens de vormen van het kort geding, en is gericht tegen de insolventiefunctionaris of -functionarissen en tegen de schuldenaar. De insolventierechtbank kan te allen tijde de insolventiefunctionaris of de rechter-commissaris vervangen door een van haar andere leden. De insolventiefunctionarissen van wie de vervanging wordt overwogen, worden vooraf opgeroepen en, na verslag van de rechter-commissaris in voorkomend geval, gehoord in raadkamer. Het vonnis wordt uitgesproken in openbare terechtzitting. Het vonnis waarbij de vervanging van een insolventiefunctionaris wordt gelast, wordt door toedoen van de griffier te zijner kennis gebracht en binnen vijf dagen na de dagtekening bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Indien de insolventiefunctionaris wordt vervangen op eigen verzoek wordt dit uitdrukkelijk vermeld in voornoemde bekendmaking. Titel II. - Opsporing van ondernemingen in moeilijkheden HOOFDSTUK 1. - Gegevensverzameling Art. XX.21. Nuttige inlichtingen en gegevens betreffende de schuldenaren die financiële moeilijkheden ondervinden, waardoor de continuïteit van hun economische activiteit in gevaar kan gebracht worden, met inbegrip van die welke verkregen worden met toepassing van de bepalingen van deze titel, worden ter griffie van de rechtbank in het rechtsgebied waarin de schuldenaar het centrum van zijn voornaamste belangen heeft, verzameld. De schuldenaar heeft het recht, bij verzoekschrift gericht aan de rechtbank, de rechtzetting te krijgen van de gegevens die op hem betrekking hebben. Op de wijze bepaald door de Koning, kan de rechtbank eveneens van de verzamelde gegevens kennis geven aan de overheidsinstellingen of private instellingen die door de bevoegde overheid zijn aangewezen of erkend om ondernemingen in moeilijkheden te begeleiden. Art. XX.22. Onverminderd artikel 1389bis/16 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de berichten van protest die worden bedoeld in artikel 1390quater/1 van hetzelfde Wetboek worden geraadpleegd ter griffie van de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar van een wisselbrief of orderbriefje zich bevindt. Art. XX.23. § 1. Veroordelende verstekvonnissen en vonnissen op tegenspraak uitgesproken tegen schuldenaren die de gevorderde hoofdsom niet hebben betwist, moeten worden gezonden aan de griffie van de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen het centrum van hun voornaamste belangen zich bevindt. De Koning bepaalt op welke wijze die gegevens worden overgemaakt. Dit geldt eveneens voor de vonnissen waarbij een handelshuurovereenkomst wordt ontbonden ten laste van de huurder. § 2. Uiterlijk een maand na het verstrijken van elk kwartaal zendt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een lijst van de schuldenaren die reeds een kwartaal de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen niet meer betaald hebben aan de griffie van de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen het centrum van hun voornaamste belangen zich bevindt. De lijst vermeldt naast de naam van de schuldenaar ook het verschuldigde bedrag. Uiterlijk een maand na het verstrijken van elk kwartaal zendt de administratie van financiën een lijst van de schuldenaren die reeds een kwartaal de verschuldigde btw of bedrijfsvoorheffing niet meer betaald hebben aan de griffie van de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen het centrum van hun voornaamste belangen zich bevindt. De lijst vermeldt naast de naam van de schuldenaar ook het verschuldigde bedrag. Uiterlijk een maand na het verstrijken van elk kwartaal zendt het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen een lijst van de schuldenaren die reeds een kwartaal de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen niet meer betaald hebben aan de griffie van de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen het centrum van hun voornaamste belangen zich bevindt. De lijst vermeldt naast de naam van de schuldenaar ook het verschuldigde bedrag. De Koning bepaalt op welke wijze die gegevens worden gezonden. § 3. De externe accountant, de externe erkend boekhouder, de externe erkend boekhouder-fiscalist en de bedrijfsrevisor die in de uitoefening van hun opdracht gewichtige en overeenstemmende feiten vaststellen die de continuïteit van de economische activiteit van de schuldenaar in het gedrang kunnen brengen, lichten deze laatste hiervan schriftelijk op een omstandige wijze in, in voorkomend geval via zijn bestuursorgaan. Indien de schuldenaar binnen een termijn van een maand vanaf die kennisgeving niet de nodige maatregelen treft om de continuïteit van de economische activiteit voor een minimumduur van twaalf maanden te waarborgen, kan de externe accountant, de externe erkend boekhouder, de externe erkend boekhouder-fiscalist, of de bedrijfsrevisor de voorzitter van de rechtbank van koophandel daarvan schriftelijk inlichten. In dat geval is artikel 458 van het Strafwetboek niet van toepassing. § 4. De Koning kan aan openbare overheden toestaan of opleggen gegevens mede te delen aan de rechtbank voor zover die gegevens noodzakelijk zijn om de financiële toestand van de ondernemingen te kennen. Art. XX.24. Na advies van het Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de Koning de gepaste maatregelen nemen teneinde de verwerking van de verzamelde gegevens op een logisch gestructureerde wijze te laten verlopen en de eenvormigheid en de vertrouwelijkheid hiervan in de onderscheiden griffies van de rechtbanken van koophandel te verzekeren. Hij kan onder meer de categorieën van de te verzamelen gegevens bepalen. HOOFDSTUK 2. - Kamers voor ondernemingen in moeilijkheden Art. XX.25. § 1. De kamers voor ondernemingen in moeilijkheden bedoeld in artikel 84, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgen de toestand van de schuldenaren in moeilijkheden om de continuïteit van hun activiteiten te vrijwaren en de bescherming van de rechten van de schuldeisers te verzekeren. § 2. De kamer voor ondernemingen in moeilijkheden kan het onderzoek zelf voeren of een rechter-verslaggever aanstellen. Deze kan een rechter bij de rechtbank zijn, de voorzitter uitgezonderd, of een rechter in handelszaken. Oordelen hetzij de kamer, hetzij de rechter verslaggever dat de continuïteit van de economische activiteit van een schuldenaar bedreigd is of dat de ontbinding van de rechtspersoon kan worden uitgesproken overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen of de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009767 bron ministerie van justitie Wet betreffende het gerechtelijk akkoord type wet prom. 17/07/1997 pub. 31/07/1997 numac 1997012591 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid sluiten5 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, dan kunnen zij de schuldenaar oproepen en horen teneinde alle inlichtingen te verkrijgen over de stand van zijn zaken en inzake de eventuele reorganisatiemaatregelen. De oproeping kan een verzoek aan de schuldenaar bevatten om voorafgaand aan de zitting bepaalde gegevens en inlichtingen over zijn onderneming en over zijn stand van zaken in te voeren in het register. De oproeping wordt, door toedoen van de griffier, gericht aan de woonplaats van de schuldenaar of aan diens maatschappelijke zetel. § 3. Het onderzoek geschiedt met gesloten deuren. De schuldenaar verschijnt in persoon, eventueel bijgestaan door de personen van zijn keuze. De kamer of de rechter verslaggever mag bij de externe accountant, de externe erkend boekhouder, de externe erkend boekhouder-fiscalist en de bedrijfsrevisor van de schuldenaar, inlichtingen inwinnen nopens de aanbevelingen die zij gedaan hebben aan de schuldenaar en, in voorkomend geval, nopens de maatregelen die genomen zijn om de continuïteit van de economische activiteit te waarborgen. In dat geval is artikel 458 van het Strafwetboek niet van toepassing. Daarenboven staat het de kamer of de rechter verslaggever vrij van ambtswege alle gegevens te verzamelen nodig voor zijn onderzoek. Zij kunnen alle personen horen van wie zij het verhoor nodig achten, zelfs buiten de aanwezigheid van de schuldenaar, en de mededeling van alle dienstige gegevens en inlichtingen gelasten, in voorkomend geval middels het register. De schuldenaar kan alle andere stukken van zijn keuze voorleggen. De rechter verslaggever kan zich van ambtswege begeven naar de maatschappelijke zetel of in voorkomend geval het centrum van de voornaamste belangen indien de opgeroepen schuldenaar niet verschenen is. Hij verwittigt op voorhand de Orde of het Instituut als de plaatsopneming geschiedt bij een beroepsbeoefenaar van een vrij beroep. De bijstand van een griffier is niet vereist. De rechter kan geheel alleen proces-verbaal opmaken van zijn bevindingen en van de afgelegde verklaringen. Art. XX.26. De procureur des Konings en de schuldenaar kunnen op elk ogenblik mededeling krijgen van de aldus tijdens het onderzoek verzamelde gegevens alsook van het in artikel XX.28 bedoelde verslag. De rechter verslaggever of de voorzitter van de kamer bepalen evenwel welke gegevens niet kunnen worden medegedeeld wanneer hun bekendmaking van die aard zou zijn dat het beroepsgeheim van de schuldenaar wordt geschonden. Art. XX.27. Op de wijze bepaald door de Koning kan de rechtbank de verzamelde gegevens uitwisselen met de overheidsinstellingen of particuliere instellingen die door de bevoegde overheid zijn aangewezen of erkend om ondernemingen in moeilijkheden te begeleiden. Art. XX.28. Wanneer de kamer een rechter verslaggever heeft aangesteld, beëindigt deze het onderzoek binnen een termijn van vier maanden na zijn aanstelling. Wanneer de rechter dit onderzoek heeft beëindigd, stelt hij binnen de voornoemde termijn een verslag op over de gedane verrichtingen en voegt er zijn conclusie aan toe. Het verslag wordt gevoegd bij de verzamelde gegevens en voorgelegd aan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden. De kamer voor ondernemingen in moeilijkheden kan beslissen het onderzoek te verlengen voor een duur die niet meer dan vier maanden mag bedragen. Als het onderzoek gevoerd wordt door de kamer zelf, mag dit niet langer dan acht maand duren. Art. XX.29. § 1. Indien uit het onderzoek naar de toestand van de schuldenaar blijkt dat die zich in staat van faillissement bevindt kan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden het dossier naar de procureur des Konings zenden. § 2. Indien uit het onderzoek naar de toestand van de schuldenaar blijkt dat die zich in staat van faillissement bevindt, kan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden beredeneerd en ten voorlopige titel vaststellen dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel XX.32 lijken verenigd te zijn en het dossier mededelen aan de voorzitter van de rechtbank. Onverminderd het eerste lid kan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden, wanneer volgens haar uit dat onderzoek blijkt dat de ontbinding van de rechtspersoon kan worden uitgesproken overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen of de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1997 pub. 28/10/1997 numac 1997009767 bron ministerie van justitie Wet betreffende het gerechtelijk akkoord type wet prom. 17/07/1997 pub. 31/07/1997 numac 1997012591 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid sluiten5 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, het dossier met een gemotiveerde beslissing aan de rechtbank meedelen ten einde uitspraak te doen over de ontbinding, in welk geval zij eveneens de gemotiveerde beslissing meedeelt aan de procureur des Konings. Wanneer de schuldenaar, rechtspersoon, een beroepsbeoefenaar van een vrij beroep is, deelt de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden aan zijn tuchtorgaan een afschrift mee van de beslissing bedoeld in het tweede lid. De kamer kan eveneens het dossier mededelen aan de procureur des Konings. § 3. De met het onderzoek naar de toestand van de schuldenaar belaste leden van de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden mogen niet deelnemen aan de rechtspleging inzake het faillissement, de gerechtelijke reorganisatie of de gerechtelijke vereffening die op deze schuldenaar zou betrekking hebben. Titel III. - Voorlopige maatregelen Art. XX.30. Wanneer kennelijk grove tekortkomingen van de schuldenaar of van een van zijn organen de continuïteit van de onderneming in moeilijkheden of van haar economische activiteiten in gevaar brengen en de gevraagde maatregel van die aard is dat zij die continuïteit kan vrijwaren, kan de voorzitter van de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie of van elke belanghebbende, ingesteld volgens de vormen van het kort geding, een of meer gerechtsmandatarissen aanstellen. De gerechtsmandataris wordt gekozen uit de lijst bedoeld in artikel XX.20, § 1, vierde lid,tenzij deze lijst niet voorhanden is of geen gerechtsmandataris uit de lijst beschikbaar is. Als de schuldenaar die het voorwerp uitmaakt van een in eerste lid bedoelde maatregel een onderneming is in de zin van artikel I.1.14°, stelt de voorzitter van de rechtbank ten minste één gerechtsmandataris aan die lid is van een Orde of Instituut waarvan de schuldenaar eveneens lid is, op basis van de lijst bedoeld in artikel XX.20, § 1, vierde lid. De beschikking die de gerechtsmandataris aanstelt, verantwoordt en bepaalt nauwkeurig de inhoud en de duur van de opdracht gegeven aan de gerechtsmandataris. Het openen van een gerechtelijke reorganisatie heeft niet als dusdanig tot gevolg dat de opdracht van de gerechtsmandataris wordt beëindigd. Het vonnis dat de gerechtelijke reorganisatie opent of een later vonnis bepalen in welke mate de opdracht moet worden gehandhaafd dan wel gewijzigd of opgeheven. Art. XX.31. § 1. Als de schuldenaar of een van zijn organen een kennelijk grove fout heeft begaan, kan de rechtbank voor de duur van de opschorting een voorlopige bewindvoerder aanstellen. De voorlopige bewindvoerder wordt gekozen op de lijst bedoeld in artikel XX.20, § 1, vierde lid, tenzij deze lijst niet voorhanden is of geen gerechtsmandataris uit de lijst beschikbaar is. § 2. De rechtbank doet uitspraak op verzoek van elke belanghebbende of van het openbaar ministerie in het vonnis dat de procedure van de gerechtelijke reorganisatie opent of in een later vonnis, na de middelen van de schuldenaar en het verslag van de gedelegeerd rechter te hebben gehoord. Wanneer de schuldenaar aanvoert dat de fouten te wijten zijn aan een andere welbepaalde natuurlijke persoon of rechtspersoon, moet hij deze persoon in gedwongen tussenkomst oproepen. § 3. Op elk ogenblik tijdens de opschorting kan de rechtbank, die op dezelfde wijze wordt aangezocht en uitspraak doet, op verslag van de voorlopige bewindvoerder, de krachtens de paragrafen 1 en 2 genomen beslissing intrekken of de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder wijzigen. Art. XX.32. § 1. Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat de voorwaarden voor een faillissement vervuld zijn kan de voorzitter van de rechtbank aan de onderneming geheel of ten dele het beheer van het geheel of een gedeelte van haar activa of activiteiten ontnemen. De voorzitter van de rechtbank beslist, ofwel op eenzijdig verzoekschrift van iedere belanghebbende, ofwel ambtshalve. § 2. De voorzitter van de rechtbank wijst een of meer voorlopige bewindvoerders aan vertrouwd met het bestuur van een onderneming en met boekhouden en bepaalt nauwkeurig hun bevoegdheid. De aangifte van het faillissement van de onderneming of zijn vertegenwoordiging in de faillissementsprocedure behoren niet tot die bevoegdheid. De voorlopige bewindvoerder moet moet zich houden aan een gedragscode en zijn professionele aansprakelijkheid moet verzekerd zijn. § 3. De beschikking tot ontneming van het beheer blijft slechts gevolg hebben indien binnen eenentwintig dagen na de uitspraak een vordering tot faillietverklaring, tot gerechtelijke ontbinding of tot gerechtelijke reorganisatie is ingesteld door een belanghebbende, met inbegrip van de van ambtswege aangestelde voorlopige bewindvoerder. De beslissing vervalt van rechtswege indien het faillissement, de opschorting of de ontbinding niet wordt uitgesproken binnen vier maanden na inleiding van de vordering. Deze termijn wordt opgeschort voor de duur van het uitstel aan de schuldenaar toegekend of vereist na een heropening van het debat. De voorzitter kan te allen tijde, op verzoekschrift of, in geval van dringende noodzakelijkheid op zelfs mondeling verzoek van de voorlopige bewindvoerders, hun bevoegdheden wijzigen. § 4. De artikelen 1031 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing, ook indien de beslissing ambtshalve werd genomen krachtens dit artikel. § 5. De handelingen door de schuldenaar verricht in strijd met de ontneming van het beheer, kunnen niet worden tegengeworpen aan de boedel, indien zij die met hem hebben gehandeld, kennis hadden van de ontneming van het beheer, of indien de handelingen vallen onder een van de drie categorieën bepaald bij artikel XX.111. De curatoren zijn nochtans niet gehouden de niet-tegenwerpbaarheid in te roepen van handelingen door de schuldenaar verricht in zoverre dit heeft geleid tot verrijking van de boedel. Indien de schuldenaar over zijn goederen heeft beschikt op de dag van de beslissing tot ontneming van het beheer, wordt de schuldenaar geacht over zijn goederen te hebben beschikt na deze beslissing. Indien een betaling aan de schuldenaar na de beslissing tot ontneming van het beheer niet is gedaan aan de voorlopige bewindvoerder, belast met het ontvangen van betalingen, wordt diegene die heeft betaald geacht te zijn bevrijd als hij geen kennis had van de bedoelde beslissing. § 6. De kosten van de voorlopige bewindvoerder worden in geval van betwisting begroot door de voorzitter van de rechtbank overeenkomstig artikel XX.20, § 3. De kosten worden geprovisioneerd door de verzoekende partij of, in geval van ambtshalve aanstelling, door de schuldenaar. Bij een navolgende samenloop van schuldeisers geniet de vordering van de voorlopige bewindvoerder het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1°, van de hypotheekwet van 16 december 1851 of wordt deze vordering behandeld als een buitengewone schuldvordering in de opschorting in een gerechtelijke reorganisatie. Art. XX.33. De beslissingen bedoeld in de artikelen XX.30, XX.31 en XX.32 worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Koning kan de inhoud van de bekendmaking bepalen. Art. XX.34. Verzet tegen de beslissingen gewezen in toepassing van de artikelen XX.30, XX.31 en XX.32 is niet toegelaten. Art. XX.35. Hoger beroep tegen de beslissingen bedoeld in de artikelen XX.30, XX.31 en XX.32 wordt ingesteld bij verzoekschrift dat ter griffie van het hof van beroep wordt neergelegd binnen een termijn van acht dagen na bekendmaking van het vonnis of bevelschrift. De griffier van het hof van beroep geeft kennis van het verzoekschrift aan de gebeurlijke geïntimeerde en, in voorkomend geval, bij gewone brief of elektronische mededeling aan zijn advocaat, uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de neerlegging van het verzoekschrift. Titel IV. - Ondernemingsbemiddelaar en minnelijk akkoord Art. XX.36. § 1. Op verzoek van de schuldenaar kan de voorzitter van de rechtbank een ondernemingsbemiddelaar aanstellen, om de reorganisatie van het geheel of een gedeelte van haar activa of activiteiten te vergemakkelijken. De schuldenaar kan de naam van een ondernemingsbemiddelaar voorstellen. § 2. Wanneer de schuldenaar het voorwerp uitmaakt van een onderzoek en overeenkomstig artikel XX.25 door de rechter werd opgeroepen, wordt het verzoek gericht aan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden. § 3. Het verzoek tot aanwijzing van een bemiddelaar is aan geen vormvoorschriften onderworpen en kan mondeling worden gedaan. Wanneer de voorzitter van de rechtbank of de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden het verzoek inwilligt, bepaalt hij bij beschikking gewezen in raadkamer de inhoud en de duur van de opdracht van de ondernemingsbemiddelaar binnen de grenzen van het verzoek van de schuldenaar. § 4. De opdracht van de ondernemingsbemiddelaar strekt, zowel buiten als in voorkomend geval binnen het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, tot de voorbereiding en de bevordering van hetzij het afsluiten van een minnelijk akkoord, overeenkomstig de artikelen XX.37 of XX.65, hetzij het verkrijgen van het akkoord van de schuldeisers over een reorganisatieplan, overeenkomstig de artikelen XX.67 tot XX.75, hetzij de overdracht onder gerechtelijk gezag, aan een of meerdere derden, van het geheel of een gedeelte van de activa of van activiteiten, overeenkomstig de artikelen XX.84 en XX.85. § 5. De opdracht van de ondernemingsbemiddelaar eindigt wanneer de schuldenaar of de ondernemingsbemiddelaar dit beslissen en de voorzitter van de rechtbank ervan op de hoogte brengen. § 6. Wanneer de voorzitter van de rechtbank het einde van de opdracht van de ondernemingsbemiddelaar vaststelt en ingeval geen akkoord werd bereikt over de definitieve staat van kosten en ereloon, stelt hij deze staat vast. § 7. Bij een navolgende samenloop van schuldeisers geniet de vordering van de ondernemingsbemiddelaar in verband met zijn bemiddeling van het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1°, van de hypotheekwet van 16 december 1851 of wordt deze vordering behandeld als een buitengewone schuldvordering in het kader van een reorganisatieplan. Art. XX.37. § 1. De schuldenaar kan aan al zijn schuldeisers of aan twee of meer onder hen een minnelijk akkoord voorstellen met het oog op de reorganisatie van het geheel of een gedeelte van zijn activa of van zijn activiteiten. Hij kan hiertoe de aanwijzing van een ondernemingsbemiddelaar voorstellen. De partijen bepalen vrij de inhoud van dit akkoord, dat de derden niet bindt. § 2. De artikelen 1328 van het Burgerlijk Wetboek, XX.111, 2° en 3°, en XX.112 zijn niet toepasselijk op een minnelijk akkoord noch op de handelingen verricht ter uitvoering ervan, indien dat akkoord wordt vastgesteld door een geschrift waarin het nut ervan met het oog op de reorganisatie van de onderneming wordt vermeld en gemotiveerd. Het minnelijk akkoord bevat een uitdrukkelijke vertrouwelijkheidsclausule en een uitdrukkelijke onsplitsbaarheidsclausule. Dit geschrift wordt door de meest gerede partij neergelegd in het register en wordt er bewaard. Derden kunnen slechts kennis nemen van het minnelijk akkoord en kennis krijgen van de neerlegging en van de bewaring ervan in het register met uitdrukkelijke toestemming van de schuldenaar. § 3. Deze bepaling geldt onverminderd de verplichtingen de werknemers of hun vertegenwoordigers te raadplegen en in te lichten op grond van de bestaande wettelijke of conventionele bepalingen. § 4. Wanneer voornoemde voorwaarden vervuld zijn, kunnen de schuldeisers die deelnemen aan een minnelijk akkoord niet aansprakelijk worden gesteld door de schuldenaar, een andere schuldeiser of derden enkel en alleen omdat het minnelijk akkoord niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft geboden de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten te behouden. Art. XX.38. Wanneer de partijen het vragen bij gezamenlijke vordering, kan de voorzitter van de rechtbank het minnelijk akkoord homologeren, en in voorkomend geval, een uitvoerend karakter aan alle of een deel van de erin vermelde schuldvorderingen verlenen. De rechter onderzoekt bij de toekenning van de homologatie of het akkoord voldoet aan de formele vereisten in artikel XX.37 bepaald. Deze beslissing is onderworpen noch aan bekendmaking, noch mededeling. Zij is niet vatbaar voor beroep. De voorzitter van de rechtbank kan in voorkomend geval de opdracht van de ondernemingsbemiddelaar verlengen teneinde de uitvoering van het minnelijk akkoord te vergemakkelijken. Bij een navolgende samenloop van schuldeisers geniet de kostprijs van de wettelijke formaliteiten die nodig zijn voor de tegenwerpbaarheid aan derden van de door een minnelijk akkoord verleende rechten het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1°, van de hypotheekwet van 16 december 1851 of wordt hij behandeld als een buitengewone schuldvordering in de opschorting in het kader van een reorganisatieplan. Titel V. - Gerechtelijke reorganisatie HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Doel Art. XX.39. De procedure van gerechtelijke reorganisatie strekt tot het behouden, onder toezicht van de rechter, van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de onderneming. Zij laat toe aan de schuldenaar een opschorting toe te kennen met het oog op: - hetzij het bewerkstelligen van een minnelijk akkoord, overeenkomstig artikel XX.65; - hetzij het verkrijgen van het akkoord van de schuldeisers over een reorganisatieplan, overeenkomstig de artikelen XX.67 tot XX.83; - hetzij de overdracht onder gerechtelijk gezag toe te staan, aan een of meerdere derden, van het geheel of een gedeelte van de activa of de activiteiten, overeenkomstig de artikelen XX.84 tot XX.96. Het verzoek mag een eigen doel beogen voor elke activiteit of gedeelte van een activiteit. Afdeling 2. - Dossier van gerechtelijke reorganisatie Art. XX.40. § 1. Er wordt in het register een dossier van de gerechtelijke reorganisatie gehouden waarin alle elementen met betrekking tot deze procedure en de grond van de zaak voorkomen, met inbegrip van de verslagen van de gerechtsmandatarissen en voorlopige bewindvoerders, evenals de verslagen van de gedelegeerd rechter en de adviezen van het openbaar ministerie. § 2. De neerlegging van een aangifte van schuldvordering in het register stuit de verjaring van de schuldvordering en geldt als ingebrekestelling. § 3. Iedere partij in de procedure en elke schuldeiser die voorkomt op de in artikel XX.41, § 2, 7°, vermelde lijst krijgt inzage in het dossier. De gedelegeerd rechter kan met een gemotiveerde beschikking de gegevens bepalen die het zakengeheim aanbelangen en die niet toegankelijk zijn voor de schuldeisers. Iedere andere persoon die een rechtmatig belang kan aantonen, kan aan de gedelegeerd rechter via het register toestemming vragen om inzage te krijgen van het dossier of van een deel ervan. § 4. De Koning bepaalt nader hoe de toegang tot het in dit artikel bedoelde dossier wordt toegekend, bepaalt nader welke gegevens slechts op beperkte wijze toegankelijk gemaakt worden en op welke wijze de vertrouwelijkheid en de bewaring van het dossier worden gewaarborgd. Afdeling 3. - Verzoek tot gerechtelijke reorganisatie en de daarop volgende procedure Art. XX.41. § 1. De schuldenaar die het openen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie aanvraagt, richt een verzoekschrift aan de rechtbank. § 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid, voegt hij bij zijn verzoekschrift: 1° een uiteenzetting van de gebeurtenissen waarop zijn verzoek is gegrond en waaruit blijkt dat naar zijn oordeel de continuïteit van zijn onderneming onmiddellijk of op termijn bedreigd is;2° een aanwijzing van de doelstelling of de doelstellingen waarvoor hij het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie aanvraagt;3° de vermelding van een elektronisch adres waarbij hij zolang de procedure van gerechtelijke organisatie duurt, kan worden bereikt en waaruit hij de ontvangst kan melden van de ontvangen mededelingen;4° de twee recentste jaarrekeningen die volgens de statuten hadden moeten neergelegd zijn en de eventueel nog niet neergelegde jaarrekening van het laatste boekjaar of, indien de schuldenaar een natuurlijke persoon is, de twee recentste aangiftes in de personenbelasting;zo de onderneming geen twee boekjaren heeft bestaan, zal zij dit doen voor de gehele periode voor haar oprichting; 5° een boekhoudkundige staat die het actief en het passief weergeeft en de resultatenrekening die maximum drie maanden oud is, opgesteld met de bijstand van hetzij een bedrijfsrevisor, hetzij een externe accountant, hetzij een externe erkend boekhouder of een externe erkend boekhouder-fiscalist;6° een begroting met een schatting van de inkomsten en uitgaven voor ten minste de duur van de gevraagde opschorting, opgesteld met de bijstand van een van de beroepsbeoefenaars vermeld in 5° ;op advies van de Commissie voor boekhoudkundige normen kan de Koning een model opleggen van geraamde begroting; 7° een volledige lijst van de erkende of beweerde schuldeisers in de opschorting, met vermelding van hun naam, hun adres en het bedrag van hun schuldvordering en de bijzondere vermelding van de hoedanigheid van buitengewone schuldeiser in de opschorting en van het goed dat is belast met een zakelijke roerende zekerheid of een hypotheek of dat eigendom is van de betrokken schuldeiser;8° een toelichting omtrent de wijze waarop de maatregelen en voorstellen die hij overweegt om de rendabiliteit en de solvabiliteit van zijn onderneming te herstellen, om een eventueel sociaal plan in te zetten en om de schuldeisers te voldoen;9° een toelichting omtrent de wijze waarop de schuldenaar voldaan heeft aan de wettelijke of conventionele verplichtingen de werknemers of hun vertegenwoordigers in te lichten of te raadplegen; 10° de lijst van vennoten indien de schuldenaar een in artikel XX.1, § 1, eerste lid,
  11. c)bepaalde onderneming, of een rechtspersoon waarvan de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn, is en het bewijs dat de vennoten op de hoogte werden gebracht; 11° een kopie van de exploten van bevel en van uitvoerende roerende en onroerende beslagen, zoals deze verschijnen in het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie en overdracht en collectieve schuldenregeling, in het geval dat hij de schorsing van de werkzaamheden van verkoop op onroerend uitvoerend beslag vordert overeenkomstig artikelen XX.44, §§ 2 en 3 en XX. 51, §§ 2 en 3. Daarnaast kan de schuldenaar bij zijn verzoekschrift alle andere stukken voegen die hij nuttig oordeelt om het verzoekschrift toe te lichten. Hij waakt erover dat de neergelegde stukken geen gegevens inhouden die zijn beroepsgeheim zouden kunnen schenden en voegt, in voorkomend geval, een noot bij zijn verzoekschrift die verantwoordt waarom hij bepaalde stukken op die gronden niet heeft kunnen neerleggen. § 3. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de schuldenaar of door diens advocaat. Het wordt met de nuttige stukken neergelegd in het register zoals bepaald in artikel XX.15. § 4. Binnen achtenveertig uur deelt de griffier bericht van de indiening van het verzoekschrift mee aan de procureur des Konings, die alle handelingen van de procedure zal kunnen bijwonen. De griffier geeft hierover eveneens een bericht aan de Orde of Instituut waarvan de verzoeker deel uitmaakt indien het verzoekschrift is neergelegd door een onderneming bedoeld in artikel I.1.14°. De rechtbank kan het verslag dat is opgesteld door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden overeenkomstig artikel XX.28 voegen bij het dossier van de gerechtelijke reorganisatie. Art. XX.42. In elk geval wijst de voorzitter van de rechtbank onmiddellijk na de indiening van het verzoekschrift een gedelegeerd rechter aan die rechter in de rechtbank is, de voorzitter uitgezonderd, of een rechter in handelszaken, om bij de kamer van de rechtbank waaraan de zaak is toebedeeld, verslag uit te brengen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzoek en over elk element dat nuttig is voor de beoordeling ervan. In het geval bedoeld in artikel XX.84, duidt de rechtbank een gedelegeerd rechter aan met de opdracht die dit artikel preciseert. De gedelegeerd rechter hoort de schuldenaar en elke andere persoon van wie hij het horen nuttig acht. Hij kan bij de schuldenaar de informatie opvragen die nodig is om diens toestand te beoordelen. Art. XX.43. De gedelegeerd rechter waakt over de naleving van deze wet en licht de rechtbank in over de evolutie van de toestand van de schuldenaar. Art. XX.44. § 1. Zolang de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan over het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, ongeacht of de vordering werd ingeleid of het middel van tenuitvoerlegging aangevat voor of na de neerlegging van het verzoekschrift: - kan de schuldenaar niet worden failliet verklaard; indien de schuldenaar een rechtspersoon is, kan deze niet gerechtelijk worden ontbonden; - kan geen enkele tegeldemaking van de roerende of onroerende goederen van de schuldenaar plaatsvinden als gevolg van de uitoefening van een middel van tenuitvoerlegging. § 2. Indien de dag die vastgesteld is om over te gaan tot de gedwongen verkoop van roerende goederen afloopt binnen een termijn van twee maanden na het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, kunnen de werkzaamheden van verkoop op beslag worden verdergezet. Alleszins kan de rechtbank de schorsing ervan uitspreken, vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te hebben gehoord in zijn verslag, en op uitdrukkelijke vraag van de schuldenaar in zijn verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie evenals op verzoek van de beslagleggende schuldeiser. Het verzoek tot schorsing van de verkoop heeft geen schorsend effect. Indien de schorsing van de verkoop is uitgesproken, zullen de kosten voortgebracht uit deze schorsing ten laste zijn van de verzoeker. De termijnen worden berekend overeenkomstig artikelen 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. § 3. Indien de dag die vastgesteld is om over te gaan tot de gedwongen verkoop van onroerende goederen afloopt binnen een termijn van twee maanden volgend op het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, kunnen de werkzaamheden van verkoop op beslag worden verdergezet. De termijnen worden berekend overeenkomstig artikelen 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Alleszins zal de notaris de verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen indien de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: 1° de rechtbank spreekt de schorsing van de gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te hebben gehoord in zijn verslag, evenals de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers en de schuldenaar;het verzoek tot schorsing van de verkoop heeft geen schorsend effect; de werkelijke kosten waaraan de notaris werd blootgesteld in het kader van de gedwongen verkoop, tussen zijn aanstelling en het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de schuldenaar; 2° een met deze kosten overeenstemmend bedrag wordt overgemaakt op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder;3° de gerechtsdeurwaarder stelt de notaris onmiddellijk in kennis hiervan per exploot; Deze voorwaarden dienen ten minste drie werkdagen voor de dag die werd vastgesteld om over te gaan tot de gedwongen verkoop, te worden vervuld. De gerechtsdeurwaarder maakt het overgeschreven bedrag over in handen van de notaris binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de ontvangst ervan. Dit bedrag zal bestemd zijn voor de betaling van de kosten van deze laatste. § 4. In geval van beslag lastens meerdere schuldenaren waarvan één van hen een verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie heeft ingediend, wordt de gedwongen verkoop van roerende en onroerende goederen verdergezet overeenkomstig de regels van het roerend of onroerend beslag afhankelijk van het geval, zonder afbreuk te doen aan paragrafen 2 en 3. In geval van verkoop op uitvoerend onroerend beslag maakt de notaris in voorkomend geval, na betaling van de ingeschreven hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers, het saldo over van het deel van de verkoopprijs dat toekomt aan de schuldenaar, aan deze laatste of aan de gerechtsmandataris in geval van opening van een procedure door overdracht onder gerechtelijk gezag. Deze betaling is bevrijdend evenals de betaling gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641 van het Gerechtelijk Wetboek. § 5. In ieder geval dient de schuldenaar onmiddellijk de notaris of de gerechtsdeurwaarder belast met de verkoop van het goed schriftelijk in kennis te stellen van de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel XX.43. Indien een verzoek tot schorsing van de verkoop werd ingesteld door middel van dit verzoekschrift, dient de schuldenaar gelijktijdig de notaris hiervan in kennis te stellen. Afdeling 4. - Voorwaarden voor de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie Art. XX.45. § 1. De procedure van gerechtelijke reorganisatie wordt geopend indien de continuïteit van de onderneming, onmiddellijk of op termijn bedreigd is. § 2. Indien de schuldenaar een rechtspersoon is, wordt de continuïteit van zijn onderneming in elk geval geacht bedreigd te zijn wanneer de verliezen het netto actief hebben herleid tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal. § 3. De staat van faillissement van de schuldenaar sluit op zich niet uit dat een procedure van gerechtelijke reorganisatie kan worden geopend of voortgezet. § 4. Het ontbreken van de in artikel XX.41, § 2, bepaalde stukken sluit niet uit dat toepassing wordt gemaakt van artikel XX.84, § 2. § 5. Wanneer het verzoek uitgaat van een schuldenaar die minder dan drie jaar tevoren reeds het openen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd en verkregen, kan de procedure van gerechtelijke reorganisatie enkel geopend worden indien ze strekt tot overdracht, onder gerechtelijk gezag, van het geheel of een gedeelte van haar activa of activiteiten. Een verzoek tot gerechtelijke reorganisatie heeft geen schorsende werking, zoals beschreven in artikel XX.44, indien het uitgaat van een schuldenaar die minder dan zes maanden tevoren reeds het openen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd, tenzij de rechtbank anders bepaalt in een met redenen omklede beslissing. Wanneer het verzoek uitgaat van een schuldenaar die meer dan drie maar minder dan vijf jaar tevoren reeds het openen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd en verkregen, mag de nieuwe procedure van gerechtelijke reorganisatie niet terugkomen op de verworvenheden van de schuldeisers die zijn verkregen tijdens de vorige procedure. Afdeling 5. - Vonnis over het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie en de gevolgen ervan Art. XX.46. § 1. De rechtbank behandelt het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie binnen een termijn van vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift in het register. Behoudens verzaking aan deze oproeping wordt de schuldenaar uiterlijk drie vrije dagen voor de zitting opgeroepen door de griffier. De schuldenaar wordt in raadkamer gehoord, tenzij hij uitdrukkelijk de wil heeft geuit om in openbare terechtzitting te worden gehoord. Nadat zij het verslag van de gedelegeerd rechter heeft gehoord, doet de rechtbank uitspraak bij vonnis binnen een termijn van acht dagen na de behandeling van het verzoek. Indien een verzuim of onregelmatigheid bij de neerlegging van de stukken niet van die aard is dat de rechtbank daardoor wordt verhinderd te onderzoeken of de in artikel XX.45 bepaalde voorwaarden vervuld zijn en indien dat verzuim of die onregelmatigheid door de schuldenaar kan worden hersteld, kan de rechtbank, nadat de schuldenaar gehoord is, de zaak voor verdere behandeling uitstellen. § 2. Indien de voorwaarden vermeld in artikel XX.45 vervuld lijken, verklaart de rechtbank de procedure van gerechtelijke reorganisatie geopend en bepaalt zij de duur van de in artikel XX.39 bedoelde opschorting, die niet langer mag zijn dan zes maanden. § 3. Indien de procedure van gerechtelijke reorganisatie tot doel heeft het akkoord van de schuldeisers te verkrijgen over een reorganisatieplan, vermeldt de rechtbank, in het vonnis waarin zij deze procedure open verklaart of in een later vonnis, de plaats, dag en uur waarop, behoudens verlenging van de opschorting, de terechtzitting zal plaatsvinden waarop zal overgegaan worden tot de stemming over dit plan en geoordeeld zal worden over de homologatie. § 4. In het vonnis waarbij de procedure van gerechtelijke reorganisatie wordt geopend of in elke latere beslissing, kan de rechtbank aan de schuldenaar bijkomende informatieverplichtingen opleggen om de opvolging van de procedure te vergemakkelijken. De rechtbank kan inzonderheid aan de schuldenaar opleggen op bepaalde tijdstippen de volgens een model bepaald door de rechtbank opgestelde lijst van schuldeisers neer te leggen in het dossier van de gerechtelijke reorganisatie. De Koning kan bepalen op welke wijze de lijst moet worden neergelegd. Indien de schuldenaar deze verplichtingen niet naleeft kan de rechtbank handelen zoals bepaald in artikel XX.62, of desgevallend de aanvraag tot verlenging, zoals bepaald in artikel XX.59, weigeren. Art. XX.47. Tegen het vonnis dat beslist over de vordering tot het openen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie staat geen verzet open. Het hoger beroep ertegen wordt ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof van beroep binnen acht dagen na de kennisgeving van het vonnis. De griffier van het hof van beroep geeft bij gerechtsbrief kennis van het verzoekschrift aan de eventuele geïntimeerde en in voorkomend geval bij gewone brief aan zijn advocaat, uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de neerlegging. Als het vonnis de vordering verwerpt, schort het hoger beroep de uitspraak op. De zaak wordt behandeld, bij hoogdringendheid, op de inleidingszitting of op een nabijgelegen zitting. De gedelegeerd rechter wordt gehoord in zijn verslag. Het verslag kan evenwel ook neergelegd worden in het register uiterlijk twee dagen voor de zitting. Art. XX.48. § 1. Het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie open verklaart, wordt door toedoen van de griffier binnen een termijn van vijf dagen bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel vermeldt: 1° in het geval van een natuurlijke persoon, de naam, de voornamen, de plaats en datum van geboorte, de aard van de voornaamste activiteit alsmede de handelsnaam waaronder die activiteit wordt uitgeoefend, het adres alsmede de plaats van zijn hoofdvestiging en het ondernemingsnummer;in het geval van een rechtspersoon, de naam van de rechtspersoon, de rechtsvorm, de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, de maatschappelijke zetel en het ondernemingsnummer; in het geval van een onderneming als bedoeld in artikel XX.1, § 1, eerste lid, c), de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, in voorkomend geval het ondernemingsnummer en de zetel van de activiteit en de identificatiegegevens van de gemachtigde, in voorkomend geval; 2° de datum van het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent en de rechtbank die het heeft gewezen; 3° de naam en de voornaam van de gedelegeerd rechter en, in voorkomend geval, van de krachtens de artikelen XX.30 en XX.31 aangestelde gerechtsmandatarissen, met het elektronisch adres waarop de elektronische mededelingen aan de gedelegeerd rechter moeten worden gericht en met het elektronisch adres van de gerechtsmandataris; 4° het doel of de doelstellingen van de procedure, de einddatum van de opschorting en, in voorkomend geval, de plaats, dag en uur bepaald om uitspraak te doen over een verlenging ervan;5° in voorkomend geval, en indien de rechtbank ze reeds kan vaststellen, de voor de stemming en de beslissing over het reorganisatieplan vastgestelde plaats, dag en uur. § 2. Indien het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent, betrekking heeft op een onderneming bedoeld in artikel I.1.14°, geeft de griffier hiervan kennis aan de Orde of Instituut waartoe de onderneming/schuldenaar behoort. Art. XX.49. § 1. Indien de procedure van gerechtelijke reorganisatie strekt tot een collectief akkoord of een overdracht onder gerechtelijk gezag, stelt de schuldenaar de schuldeisers individueel in kennis van de gegevens vermeld in artikel XX.48 binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag waarop het vonnis is uitgesproken. Bovendien voegt hij bij die mededeling de in artikel XX.41, § 2, 7°, bedoelde lijst van schuldeisers alsook het bedrag van hun schuldvordering, de bijzondere vermelding van de hoedanigheid van buitengewone schuldeiser in de opschorting en van de bezwaarde goederen. De in deze paragraaf bedoelde mededeling wordt elektronisch gedaan, tenzij de schuldeiser geen elektronisch bericht kan ontvangen. De elektronische mededeling bevat de mogelijkheid gegeven aan de bestemmeling om de juistheid te bevestigen. In geval de schuldeiser geen elektronisch bericht kan ontvangen, stelt de schuldenaar de schuldeiser daarvan in kennis met een aangetekende brief met ontvangstbewijs en voegt hij het bewijs van de verzending bij het dossier van de gerechtelijke reorganisatie. Het bericht aan de schuldeiser vermeldt dat de schuldeiser zowel elektronisch als op materiële drager de juistheid kan bevestigen van het bericht. De schuldenaar plaatst een kopie van zijn mededelingen in het register, of levert, in voorkomend geval, aan de griffier een kopie op een materiële drager om ze op te nemen in het in artikel XX.41 bedoelde dossier. De Koning kan bepalen welke gegevens in de mededeling moeten opgenomen worden. § 2. Elke schuldeiser in de opschorting die het bedrag of de hoedanigheid van een opgenomen schuldvordering op de lijst bedoeld in artikel XX.41, § 2, 7°, betwist, kan, in geval van voortdurende onenigheid met de schuldenaar, met een tegensprekelijk verzoekschrift de betwisting voor de rechtbank brengen die de procedure van gerechtelijke reorganisatie heeft geopend. Elke schuldvordering in de opschorting gebracht op de lijst bedoeld in artikel XX.41, § 2, 7°, in voorkomend geval gewijzigd met toepassing van artikel XX.68, kan op dezelfde wijze door elke belanghebbende worden betwist. De vordering wordt gericht tegen de schuldenaar en de schuldeiser in de opschorting van wie de vordering betwist wordt. De rechtbank oordeelt op verslag van de gedelegeerd rechter, na de derde belanghebbende, de betwiste schuldeiser in de opschorting en de schuldenaar te hebben gehoord. De schuldeiser legt zijn verzoekschrift neer in het register. De griffier geeft hiervan kennis aan de schuldenaar en in voorkomend geval aan de betrokken schuldeisers of aan de tussenkomende partij via het register. De schuldenaar legt de aldus gewijzigde schuldeiserslijst in het register neer. Van het vonnis wordt bij gerechtsbrief kennis gegeven aan de verzoeker, aan de schuldenaar en aan eventuele tussenkomende partijen. Afdeling 6. - Gevolgen van de beslissing tot reorganisatie Art. XX.50. Tijdens de duur van de opschorting kan voor schuldvorderingen in de opschorting geen enkel middel van tenuitvoerlegging op de roerende of onroerende goederen van de schuldenaar worden voortgezet of aangewend. Tijdens dezelfde periode kan de schuldenaar niet worden failliet verklaard behoudens op aangifte van de schuldenaar zelf en, indien de schuldenaar een rechtspersoon is, kan deze niet gerechtelijk worden ontbonden. Art. XX.51. § 1. Tijdens de opschorting kan voor schuldvorderingen in de opschorting geen enkel beslag worden gelegd, onverminderd het recht van de schuldeiser om een wettelijke of conventionele zekerheid te vestigen. Op dergelijke zekerheden is artikel XX.111, 3°, niet van toepassing. De reeds eerder gelegde beslagen behouden hun bewarend karakter, maar de rechtbank kan, naar gelang van de omstandigheden, er handlichting gegeven wordt na de gedelegeerde rechter gehoord te hebben in zijn verslag en na de schuldeiser en de schuldenaar gehoord te hebben, in zoverre de handlichting geen beduidend nadeel veroorzaakt aan de schuldeiser. Het verzoek tot handlichting wordt ingeleid bij verzoekschrift. § 2. Indien de dag die vastgesteld is om over te gaan tot de gedwongen verkoop van roerende goederen afloopt binnen een termijn van twee maanden na het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, en indien de schuldenaar, in voorkomend geval, geen gebruik gemaakt heeft van het recht tot schorsing in toepassing van artikel XX.44, § 2, of indien zijn verzoek werd verworpen, kunnen de werkzaamheden van verkoop op beslag worden verdergezet, ondanks het vonnis tot opening van gerechtelijke reorganisatie. De schuldenaar die geen gebruik gemaakt heeft van het recht tot schorsing in toepassing van artikel XX.44, § 2, kan alsnog aan de rechtbank vragen de schorsing uit te spreken na de gedelegeerd rechter te hebben gehoord in zijn verslag, en de schuldenaar. Het verzoek tot schorsing van de verkoop heeft geen schorsende werking. Indien de schorsing van de verkoop is uitgesproken, zullen de kosten voortgebracht uit deze schorsing ten laste zijn van de verzoeker. De termijnen worden berekend overeenkomstig de artikelen 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. § 3. Indien de dag die vastgesteld werd om over te gaan tot de gedwongen verkoop van onroerende goederen afloopt binnen een termijn van twee maanden na het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, en indien de schuldenaar geen gebruik gemaakt heeft van het recht tot schorsing in toepassing van artikel XX.44, § 2, of indien zijn verzoek werd verworpen, kunnen de werkzaamheden van verkoop op beslag worden verdergezet, ondanks het vonnis tot opening van de gerechtelijke reorganisatie. De termijnen worden berekend overeenkomstig artikelen 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Alleszins zal de notaris de verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen indien de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: 1° de rechtbank spreekt de schorsing van de gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te hebben gehoord in zijn verslag, evenals de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers en de schuldenaar.Het verzoek tot schorsing van de verkoop heeft geen schorsend effect. De werkelijke kosten waaraan de notaris werd blootgesteld in het kader van de gedwongen verkoop, tussen zijn aanstelling en het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de schuldenaar; 2° een met deze kosten overeenstemmend bedrag wordt overgemaakt op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder;3° De gerechtsdeurwaarder stelt de notaris onmiddellijk in kennis hiervan per exploot; Deze voorwaarden dienen ten minste drie werkdagen voor de dag die werd vastgesteld om over te gaan tot de gedwongen verkoop, te worden vervuld. De gerechtsdeurwaarder maakt het overgeschreven bedrag over in handen van de notaris binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de ontvangst ervan. Dit bedrag zal bestemd zijn voor de betaling van de kosten van deze laatste. § 4. In geval van beslag lastens verscheidene schuldenaren van wie een van hun een verzoek tot gerechtelijke reorganisatie heeft ingediend, wordt de gedwongen verkoop van roerende en onroerende goederen voortgezet overeenkomstig de regels van het roerend of onroerend beslag afhankelijke van het geval, zonder afbreuk te doen aan paragrafen 2 en 3. In geval van verkoop op uitvoerend onroerend beslag maakt de notaris in voorkomend geval, na betaling van de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, het saldo over van het deel van de verkoopprijs dat toekomt aan de schuldenaar, aan deze laatste of aan de gerechtsmandataris in geval van opening van een procedure door overdracht onder gerechtelijk gezag. Deze betaling is bevrijdend evenals de betaling gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641 van het Gerechtelijk Wetboek. § 5. In ieder geval dient de schuldenaar onmiddellijk de notaris of de gerechtsdeurwaarder belast met de verkoop van het goed schriftelijk in kennis te stellen van de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel XX.41. Indien een verzoek tot schorsing van de verkoop werd ingesteld door middel van dit verzoekschrift, dient de schuldenaar gelijktijdig de notaris hiervan in kennis te stellen. Art. XX.52. De opschorting heeft geen weerslag op het pand dat specifiek betrekking heeft op schuldvorderingen. Een pand op een handelsfonds, op een landbouwexploitatie of op een algemeenheid van goederen dat schuldvorderingen omvat, is geen pand dat specifiek betrekking heeft op schuldvorderingen. Art. XX.53. De opschorting staat de vrijwillige betaling door de schuldenaar van schuldvorderingen in de opschorting niet in de weg in zoverre die betaling vereist is voor de continuïteit van de onderneming. De artikelen XX.111, 2°, en XX.112 zijn niet toepasselijk op de betalingen die tijdens de periode van opschorting worden gedaan. De schuldvorderingen in de opschorting worden niet in aanmerking genomen in de regelgeving op de overheidsopdrachten om te bepalen of de schuldenaar al dan niet de nadere regels inzake de terugbetaling van de desbetreffende schulden naleeft. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of het bestuur van de belastingen maakt geen gewag van die schulden in de attesten die ze afleveren. De in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering wordt niet verhinderd door het vonnis dat de gerechtelijke reorganisatie van de aannemer open verklaart en evenmin door latere beslissingen die door de rechtbank zijn gewezen tijdens de gerechtelijke reorganisatie of met toepassing van artikel XX.84, § 2. Art. XX.54. § 1. De opschorting komt ten goede aan de echtgenoot, gewezen echtgenoot, wettelijk samenwonende of gewezen wettelijk samenwonende van de schuldenaar, die persoonlijk medeverbonden zijn voor de contractuele schulden van de schuldenaar die verbonden zijn met diens beroepsactiviteit. De opschorting komt hen niet ten goede voor persoonlijke of gemeenschappelijke schulden volgend uit overeenkomsten door hen gesloten, ongeacht of die overeenkomsten alleen of samen met de schuldenaar werden gesloten, en die vreemd zijn aan de beroepsactiviteit van de schuldenaar. Deze bescherming kan de wettelijk samenwonende van wie de verklaring van wettelijke samenwoning werd afgelegd in de zes maanden vóór het indienen van het in artikel XX.41, § 1, bedoelde verzoekschrift tot het instellen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, niet tot voordeel strekken. § 2. Onverminderd de toepassing van de artikelen 2043bis tot 2043octies van het Burgerlijk Wetboek, strekt de opschorting niet tot voordeel van de medeschuldenaars en de stellers van persoonlijke zekerheden. § 3. Vanaf het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie open verklaart, kan de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld voor de schuldenaar, vragen dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat het bedrag van de persoonlijke zekerheid kennelijk niet evenredig is met de mogelijkheid, op het ogenblik waarop de opschorting wordt toegekend, die hij heeft de schuld terug te betalen, waarbij die mogelijkheid moet worden beoordeeld zowel ten aanzien van zijn roerende en onroerende goederen als ten aanzien van zijn inkomsten. Daartoe vermeldt de verzoeker in zijn verzoekschrift: 1° zijn identiteit, beroep en woonplaats;2° de identiteit en woonplaats van de titularis van de vordering waarvan de betaling gewaarborgd is door de zekerheidsteller;3° de verklaring dat zijn verbintenis niet in verhouding is, bij het openen van de procedure, met zijn inkomsten en vermogen;4° de kopie van zijn laatste aangifte en het laatste aanslagbiljet in de personenbelasting;5° het overzicht van alle activa en passiva die zijn patrimonium vormen;6° de stukken die de verbintenis houdende de kosteloze zekerheidstelling en de omvang ervan staven;7° elk ander stuk dat van aard is om precies de staat weer te geven van zijn bestaansmiddelen en lasten. Het verzoekschrift wordt neergelegd in het dossier van de gerechtelijke reorganisatie. De partijen worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De oproeping vermeldt dat het verzoekschrift en de bijkomende documenten in het register kunnen worden geraadpleegd. De neerlegging van het verzoekschrift schort de middelen van tenuitvoerlegging op. § 4. Indien de rechtbank de vraag inwilligt, kan de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld voor de schuldenaar, het voordeel van de opschorting genieten en in voorkomend geval, de gevolgen van het minnelijk akkoord, het collectief akkoord en de schuldkwijtschelding bedoeld in artikel XX.96. § 5. Het vonnis dat de vordering toekent wordt door toedoen van de griffier in het register neergelegd en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. XX.55. Schuldvergelijking tussen schuldvorderingen in de opschorting en schulden ontstaan tijdens de opschorting is enkel toegestaan indien deze verknocht zijn. Art. XX.56. § 1. Niettegenstaande enige andersluidende contractuele bepaling maakt de aanvraag of opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie geen einde aan de lopende overeenkomsten noch aan de modaliteiten van hun uitvoering. De contractuele wanprestatie van de schuldenaar voorafgaand aan de toekenning van de opschorting maakt voor de schuldeiser geen grond uit voor de beëindiging van de overeenkomst, in zoverre de schuldenaar deze wanprestatie ongedaan maakt door de overeenkomst uit te voeren binnen een termijn van vijftien dagen na hiervoor in gebreke te zijn gesteld door de schuldeiser in de opschorting, na de toekenning van de opschorting. § 2. Vanaf de opening van de procedure kan de schuldenaar evenwel eenzijdig beslissen de uitvoering van zijn contractuele verplichtingen op te schorten voor de duur van de opschorting met een mededeling aan de medecontractant overeenkomstig artikel XX.49, § 1, wanneer de reorganisatie van de onderneming zulks noodzakelijkerwijs vereist. De schuldvordering voor de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens die opschorting, is onderworpen aan de opschorting. Het recht van de schuldenaar om de uitvoering van zijn contractuele verplichtingen eenzijdig op te schorten, is niet van toepassing op de arbeidsovereenkomsten. Ingeval de schuldenaar dat recht uitoefent, kan de medecontractant de uitvoering van zijn eigen contractuele verplichtingen opschorten. Hij kan evenwel geen einde maken aan de overeenkomst enkel en alleen op grond van de eenzijdige opschorting van de uitvoering ervan door de schuldenaar. § 3. De strafbedingen, met inbegrip van bedingen tot verhoging van de rentevoet, die ertoe strekken op forfaitaire wijze de potentiële schade te dekken geleden door het niet nakomen van de hoofdverbintenis, blijven zonder gevolg tijdens de periode van opschorting en tot de integrale uitvoering van het reorganisatieplan ten aanzien van de in het plan opgenomen schuldeisers. De schuldeiser kan evenwel de werkelijke door de niet-naleving van de hoofdverbintenis geleden schade opnemen in zijn schuldvordering in de opschorting. Art. XX.57. Een schuldvordering die voortvloeit uit lopende overeenkomsten met opeenvolgende prestaties, met inbegrip van de contractueel verschuldigde rente, is niet onderworpen aan de opschorting in de mate dat zij betrekking heeft op prestaties verricht nadat de procedure open is verklaard. Art. XX.58. In de mate dat de schuldvorderingen ten aanzien van de schuldenaar beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie door zijn medecontractant, en ongeacht of zij voortvloeien uit nieuwe verbintenissen van de schuldenaar of uit overeenkomsten die lopen op het ogenblik van het openen van de procedure, worden zij beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement of in de verdeling bedoeld in artikel XX.91 bij overdracht onder gerechtelijk gezag, voor zover er een nauwe band bestaat tussen de beëindiging van de gerechtelijke reorganisatieprocedure en die procedure. Fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden in hoofdsom ook worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als beantwoordend aan prestaties uitgevoerd door een medecontractant. De accessoria van fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie worden niet beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement. In voorkomend geval worden de contractuele, wettelijke of gerechtelijke vergoedingen, waarvan de schuldeiser de betaling eist op grond van de beëindiging of niet-uitvoering van de overeenkomst, pro rata opgedeeld in verhouding tot het verband dat zij vertonen met de aan het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie voorafgaande of erop volgende periode. De betaling ervan wordt slechts afgenomen bij voorrang van de opbrengst van de tegelde gemaakte goederen waarop een zakelijk recht is gevestigd, voor zover die prestaties bijgedragen hebben tot het behoud van de zekerheid of de eigendom. Afdeling 7. - Verlenging van de opschorting Art. XX.59. § 1. Op verzoek van de schuldenaar of van de gerechtsmandataris in het geval van een procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag bedoeld in artikel XX.84 kan de rechtbank de overeenkomstig artikel XX.46, § 2, of overeenkomstig dit artikel verleende opschorting verlengen voor de duur die de rechtbank bepaalt. De rechtbank oordeelt op verslag van de gedelegeerd rechter. Deze laatste legt zijn verslag in het register neer uiterlijk twee werkdagen voor de zitting. De maximale duur van de verlengde opschorting bedraagt niet meer dan twaalf maanden vanaf het vonnis dat de opschorting toestaat. Op straffe van onontvankelijkheid, dient het verzoekschrift uiterlijk vijftien dagen voor het einde van de toegekende termijn te worden neergelegd. § 2. In buitengewone omstandigheden en wanneer het belang van de schuldeisers dit toelaat, kan deze termijn echter worden verlengd met maximaal zes maanden. Buitengewone omstandigheden in de zin van deze bepaling zijn in het bijzonder de grootte van de onderneming, de complexiteit van de zaak of de hoegrootheid van het behoud van de werkgelegenheid. § 3. Tegen de beslissingen gewezen op grond van dit artikel is geen verzet of hoger beroep toegelaten. § 4. Het vonnis dat de verlenging toestaat, wordt door toedoen van de griffier binnen een termijn van vijf dagen na de dagtekening ervan bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. Afdeling 8. - Wijziging van het doel van de procedure Art. XX.60. Op elk ogenblik tijdens de opschorting kan de schuldenaar aan de rechtbank de wijziging vragen van het doel van de procedure, onverminderd artikel XX.39. Het vonnis waarbij de rechtbank de aanvraag inwilligt, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en er wordt kennis van gegeven overeenkomstig artikel XX.49, § 1. Van het vonnis dat het verzoek verwerpt, wordt kennis gegeven aan de schuldenaar. Afdeling 9. - Voortijdige beëindiging en sluiting van de procedure Art. XX.61. De schuldenaar kan op elk ogenblik tijdens de procedure geheel of gedeeltelijk verzaken aan zijn vordering tot gerechtelijke reorganisatie. Op verzoek van de schuldenaar en na het verslag van de gedelegeerd rechter gehoord te hebben, beëindigt de rechtbank de procedure geheel of gedeeltelijk. De schuldenaar kan aan de rechtbank vragen om in het vonnis elk akkoord te noteren dat hij gesloten heeft met de betrokken schuldeisers op het eind van de procedure. Het vonnis wordt bekendgemaakt overeenkomstig de nadere regels bepaald bij artikel XX.48. Art. XX.62. § 1. Wanneer de schuldenaar kennelijk niet meer in staat is de continuïteit van het geheel of een gedeelte van zijn activa of van zijn activiteiten te verzekeren overeenkomstig het doel van de procedure of wanneer de informatie die aan de gedelegeerd rechter, aan de rechtbank of aan de schuldeisers is verstrekt bij de neerlegging van het verzoekschrift of later kennelijk onvolledig of onjuist is, kan de rechtbank de voortijdige beëindiging van de procedure van gerechtelijke reorganisatie bevelen bij een vonnis dat de procedure afsluit. § 2. De rechtbank doet uitspraak op verzoekschrift van de schuldenaar, op dagvaarding van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende, gericht tegen de schuldenaar, na het verslag van de gedelegeerd rechter en het advies of de vorderingen van het openbaar ministerie te hebben gehoord. In dat geval kan de rechtbank in hetzelfde vonnis het faillissement van de schuldenaar uitspreken of, indien de schuldenaar een rechtspersoon is, de gerechtelijke vereffening uitspreken, wanneer zulks gevraagd is in het verzoek en aan de voorwaarden hiertoe wordt voldaan. § 3. Wanneer de gedelegeerd rechter van oordeel is dat de voortijdige beëindiging van de procedure van gerechtelijke reorganisatie verantwoord is in het licht van paragraaf 1, stelt hij een verslag op dat hij in het register neerlegt en aan het openbaar ministerie mededeelt. De schuldenaar wordt bij gerechtsbrief opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen binnen acht dagen na het plaatsen van het verslag in het register. In de gerechtsbrief wordt vermeld dat het verslag in het register is neergelegd, dat de schuldenaar ter terechtzitting zal worden gehoord en dat het openbaar ministerie daar de beëindiging van de procedure van gerechtelijke reorganisatie kan vorderen. Ter terechtzitting wordt de schuldenaar gehoord en kan het openbaar ministerie, waarvan het advies wordt gehoord, in voorkomend geval de voortijdige beëindiging van de procedure vorderen. § 4. Het vonnis wordt bekendgemaakt overeenkomstig de bij artikel XX.48, bepaalde nadere regels en er wordt kennis van gegeven aan de schuldenaar per gerechtsbrief. Art. XX.63. Vanaf het ogenblik van de uitspraak van het vonnis dat de voortijdige beëindiging van de procedure van gerechtelijke reorganisatie beveelt of dat ze afsluit, eindigt de opschorting en oefenen de schuldeisers opnieuw volledig hun rechten en vorderingen uit. Hetzelfde gebeurt wanneer de opschorting verstrijkt zonder verlengd te zijn met toepassing van artikel XX.59 of XX.85, derde lid. HOOFDSTUK 2. - Gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord Art. XX.64. De procedure van het minnelijk akkoord strekt tot het afsluiten van een akkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers of ten minste twee schuldeisers met het oog op de gezondmaking van de financiële toestand of de reorganisatie van zijn onderneming. Art. XX.65. § 1. Wanneer de procedure van gerechtelijke reorganisatie strekt tot het afsluiten van een of meerdere minnelijke akkoorden, streeft de schuldenaar dit doel na onder het toezicht van de gedelegeerd rechter en, in voorkomend geval, met de hulp van de ondernemingsbemiddelaar of van de, met toepassing van artikel XX.31 aangestelde, gerechtsmandataris. § 2. De artikelen 1328 van het Burgerlijk Wetboek, XX.111, 2° en 3°, en XX.112 zijn niet toepasselijk op een minnelijk akkoord noch op de handelingen verricht ter uitvoering ervan. § 3. Indien een minnelijk akkoord bereikt wordt, homologeert de rechtbank dit akkoord, oordelend op tegensprekelijk verzoekschrift van de schuldenaar en op verslag van de gedelegeerd rechter, verklaart het uitvoerbaar en sluit de procedure. In voorkomend geval kan de rechtbank, op tegensprekelijk verzoekschrift van de schuldenaar gematigde termijnen verlenen zoals bedoeld in artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek. § 4. De beslissing inzake homologatie of toekenning van gematigde termijnen kan de opdracht verlengen van de ondernemingsbemiddelaar of van de gerechtsmandataris aangewezen overeenkomstig artikel XX.31 om de uitvoering van het minnelijk akkoord of van de verplichtingen van de schuldenaar te vergemakkelijken. § 5. Die beslissingen worden bekendgemaakt volgens de nadere regels bedoeld in artikel XX.48. § 6. Bij een navolgende samenloop van schuldeisers geniet de eventuele kostprijs de wettelijke formaliteiten inzake tegenwerpbaarheid aan derden van de door het minnelijk akkoord verleende rechten het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1°, van de hypotheekwet van 16 december 1851. Wanneer de voorzitter van de rechtbank het einde van de opdracht van de ondernemingsbemiddelaar of van de gerechtsmandataris aangewezen overeenkomstig artikel XX.31 vaststelt, stelt hij zijn staat van kosten en ereloon vast. Bij een navolgende samenloop van schuldeisers geniet de schuldvordering op grond daarvan het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1°, van de hypotheekwet van 16 december 1851. § 7. Dit artikel geldt onverminderd de verplichtingen de werknemers of hun vertegenwoordigers te raadplegen en in te lichten overeenkomstig de bestaande wettelijke of conventionele bepalingen. § 8. De schuldeisers die partij zijn bij een minnelijk akkoord kunnen niet aansprakelijk worden gesteld door de schuldenaar, door een andere schuldeiser of door derden enkel en alleen omdat dat minnelijk akkoord de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten niet daadwerkelijk mogelijk heeft gemaakt. Art. XX.66. De gevolgen van het minnelijk akkoord komen ten goede aan de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld voor de schuldenaar en wiens verzoek, bedoeld in artikel XX.54, § 3, werd ingewilligd. HOOFDSTUK 3. - Gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord Art. XX.67. De procedure van het collectief akkoord heeft het doel een akkoord van de schuldeisers te verkrijgen over een reorganisatieplan. Art. XX.68. § 1. De schuldeiser in de opschorting of elke derde belanghebbende die het bedrag of de hoedanigheid van zijn schuldvordering betwist met toepassing van artikel XX.49, § 2, dient het verzoekschrift in uiterlijk een maand voor de in artikel XX.78 bedoelde zitting. De rechtbank beslist, uiterlijk vijftien dagen voor dezelfde zitting op verslag van de gedelegeerd rechter, over het bedrag of de hoedanigheid van de schuldvordering. De griffie geeft kennis van de beslissing aan de schuldeiser en aan de schuldenaar via het register. § 2. Indien geen enkele betwisting werd gebracht voor de rechtbank uiterlijk een maand voor de in artikel XX.78 bedoelde rechtszitting kan de betrokken schuldeiser, onverminderd de toepassing van artikel XX.69, enkel stemmen en in het plan worden opgenomen voor het bedrag voorgesteld door de schuldenaar in de in artikel XX.49 bedoelde mededeling. Art. XX.69. Indien de betwisting niet tot haar bevoegdheid behoort, bepaalt de rechtbank het bedrag of de hoedanigheid waarvoor de schuldvordering voorlopig zal aanvaard worden in de werkzaamheden van de gerechtelijke reorganisatie en verwijst de partijen naar de bevoegde rechtbank opdat die ten gronde oordeelt. Hetzelfde geldt indien de betwisting tot haar bevoegdheid behoort maar de beslissing over de betwisting niet binnen een voldoende korte termijn zou kunnen worden genomen. Op verslag van de gedelegeerd rechter kan de rechtbank op elk ogenblik, in geval van volstrekte noodzakelijkheid en op eenzijdig verzoekschrift van de schuldenaar of een schuldeiser, de beslissing tot vaststelling van het bedrag of de hoedanigheid van de schuldvordering in de opschorting wijzigen op basis van nieuwe elementen. Tegen het vonnis dat het voorlopig aanvaarde bedrag of de hoedanigheid van de schuldvordering bepaalt, staat geen enkel rechtsmiddel open. Art. XX.70. § 1. Tijdens de opschorting werkt de schuldenaar een plan uit samengesteld uit een beschrijvend en een bepalend gedeelte. In voorkomend geval staat de gerechtsmandataris of de ondernemingsbemiddelaar aangesteld door de rechtbank met toepassing van de artikelen XX.31 of XX.36 de schuldenaar bij om het plan op te stellen. § 2. Het beschrijvend gedeelte van het plan beschrijft de staat van de onderneming, de moeilijkheden die ze ondervindt en de middelen waarmede zij deze wil verhelpen. Het omschrijft nader hoe de schuldenaar de rendabiliteit van de onderneming zal herstellen. § 3. Het bepalend gedeelte van het plan bevat de maatregelen om de schuldeisers in de opschorting opgenomen op de lijst bedoeld in de artikelen XX.41, § 2, 7°, en XX.77, te voldoen. Art. XX.71. Het reorganisatieplan beschrijft nauwkeurig de rechten van alle personen die titularis zijn van schuldvorderingen in de opschorting en van de wijziging van de rechten ten gevolge van de stemming en de homologatie van het reorganisatieplan. Art. XX.72. Het plan vermeldt de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting, in kapitaal en interest, verhogingen, boeten en kosten. Het kan behalve wat schuldvorderingen van de entiteiten bedoeld in artikel XX.1, § 1, tweede lid, c), betreft, in de omzetting van schuldvorderingen in aandelen voorzien. Het kan ook voorzien in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvordering onder meer op grond van de omvang of de aard ervan. Het plan kan eveneens in een maatregel voorzien voor de verzaking aan de interest, verhogingen, boeten en kosten of de herschikking van de betaling ervan, alsook in de prioritaire aanrekening van betalingen op de hoofdsom van de schuldvordering. Het plan vermeldt welke schuldvorderingen nog betwist zijn met toepassing van de artikelen XX.49 of XX.68, ten einde belanghebbenden in te lichten over de omvang en hun grondslag. Het plan kan ook de gevolgen evalueren die de goedkeuring van het plan zou meebrengen voor de betrokken schuldeisers. Het kan ook bepalen dat geen schuldvergelijking mogelijk zal zijn tussen de schuldvorderingen in de opschorting en de schulden van de schuldeiser-titularis die zijn ontstaan na de homologatie. Een dergelijk voorstel kan niet gedaan worden met betrekking tot samenhangende vorderingen. Wanneer de continuïteit van de onderneming een vermindering van de loonmassa vereist, wordt in een sociaal luik van het reorganisatieplan voorzien, voor zover over een dergelijk plan niet eerder was onderhandeld. In voorkomend geval kan het in ontslagen voorzien. Bij de uitwerking van dit plan worden de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad, of, indien er geen is, in het comité voor preventie en bescherming op het werk, of, indien er geen is, de vakbondsafvaardiging of, indien er geen is, een werknemersafvaardiging gehoord. Art. XX.73. De voorstellen bevatten voor alle schuldeisers een betalingsvoorstel dat niet minder dan 20 procent van het bedrag van de schuldvordering in hoofdsom mag bedragen. Als het plan in een gedifferentieerde behandeling van de schuldeisers voorziet, mag de behandeling van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten, niet minder gunstig zijn dan die welke de best behandelde gewone schuldeisers in de opschorting genieten. Overeenkomstig het derde lid en met een strikte motivering kan in een lager percentage worden voorzien. Het plan kan voor de hierboven vermelde schuldeisers of categorieën van schuldeisers, lagere percentages voorstellen op basis van dwingende en met redenen omklede vereisten die verband houden met de continuïteit van de onderneming. Het reorganisatieplan kan niet voorzien in: - een vermindering of kwijtschelding van schuldvorderingen in de opschorting ontstaan uit arbeidsprestaties met uitsluiting van de fiscale of sociale bijdragen of schulden; - een vermindering van de onderhoudsschulden, noch van de schulden die voor de schuldenaar voortvloeien uit de verplichting tot herstel van de door zijn schuld veroorzaakte schade die verbonden is aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon; - een vermindering of kwijtschelding van strafrechtelijke boeten. Art. XX.74. Onverminderd de betaling van de interest die hen conventioneel of wettelijk op hun schuldvorderingen verschuldigd is, kan het plan in de opschorting voorzien van de uitoefening van de bestaande rechten van de buitengewone schuldeisers in de opschorting, voor een duur die vierentwintig maanden niet mag overschrijden vanaf het vonnis van homologatie bedoeld in artikel XX.79. Het plan kan onder dezelfde voorwaarden in een buitengewone verlenging van die opschorting voorzien voor een termijn van maximum twaalf maanden. In dit geval bepaalt het plan dat bij het verstrijken van de eerste termijn die voor de opschorting is bepaald, de schuldenaar aan de rechtbank, nadat zijn schuldeiser is gehoord, het bewijs moet leveren dat de financiële toestand en verwachte inkomsten van de onderneming na het verstrijken van deze periode de integrale terugbetaling van de betrokken buitengewone schuldeisers in de opschorting redelijkerwijze mogelijk maken, en dat bij ontstentenis van dit bewijs de rechtbank beveelt dat een einde wordt gemaakt aan die opschorting. Behoudens hun individuele toestemming of een minnelijk akkoord gesloten overeenkomstig artikel XX.37 of XX.65, waarvan een kopie is gevoegd bij het plan op het ogenblik van de neerlegging in het register, mag het plan geen enkele andere maatregel bevatten die de rechten van die schuldeisers aantast. Art. XX.75. Het reorganisatieplan kan voorzien in de vrijwillige overdracht van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten. Art. XX.76. De uitvoeringstermijn van het plan mag niet langer zijn dan vijf jaar, te rekenen van de homologatie ervan. Art. XX.77. De schuldenaar legt minstens twintig dagen voor de rechtszitting bepaald in het vonnis bedoeld in artikel XX.48 in het register, het plan neer bedoeld in artikel XX.70 alsook de lijst van de schuldeisers, desgevallend aangepast met toepassing van de artikelen XX.49 of XX.68, met vermelding van de lopende betwistingen van schuldvorderingen of aangepast om rekening te houden met de eventuele verrichte betalingen met toepassing van artikel XX.53, eerstej lid. Zodra het plan in het register geplaatst is, ontvangen de schuldeisers in de opschorting, opgenomen op de lijst van de schuldeisers door toedoen van de griffier, een bericht, dat vermeldt: - dat dit plan onderzocht wordt en dat zij het kunnen raadplegen in het register; - de plaats, datum en uur waarop de zitting zal plaatsvinden waarop zal overgegaan worden tot de stemming over dit plan, en die zal gehouden worden ten minste vijftien dagen na dit bericht; - dat zij op de zitting, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, hun opmerkingen met betrekking tot het voorgestelde plan zullen kunnen formuleren; - dat enkel de schuldeisers in de opschorting op wier rechten het plan een weerslag heeft, aan de stemming kunnen deelnemen. De gedelegeerd rechter kan beslissen dat de medeschuldenaars, de borgen en de andere persoonlijke zekerheidstellers deze mededeling ook zullen ontvangen en dat zij op dezelfde wijze hun opmerkingen kunnen laten gelden. De schuldenaar informeert de vertegenwoordigers van de werknemers, bedoeld in artikel XX.72, laatste lid, over de inhoud van dit plan met inbegrip van de rechten van de buitengewone schuldeisers die werden gewijzigd met toepassing van artikel XX.73. Art. XX.78. Op de dag gemeld aan de schuldeisers overeenkomstig artikel XX.77, hoort de rechtbank het verslag van de gedelegeerd rechter dat deze uiterlijk twee werkdagen vooraf neerlegt in het register, en de middelen van de schuldenaar en de schuldeisers. Het reorganisatieplan wordt geacht goedgekeurd te zijn door de schuldeisers wanneer de meerderheid van hen, vertegenwoordigd door hun schuldvorderingen, de helft van alle in hoofdsom verschuldigde bedragen vertegenwoordigen, voor stemmen. De schuldeiser neemt deel aan de stemming in persoon, per geschreven in het register neergelegde volmacht of via de door hem aangestelde advocaat die zonder bijzondere volmacht kan optreden. De geschreven volmacht moet minstens twee werkdagen voor de rechtszitting bepaald in het vonnis bedoeld in artikel XX.47 in het register zijn neergelegd. Voor de berekening van de meerderheden wordt rekening gehouden met de schuldeisers en de verschuldigde bedragen neergelegd door de schuldenaar overeenkomstig artikel XX.77, alsmede door de schuldeisers wier schuldvorderingen achteraf voorlopig werden toegevoegd in toepassing van de artikelen XX.68 en XX.69. Met de schuldeisers die niet aan de stemming deelnamen en hun schuldvorderingen wordt geen rekening gehouden bij het berekenen van de meerderheden. Art. XX.79. § 1. Binnen vijftien dagen na de zitting, en in elk geval vóór de vervaldag van de met toepassing van de artikelen XX.48 en XX.59 bepaalde opschorting, beslist de rechtbank of zij al dan niet het reorganisatieplan homologeert. § 2. Indien de rechtbank oordeelt dat de pleegvormen niet werden nageleefd of dat het plan de openbare orde schendt, mag zij bij een met redenen omklede beslissing en vooraleer recht te doen, aan de schuldenaar toestaan een aangepast reorganisatieplan aan de schuldeisers voor te leggen volgens de pleegvormen van artikel XX.77. De rechtbank vermeldt in een enkele beslissing alle bezwaren die zij meent te moeten opwerpen ten aanzien van het voorgelegde reorganisatieplan. In dit geval beslist zij dat de periode van opschorting wordt verlengd, zonder dat de bij artikel XX.59 bepaalde maximumtermijn echter kan worden overschreden. Zij stelt ook de datum vast van de zitting waarop zal overgegaan worden tot de stemming over het plan. Tegen de op grond van deze paragraaf gewezen beslissingen kan slechts hoger beroep of verzet worden ingesteld samen met het eindvonnis over de homologatie. § 3. De homologatie kan slechts geweigerd worden in geval van niet-naleving van de pleegvormen die door deze wet worden opgelegd of wegens schending van de openbare orde. Ze kan niet aan enige voorwaarde onderworpen worden die niet in het reorganisatieplan vervat is noch er enige wijziging in aanbrengen. § 4. Onder voorbehoud van de betwistingen die voortvloeien uit de uitvoering van het reorganisatieplan, sluit het vonnis dat oordeelt over de homologatie, de reorganisatieprocedure af. Het wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, door toedoen van de griffier. Art. XX.80. De rechtbank oordeelt over de homologatie niettegenstaande elke vervolging die is ingesteld tegen de schuldenaar of zijn bestuurders. Art. XX.81. Tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie staat geen verzet open. Hoger beroep kan worden ingesteld door de schuldenaar, indien de homologatie wordt geweigerd, en door de partijen die tijdens de procedure in het geding bij verzoekschrift zijn tussengekomen, indien de homologatie wordt toegekend. Het door een schuldeiser ingestelde hoger beroep is gericht tegen alle partijen die in het geding zijn tussengekomen alsook tegen de schuldenaar. Het hoger beroep wordt ingesteld bij verzoekschrift dat op de griffie van het hof van beroep wordt neergelegd binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het vonnis. Het kan worden ingesteld zelfs voor de bekendmaking van de beslissing over de homologatie. De zaak wordt behandeld, bij hoogdringendheid, op de inleidingszitting of op een nabijgelegen zitting. De gedelegeerd rechter wordt gehoord in zijn verslag. Het verslag kan evenwel ook schriftelijk worden gedaan en moet dan neergelegd worden in het register uiterlijk twee dagen voor de zitting. De rechter in hoger beroep beschikt over de mogelijkheden geboden in artikel XX.79. De griffier van het hof van beroep geeft bij gerechtsbrief kennis van het verzoekschrift aan de geïntimeerden en, in voorkomend geval, aan hun advocaat, uiterlijk op de eerste werkdag na de neerlegging ervan. Als het vonnis de homologatie verwerpt, schort het hoger beroep de uitspraak op. Art. XX.82. De homologatie van het reorganisatieplan maakt het bindend voor alle schuldeisers in de opschorting. De betwiste, maar na de homologatie gerechtelijk erkende schuldvorderingen in de opschorting, worden betaald op de wijze die is bepaald voor de schuldvorderingen van dezelfde aard. In geen geval kan de uitvoering van het reorganisatieplan geheel of gedeeltelijk opgeschort worden door de met betrekking tot deze betwistingen genomen beslissingen. De schuldvorderingen in de opschorting die niet opgenomen zijn in de in artikel XX.41, § 2, 7°, bedoelde lijst noch in het reorganisatieplan, in voorkomend geval gewijzigd met toepassing van artikel XX.68, en die geen aanleiding hebben gegeven tot betwisting, worden betaald na de volledige uitvoering van het plan, op de wijze die is bepaald voor de schuldvorderingen van dezelfde aard. Indien de schuldeiser echter niet behoorlijk werd ingelicht tijdens de opschorting, wordt hij betaald op de wijze en in de mate die het gehomologeerd plan bepaalt voor gelijkaardige schuldvorderingen. Tenzij het plan uitdrukkelijk anders bepaalt, bevrijdt de volledige uitvoering ervan de schuldenaar geheel en definitief, voor alle schuldvorderingen die erin voorkomen. Artikel XX.111, 2°, is niet van toepassing op de betalingen verricht door de schuldenaar in het kader van de uitvoering van het plan. Onverminderd de artikelen 2043bis tot 2043octies van het Burgerlijk Wetboek en onverminderd de gevolgen van een bijzonder akkoord bedoeld in artikel XX.74, komt het plan de medeschuldenaars en de stellers van persoonlijke zekerheden niet ten goede. Het standpunt van een schuldeiser betreffende het plan, doet geen afbreuk aan de rechten die de schuldeiser kan laten gelden tegen de derde die zekerheid heeft gesteld. De gevolgen van het collectief akkoord komen ten goede aan de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld voor de schuldenaar en wiens verzoek, bedoeld in artikel XX.54, § 3, werd ingewilligd. Art. XX.83. Elke schuldeiser kan, door de dagvaarding van de schuldenaar, de intrekking van het reorganisatieplan vorderen wanneer het niet stipt wordt uitgevoerd, of wanneer hij aantoont dat het niet anders zal kunnen en dat hij er schade door zal lijden. De procureur des Konings kan op dezelfde wijze de intrekking vorderen wanneer hij de niet-uitvoering van het geheel of een gedeelte van het plan vaststelt. De rechtbank oordeelt, na de schuldenaar te hebben gehoord. Het vonnis dat het plan intrekt, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad door toedoen van de griffier. Indien het vonnis betrekking heeft op een beroepsbeoefenaar van een vrij beroep bedoeld in artikel I.1.14°, geeft de griffier hiervan kennis aan de Orde of Instituut waartoe de titularis van een vrij beroep behoort. De faillietverklaring van de schuldenaar leidt van rechtswege tot de intrekking van het reorganisatieplan. De intrekking van het reorganisatieplan ontneemt het elke uitwerking, behoudens wat betreft de reeds uitgevoerde betalingen en verrichtingen, onder meer de reeds verrichte overdracht van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten. De intrekking heeft tot gevolg dat de schuldenaar en de schuldeisers zich in dezelfde toestand bevinden, behalve wat de voornoemde elementen betreft, als er geen gehomologeerd reorganisatieplan zou geweest zijn. De rechtbank kan ambtshalve, vanaf de eerste verjaardag van de homologatiebeslissing, de schuldenaar jaarlijks oproepen om verslag uit te brengen over de uitvoering van het collectief akkoord. De verklaringen van de schuldenaar worden door de griffier opgenomen om gevoegd te worden bij het dossier van de gerechtelijke reorganisatie. Op gemotiveerd verzoek van de schuldenaar, kan de rechtbank bij vonnis vaststellen dat het reorganisatieplan correct werd uitgevoerd, mits bewijs van uitvoering van het reorganisatieplan volgens de voorwaarden of met akkoord van de betrokken schuldeisers in afwijking ervan. HOOFDSTUK 4. - Gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag Art. XX.84. § 1. De overdracht onder gerechtelijk gezag van het geheel of een gedeelte van de activiteiten kan door de rechtbank bevolen worden met het oog op het behoud ervan wanneer de schuldenaar ermee instemt in zijn verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie of later in de loop van de procedure. Als de schuldenaar in de loop van de procedure instemt met een overdracht onder gerechtelijk gezag, worden de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad of, indien er geen is, in het comité voor preventie en bescherming op het werk, of, indien er geen is, de vakbondsafvaardiging, of, indien er geen is, een werknemersafvaardiging gehoord. § 2. Dezelfde overdracht kan op dagvaarding van de procureur des Konings, van een schuldeiser of van eenieder die een belang heeft om het geheel of een gedeelte van de onderneming te verwerven, bevolen worden: 1° wanneer de schuldenaar zich in staat van faillissement bevindt zonder een procedure van gerechtelijke reorganisatie te hebben aangevraagd; 2° wanneer de rechtbank de vordering tot het openen van de procedure met toepassing van artikel XX.46 verwerpt,

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.