Kort samengevat
Deze Spoorcodex regelt de ontwikkeling, vergunningverlening, capaciteitstoewijzing, veiligheid en interoperabiliteit van spoorwegen in België, door Europese richtlijnen om te zetten in nationale wetgeving.
Wat het reguleert
- De ontwikkeling van spoorwegen en de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen.
- De toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van gebruiksrechten.
- De veiligheid op spoorwegen, inclusief de certificering van machinisten en het spoorwegsysteem.
- De interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap.
Wie het betreft
- Spoorwegondernemingen en spoorweginfrastructuurbeheerders.
- Treinbestuurders en ander treinpersoneel dat cruciale taken verricht voor de exploitatieveiligheid.
Kernpunten
- De wet zet diverse Europese richtlijnen om, waaronder die over de ontwikkeling van spoorwegen (Richtlijn 91/440/EEG) en de veiligheid op communautaire spoorwegen (Richtlijn 2004/49/EG).
- De Spoorcodex is niet van toepassing op particuliere spoorweginfrastructuur voor eigen goederenvervoer, functioneel gescheiden spoorwegnetwerken voor lokale diensten, en spoorwegen met een patrimoniaal, museum- en toeristisch karakter.
- Een "ernstig ongeval" is een botsing of ontsporing waarbij ten minste één persoon omkomt, vijf of meer personen ernstig gewond raken, of grote schade (minimaal 2 miljoen euro) ontstaat.
- Een "veiligheidscertificaat" is een document dat bewijst dat een spoorwegonderneming een veiligheidsbeheersysteem heeft en voldoet aan de eisen voor veilige vervoersdiensten.
Wettekst
30 AUGUSTUS 2013. - Wet houdende de Spoorcodex
(1)FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL
- - Algemene bepalingen HOOFDSTUK
- - Algemeen Artikel 1.Deze Spoorcodex regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met uitzondering van titel 7/1 die een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelt. Deze Spoorcodex voorziet in de omzetting van : 1° de Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap;2° de Richtlijn 95/18/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen;3° de Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001, inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;4° de Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;5° de Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen;6° de Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap. Deze Spoorcodex voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte. HOOFDSTUK
- - Toepassingsgebied Art. 2.§
- Deze Spoorcodex is niet van toepassing op : 1° spoorweginfrastructuur in particuliere eigendom en enkel op deze infrastructuur gebruikte voertuigen die uitsluitend door hun eigenaar voor eigen goederenvervoer worden gebruikt;2° spoorwegnetwerken die functioneel gescheiden zijn van de rest van het spoorwegsysteem en uitsluitend bestemd zijn voor de exploitatie van lokale, stedelijke of voorstedelijke diensten voor reizigers- en goederenvervoer;3° spoorwegen met een patrimoniaal, museum- en toeristisch karakter die over hun eigen spoorwegnetwerken beschikken, met inbegrip van de werkplaatsen, de voertuigen en het personeel waarvan de activiteiten beperkt zijn tot deze netwerken en lijnen;4° voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, museum- en toeristische doeleinden en die gebruik maken van het nationale spoorwegnetwerk.Niettemin zijn de regels vastgesteld overeenkomstig de artikelen 27, derde lid, 46, vierde lid, 68 § 2, derde en vijfde lid, en 70, alsmede titel 7 van toepassing op deze voertuigen; 5° met uitzondering van de artikelen 74, 12° en 82, op metro- en tramsystemen en andere systemen voor stadsvervoer en regionaal spoorwegvervoer door middel van light rail of andere spoorgebonden modi, voor zover die systemen geen gebruik maken van het Belgische spoorwegnetwerk. §
- Titel 5 is niet van toepassing op treinbestuurders die uitsluitend tewerkgesteld zijn op baanvakken die tijdelijk gesloten zijn voor het normale verkeer, ten behoeve van het onderhoud, de vernieuwing of de herinrichting van het spoorwegsysteem. HOOFDSTUK
- - Definities Art. 3.Voor de toepassing van deze Codex wordt verstaan onder : 1° « Ongeval » : ongewenste of onbedoelde plotse gebeurtenis of reeks gebeurtenissen met schadelijke gevolgen;ongevallen worden in de volgende categorieën onderverdeeld : botsingen, ontsporingen, ongevallen op spoorwegovergangen, persoonlijke ongevallen veroorzaakt door rollend materieel in beweging, branden en andere ongevallen; 2° « Ernstig ongeval » : botsing of ontsporing van treinen waarbij ten minste één persoon omkomt of vijf of meer personen ernstig gewond raken of grote schade aan het rollend materieel, de infrastructuur of het milieu veroorzaakt, dan wel een soortgelijk ongeval dat duidelijk consequenties heeft voor de regelgeving op het gebied van de veiligheid op het spoor of het veiligheidsbeheer;onder « grote schade » wordt schade verstaan waarvan de totale kosten onmiddellijk door de onderzoekende instantie op ten minste 2 miljoen euro kunnen worden geraamd; 3° « Kaderovereenkomst » : een overeenkomst die de rechten en verplichtingen van een kandidaat en van de spoorweginfrastructuurbeheerder vastlegt en die betrekking heeft op de toe te wijzen spoorweginfrastructuurcapaciteit en de toe te passen tarifering voor een periode die langer is dan de geldigheidsduur van één dienstregelingstijdvak;4° « Bestuur » : het bestuur belast met het spoorwegvervoer;5° « Bureau » : het Europees Spoorwegbureau opgericht bij Verordening (EG) nr.881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004; 6° « Veiligheidsvergunning » : de vergunning die door de veiligheidsinstantie aan een spoorweginfrastructuurbeheerder wordt verleend;7° « Bevoegdheidsbewijs » : het geharmoniseerde aanvullende bevoegdheidsbewijs waarin de infrastructuur en het rollend materieel worden genoemd waar of waarmee de treinbestuurder mag rijden;8° « Toelating tot indienststelling » : handeling waardoor een vergunning wordt toegekend voor het gebruik van een subsysteem op het Belgische spoorwegnetwerk;9° « Veiligheidsinstantie » : de overheid belast met de taken inzake veiligheid en interoperabiliteit op het spoor;10° « Ander treinpersoneel dat voor de exploitatieveiligheid cruciale taken verricht » : treinpersoneel dat geen treinbestuurder is, maar dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid van de trein, de passagiers en de vervoerde goederen.In het kader van deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten wordt dit personeel aangeduid met het woord « begeleiders van reizigerstreinen ». Dit personeel omvat niet het personeel van Securail; 11° « Kandidaat » : elke spoorwegonderneming of andere natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten, zoals de bevoegde overheidsinstanties in de zin van de Verordening (EG) nr.1370/2007 en verladers, expediteurs en operatoren van gecombineerd vervoer, die om redenen van openbare dienst of om commerciële redenen belang hebben bij de verwerving van infrastructuurcapaciteit; 12° « Spoorweginfrastructuurcapaciteit » : het vermogen om voor een bepaalde periode de voor een spoorweginfrastructuurelement gevraagde treinpaden te plannen;13° « Specifiek geval » : elk deel van het spoorwegsysteem waarvoor om geografische of topografische redenen of omwille van het stadsmilieu en de samenhang van het bestaande systeem, bijzondere tijdelijke of definitieve bepalingen in de TSI's moeten worden opgenomen.Dergelijke gevallen zijn bijvoorbeeld spoorweglijnen en -netwerken die niet verbonden zijn met het netwerk in de rest van de Europese Unie, het profiel, de spoorwijdte of de spoorafstand, alsmede voertuigen die bestemd zijn voor strikt lokaal, regionaal of historisch gebruik en voertuigen met een plaats van vertrek of bestemming in derde landen; 14° « Oorzaken » : de handelingen, verzuimen, gebeurtenissen of omstandigheden, of een combinatie daarvan, die tot het ongeval of het incident hebben geleid;15° « Opleidingscentrum » : een entiteit die door de veiligheidsinstantie is erkend voor het geven van opleidingscursussen;16° « Veiligheidscertificaat » : het document dat door de veiligheidsinstantie wordt verleend met als doel te gelden als bewijs dat de spoorwegonderneming een veiligheidsbeheersysteem tot stand heeft gebracht en kan voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in de TSI's en andere toepasselijke Europese wetgeving en in veiligheidsvoorschriften teneinde risico's te beheersen en op een veilige manier vervoerdiensten op het netwerk te kunnen aanbieden;17° « Certificering van het treinpersoneel » : het nagaan of een kandidaat beschikt over de vereiste psychologische, medische en vakbekwaamheid;18° « Treinbestuurder » : een persoon die in staat en gemachtigd is tot het zelfstandig, verantwoordelijk en veilig besturen van treinen, daaronder begrepen locomotieven, rangeerlocomotieven, werktreinen, onderhoudsspoorwagens, hulptreinen of treinen voor het vervoer van reizigers of goederen;19° « Interoperabiliteitsonderdeel » : elke basiscomponent, groep componenten, deel van een samenstel of volledig samenstel van materieel, deel uitmakend of bestemd om deel uit te maken van een subsysteem, en waarvan de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem rechtstreeks of onrechtstreeks afhankelijk is.Het begrip « onderdeel « bevat materiële en ook immateriële zaken, zoals programmatuur; 20° « Coördinatie » : de procedure die door de spoorweginfrastructuurbeheerder wordt gevolgd om een oplossing te vinden in geval van concurrerende aanvragen om spoorweginfrastructuurcapaciteit te reserveren;21° « Houder » : de persoon of entiteit die eigenaar is van het voertuig of het recht heeft het te gebruiken, die dat voertuig exploiteert als vervoermiddel en die als zodanig is ingeschreven in het Nationaal Voertuigenregister (NVR);22° « Netverklaring » : de verklaring waarin op gedetailleerde wijze de beschrijving van het netwerk, de algemene verkeersregels, de termijnen, de procedures en criteria betreffende de regelingen voor de heffing van gebruiksrechten en de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit zijn vastgelegd;dit document bevat verder alle andere gegevens die nodig zijn om de aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit in te dienen; 23° « Onderzoek » : een procedure die erop gericht is ongevallen en incidenten te voorkomen en die bestaat uit de verzameling en analyse van informatie, het trekken van conclusies, met inbegrip van het bepalen van de oorzaken en, in voorkomend geval, het formuleren van veiligheidsaanbevelingen;24° « Hoofdonderzoeker » : de persoon die is belast met de organisatie en de uitvoering van en het toezicht op een onderzoek;25° « Aanbestedende dienst » : elke openbare of privaatrechtelijke entiteit die opdracht geeft voor het ontwerp en/of de bouw, de vernieuwing of de verbetering van een subsysteem.Deze entiteit kan ofwel een spoorwegonderneming, een infrastructuurbeheerder of een houder zijn, ofwel een concessionaris die belast is met de uitvoering van een project; 26° « Met het onderhoud belaste entiteit » : een entiteit die belast is met het onderhoud van een voertuig en als zodanig ingeschreven is in het Nationaal Voertuigenregister;27° « Spoorwegonderneming » : iedere publiek- of privaatrechtelijke onderneming die in het bezit is van een vergunning overeenkomstig de toepasselijke Europese regelgeving en waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het verlenen van spoorwegvervoerdiensten voor goederen en/of voor reizigers, waarbij die onderneming voor de tractie moet zorgen;hiertoe behoren ook ondernemingen die uitsluitend tractie leveren; 28° « Essentiële eisen » : het geheel van de in bijlage 16 omschreven voorwaarden waaraan het spoorwegsysteem, de subsystemen en de interoperabiliteitsonderdelen, met inbegrip van de interfaces, moeten voldoen;29° « Spoorweginfrastructuurbeheerder » : elke instantie of onderneming die in het bijzonder voor de totstandbrenging en het onderhoud van de spoorweginfrastructuur verantwoordelijk is.Dit kan tevens het beheer omvatten van de systemen voor controle en veiligheid van de infrastructuur. De functies van de infrastructuurbeheerder van een netwerk of deel van een netwerk kunnen aan verschillende instanties of ondernemingen worden toegewezen; 30° « Dienstregeling » : de gegevens over alle geprogrammeerde bewegingen van treinen en rollend materieel die gedurende de periode dat de dienstregeling geldt op de betreffende spoorweginfrastructuur zullen worden uitgevoerd;31° « Incident » : elk voorval, ander dan een ongeval of een ernstig ongeval dat verband houdt met de exploitatie van treinen en dat de exploitatieveiligheid aantast;32° « Spoorweginfrastructuur » : het geheel van de elementen bedoeld in bijlage I, deel A, van Verordening (EG) nr.851/2006 van de Commissie van 9 juni 2006 betreffende de vaststelling van de inhoud van de verschillende posten van de boekhoudkundige schema's bedoeld in bijlage I bij de verordening (EEG) nr. 1108/70 van de Raad van 4 juni 1970; 33° « Overbelaste infrastructuur » : het gedeelte van de spoorweginfrastructuur waarvoor gedurende bepaalde tijdvakken, zelfs na coördinatie van de verschillende capaciteitsaanvragen, niet volledig aan de infrastructuurcapaciteitaanvraag kan worden voldaan;34° « Interoperabiliteit » : de geschiktheid van een spoorwegsysteem voor een veilig en ononderbroken treinverkeer waarbij de voor de betrokken lijnen vereiste prestaties worden verricht.Deze geschiktheid hangt af van het geheel van wettelijke, technische en operationele voorwaarden die moeten vervuld worden om aan de essentiële eisen te voldoen; 35° « Vergunning » : de vergunning waardoor een onderneming door een bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie wordt erkend als spoorwegonderneming voor de verlening van de spoorwegvervoerdiensten die erop vermeld zijn;36° « Vergunning van treinbestuurder » : de vergunning afgegeven aan een treinbestuurder door de veiligheidsinstantie die attesteert dat de treinbestuurder voldoet aan de minimumvoorwaarden voor wat betreft medische eisen, psychologische eisen, basisscholing en algemene vakbekwaamheid;37° « Gemeenschappelijke veiligheidsmethoden (GVM) » : de methoden die worden ontwikkeld om te beschrijven hoe de veiligheidsniveaus, het bereiken van de veiligheidsdoelen en de conformiteit met andere veiligheidsvoorschriften worden beoordeeld;38° « Minister » : de minister die bevoegd is voor de regulering van het spoorwegvervoer;39° « Ingebruikname » : alle handelingen waardoor het gebruik van een subsysteem of van een verzameling van subsystemen wordt toegelaten op het Belgische spoorwegnetwerk, hieronder begrepen de bijgewerkte veiligheidsvergunning en de veiligheidscertificaten;40° « Indienststelling » : alle handelingen door middel waarvan een subsysteem of een voertuig in zijn nominale werkingstoestand wordt gebracht;41° « Geharmoniseerde norm » : elke Europese norm die is opgesteld door één van de Europese normalisatie-instellingen die vermeld worden in bijlage I bij Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, en die alleen of samen met andere normen een oplossing vormt voor het probleem van de naleving van een wetgevingsbepaling;42° « Gemeenschappelijke veiligheidsdoelen (GVD) » : de veiligheidsniveaus die ten minste moeten worden gehaald door de verschillende onderdelen van het spoorwegsysteem (zoals het conventionele spoorwegsysteem, het hogesnelheidsspoorwegsysteem, lange spoorwegtunnels of lijnen die uitsluitend voor goederenvervoer worden gebruikt) en door het systeem als geheel in de vorm van criteria voor risicoacceptatie;43° « Toezichthoudende orgaan » : de overheid bevoegd voor de economische regulering van het spoorwegvervoer;44° « Onderzoeksorgaan » : het orgaan belast met het uitvoeren van onderzoeken naar ongevallen en incidenten;45° « Aangewezen instanties » : de instanties die belast zijn met het onderzoek ten behoeve van de keuringsprocedure van de subsystemen aan de hand van de nationale technische voorschriften bij afwezigheid van TSI's of ingeval van afwijking ervan;46° « Aangemelde instanties » : de instanties die belast zijn met het onderzoek ten behoeve van de keuringsprocedure « EG » van de subsystemen aan de hand van de van toepassing zijnde veiligheidsvoorschriften;47° « Fundamentele parameter » : elke reglementaire, technische of operationele voorwaarde die essentieel is voor de interoperabiliteit en die nader bepaald wordt door de relevante TSI's;48° « Belanghebbende partij » : de spoorwegonderneming die een aanvraag voor spoorweginfrastructuurcapaciteit heeft ingediend, evenals de andere partijen die bemerkingen willen maken over de weerslag die de dienstregeling zou kunnen hebben op de mogelijkheid tot het verlenen van spoorwegdiensten tijdens de geldigheidsperiode van de dienstregeling;49° « Treinpersoneel » : het personeel samengesteld uit, enerzijds, treinbestuurders en, anderzijds, ander treinpersoneel dat voor de veiligheid cruciale taken verricht;50° « Capaciteitsvergrotingsplan » : een maatregel of een reeks van maatregelen met een tijdschema voor de uitvoering daarvan die wordt voorgesteld om de capaciteitsbeperkingen te verminderen die ertoe leiden dat een infrastructuurgedeelte tot « overbelaste spoorweginfrastructuur » wordt verklaard;51° « Project in een vergevorderd stadium van ontwikkeling » : elk project waarvan de planning/aanlegfase zodanig is gevorderd dat een wijziging van de technische specificaties onaanvaardbaar zou zijn voor de betrokken lidstaat.Dit beletsel kan van juridische, contractuele, economische, financiële of sociale aard zijn of verband houden met milieuredenen en moet voldoende gemotiveerd worden; 52° « Verbetering » : belangrijke werkzaamheden waarbij een subsysteem of een deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die een verbetering van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben;53° « Nationaal voertuigenregister (NVR) » : het register van voertuigen waarmee het is toegestaan om te rijden op het Belgische spoorwegnetwerk;54° « Nationale technische voorschriften » : de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 171 van deze Spoorcodex;55° « Veiligheidsvoorschriften » : alle voorschriften die eisen betreffende de veiligheid op het spoor bevatten die van toepassing zijn op het Belgische netwerk van welke instantie de regelgeving ook uitgaat;56° « Nationale veiligheidsvoorschriften » : alle voorschriften die eisen betreffende de veiligheid op het spoor bevatten die opgelegd worden aan het Belgische netwerk en die van toepassing zijn op meer dan één spoorwegonderneming, ongeacht welke instantie ze uitvaardigt;57° « Vernieuwing van de spoorweginfrastructuur » : belangrijke vervangingswerkzaamheden waarbij een subsysteem of deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die geen wijziging van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben;58° « Toewijzing » : de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit door de spoorweginfrastructuurbeheerder;59° « Netwerk » : de lijnen, stations, terminals en alle soorten vaste uitrusting die nodig zijn voor een veilige en continue uitbating van het spoorwegsysteem;60° « Serie » : een aantal identieke voertuigen van hetzelfde type-ontwerp;61° « Internationale goederenvervoerdienst » : een spoorwegvervoerdienst van goederen waarbij de trein ten minste één keer de grens van een lidstaat overschrijdt;de trein kan worden samengesteld en/of gesplitst en de verschillende delen ervan kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, zolang alle wagons ten minste één grens overschrijden; 62° « Internationale reizigersvervoerdienst » : een reizigersvervoerdienst in het kader waarvan de trein ten minste eenmaal de grens van een lidstaat oversteekt en die in hoofdzaak bedoeld is om reizigers tussen stations in verschillende lidstaten te vervoeren;de trein kan worden gesplitst of samengesteld en gesplitst en de samenstellende delen kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, op voorwaarde dat alle rijtuigen ten minste één grens oversteken; 63° « Spoorwegvervoerdienst » : elk nationaal of internationaal vervoer van reizigers of van goederen of elk nationaal of internationaal gecombineerd vervoer van goederen;64° « Treinpad » : de spoorweginfrastructuurcapaciteit die nodig is om een trein in een bepaald tijdvak tussen twee plaatsen te laten rijden;65° « Subsystemen » : het resultaat van de onderverdeling van het spoorwegsysteem zoals omschreven in bijlage 15 waarvoor essentiële eisen moeten worden gedefinieerd.Deze subsystemen zijn van structurele of functionele aard; 66° « Europese specificatie » : een gemeenschappelijke technische specificatie, een Europese technische goedkeuring of een nationale norm waarin een Europese norm is omgezet, zoals gedefinieerd in artikel 67bis van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren van water, energie, vervoer en postdiensten;67° « Technische specificatie interoperabiliteit (TSI) » : de specificaties die voor elk subsysteem of gedeelte van een subsysteem gelden, ten einde aan de essentiële eisen te voldoen en de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem te verzekeren;68° « Vervanging in het kader van een onderhoud » : vervanging van onderdelen door onderdelen met een identieke functie en identieke prestaties in het kader van preventief onderhoud of herstelwerkzaamheden;69° « Veiligheidsbeheersysteem » : de organisatie en de regelingen die door de spoorweginfrastructuurbeheerder of een spoorwegonderneming tot stand zijn gebracht om hun activiteiten veilig te laten verlopen;70° « Spoorwegsysteem » : het systeem van de spoorweginfrastructuur, bestaande uit de lijnen en vaste installaties van het spoorwegnetwerk en het rollend materieel, ongeacht categorie of herkomst, dat gebruik maakt van deze infrastructuur;71° « Trans-Europese spoorwegsysteem » : de in bijlage 14 beschreven trans-Europese conventionele spoorwegsystemen en trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsystemen;72° « Voertuigtype » : een voertuigtype dat beantwoordt aan de fundamentele ontwerpkenmerken van het voertuig aangegeven in een enkele verklaring van « EG » -typeonderzoek zoals omschreven in module B van bijlage II van het besluit nr.768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van besluit 93/465/EEG van de Raad; 73° « Voertuig » : een spoorvoertuig dat op eigen wielen voortbeweegt op spoorlijnen, met of zonder tractie.Een voertuig bestaat uit één of meer structurele en functionele subsystemen of onderdelen van dergelijke subsystemen. TITEL
- - Scheiding tussen de spoorwegvervoersactiviteit en het spoorweginfrastructuurbeheer enerzijds, en tussen het uitvoeren van reizigersvervoerdiensten in opdracht van openbare dienst en activiteiten met betrekking tot andere vervoerdiensten of andere bedrijfsactiviteiten anderzijds Art. 4.§
- Ondernemingen, die zowel spoorwegvervoerdiensten als activiteiten met betrekking tot beheer van spoorweginfrastructuur verrichten, houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen aan, enerzijds, voor de activiteit met betrekking tot het verlenen van spoorwegvervoerdiensten en, anderzijds, voor het beheer van spoorweginfrastructuur. De toelichting bij hun jaarrekening bevat afzonderlijke balansen, resultatenrekeningen en kasstroomoverzichten voor de activiteiten met betrekking tot de levering van spoorwegvervoerdiensten enerzijds, en voor de activiteiten betreffende het beheer van de spoorweginfrastructuur anderzijds. Overheidsmiddelen die hetzij voor het verrichten van spoorwegvervoerdiensten, hetzij voor het beheer van spoorweginfrastructuur worden verstrekt, mogen niet worden overgedragen naar de andere activiteit. Dit verbod moet terug te vinden zijn in de wijze waarop elke onderneming de boekhouding van deze twee activiteiten voert. §
- Spoorwegondernemingen houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen aan met betrekking tot de activiteit van goederenvervoer per spoor. De toelichting bij hun jaarrekening bevat een afzonderlijke balans, resultatenrekening en kasstroomoverzicht met betrekking tot de activiteit van goederenvervoer per spoor. Financiële middelen voor het uitvoeren van reizigersvervoerdiensten in opdracht van openbare dienst, moeten afzonderlijk in de desbetreffende rekeningen worden weergegeven en mogen niet worden overgedragen naar de activiteit met betrekking tot andere vervoerdiensten of andere bedrijfsactiviteiten. TITEL
- - Gebruik van de spoorweginfrastructuur HOOFDSTUK
- - Toegang tot de spoorweginfrastructuur Afdeling
- - Toegangs- en doorvoerrecht Art. 5.Hebben toegang tot de spoorweginfrastructuur : 1° De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen voor de exploitatie van al haar vervoersactiviteiten;2° Elke spoorwegonderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie voor de exploitatie van elk type van goederenvervoerdiensten;3° Elke spoorwegonderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie, voor de exploitatie van internationale reizigersvervoerdiensten;4° Elke toeristische onderneming die ritten verricht voor toeristische doeleinden met historisch materieel en daartoe erkend is. Art. 6.Bij een internationale reizigersvervoerdienst heeft de spoorwegonderneming het recht op het internationale traject reizigers te laten opstappen in elk station en ze te laten uitstappen in een ander station, ook voor het vervoer van reizigers op gedeelten van dat traject die tussen twee Belgische stations liggen. Art. 7.Elke spoorwegonderneming die spoorwegvervoerdiensten wil verrichten en toegang wil hebben tot de spoorweginfrastructuur moet in het bezit zijn van : 1° een vergunning die bestemd is voor het type diensten dat ze aanbiedt, afgeleverd door de bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie;2° een spoorwegveiligheidscertificaat;3° beschikbare spoorweginfrastructuurcapaciteiten toegekend door de spoorweginfrastructuurbeheerder. Art. 8.De spoorweginfrastructuurbeheerder verplaatst zich vrij op zijn netwerk, met het oog op het onderhoud, het beheer, de vernieuwing en de uitbreiding van de spoorweginfrastructuur, met naleving van de veiligheidsmaatregelen die aan elke gebruiker van de spoorweginfrastructuur worden opgelegd. De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt de spoorweginfrastructuur ter beschikking van de aangemelde en aangewezen instanties alsook van de spoorwegondernemingen, teneinde tests te verrichten in overeenstemming met de bepalingen van titel 6 en mits naleving van de veiligheidsvoorschriften. Voor het verrichten van testen bedoeld in het tweede lid, moet de kandidaat een testretributie betalen aan de infrastructuurbeheerder die betrekking heeft op de voertuigen waarmee de testen worden verricht en die de kosten van de infrastructuurbeheerder dekt. De Koning bepaalt de wijze van berekening en de betalingswijzen van deze testretributie. Afdeling
- - Diensten die aan de spoorwegondernemingen moeten worden geleverd Art. 9.§
- De toegang via het spoor tot diensten in verband met spoorwegactiviteiten overeenkomstig artikel 5, alsmede de verlening van deze diensten in terminals en havens waarbij meer dan één eindgebruiker wordt bediend of kan worden bediend, worden toegestaan aan alle spoorwegondernemingen op niet-discriminerende en transparante wijze en verzoeken van spoorwegondernemingen kunnen alleen onderworpen worden aan beperkingen indien er haalbare spoorwegalternatieven onder marktvoorwaarden voorhanden zijn. §
- Een spoorwegonderneming heeft op een niet-discriminerende basis recht op het minimum toegangspakket bedoeld in punt 1 van de bijlage 1 en op de toegang via het spoor tot voorzieningen, als omschreven in bijlage
- De in het punt 2 van bijlage 1 bedoelde diensten worden op een niet-discriminerende wijze verleend; verzoeken van spoorwegondernemingen om de in punt 2 van bijlage 1 bedoelde diensten mogen slechts worden afgewezen als er, onder marktvoorwaarden, haalbare alternatieven bestaan. §
- Aanvullende diensten, bedoeld in bijlage 1, punt 3, kunnen op vraag van een spoorwegonderneming door de spoorweginfrastructuurbeheerder worden verleend. In dat geval moeten zij op niet-discriminerende wijze verleend worden aan elke kandidaat die erom vraagt. §
- De spoorwegonderneming kan aan de spoorweginfrastructuurbeheerder of aan andere leveranciers vragen de ondersteunende diensten bedoeld in bijlage 1, punt 4, te verlenen. De spoorweginfrastructuurbeheerder is niet verplicht deze diensten te verlenen. Afdeling
- - Vergunningen Art. 10.Onverminderd andersluidende bepalingen worden de vergunningen met betrekking tot de installaties van de verkrijgers en tot de bouw van kunstwerken boven en onder de spoorweg afgegeven door de spoorweginfrastructuurbeheerder. Hij maakt een inventaris op en houdt deze bij. De installaties die een potentieel gevaar voor de bevolking of voor het milieu kunnen inhouden worden duidelijk aangegeven en gelokaliseerd ten opzichte van het spoorwegnetwerk. HOOFDSTUK
- - Vergunning van spoorwegonderneming Afdeling
- - Principes Art. 11.Elke onderneming die een exploitatiezetel in België heeft, heeft het recht een vergunning bij de minister aan te vragen die haar toelaat om als spoorwegonderneming erkend te worden. Art. 12.De vergunning is onoverdraagbaar en beschrijft de typediensten waarvoor ze geldig is. Ze is op het gehele grondgebied van de Europese Unie geldig. Afdeling
- - Voorwaarden voor de afgifte van de vergunning Art. 13.§
- Om een vergunning te verkrijgen levert de vergunningaanvrager het bewijs dat hij op elk moment en bij het begin van zijn activiteiten kan of zal kunnen voldoen aan de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vastgelegde voorwaarden inzake financiële draagkracht, beroepsbekwaamheid, dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid en eerbaarheid. §
- Om aan § 1 te voldoen moet elke onderneming die een vergunning aanvraagt alle nuttige inlichtingen verstrekken. §
- De Koning bepaalt de nadere regels voor het indienen van een aanvraag en voor de afgifte van de vergunning. §
- De Koning bepaalt de minimumbedragen voor de dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid. Afdeling
- - Geldigheid van de vergunning Art. 14.De vergunning blijft geldig zolang de onderneming de voorwaarden, gesteld in artikel 13, naleeft. De vergunning wordt aan een nieuw onderzoek onderworpen : 1° met regelmatige door de Koning bepaalde tussenpozen, ten minste om de vijf jaar;2° indien de spoorwegonderneming plant om haar activiteiten ingrijpend te wijzigen of uit te breiden, 3° bij ernstige twijfel over de naleving door de spoorwegonderneming van de eisen opgesomd in artikel
- De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels van dit nieuwe onderzoek. Afdeling
- - Intrekking en schorsing van de vergunning Art. 15.De faillissementsuitspraak brengt van rechtswege de intrekking van de vergunning met zich mee. Art. 16.Wanneer de minister vaststelt dat er een ernstige twijfel bestaat over de naleving van de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk of in zijn uitvoeringsbesluiten door een spoorwegonderneming aan dewelke een vergunning werd afgegeven door de overheid van een andere lidstaat, licht hij dadelijk die overheid in. Art. 17.De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de gevallen en de nadere regels voor het schorsen en het intrekken van vergunningen, het indienen van de nieuwe aanvragen, het afleveren van een tijdelijke vergunning en de specifieke bepalingen voor de schorsing of de intrekking, die in de vergunning kunnen worden vermeld. Art. 18.Alle beslissingen inzake vergunningen worden meegedeeld aan de Europese Commissie. Afdeling
- - Jaarlijkse retributie voor een vergunning Art. 19.§
- De houder van een vergunning van spoorwegonderneming dient als deelneming in de kosten voor administratie, controle en toezicht, een jaarlijks geïndexeerde retributie te storten. §
- Deze retributie moet worden betaald bij de afgifte van de vergunning en vervolgens vóór 1 januari van elk jaar. §
- Deze retributie wordt niet teruggestort bij schorsing of intrekking van de vergunning of bij stopzetting van de activiteiten die door de vergunning gedekt worden. Wanneer de vergunning is ingetrokken of geschorst kan de retributie niet langer voor het volgend jaar worden geëist. §
- Bij niet-betaling kan de vergunning worden geschorst. §
- De Koning bepaalt het bedrag, de betalingswijze en het indexeringsmechanisme van de retributie. HOOFDSTUK
- - De betrekkingen tussen de spoorweginfrastructuur- beheerder en de spoorwegondernemingen Afdeling
- - Netverklaring Art. 20.De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt de netverklaring op en zorgt voor de bekendmaking ervan, na raadpleging van het toezichthoudende orgaan, de kandidaten en de spoorwegondernemingen die het netwerk gebruiken. Art. 21.De netverklaring omvat de kenmerken van de spoorweginfrastructuur die ter beschikking van de spoorwegondernemingen wordt gesteld. Zij bevat de informatie die vereist is om toegang tot deze infrastructuur te krijgen in uitvoering van deze Spoorcodex en bepaald in bijlage
- De netverklaring wordt bijgehouden en in voorkomend geval aangepast. Art. 22.De netverklaring wordt bekendgemaakt uiterlijk vier maanden vóór de uiterste datum die de spoorweginfrastructuurbeheerder vastlegt voor het indienen van aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit. Haar bekendmaking wordt aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. Zij kan elektronisch worden geraadpleegd of worden verkregen bij de spoorweginfrastructuurbeheerder tegen betaling van een retributie die hij vaststelt. Deze retributie is niet hoger dan de kosten van zijn bekendmaking. Afdeling
- - Overeenkomsten Art. 23.Elk gebruik van de spoorweginfrastructuur door de houder van een treinpad wordt voorafgegaan door het afsluiten van een overeenkomst tussen de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming die spoorwegvervoerdiensten verricht en waarin de respectieve rechten en verplichtingen van elke partij worden vastgelegd. De bepalingen van deze overeenkomst zijn niet-discriminerend, transparant en in overeenstemming met de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen. Deze overeenkomst bepaalt onder meer de nadere regels van de tenuitvoerlegging van de veiligheidsvoorschriften. Deze overeenkomst bevat eveneens een prestatieregeling die tariferingssystemen voor het gebruik van de infrastructuur toepast om de spoorwegonderneming en de spoorweginfrastructuurbeheerder ertoe aan te zetten om tekortkomingen zo gering mogelijk te houden en de prestaties van het spoorwegnetwerk te verbeteren. Deze regeling is voor het gehele netwerk van toepassing en kan boetes inhouden voor handelingen die de exploitatie van het netwerk hinderen, compensatie voor ondernemingen die onder tekortkomingen te lijden hebben, en premies ter beloning van prestaties die de ramingen overtreffen die gebaseerd zijn op het systeem van de optimalisering van de prestaties. Na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder bepaalt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de regels voor de berekening en betalingswijze van de heffingen die voortvloeien uit de toepassing van de prestatieregeling. De partijen kunnen het toezichthoudende orgaan om advies vragen over de verenigbaarheid van deze overeenkomst met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten. Art. 24.§
- De spoorweginfrastructuurbeheerder en de kandidaat kunnen een kaderovereenkomst sluiten die hun rechten en verplichtingen vaststelt met betrekking tot de toe te wijzen infrastructuurcapaciteit en de tarifering voor een periode die langer is dan de geldigheidsduur van één dienstregelingstijdvak. In deze kaderovereenkomst worden de kenmerken opgenomen van de infrastructuurcapaciteit die door de kandidaat wordt aangevraagd en de infrastructuurcapaciteiten aangeboden voor een termijn van meer dan één dienstregelingsperiode. De kaderovereenkomst behelst geen gedetailleerde beschrijving van een treinpad, maar is zo opgesteld dat aan de gewettigde commerciële behoeften van de aanvrager wordt tegemoet gekomen. De kaderovereenkomst mag geen belemmering vormen voor het gebruik van de infrastructuur door andere kandidaten of diensten. Een kaderovereenkomst kan gewijzigd worden om een beter gebruik van de spoorweginfrastructuur mogelijk te maken. De kaderovereenkomst kan maatregelen bevatten die gedragingen sanctioneren die tot gevolg hebben dat de overeenkomst wordt gewijzigd of beëindigd. Mits eerbiediging van de vertrouwelijkheid worden de algemene bepalingen van elke kaderovereenkomst openbaar gemaakt aan alle partijen die in aanmerking komen voor het gebruiken van dezelfde capaciteiten. De kaderovereenkomst heeft in beginsel een looptijd van vijf jaar, en kan worden verlengd met periodes die gelijk zijn aan haar oorspronkelijke looptijd. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan in bijzondere gevallen met een kortere of langere looptijd instemmen. Een looptijd van meer dan vijf jaar wordt gerechtvaardigd door het bestaan van commerciële overeenkomsten, specifieke investeringen of risico's. Wanneer bijzondere gevallen dit noodzaken, inzonderheid als er sprake is van omvangrijke investeringen op lange termijn, kan de looptijd tien jaar overschrijden. De partijen kunnen het toezichthoudende orgaan om advies vragen over de verenigbaarheid van de beoogde overeenkomst met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten. De spoorweginfrastructuurbeheerder werkt het model van de kaderovereenkomst uit dat deel uitmaakt van de netverklaring. §
- In afwijking van artikel 24, § 1, zevende lid, kan voor diensten waarbij gebruik wordt gemaakt van infrastructuur die overeenkomstig artikel 38, tweede lid, is aangewezen en die een door de aanvrager naar behoren gemotiveerde aanzienlijke en langdurige investering vereist, de looptijd van de kaderovereenkomst vijftien jaar bedragen. Een looptijd van meer dan vijftien jaar is alleen in uitzonderingsgevallen mogelijk, met name bij aanzienlijke en langdurige investeringen, wanneer deze het voorwerp uitmaken van contractuele verplichtingen waaronder een meerjarenplan voor de afschrijving van deze investeringen. De aanvrager kan in dit geval om een gedetailleerde omschrijving van de capaciteitskenmerken verzoeken, meer bepaald de frequentie, het volume en de kwaliteit van treinpaden die hem voor de looptijd van de kaderovereenkomst ter beschikking worden gesteld. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan de gereserveerde capaciteit verlagen indien deze voor een periode van ten minste één maand minder is gebruikt dan de drempelwaarde bedoeld in artikel 41, §
- Een eerste kaderovereenkomst kan voor een periode van vijf jaar worden opgesteld, die met vijf jaar verlengd kan worden, op basis van de capaciteitskenmerken die worden gebruikt door aanvragers die vóór 1 januari 2010 diensten exploiteren, ten einde rekening te houden met specifieke investeringen of met het bestaan van commerciële overeenkomsten. Het toezichthoudende orgaan is belast met het verlenen van toestemming voor de inwerkingtreding van een dergelijke overeenkomst. Afdeling
- - Verstoringen, ongevallen en incidenten Art. 25.Bij verstoring van het spoorwegverkeer door een technisch defect, een ongeval of een ernstig incident, neemt de spoorweginfrastructuurbeheerder de nodige maatregelen om de normale toestand te herstellen. Zonder afbreuk te doen aan artikel 93 en hoofdstuk 6 van titel 4 stelt hij een interventieplan op dat een lijst bevat van de verschillende te waarschuwen betrokken instanties in geval van ongeval of bestendige verstoringen van het verkeer. Afdeling
- - Vertrouwelijkheid Art. 26.De infrastructuurbeheerder eerbiedigt de vertrouwelijkheid uit commercieel oogpunt van de hem door de kandidaten verstrekte gegevens. HOOFDSTUK
- - Toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit Afdeling
- - Algemeenheden Art. 27.De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt de specifieke toewijzingsregels voor de spoorweginfrastructuurcapaciteit op, op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk, en maakt ze in de netverklaring bekend. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan het advies van het toezichthoudende orgaan inwinnen over de verenigbaarheid van deze specifieke toewijzingsregels met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten. In afwijking van het eerste lid, kan de Koning nadere toewijzingsregels bepalen met betrekking tot de voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, historische of toeristische doeleinden. Afdeling
- - Beginselen van de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit Art. 28.De spoorweginfrastructuurbeheerder wijst de beschikbare capaciteiten op een werkzame en optimale manier toe, zowel voor de nationale als voor de internationale spoorwegdiensten, op een billijke en niet-discriminerende basis. De spoorweginfrastructuurbeheerder is voortdurend in staat om aan elke belanghebbende partij de nog beschikbare capaciteit mee te delen. Art. 29.De beschikbare spoorweginfrastructuurcapaciteit die aan een kandidaat is toegewezen, mag niet aan een andere kandidaat of aan een andere dienst worden overgedragen. Het gebruik van capaciteit door een spoorwegonderneming die de activiteiten uitoefent van een kandidaat die zelf geen spoorwegonderneming is, wordt niet als een overdracht beschouwd. Elke handel in infrastructuurcapaciteit is verboden en heeft uitsluiting van capaciteitstoewijzing voor de geldende dienstregeling tot gevolg. Art. 30.§
- Het recht om een bepaalde capaciteit van de spoorweginfrastructuur te gebruiken onder de vorm van treinpaden, wordt aan een kandidaat toegewezen voor een maximale periode die overeenstemt met één enkele geldigheidsperiode van de dienstregeling. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder en de kandidaat kunnen evenwel een kaderovereenkomst overeenkomstig artikel 24, § 1, sluiten, voor het capaciteitsgebruik op de betrokken spoorweginfrastructuur voor een periode langer dan één enkele geldigheidsperiode van de dienstregeling. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder kan van de kandidaat verlangen dat hij de administratieve kosten betaalt die verbonden zijn aan de behandeling van zijn aanvraag, ongeacht of hem al dan niet een treinpad wordt toegewezen. Art. 31.Wanneer een kandidaat voornemens is infrastructuurcapaciteit aan te vragen met het oog op het exploiteren van een internationale reizigersvervoersdienst met halten die vervoerdiensten tussen twee in België gelegen stations mogelijk maken, stelt hij de betrokken infrastructuurbeheerder en het toezichthoudende orgaan daarvan in kennis. Om de beoordeling mogelijk te maken van het doel van een internationale reizigersvervoerdienst, zorgt het toezichthoudende orgaan ervoor dat de minister, alsook de minister die een in een openbare dienstcontract omschreven reizigersvervoerdienst per spoor heeft gegund en elke spoorwegonderneming die het openbare dienstcontract uitvoert op het traject van deze internationale reizigersvervoerdienst, op de hoogte worden gebracht. Afdeling
- - Toewijzingsprocedures Onderafdeling
- - Aanvragen Art. 32.De aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit worden ingediend : 1° hetzij door de kandidaten bedoeld bij artikel 5, houder van een vergunning en een veiligheidscertificaat, 2° hetzij door de toewijzende instantie voor spoorweginfrastructuurcapaciteit van een andere lidstaat van de Europese Unie voor het traject op Belgisch grondgebied. Zij worden tot de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder gericht wanneer het vertrek van de dienst op Belgisch grondgebied is gelegen. Art. 33.§
- De aanvragen voor geregelde diensten worden ingediend en behandeld met naleving van het tijdschema opgenomen in bijlage 3 en volgens de nadere regels vermeld in de netverklaring. §
- De aanvragen die passen in een kaderovereenkomst worden volgens die overeenkomst behandeld. §
- De aanvragen die na de einddatum voor de indiening van de capaciteitsaanvragen werden ingediend, kunnen slechts worden toegekend uit de beschikbare capaciteit van het netwerk na toewijzing van de treinpaden of uit de gereserveerde capaciteit. §
- De aanvragen voor treinpaden die werden ingediend na de bekendmaking van de dienstregeling maar die betrekking hebben op deze dienstregeling, kunnen slechts worden toegekend voor de nog overblijvende duur van de lopende dienstregeling en uit de beschikbare capaciteit van het netwerk na toewijzing van de treinpaden of uit de gereserveerde capaciteit. Art. 34.De aanvragen die op meer dan één netwerk betrekking hebben, waaronder het Belgische netwerk, kunnen worden gericht aan de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder. Deze treedt dan op bij de andere betrokken spoorweginfrastructuurbeheerders voor rekening van de kandidaat als aanvrager om capaciteit. De internationale treinpaden zoals overeengekomen door de verschillende spoorweginfrastructuurbeheerders worden in de ontwerpdienstregeling geïntegreerd vóór het begin van de geplande raadplegingen. Art. 35.Vanaf de einddatum voor het indienen van de aanvragen, beschikt de spoorweginfrastructuurbeheerder over vier maanden om een ontwerp-dienstregeling op te stellen. Dit ontwerp wordt opgesteld rekening houdend met de voorlopige internationale treinpaden die werden opgemaakt in de volgens de procedure bedoeld in artikel 34 georganiseerde samenwerking; de spoorweginfrastructuurbeheerder vergewist zich ervan dat die treinpaden in de loop van de procedure zoveel mogelijk worden behouden. Wanneer de ontwerp-dienstregeling is opgesteld, raadpleegt de spoorweginfrastructuurbeheerder de betrokken partijen en geeft hij hen één maand om hun opmerkingen voor te leggen. De dienstregeling treedt uiterlijk twaalf maanden na de einddatum voor indiening van de aanvragen in werking. Art. 36.Op punctuele aanvragen voor treinpaden antwoordt de spoorweginfrastructuurbeheerder ten laatste binnen een termijn van vijf werkdagen. In geval van aanvragen bedoeld in artikel 33, §§ 3 en 4, antwoordt de spoorweginfrastructuurbeheerder binnen een termijn van ten hoogste één maand. De spoorweginfrastructuurbeheerder licht de kandidaten in over de niet-gebruikte en beschikbare capaciteit die zij zouden willen gebruiken. Art. 37.Het geprogrammeerde onderhoud van de spoorweginfrastructuur neemt de vorm aan van een capaciteitsaanvraag die werd ingediend als reservering tijdens de voorbereiding van de dienstregeling. De spoorweginfrastructuurbeheerder houdt rekening met zijn invloed op de capaciteitsaanvragen van de kandidaten. Onderafdeling
- - Programmerings- en coördinatieprocedures Art. 38.De infrastructuurcapaciteit wordt beschikbaar geacht voor alle types van diensten die beantwoorden aan de karakteristieken nodig om het betreffende treinpad te kunnen gebruiken. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan echter bepaalde specifieke spoorweginfrastructuren aanwijzen voor bepaalde types van spoorwegdiensten wanneer er vervangende reiswegen voorhanden zijn. Dit wordt in de netverklaring vermeld. Deze aanwijzing verhindert niet dat deze spoorweginfrastructuren voor andere types van spoorwegdiensten worden gebruikt, wanneer capaciteit beschikbaar is en het rollend materieel de vereiste technische karakteristieken bezit om de betreffende spoorweginfrastructuur te gebruiken. Deze aanduiding gebeurt na raadpleging van de betrokken partijen en na overleg met het bestuur. Art. 39.De spoorweginfrastructuurbeheerder spant zich in om aan alle aanvragen om spoorweginfrastructuurcapaciteit te voldoen; hij houdt rekening met de moeilijkheden waaraan de kandidaten het hoofd moeten bieden, zoals de economische weerslag op hun activiteiten en leeft de specifieke regels bedoeld in deze Spoorcodex na inzake concurrerende aanvragen, overbelasting, punctuele aanvragen, specificiteit van de spoorweginfrastructuur en onderhoudsaanvragen. Art. 40.§
- Bij concurrerende aanvragen, betracht de spoorweginfrastructuurbeheerder een zo groot mogelijke onderlinge gelijkwaardigheid van de aanvragen door deze aanvragen te coördineren. §
- Hierbij kan hij andere spoorweginfrastructuurcapaciteiten voorstellen dan deze die werden aangevraagd en in geval van conflict raadpleegt de spoorweginfrastructuurbeheerder de betrokken kandidaten. De beginselen die de coördinatieprocedure leiden worden in de netverklaring vastgelegd. Zij weerspiegelen in het bijzonder de moeilijkheid om internationale treinpaden aan te leggen en de weerslag die elke wijziging bij andere spoorweginfrastructuurbeheerders kan veroorzaken. Art. 41.§
- Indien het na coördinatie van de aangevraagde treinpaden en na overleg met de kandidaten niet mogelijk is gebleken de aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit van alle betrokkenen af te handelen of indien de spoorweginfrastructuur naar verwachting in de nabije toekomst met dezelfde schaarste zal te kampen hebben, verklaart de spoorweginfrastructuurbeheerder het betrokken spoorweginfrastructuurelement onverwijld tot « overbelaste infrastructuur ». §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder verricht binnen de zes maanden na de verklaring tot overbelasting een capaciteitsanalyse, tenzij al een ontwerp van vergrotingsplan overeenkomstig § 3 werd goedgekeurd. De capaciteitsanalyse stelt de beperkingen van de spoorweginfrastructuurcapaciteit en de redenen van deze overbelasting vast, waardoor niet op gepaste wijze aan de capaciteitsaanvragen kan worden voldaan en stelt methoden en maatregelen voor om te kunnen voldoen aan bijkomende aanvragen die zouden kunnen genomen worden op korte of middellange termijn om daaraan te verhelpen. De Koning bepaalt de inhoud van de analyse. §
- Binnen zes maanden na de opmaak van de capaciteitsanalyse legt de spoorweginfrastructuurbeheerder een ontwerp van capaciteitsvergrotingsplan voor, na raadpleging van de gebruikers van de betrokken overbelaste spoorweginfrastructuur. Het ontwerp vermeldt de redenen voor de overbelasting, de vermoedelijke ontwikkeling van het verkeer, de beperkingen die wegen op de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur, de mogelijke oplossingen en hun kostprijs. Aan de hand van een kosten-batenanalyse van de mogelijke maatregelen wordt bepaald welke maatregelen zullen worden genomen om de capaciteit te vergroten, alsmede het tijdschema voor hun uitvoering. Het ontwerp wordt binnen drie maanden goedgekeurd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder legt op om afstand te doen van een treinpad waarvan het gebruik over een periode van ten minste één maand lager ligt dan een bepaalde drempelwaarde die opgenomen is in de netverklaring, tenzij dit te lage gebruik het gevolg zou zijn van andere dan economische redenen en waarover de betreffende spoorwegonderneming geen controle heeft. Art. 42.§
- De spoorweginfrastructuurbeheerder heft niet langer de retributie bedoeld in artikel 50, § 2, voor de betrokken overbelaste spoorweginfrastructuur, indien : 1° hij geen capaciteitsvergrotingsplan voorlegt binnen de termijn gesteld bij artikel 41, § 3, of 2° hij het actieplan niet uitvoert dat is vastgelegd in het capaciteitsvergrotingsplan binnen de drie maanden volgend op de goedkeuring van dit plan. §
- Onder voorbehoud van de goedkeuring door het toezichthoudende orgaan, mag de spoorweginfrastructuurbeheerder deze retributie echter blijven ontvangen indien : 1° het capaciteitsvergrotingsplan niet kan worden uitgevoerd door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil of 2° de beschikbare mogelijkheden economisch of financieel niet haalbaar zijn. Art. 43.Wanneer een spoorweginfrastructuur overbelast verklaard is en de retributies bedoeld in artikel 50, § 2, niet zijn geïnd of onvoldoende resultaten hebben opgeleverd, past de spoorweginfrastructuurbeheerder de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde prioriteiten toe afhankelijk van : 1° openbare dienstverplichtingen;2° de noodzakelijke ontwikkeling van goederenvervoerdiensten, in het bijzonder van internationale goederenvervoerdiensten. Mits eerbiediging van de in het eerste lid bedoelde criteria kan de spoorweginfrastructuurbeheerder eveneens prioriteitscriteria vastleggen welke hij in de netverklaring vermeldt, teneinde het gebruik van de spoorweginfrastructuur te optimaliseren of om economische redenen. Bij de bepaling van de prioriteitscriteria houdt hij rekening met de vroegere gebruiksniveaus van de treinpaden. Art. 44.Bij hoogdringendheid of ingeval van absolute noodzaak wegens storingen die de spoorweginfrastructuur tijdelijk onbruikbaar maken, kunnen de toegekende treinpaden afgeschaft worden zonder voorafgaande kennisgeving en dit voor de duur nodig om de installatie opnieuw in werking te stellen. Indien hij het noodzakelijk acht, kan de spoorweginfrastructuurbeheerder van de spoorwegondernemingen eisen, hem tegen een redelijke vergoeding de middelen ter beschikking te stellen die hij het meest geschikt acht om de normale toestand zo snel mogelijk te herstellen. Onderafdeling
- - Samenwerking met andere spoorweginfrastructuurbeheerders Art. 45.De spoorweginfrastructuurbeheerder werkt samen met de infrastructuurbeheerders van de andere lidstaten van de Europese Unie, om spoorweginfrastructuurcapaciteit die verscheidene netwerken beslaat op een efficiënte wijze te ontwerpen en toe te wijzen. In het raam van deze samenwerking ontwerpt de spoorweginfrastructuurbeheerder internationale treinpaden en werkt de noodzakelijke procedures hiervoor uit. Wanneer de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder het initiatief neemt voor deze samenwerking, meldt hij dit aan de Europese Commissie en nodigt hij haar als waarnemer uit. Hij licht tevens het publiek op gepaste wijze in. HOOFDSTUK
- - Retributies voor het gebruik van de infrastructuur Afdeling
- - Algemeenheden Art. 46.De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder, de wijze van berekening en de betalingswijzen van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur. Hij kan na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder eveneens de specifieke tariferingsvoorschriften bepalen. Bij ontstentenis hiervan worden die voorschriften door de spoorweginfrastructuurbeheerder vastgesteld. Het tariferingssysteem en de schalen worden in de netverklaring opgenomen. In afwijking van het eerste lid, kan de Koning nadere regels bepalen voor de wijze van berekening van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur met betrekking tot voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, historische of toeristische doeleinden. Art. 47.§
- De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de gepaste voorwaarden, met inbegrip van eventuele voorschotten, om ervoor te zorgen dat, onder normale zakelijke omstandigheden en over een redelijk tijdsverloop, uit de boeken van de spoorweginfrastructuurbeheerder ten minste een evenwicht blijkt tussen de inkomsten uit de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, in voorkomend geval overschotten uit andere commerciële activiteiten en overheidsfinanciering, enerzijds, en tussen spoorweginfrastructuuruitgaven, anderzijds. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder wordt met inachtneming van de eisen inzake veiligheid en de verbetering van de kwaliteit van de spoorweginfrastructuurdienst aangemoedigd om de kosten van de terbeschikkingstelling van spoorweginfrastructuur alsmede de hoogte van retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur te verminderen. §
- Ingeval de spoorweginfrastructuurbeheerder een autonoom overheidsbedrijf is, wordt de bepaling van § 2 verwezenlijkt via het beheerscontract met de Belgische staat. Ingeval de spoorweginfrastructuurbeheerder geen autonoom overheidsbedrijf is, stelt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bepalingen met betrekking tot de uitvoering van § 2 vast. Art. 48.De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt een methode voor de aanrekening van de kosten op. Deze methode en haar eventuele aanpassingen aan de beste internationale praktijk zijn onderworpen aan de goedkeuring van het toezichthoudende orgaan uiterlijk vóór het begin van de eerste dienstregeling ingaande na de inwerkingtreding van deze Spoorcodex. Afdeling
- - Beginselen voor de tarifering van het gebruik van de spoorweginfrastructuur Art. 49.De spoorweginfrastructuurbeheerder bepaalt en int de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur overeenkomstig deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten. Hij bestemt ze voor zijn bedrijfsactiviteiten. Art. 50.§
- De retributies geheven voor het minimumtoegangspakket en voor de toegang via het spoor tot de voorzieningen bedoeld in punten 1 en 2 van de bijlage 1, zijn gelijk aan de rechtstreeks aan de spoorwegdienst toewijsbare kosten. §
- De retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur kan een retributie omvatten voor het capaciteitsgebrek van een welbepaald segment van de spoorweginfrastructuur tijdens periodes van overbelasting. §
- De retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur kan worden gewijzigd om rekening te houden met de kosten van milieu-effecten van de treinexploitatie. Dergelijke wijziging waarbij rekening gehouden wordt met milieukosten waaruit een verhoging van de totale inkomsten van de spoorweginfrastructuurbeheerder resulteert, wordt echter uitsluitend toegestaan als deze bij concurrerende vervoersmodi van vergelijkbare omvang is. Bij ontstentenis van zo een vergelijkbaar heffingsniveau, mag dergelijke wijziging geen gevolgen hebben voor de totale inkomsten van de spoorweginfrastructuurbeheerder. §
- Om buitensporige schommelingen te voorkomen, mogen de retributies, bedoeld in §§ 1 tot 3, worden uitgedrukt als gemiddelden, berekend over een voldoende aantal in de punten 1 en 2 van bijlage 1 bedoelde spoorwegdiensten en perioden. §
- In tegenstelling tot de retributie voor de toegang tot de diensten bedoeld in bijlage 1, punt 2, wordt de prijs van deze diensten zelf vastgesteld, rekening houdend met de concurrentiepositie van de spoorwegen. Art. 51.Indien de aanvullende of ondersteunende diensten bedoeld in bijlage 1, punten 3 en 4, slechts door één leverancier worden aangeboden, moeten de voor dergelijke diensten geheven retributies gerelateerd zijn aan de kosten die nodig zijn om de diensten te verschaffen, berekend op basis van het werkelijke gebruiksniveau. Art. 52.Voor capaciteit die voor spoorweginfrastructuuronderhoud wordt gebruikt, kunnen retributies geïnd worden. Deze retributies mogen niet hoger zijn dan het als gevolg van het onderhoud door de spoorweginfrastructuurbeheerder geleden netto-inkomstenverlies. Art. 53.De spoorweginfrastructuurbeheerder moet altijd kunnen aantonen dat de retributies voor het daadwerkelijk gefactureerd gebruik van de spoorweginfrastructuur in overeenstemming zijn met de methode, de reglementering en de schalen opgenomen in de netverklaring. Art. 54.De spoorweginfrastructuurbeheerder kan een aangepaste retributie innen voor toegekende maar niet gebruikte capaciteit. Dit recht moedigt een doeltreffend gebruik van de capaciteit aan. Art. 55.§
- De spoorweginfrastructuurbeheerder kan kandidaten een financiële waarborg opleggen om de betaling van de retributies zeker te stellen. Deze staat in verhouding tot de voorgenomen activiteiten. §
- Deze waarborg is transparant en niet-discriminerend. Hij wordt in de netverklaring bekendgemaakt en de Europese Commissie wordt hiervan in kennis gesteld. Afdeling
- - Uitzonderingen op de beginselen voor tarifering Art. 56.§
- In afwijking van afdeling 2 kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, besluiten tot een verhoging van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur om de volledige dekking van de door de spoorweginfrastructuurbeheerder gemaakte kosten te verkrijgen. De beslissing houdt inzonderheid rekening met de mogelijkheid van de spoorwegmarkt om deze verhogingen te dragen en met de mededinging in de vervoersector. De beslissing sluit het gebruik van de spoorweginfrastructuur niet uit door marktsegmenten die op zijn minst de rechtstreeks uit de exploitatie van de spoorwegdiensten voortvloeiende kosten kunnen dekken, en een rendement indien de markt het toelaat. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder kan de verhogingen bedoeld in § 1 wijzigen na akkoord van de Ministerraad. De wijziging treedt pas in werking drie maanden na haar bekendmaking. Art. 57.Voor toekomstige specifieke investeringsprojecten of voor projecten waarvan de realisatie niet verder dan 15 maart 1986 teruggaat, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de spoorweginfrastructuurbeheerder toestaan hogere retributies, gebaseerd op langetermijnkosten van dergelijke projecten, in te stellen of te handhaven. De in het eerste lid bedoelde projecten betreffen de verbetering van de doeltreffendheid en/of kosteneffectiviteit en die anders niet konden of hadden kunnen plaatsvinden. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan in het geval bedoeld in het eerste lid een bepaling inlassen in zijn overeenkomsten met de spoorwegondernemingen om de risico's verbonden aan nieuwe investeringen te verdelen. Art. 58.Om discriminatie te voorkomen, wordt ervoor gezorgd dat de gemiddelde en de marginale retributies geheven door de spoorweginfrastructuurbeheerder voor gelijkwaardig gebruik van zijn infrastructuur vergelijkbaar zijn en dat voor vergelijkbare diensten in hetzelfde marktsegment dezelfde retributies worden geheven. De spoorweginfrastructuurbeheerder toont in zijn netverklaring aan dat het tariferingsysteem aan deze voorschriften voldoet in de mate waarin hij dat kan zonder vertrouwelijke commerciële gegevens vrij te geven. Art. 59.§
- Onverminderd artikel 50, § 1, dient elke door de spoorweginfrastructuurbeheerder aan een spoorwegonderneming toegekende korting op de retributies voor een dienst, ongeacht dewelke, te voldoen aan de criteria van dit artikel. §
- Met uitzondering van § 3 blijven kortingen beperkt tot de werkelijke besparing op de administratieve kosten voor de spoorweginfrastructuurbeheerder. Bij het vaststellen van het bedrag van de korting mag geen rekening worden gehouden met kostenbesparingen die al in de geheven retributies zijn verrekend. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder kan, voor bepaalde verkeersstromen, regelingen invoeren die voor alle gebruikers van de spoorweginfrastructuur beschikbaar zijn en waarbij tijdelijke kortingen worden toegekend om de ontwikkeling van nieuwe spoorwegdiensten te bevorderen of kortingen waarmee het gebruik van sterk onderbenutte lijnen wordt gestimuleerd. §
- Kortingen mogen uitsluitend betrekking hebben op retributies die voor een welbepaald spoorweginfrastructuursegment worden geheven. §
- Voor soortgelijke diensten gelden soortgelijke kortingsregelingen. Art. 60.§
- De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een in de tijd beperkte compensatieregeling treffen voor spoorweginfrastructuurgebruik binnen de grenzen bepaald in §
- Het koninklijk besluit bevat de methode en de berekening voor de compensatie. §
- Dit stelsel kan betrekking hebben op de kosten in verband met milieu, ongevallen en infrastructuur waarvan is aangetoond dat zij in concurrerende vervoersmodi niet worden aangerekend voor zover deze kosten de overeenkomstige kosten van het spoorwegverkeer overschrijden. §
- Indien een operator die een compensatie ontvangt, een exclusief recht heeft, gaat de compensatie gepaard met vergelijkbare voordelen voor de andere gebruikers. HOOFDSTUK
- - Toezichthoudende orgaan Afdeling
- - Aanwijzing Art. 61.De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toezichthoudende orgaan aan. Afdeling
- - Opdrachten Art. 62.§
- Benevens de door de wet verleende opdrachten vervult het toezichthoudende orgaan de in dit artikel beschreven opdrachten. §
- Teneinde zijn raadgevende opdracht te vervullen, doet het toezichthoudende orgaan het volgende : 1° het geeft gemotiveerd advies en doet voorstellen;2° het voert, op eigen initiatief of op vraag van de minister, onderzoeken en studies uit met betrekking tot de spoorwegmarkt;3° het verstrekt de minister de nodige inlichtingen om de regels op te stellen inzake de vergunningen, de tarifering en de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit;4° het werkt samen met de toezichthoudende organen van de andere lidstaten van de Europese Unie, teneinde de besluitvormingsbeginselen in het geheel van de Unie te coördineren. §
- Teneinde zijn controleopdracht te vervullen, doet het toezichthoudende orgaan het volgende : 1° het controleert de overeenstemming van de netverklaring met deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten;2° het waakt erover dat de retributies in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Spoorcodex, van zijn uitvoeringsbesluiten en de netverklaring en op een niet-discriminerende wijze worden toegepast;3° het waakt erover dat de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit overeenstemt met de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en van de netverklaring;4° zonder afbreuk te doen aan de wet op de bescherming van de economische mededinging gecoördineerd op 15 september 2006, houdt het toezicht op de mededinging op de markt voor spoorwegvervoerdiensten, met inbegrip van de markt van het vrachtvervoer;5° het bepaalt, naar aanleiding van een verzoek van de minister, de minister die een in een openbare dienstcontract beschreven reizigersvervoerdienst per spoor heeft gegund of de belanghebbende spoorwegondernemingen, of een reizigersvervoerdienst in hoofdzaak bedoeld is om reizigers tussen twee stations in verschillende lidstaten te vervoeren;6° het controleert de naleving van artikel
- §
- Teneinde zijn opdracht inzake het administratief afhandelen van geschillen te vervullen, neemt het toezichthoudende orgaan een beslissing binnen de tien werkdagen, inzake de geschillen, over de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit, op verzoek van de spoorweginfrastructuurbeheerder of van een kandidaat en dit zonder afbreuk te doen aan de bestaande beroepsmogelijkheden. De Koning bepaalt de nadere regels voor deze geschillenbehandeling. §
- Teneinde zijn opdracht inzake de behandeling van klachten te vervullen, kunnen bij het toezichthoudende orgaan schriftelijke klachten worden ingediend door middel van aangetekende zendingen vanwege spoorwegondernemingen, kandidaten en de spoorweginfrastructuurbeheerder wanneer zij denken het slachtoffer te zijn van een oneerlijke behandeling, van een discriminatie of van elk ander nadeel met betrekking tot : 1° de netverklaring of de criteria die erin zijn opgenomen;2° de toewijzingsprocedure voor infrastructuurcapaciteit en haar resultaten;3° het tariferingsysteem, de hoogte of de structuur van retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur;4° de in de artikelen 5, 6, 7, 1° en 3°, 8 en 9 opgenomen bepalingen inzake toegang tot de spoorweginfrastructuur. Het administratief beroep schorst de aangevochten beslissing niet, behoudens andersluidende, gemotiveerde beslissing van het toezichthoudende orgaan op verzoek van de klagende partij. §
- Het toezichthoudende orgaan beslist over de betwistingen die eraan worden voorgelegd door de spoorweginfrastructuurbeheerder over de toekenning van het aantal minuten vertraging in het raam van de prestatieregeling, bedoeld in artikel 23, vijfde lid. Afdeling
- - Bevoegdheden Art. 63.§
- In uitvoering van zijn raadgevende opdracht, geeft het toezichthoudende orgaan advies. §
- In uitvoering van zijn opdracht inzake de administratieve afhandeling van geschillen neemt het toezichthoudende orgaan met redenen omklede individuele beslissingen. §
- In uitvoering van zijn opdracht inzake controle en administratief beroep, neemt het toezichthoudende orgaan elke maatregel die nodig is, met inbegrip van bewarende maatregelen en bestuurlijke boetes, om een einde te stellen aan de inbreuken op de netverklaring, de toewijzing van de capaciteit, de tarifering van de infrastructuur en de bepalingen inzake toegang overeenkomstig de artikelen 64 en
- Art. 64.Het toezichthoudende orgaan kan in de gevallen bedoeld in artikel 63, § 3, een bestuurlijke boete opleggen. De boete mag per kalenderdag niet lager zijn dan 12.500 euro en niet hoger dan 100.000 euro, noch in totaal hoger zijn dan 2 miljoen euro of 3 procent van de omzet die de gedaagde persoon heeft gerealiseerd in het afgesloten boekjaar, indien dit laatste bedrag hoger is. De boete kan worden berekend op grond van een dagelijks bedrag. Onverminderd het recht de zaak aanhangig te maken bij de bevoegde rechter, kan de invordering van de administratieve boetes gebeuren bij dwangmaatregel door toedoen van de administratie van de btw, de registratie en de domeinen. Art. 65.Het toezichthoudende orgaan beslist in de gevallen bedoeld in artikel 63, § 3, door middel van een met redenen omklede beslissing, na de betrokken partijen te hebben gehoord, binnen twee maanden na ontvangst van alle inlichtingen, behoudens andersluidende wettelijke bepaling. Bij zijn beslissingen houdt hij onder meer rekening met : 1° de naleving van de van toepassing zijnde wetten en reglementeringen;2° het gelijkheidsbeginsel inzake toegang tot de spoorwegcapaciteit;3° de noodzaak om de integriteit van het Belgische spoorwegnetwerk en de interoperabiliteit met de spoorwegdiensten van de andere Staten te behouden;4° de aard van de aanvraag ten overstaan van de beschikbare middelen om eraan te voldoen. Hij kan elk nuttig onderzoek doen of laten uitvoeren en zo nodig deskundigen aanwijzen en getuigen horen. Het toezichthoudende orgaan deelt zijn beslissingen aan de partijen mee en maakt ze bekend binnen 15 dagen na de uitspraak. Deze beslissingen zijn bindend voor alle betrokken partijen. Zij worden op papier en in elektronische vorm bekendgemaakt. Art. 66.De leden van het toezichthoudende orgaan zijn, op straffe van de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, gebonden aan het beroepsgeheim met betrekking tot feiten, daden en inlichtingen waarvan ze uit hoofde van hun functie kennis nemen, behalve voor wat de door de wet voorziene uitzonderingen betreft. Afdeling
- - Inkomsten Art. 67.§
- Om alle werkings- en personeelskosten van het toezichthoudende orgaan te dekken, betalen de houders van een veiligheidscertificaat deel B zoals bedoeld in artikel 99 en de houder van de veiligheidsvergunning als bedoeld in artikel 95 een retributie aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Elk kwartaal moet een kwart van het jaarbedrag betaald worden. De totale retributie wordt verdeeld tussen de houders van een veiligheidscertificaat deel B en de houder van de veiligheidsvergunning. Het aandeel van de houder van de veiligheidsvergunning bedraagt dertig procent van het totale bedrag. Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B bedraagt zeventig procent van het totale bedrag. Dit aandeel wordt verdeeld onder de houders in verhouding tot het aantal treinkilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het kwartaal dat afgesloten werd drie maanden voor het kwartaal waarop de retributie betrekking heeft. De treinkilometers gepresteerd door elke houder worden, onmiddellijk na afsluiting van elk kwartaal, door de houder van de veiligheidsvergunning meegedeeld aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. §
- De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de retributie bedoeld in § 1 vast, alsook de nadere regels voor de toerekening en storting van die retributie. TITEL
- - Exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur HOOFDSTUK
- - Veiligheidsvoorschriften Art. 68.§
- Het nationale regelgevende kader van de veiligheidsvoorschriften wordt gevormd door de volgende veiligheidsvoorschriften : 1° de regels betreffende de nationale veiligheidsdoelstellingen en -methodes;2° de regels betreffende de vereisten voor de veiligheidsbeheersystemen die van toepassing zijn op de veiligheidsvergunning van de spoorweginfrastructuurbeheerder en de veiligheidscertificering van spoorwegondernemingen;3° de regels betreffende het veiligheidspersoneel, het rollend materieel en de spoorweginfrastructuur;4° de regels betreffende de onderzoeken naar ongevallen en incidenten;5° de regels betreffende de exploitatie van de spoorweginfrastructuur;6° de vereisten betreffende het verkeer van voertuigen met een patrimoniaal karakter;7° de interne veiligheidsvoorschriften. §
- De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels betreffende de veiligheidsdoelstellingen en -methodes. De Koning bepaalt de regels betreffende de vereisten van toepassing op veiligheidsbeheersystemen, de veiligheidsvergunning van de infrastructuurbeheerder en de veiligheidscertificering van de spoorwegondernemingen. De Koning bepaalt de vereisten die van toepassing zijn op het veiligheidspersoneel, het rollend materieel en de spoorweginfrastructuur. De Koning bepaalt de regels betreffende onderzoeken naar ongevallen en incidenten. De Koning bepaalt de toe te passen vereisten voor het verkeer van voertuigen met een patrimoniaal karakter op het netwerk. §
- In afwezigheid van TSI of ter aanvulling van de TSI's, stelt de spoorweginfrastructuurbeheerder de veiligheidsvoorschriften vast betreffende de exploitatie van de spoorweginfrastructuur. Deze voorschriften en hun wijzigingen zijn onderworpen aan het eensluidend advies van de veiligheidsinstantie, volgens een door de Koning te bepalen procedure. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder en elke spoorwegonderneming stellen hun interne veiligheidsvoorschriften vast in het kader van hun veiligheidsbeheersysteem. §
- De Koning bepaalt de wijze van bekendmaking voor het geheel van de regelgeving zoals bedoeld in §§ 1 tot
- Art. 69.§
- Na de vaststelling van de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen kunnen de Koning en de spoorweginfrastructuurbeheerder, overeenkomstig artikel 68, §§ 1 tot 3, een nieuw nationaal veiligheidsvoorschrift aannemen dat gebaseerd is op een hoger veiligheidsniveau dan dat van de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen of dat een weerslag zou kunnen hebben op de activiteiten van spoorwegondernemingen op het Belgische netwerk, met naleving van de voorwaarden die beschreven worden in de volgende paragrafen. §
- De veiligheidsinstantie raadpleegt de spoorwegondernemingen en/of de houders en/of de spoorweginfrastructuurbeheerder en/of de fabrikanten, volgens de inhoud van de nationale veiligheidsvoorschriften als bedoeld in §
- §
- De veiligheidsinstantie legt de Europese Commissie het ontwerp van nationale veiligheidsvoorschrift voor ter onderzoek, met opgave van de redenen voor de invoering ervan. Indien de Commissie laat weten dat zij over de verenigbaarheid van het ontwerp van nationale veiligheidsvoorschrift met de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden of met het bereiken van ten minste het gemeenschappelijk veiligheidsdoel ernstige twijfels heeft of dat zij van mening is dat het een willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de spoorwegactiviteiten tussen de lidstaten inhoudt, wordt de aanneming, de inwerkingtreding of de toepassing van het voorschrift opgeschort totdat de Commissie een besluit neemt of totdat een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving, verstreken is. §
- De veiligheidsinstantie deelt aan de Europese Commissie de op basis van artikel 68, §§ 1 tot 3, vastgestelde of gewijzigde nationale veiligheidsvoorschriften mee, tenzij de voorschriften uitsluitend verband houden met de uitvoering van TSI's. Deze kennisgeving omvat informatie betreffende de hoofdinhoud van de voorschriften met verwijzing naar de wetteksten, de vorm van de voorschriften en de instantie die ze heeft bekendgemaakt. Art. 70.§
- In geval van uiterste hoogdringendheid of gevaar voor de veiligheid van de spoorweginfrastructuur of het gebruik ervan, neemt de spoorweginfrastructuurbeheerder urgentiemaatregelen die kunnen afwijken van de veiligheidsvoorschriften. Hij deelt ze onmiddellijk en uiterlijk de volgende werkdag mee aan de veiligheidsinstantie. Deze maatregelen zijn onmiddellijk van toepassing. De spoorweginfrastructuurbeheerder deelt deze urgentiemaatregelen onmiddellijk mee aan alle spoorwegondernemingen die op het netwerk rijden. Deze maatregelen zijn ten hoogste drie maanden geldig, behoudens een andersluidende beslissing van de veiligheidsinstantie. §
- Wanneer de spoorweginfrastructuurbeheerder vaststelt dat het gebruikte materieel de veiligheid van het spoorwegverkeer in gevaar brengt, neemt hij de nodige maatregelen met inbegrip van het verbieden van hun verkeer. §
- Wanneer de spoorweginfrastructuurbeheerder vaststelt dat het veiligheidspersoneel de veiligheid van het spoorwegverkeer in gevaar brengt, neemt hij de nodige maatregelen met inbegrip van de preventieve schorsing van de veiligheidsfuncties. De praktische modaliteiten verbonden aan de preventieve schorsing van de veiligheidsfuncties worden bepaald door de Koning. §
- Wanneer de spoorweginfrastructuurbeheerder de maatregelen neemt bedoeld in §§ 2 en 3, brengt hij onmiddellijk, en uiterlijk de volgende werkdag, de veiligheidsinstantie op de hoogte. §
- Teneinde de vaststellingen bedoeld in §§ 2 en 3 te doen, kan de spoorweginfrastructuurbeheerder : 1° de identiteit en de documenten die de certificering van het veiligheidspersoneel attesteren, controleren;2° de staat van het rollend materieel controleren en dit betreden. De Koning bepaalt het model van legitimatiekaart die voorgelegd wordt bij deze controles. §
- De veiligheidsinstantie kan bij een met redenen omklede beslissing, opleggen aan de spoorweginfrastructuurbeheerder dat hij de toekomstige gevolgen van de maatregel, genomen overeenkomstig § 2, opheft of dat hij deze maatregel moduleert, indien zij meent dat deze niet aangepast en/of duidelijk buiten verhouding is. Art. 71.De Koning en, in voorkomend geval, de spoorweginfrastructuurbeheerder zorgt voor de aanpassing van de nationale veiligheidsvoorschriften die vastgesteld werden op grond van artikel 68, §§ 1 tot 3, aan de GVD en de GVM naarmate ze worden aangenomen. HOOFDSTUK
- - Veiligheidsinstantie Afdeling
- - Aanwijzing Art. 72.De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de veiligheidsinstantie aan. Art. 73.§
- Teneinde de veiligheidsinstantie in staat te stellen de taken, verantwoordelijkheden en verplichtingen op zich te nemen die het door de bepalingen van deze Spoorcodex worden opgelegd, kunnen statutaire personeelsleden van de NMBS Holding met hun instemming worden overgeplaatst naar de veiligheidsinstantie volgens de nadere regels bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Deze overplaatsingen zijn geen nieuwe benoemingen. De betrokken personeelsleden behouden onder andere hun administratieve en geldelijke anciënniteit, hun laatste signalement of evaluatie en hun titel en graad, of krijgen een gelijkwaardige titel en graad toegekend. De administratieve en geldelijke toestand, alsook het pensioenstelsel van de personeelsleden afkomstig van de NMBS-Holding, kunnen op geen enkel ogenblik minder gunstig zijn dan de toestand die zij zouden gekend hebben indien zij personeelsleden van de NMBS-Holding zouden zijn gebleven. Onder geldelijke toestand wordt verstaan, al wat in de ruime zin op de bezoldiging betrekking heeft, onder andere de wedde, het vakantiegeld, de toelagen, de vergoedingen, de premies en de sociale voordelen van alle aard. Ieder overgeplaatst personeelslid kan op elk ogenblik, met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden, verzoeken een einde te maken aan zijn overplaatsing en opnieuw te worden opgenomen in de personeelsformatie van de NMBS-Holding. §
- In afwijking van § 1 heeft de leiding van de veiligheidsinstantie geen enkele band meer met de NMBS-Holding en kan niet meer genieten van de rechten en voordelen toegekend aan de statutaire personeelsleden van de NMBS-Holding krachtens de leden 1 tot 4 van §
- De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van het begrip « leiding » van de veiligheidsinstantie bedoeld in deze paragraaf. Afdeling
- - Taken Art. 74.§
- De taken van de veiligheidsinstantie zijn de volgende : 1° de toelating tot ingebruikname van de subsystemen van structurele aard die samen het spoorwegsysteem vormen en het controleren of deze subsystemen worden geëxploiteerd en onderhouden overeenkomstig de essentiële eisen die erop betrekking hebben;2° de controle van de overeenstemming van de interoperabiliteitsonderdelen met de essentiële eisen;3° de toelating tot ingebruikname van voertuigen;4° de afgifte, vernieuwing, wijziging en intrekking van de veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen die zijn toegekend overeenkomstig hoofdstuk 4 met inbegrip van de controle van de voorwaarden en eisen die daarin zijn vervat en de overeenstemming van de activiteiten van de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen met de eisen die voor het bekomen van vergunning of certificaat worden gesteld;5° de aflevering van een eensluidend advies aangaande de andere nationale veiligheidsvoorschriften zoals bedoeld in artikel 68, § 3;6° de controle op de naleving van de veiligheidsvoorschriften;7° het bijwerken en aanpassen van het nationaal voertuigenregister, ervoor zorgend dat de voertuigen terdege ingeschreven zijn in het nationaal voertuigenregister en dat de daarin vervatte informatie juist is en bijgewerkt wordt;8° het nazien van de conformiteit van de verleende opleidingsdiensten met de veiligheidseisen bepaald in de TSI's of in de door de Koning vastgestelde voorschriften;9° de taken betreffende de certificering van de treinbestuurders bedoeld door de voorschriften genomen overeenkomstig artikel 68, § 1, 3° ;10° de taken betreffende de certificering van de treinbestuurders bedoeld in titel 5;11° de certificering van treinbegeleiders;12° de controle van de doeltreffendheid van het remsysteem van rollend spoormaterieel als bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar;13° het opleggen van bestuurlijke boetes;14° de controle, de bevordering en, in voorkomend geval, de handhaving en de ontwikkeling van het regelgevend kader voor veiligheid, inclusief het stelsel van nationale veiligheidsvoorschriften en de regels inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor;15° de handhaving van de bepalingen betreffende de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten. §
- Het bezitten van de hoedanigheid van personeelsleden van de veiligheidsinstantie, wordt ter kennis gebracht van derden aan de hand van een legitimatiekaart waarvan de Koning het model bepaalt. Art. 75.De veiligheidsinstantie kan, in uitvoering van haar taken bedoeld in artikel 74, al de noodzakelijke maatregelen nemen, met inbegrip van het verbod voor materieel of veiligheidspersoneel om te rijden en zij kan de noodzakelijke inspecties en onderzoeken verrichten die nodig zijn om haar taken te vervullen. Art. 76.§
- De veiligheidsinstantie kan een bestuurlijke boete opleggen aan een spoorwegonderneming, aan de spoorweginfrastructuurbeheerder en aan de houder, in geval van een inbreuk als bedoeld in de artikelen 214 en
- §
- Een personeelslid bedoeld in artikel 213, § 1, stelt in geval van een in de artikelen 214 et 215 bedoelde inbreuk, een rapport op. Het rapport is gedagtekend en vermeldt minstens : 1° de naam van de vermoedelijke overtreder;2° de inbreuk;3° de plaats waar en het tijdstip waarop de inbreuk is geconstateerd. Het rapport wordt onmiddellijk bezorgd aan de leiding van de veiligheidsinstantie. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan de vermoedelijke overtreder toegezonden. §
- De leiding brengt de vermoedelijke overtreder binnen vijftien dagen na de dagtekening van het rapport op de hoogte van het voornemen om een bestuurlijke boete op te leggen. De leiding kan deze termijn verlengen voor zover zij dit noodzakelijk acht met het oog op de uitoefening van de opdrachten en bevoegdheden van de veiligheidsinstantie. Bovendien kan de leiding deze termijn verlengen indien zij de vermoedelijke overtreder een termijn toestaat om een einde te maken aan de inbreuk. De kennisgeving geschiedt bij aangetekende zending of op de door de Koning bepaalde wijze en vermeldt op straffe van nietigheid het in overweging genomen bedrag van de bestuurlijke boete, alsook de naam van de vermoedelijke overtreder. Deze kennisgeving kan slechts handelen over feiten die niet langer dan vijf jaar voor de dag van het versturen van de aangetekende zending begaan zouden zijn. §
- De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de kennisgeving van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. Indien de vermoedelijke overtreder geen zetel in België heeft, wordt deze termijn met vijftien dagen verlengd. Tevens wordt de vermoedelijke overtreder erop gewezen dat hij : 1° op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen;2° mondeling zijn schriftelijke verweer kan toelichten.De vermoedelijke overtreder richt daartoe aan de veiligheidsinstantie een schriftelijke aanvraag binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving. De vermoedelijke overtreder kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat en kan getuigen oproepen. Indien de vermoedelijke overtreder van oordeel is dat hij te weinig tijd heeft om zich te verdedigen, richt hij een met redenen omkleed verzoek aan de veiligheidsinstantie die binnen vijftien dagen hierover beslist. Indien de veiligheidsinstantie binnen vijfenveertig dagen hierover geen beslissing neemt, wordt het verzoek geacht ingewilligd te zijn. De in § 6 bedoelde termijn wordt geschorst voor de duur van de verlenging van de termijn bedoeld in dit lid. De veiligheidsinstantie stelt zich loyaal en onpartijdig op bij het verzamelen en meedelen van de bewijzen à charge en de bewijzen à décharge. §
- Als een bestuurlijke boete wordt opgelegd, wordt het bedrag ervan afgestemd op de ernst van de inbreuk en de mate waarin deze aan de overtreder wordt verweten. Tevens wordt rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder de inbreuk heeft gepleegd. Indien op het moment van de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete de feiten geen inbreuk, zoals bedoeld in de artikelen 214 en 215, meer uitmaken, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd. De eerste twee leden van deze paragraaf zijn van toepassing in geval van het in artikel 221/3 bedoelde beroep. §
- De bevoegdheid van de veiligheidsinstantie tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt twee jaar nadat de veiligheidsinstantie de in § 3 bedoelde kennisgeving heeft verzonden. Art. 77.De veiligheidsinstantie verricht haar taken op een open, niet-discriminerende en transparante wijze. Zij geeft in het bijzonder alle partijen de gelegenheid te worden gehoord en zij motiveert haar besluiten. Zij antwoordt snel op de verzoeken en vragen om inlichtingen en neemt al haar besluiten binnen de vier maanden nadat alle gevraagde inlichtingen werden verstrekt. De Koning kan in bijzondere gevallen deze termijn inkorten. De in artikel 74 bedoelde taken mogen niet worden overgedragen of uitbesteed aan een spoorweginfrastructuurbeheerder, een spoorwegonderneming of een aanbestedende dienst. Zij kan voor de uitvoering van de in artikel 74, 1° tot 8°, 14° en 15° bedoelde taken te allen tijde de technische bijstand vorderen van de spoorweginfrastructuurbeheerder, de spoorwegondernemingen of andere door de veiligheidsinstantie gekozen gekwalificeerde instanties. Indien het voor de uitvoering van de in artikel 74, 1°, 2°, 4°, 6° en 14° bedoelde taken noodzakelijk blijkt, gelasten de leden van de veiligheidsinstantie of de door haar gemandateerde personen de spoorweginfrastructuurbeheerder met het nemen van geschikte maatregelen om de veiligheid van het spoorwegverkeer te garanderen in functie van de te realiseren werkzaamheden.Deze maatregelen kunnen het verbod inhouden van spoorwegverkeer naar één of meerdere sporen. De veiligheidsinstantie en de infrastructuurbeheerder sluiten een protocol met betrekking tot de maatregelen bedoeld in het vijfde lid. De veiligheidsinstantie werkt samen met de veiligheidsinstanties van de andere lidstaten. De samenwerking heeft in het bijzonder tot doel het vergemakkelijken en coördineren van de veiligheidscertificering van spoorwegondernemingen die internationale treinpaden toegewezen hebben gekregen volgens de procedure voorzien in artikel
- Afdeling
- - Jaarverslag Art. 78.Elk jaar publiceert de veiligheidsinstantie een verslag over haar activiteiten van het vorige jaar en zij zendt het uiterlijk 30 september toe aan het Bureau. Het verslag bevat informatie over : a) de evolutie van de veiligheid op het spoor, met inbegrip van een inventaris van de in bijlage 4 beschreven gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren;b) belangrijke wijzigingen in de wetgeving en de reglementering betreffende de veiligheid op de spoorwegen;c) de ontwikkeling van de veiligheidscertificering en de veiligheidsvergunning;d) de resultaten van het bij de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen uitgeoefende toezicht en de eruit getrokken conclusies, met name op basis van de verslagen bedoeld in artikel 93;e) de afwijkingen waartoe overeenkomstig artikel 109 werd besloten;f) de toepassing van gemeenschappelijke veiligheidsmethodes bij de analyse en evaluatie van risico's. De Koning kan een model van verslag bepalen dat de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen moeten gebruiken en bijkomende inhoudelijke elementen voorschrijven. Afdeling
- - Vergoeding voor prestaties Art. 79.§
- De aanvrager van een toelating als bedoeld in artikel 74, 1° en 3° is, als deelneming in de kosten van het onderzoek door de veiligheidsinstantie, een aan de kostprijs van dat onderzoek gerelateerde retributie verschuldigd. De retributie bedoeld in het eerste lid, voor de aan de veiligheidsinstantie gevraagde dienst, wordt berekend per aangevatte halve dag. De vergoeding voor een halve dag bedraagt 375 euro en wordt geïndexeerd. §
- De aanvrager van een toelating als bedoeld in artikel 74, 1° of 3° is, als deelneming in de administratieve kosten van de veiligheidsinstantie, voor de aflevering van die toelating een geïndexeerde retributie verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 750 euro. §
- In geval van niet-betaling van de in §§ 1 en 2 bedoelde retributies, wordt de toelating ingetrokken na ingebrekestelling. Art. 80.§
- De spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen zijn, als deelneming in de administratieve kosten van de veiligheidsinstantie voor de certificering als bedoeld in artikel 74, 9° en 11° per personeelslid dat een vergunning heeft op 1 januari van het lopende jaar, een jaarlijkse, geïndexeerde retributie verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 20 euro. In geval van niet-betaling van de in het eerste lid bedoelde retributie, is de vergunning van de betrokken personeelsleden niet meer geldig. §
- De aanvrager is als deelneming in de administratieve kosten van de veiligheidsinstantie voor de opdrachten bedoeld in artikel 142, § 1, 1°, een geïndexeerde retributie verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 100 euro voor de initiële afgifte, inclusief bijwerking en wijziging van de vergunningen. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 100 euro voor de verlenging, inclusief bijwerking en wijziging van de vergunningen. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 40 euro voor de afgifte van duplicaten. §
- De personen of instellingen, bedoeld in artikel 142, § 1, 4°, zijn als deelneming in de kosten voor het onderzoek van het dossier door de veiligheidsinstantie, een geïndexeerde retributie verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 2.000 euro voor de spoorwegondernemingen die hun eigen personeel opleiden. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 2.500 euro voor de spoorwegondernemingen die hun eigen personeel en derden opleiden. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 2.500 euro voor de andere ondernemingen of instellingen. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 50 euro voor de initiële afgifte, inclusief de bijwerking, van de erkenning als examinator door de veiligheidsinstantie, met uitzondering van de door de opleidingscentra erkende examinatoren. §
- De personen of instellingen, bedoeld in artikel 142, § 1, 9°, zijn als deelneming in de kosten voor het onderzoek van het dossier door de veiligheidsinstantie, een geïndexeerde retributie verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 2.000 euro voor een persoon en op 2.500 euro voor een instelling. Art. 81.§
- De houder van een voertuig dat op 1 januari van het lopende jaar voorkomt in het nationaal voertuigenregister is, als deelneming in de kosten van de veiligheidsinstantie, een jaarlijkse geïndexeerde retributie voor dat voertuig verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 2 euro. §
- Ingeval van niet-betaling van de retributies wordt het voertuig uit het register geschrapt. De retributies worden niet teruggestort bij de schrapping van de inschrijving of bij de stopzetting van het gebruik van het materieel. Art. 82.De aanvrager van een controle van de doeltreffendheid van het remsysteem van rollend spoormaterieel als bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar is, als deelneming in de kosten van de controle door de veiligheidsinstantie, een geïndexeerde retributie verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 280 euro. Art. 83.§
- De aanvrager van een controle zoals bedoeld in artikel 107, tweede lid, is als deelneming in de kosten van de controle door de veiligheidsinstantie, een geïndexeerde retributie verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 2.000 euro. §
- De conformiteit met de vereisten bedoeld in artikel 107, tweede lid, wordt vermeld in de veiligheidsvergunning voor de spoorweginfrastructuurbeheerder of in het veiligheidscertificaat voor de spoorwegonderneming, zodra de betaling van de in § 1 bedoelde retributie werd uitgevoerd. Art. 84.§
- Elk jaar op 1 januari, worden de retributies bedoeld in de artikelen 79 tot en met 83 aangepast aan de gezondheidsindex volgens de volgende formule : het basisbedrag zoals vastgesteld in deze artikelen, vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de oorspronkelijke index. De nieuwe index is de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bedragen overeenkomstig het eerste lid zullen worden aangepast. De oorspronkelijke index is de gezondheidsindex van november
- Het bekomen resultaat wordt afgerond naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro indien dit deel kleiner is dan vijftig cent. §
- De in de artikelen 79 tot en met 83 bedoelde retributies worden betaald aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de uitnodiging tot betaling en volgens de instructies die in die uitnodiging zijn opgenomen. §
- In het geval van de in artikel 80, § 3 bedoelde retributie begint de in artikel 77, tweede lid, bedoelde termijn te lopen vanaf de ontvangstdatum van de betaling en voor zover het dossier volledig is. Art. 85.§
- De aanvrager van een veiligheidscertificaat deel A of deel B is als deelneming in de kosten van de veiligheidsinstantie voor het onderzoek van het dossier een geïndexeerde retributie verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 5.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel A. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 2.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die op jaarbasis minder dan 200 miljoen reizigers-kilometers presteert. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 10.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die op jaarbasis 200 miljoen reizigers-kilometers of meer presteert. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 2.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die, op jaarbasis, minder dan 500 miljoen ton-kilometers goederenvervoer presteert. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 10.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die, op jaarbasis, 500 miljoen ton-kilometers of meer goederenvervoer presteert. Voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die zowel reizigers als goederen vervoert, worden de bedragen die overeenkomstig het derde tot het zesde lid van toepassing zijn, opgeteld. §
- De aanvrager van een veiligheidsvergunning is als deelneming in de kosten van de veiligheidsinstantie voor het onderzoek van het dossier een geïndexeerde retributie verschuldigd. De in het eerste lid bedoelde retributie is vastgesteld op 25.000 euro. §
- Het bedrag van de in §§ 1 en 2 bedoelde retributies wordt gekoppeld aan de gezondheidsindex van november
- Voor de volgende jaren wordt het totale bedrag jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van november van het jaar voorafgaand aan het betrokken jaar. De retributies worden betaald aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de factuur en volgens de instructies die in die factuur zijn opgenomen. De retributies worden niet teruggestort bij intrekking van het veiligheidscertificaat deel A, van het veiligheidscertificaat deel B of van de veiligheidsvergunning of bij stopzetting van de activiteiten waarvoor deze certificaten of deze vergunning gelden. Art. 86.§
- De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B die gebruik maken van het netwerk zijn, als deelneming in de kosten van de veiligheidsinstantie voor het toezicht op de veiligheid van het spoorwegvervoer en de ontwikkeling van de regelgeving, een jaarlijkse retributie verschuldigd. De Koning bepaalt het bedrag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Per kwartaal is één vierde van het jaarbedrag verschuldigd. De retributie wordt verdeeld over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B. Het aandeel van de houder van een veiligheidsvergunning is dertig procent van het totale bedrag. Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B is zeventig procent van het globale bedrag. Dat aandeel wordt verdeeld over de houders in verhouding tot het aantal trein-kilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het kwartaal dat afgesloten werd drie maanden voor het kwartaal waarop de retributie betrekking heeft. Onmiddellijk na afsluiting van elk kwartaal, worden de trein-kilometers, gepresteerd door elke houder van een veiligheidscertificaat deel B, aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer meegedeeld door de houder van de veiligheidsvergunning. §
- In geval van niet-betaling kan de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat worden geschorst. Art. 87.
- De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B die gebruik maken van het netwerk zijn, met het oog op de dekking van de kosten van het onderzoeksorgaan voor het onderzoek van ongevallen en van het algemeen veiligheidsniveau, een jaarlijkse retributie verschuldigd §
- De Koning bepaalt het bedrag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Per kwartaal is één vierde van het jaarbedrag verschuldigd. §
- De retributie wordt omgeslagen over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B. Het aandeel van de houder van een veiligheidsvergunning is dertig procent van het totale bedrag. Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B is zeventig procent van het totale bedrag. Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B wordt verdeeld over de houders in verhouding tot het aantal trein-kilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het kwartaal dat afgesloten werd drie maanden voor het kwartaal waarop de retributie betrekking heeft. Onmiddellijk na afsluiting van elk kwartaal worden de trein-kilometers, gepresteerd door elke houder van een veiligheidscertificaat deel B, aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer meegedeeld door de houder van de veiligheidsvergunning. §
- In geval van niet-betaling kan de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat worden geschorst. Art. 88.§
- De houder van de veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B betalen de in artikel 86 en 87 bedoelde retributies aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer bij het begin van het kwartaal, ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de factuur en volgens de instructies die in die factuur zijn opgenomen. §
- In geval van niet-betaling kan de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat worden geschorst. HOOFDSTUK
- - Veiligheidsbeheersystemen Art. 89.De spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen zetten hun veiligheidsbeheersysteem op met eerbiediging van de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen, de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 68, de in de TSI vastgelegde veiligheidseisen en de relevante elementen van de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden. Art. 90.Het veiligheidsbeheersysteem voldoet aan de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 68 en aan de in de TSI vastgelegde veiligheidseisen en bevat de in bijlage 5 beschreven elementen, aangepast volgens de aard, het belang en andere kenmerken van de uitgeoefende activiteit. Het systeem waarborgt de beheersing van alle risico's die de activiteiten van de spoorweginfrastructuurbeheerder of van de spoorwegonderneming met zich brengen, met inbegrip van het verstrekken van onderhoud en materieel en het inzetten van aannemers. Onverminderd de nationale en internationale wetgeving inzake aansprakelijkheid, houdt het veiligheidsbeheersysteem naargelang het geval en binnen de grenzen van het redelijke ook rekening met de risico's die voortvloeien uit de activiteiten van andere partijen. Art. 91.Het veiligheidsbeheersysteem van de spoorweginfrastructuurbeheerder houdt rekening met de weerslag van de activiteiten van de verschillende spoorwegondernemingen op het netwerk en bevat bepalingen die alle spoorwegondernemingen in staat stellen te handelen overeenkomstig de TSI, de veiligheidsvoorschriften en de in hun veiligheidscertificaat bepaalde voorwaarden. Het heeft bovendien tot doel de noodprocedures van de spoorweginfrastructuurbeheerder te coördineren met alle spoorwegondernemingen die zijn infrastructuur gebruiken. Art. 92.De spoorweginfrastructuurbeheerder en spoorwegondernemingen dienen elk jaar voor 30 juni bij de veiligheidsinstantie een verslag in over de veiligheid tijdens het vorige kalenderjaar. Het veiligheidsverslag bevat : a) inlichtingen over de wijze waarop de spoorweginfrastructuurbeheerder of de spoorwegonderneming zijn eigen veiligheidsdoelen verwezenlijkt en de resultaten van de veiligheidsplannen;b) de ontwikkeling van nationale veiligheidsindicatoren en van de in bijlage 4 gedefinieerde gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren, voor zover deze voor de rapporterende organisatie van belang is;c) de resultaten van de interne veiligheidsaudits;d) opmerkingen over functionele tekortkomingen en gebreken in de spoorwegactiviteiten en in het infrastructuurbeheer, die voor de veiligheidsinstantie van belang kunnen zijn. De Koning kan een model voor het verslag van de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen bepalen en bijkomende inhoudelijke elementen voorschrijven. Art. 93.§
- Ingeval van een ernstig ongeval stelt de spoorweginfrastructuurbeheerder onmiddellijk het onderzoeksorgaan, de minister, de veiligheidsinstantie en gerechtelijke instanties op de hoogte. Daarnaast verzenden de spoorweginfrastructuurbeheerder, de spoorwegonderneming en, in voorkomend geval, de veiligheidsinstantie, aan het onderzoeksorgaan onmiddellijk de informatie over het zich voordoen van een voorval beschreven in bijlage
- De wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan het onderzoeksorgaan wordt meegedeeld, wordt door haar bepaald en wordt bekendgemaakt. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder stuurt dagelijks aan het onderzoeksorgaan, op door deze laatste bepaalde wijze, het relaas van alle gebeurtenissen die, op het eerste gezicht, een ongeval of ongevallen of een incident of incidenten met betrekking of met een weerslag op de exploitatieveiligheid uitmaken en die zich de voorbije vierentwintig uur op het spoorwegnetwerk voordeden. §
- Elk exploitatieongeval en -incident of met een weerslag op de exploitatie wordt gerangschikt overeenkomstig de criteria bepaald door de Koning en maakt het voorwerp uit van een verslag waarvan door de spoorweginfrastructuurbeheerder en/of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming een kopie bezorgd wordt aan het onderzoeksorgaan, binnen de drie werkdagen en volgens de door dit orgaan bepaalde modaliteiten. De verbeteringen, herzieningen en/of aanvullende inlichtingen die niet beschikbaar zijn binnen de drie dagen moeten, zodra deze beschikbaar zijn, aan het onderzoeksorgaan worden overgemaakt, volgens de door dit orgaan bepaalde modaliteiten. De spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming volgen voor de opmaak van hun verslag, de criteria bepaald door de Koning. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder en/of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming maken zo vlug mogelijk en, in de mate van het mogelijke, uiterlijk binnen de 10 maanden na de datum waarop het voorval zich heeft voorgedaan, aan het onderzoeksorgaan hun volledig verslag van het onderzoek aangaande de voorvallen beschreven in bijlage 7 over. De spoorweginfrastructuurbeheerder en/of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming maken, op vraag van het onderzoeksorgaan, de verslagen van het onderzoek over met betrekking tot andere voorvallen. §
- De spoorweginfrastructuurbeheerder en spoorwegondernemingen dienen elk jaar vóór 30 juni bij het onderzoekorgaan en bij de veiligheidsinstantie een verslag in over de veiligheid tijdens het vorige kalenderjaar. Het veiligheidsverslag bevat : a) inlichtingen over de wijze waarop de spoorweginfrastructuurbeheerder of de spoorwegonderneming zijn eigen veiligheidsdoelen verwezenlijkt en de resultaten van de veiligheidsplannen;b) de bijwerking van nationale veiligheidsindicatoren en van de in bijlage I gedefinieerde gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren, voor zover deze voor de rapporterende organisatie van belang is;c) de resultaten van de interne veiligheidsaudits;d) opmerkingen over functionele tekortkomingen en gebreken in de spoorwegactiviteiten en in het infrastructuurbeheer, die voor de veiligheidsinstantie van belang kunnen zijn. De Koning kan een model voor het verslag van de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen bepalen en bijkomende inhoudelijke elementen voorschrijven. Art. 94.Onverminderd de burgerlijke aansprakelijkheid volgens de wettelijke voorschriften, wordt elke spoorweginfrastructuurbeheerder en spoorwegonderneming verantwoordelijk gesteld voor zijn deel van het systeem en zijn veilige werking, met inbegrip van de levering van materiaal en het uitbesteden van diensten ten opzichte van gebruikers, afnemers, de betrokken werknemers en derden. Dit laat echter de verantwoordelijkheid van elke fabrikant, elke leverancier van onderhoudsdiensten, houder, dienstverlener en aankoopeenheid onverlet om rollend materieel, installaties, toebehoren en materialen te leveren, alsmede diensten te verrichten die voldoen aan de voorgeschreven eisen en gebruiksvoorwaarden, zodat zij door de spoorwegondernemingen en/of spoorweginfrastructuurbeheerder bij de exploitatie veilig kunnen worden ingezet. HOOFDSTUK
- - Veiligheidsvergunning en veiligheidscertificaat Afdeling
- - Veiligheidsvergunning van de spoorweginfrastructuurbeheerder Art. 95.§
- Om de spoorweginfrastructuur te kunnen beheren en exploiteren, moet de spoorweginfrastructuurbeheerder beschikken over een veiligheidsvergunning, afgeleverd door de veiligheidsinstantie. §
- De veiligheidsvergunning omvat : a) de bevestiging dat het veiligheidsbeheersysteem van de spoorweginfrastructuurbeheerder zoals beschreven in artikel 91 en bijlage 5, is aanvaard;b) de bevestiging dat de voorzieningen die de spoorweginfrastructuurbeheerder heeft getroffen om te voldoen aan de specifieke vereisten van een veilig ontwerp, een veilig onderhoud en een veilige exploitatie van de spoorweginfrastructuur, met inbegrip van, indien nodig, het onderhoud en de exploitatie van het verkeersregelings- en seinsysteem, zijn goedgekeurd. Art. 96.De veiligheidsvergunning is vijf jaar geldig en kan op verzoek van de spoorweginfrastructuurbeheerder worden vernieuwd. Zij wordt geheel of gedeeltelijk bijgewerkt wanneer de infrastructuur, het seinsysteem, de energievoorziening of de beginselen die van toepassing zijn op de exploitatie en het onderhoud ervan, ingrijpend veranderen. De houder van de veiligheidsvergunning stelt de veiligheidsinstantie onverwijld van die ingrijpende wijzigingen in kennis. De veiligheidsinstantie kan eisen dat de veiligheidsvergunning wordt herbekeken indien de voorschriften zoals bedoeld in artikel 68, §§ 1 en 2 ingrijpend veranderen. Wanneer een vergunde spoorweginfrastructuurbeheerder niet langer aan de voorwaarden voor het bekomen van de veiligheidsvergunning voldoet, kan de vergunning worden ingetrokken. Art. 97.De veiligheidsinstantie deelt aan het Bureau binnen de maand de afgifte, de vernieuwing, de wijziging of de intrekking van de veiligheidsvergunning mee. De kennisgeving vermeldt de naam en het adres van de spoorweginfrastructuurbeheerder, de afgiftedatum, de werkingssfeer en de geldigheidsduur van de veiligheidsvergunningen en, in geval van intrekking, de redenen daarvoor. Art. 98.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de veiligheidsvergunning wordt aangevraagd, afgeleverd, bijgewerkt, verlengd en ingetrokken. Afdeling
- - Veiligheidscertificaat van spoorwegondernemingen Art. 99.§
- Om toegang te krijgen tot de spoorweginfrastructuur moet een spoorwegonderneming onder meer beschikken over een veiligheidscertificaat overeenkomstig deze afdeling. Het veiligheidscertificaat is het bewijs dat de spoorwegonderneming haar veiligheidsbeheersysteem heeft tot stand gebracht en in staat is te voldoen aan de eisen die in de TSI, in andere relevante Europese bepalingen en in de veiligheidsvoorschriften zijn vastgelegd teneinde de risico's te beheersen en het netwerk veilig te gebruiken. Het veiligheidscertificaat kan voor het gehele Belgische spoorwegnetwerk of enkel een welbepaald deel hiervan gelden. §
- Het veiligheidscertificaat omvat twee delen : a) een certificering die bevestigt dat het veiligheidsbeheersysteem van de spoorwegonderneming is goedgekeurd;b) een certificering die bevestigt dat de voorzieningen die de spoorwegonderneming heeft getroffen om te voldoen aan de specifieke eisen die noodzakelijk zijn om veilig op het betrokken netwerk haar diensten te kunnen verlenen, zijn aanvaard. De eisen kunnen betrekking hebben op de toepassing van de TSI's en de veiligheidsvoorschriften met inbegrip van de regels betreffende de exploitatie van het netwerk, de aanvaarding van de documenten houdende vaststelling van de certificering van het personeel, met inbegrip van de vergunningen en de bevoegdheidsbewijzen van de treinbestuurders, en de toelating tot ingebruikname van door spoorwegondernemingen gebruikte voertuigen. Art. 100.De certificering die de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 99, § 2, a) verleent aan de in België gevestigde spoorwegonderneming vermeldt het type en de draagwijdte van de spoorwegactiviteiten die ze bevat. De overeenkomstig artikel 99, § 2, a) verleende certificering is geldig in de hele Europese Unie voor evenwaardige spoorwegvervoersactiviteiten. Art. 101.De in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde spoorwegonderneming die voornemens is spoorwegvervoerdiensten te exploiteren op het Belgische netwerk moet van de veiligheidsinstantie de in artikel 99, § 2, b) bedoelde vereiste aanvullende nationale certificering hebben ontvangen. De overeenkomstig artikel 99, § 2, b) toegekende certificering vermeldt de lijnen van het netwerk waarvoor zij geldt. Art. 102.Het veiligheidscertificaat is drie jaar geldig en kan worden vernieuwd. Het wordt geheel of gedeeltelijk bijgewerkt bij elke substantiële wijziging van het type of de draagwijdte van de activiteiten. De houder van het veiligheidscertificaat geeft de veiligheidsinstantie onverwijld kennis van alle belangrijke wijzigingen in de voorwaarden van het betrokken gedeelte van het veiligheidscertificaat. Voorts licht hij de veiligheidsinstantie in over het inzetten van nieuwe categorieën personeel of van nieuwe soorten rollend materieel. De veiligheidsinstantie kan eisen dat het betrokken gedeelte van het veiligheidscertificaat wordt herzien wanneer de voorschriften zoals bedoeld in artikel 68, §§ 1 tot 3, ingrijpend zijn gewijzigd. Wanneer de houder van een veiligheidscertificaat niet langer aan de eisen voldoet, wordt deel a) en/of b) van het certificaat ingetrokken. Wanneer deel b) wordt ingetrokken, moet de veiligheidsinstantie die deel a) van het certificaat heeft afgeleverd onverwijld op de hoogte worden gebracht. Wanneer blijkt dat de houder van het veiligheidscertificaat gedurende het jaar dat volgt op de afgifte, er niet het bedoelde gebruik van heeft gemaakt, wordt het certificaat ingetrokken. Art. 103.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de aanvraag, het onderzoek, de afgifte, de vernieuwing en de intrekking van het veiligheidscertificaat. Art. 104.De veiligheidsinstantie deelt aan het Bureau binnen de maand de afgifte, de vernieuwing, de wijziging of de intrekking van de in artikel 99 bedoelde veiligheidscertificaten mee. De kennisgeving vermeldt de naam en het adres van de spoorwegondernemingen, de afgiftedatum, de werkingssfeer en de geldigheidsduur van het veiligheidscertificaat en, in geval van intrekking, de redenen voor die beslissing. HOOFDSTUK
- - Onderhoud van voertuigen Art. 105.Elk voertuig krijgt, voordat het in dienst wordt gesteld of op het netwerk wordt gebruikt, door de houder een met het onderhoud belaste entiteit toegewezen. Die entiteit wordt in het NVR ingeschreven. Onder meer een spoorwegonderneming, een spoorweginfrastructuurbeheerder of een houder kunnen een met het onderhoud belaste entiteit zijn. Art. 106.Los van de verantwoordelijkheid van de spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerder voor de veilige werking van een trein, zoals bedoeld in artikel 94, zorgt de met het onderhoud belaste entiteit er door middel van een onderhoudssysteem voor dat de voertuigen waarvan zij met het onderhoud belast is, in een veilige staat van werking zijn. Te dien einde zorgt de met het onderhoud belaste entiteit ervoor dat de voertuigen worden onderhouden in overeenstemming met : 1° het onderhoudsdossier van elk voertuig en;2° de geldende voorschriften met inbegrip van de onderhoudsregels en de bepalingen met betrekking tot de TSI's. Het onderhoud wordt uitgevoerd door de met het onderhoud belaste entiteit of wordt door haar uitbesteed. Art. 107.Voor wat goederenwagons betreft, wordt elke met het onderhoud belaste entiteit gecertificeerd door een organisatie die werd geaccrediteerd conform de procedure voorzien in het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling. In afwijking van het eerste lid, wordt de naleving van de voorschriften vastgesteld in de Verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie van 10 mei 2011 betreffende een systeem voor de certificering van met het onderhoud van goederenwagons belaste entiteiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 653/2007, gecontroleerd door de veiligheidsinstantie in overeenstemming met de procedures bedoeld in titel 4, hoofdstuk 4, indien de met het onderhoud belaste entiteit een spoorwegonderneming of een spoorweginfrastructuurbeheerder is. De naleving van deze voorschriften wordt bevestigd in het kader van de veiligheidsvergunning voor de spoorweginfrastructuurbeheerder en in het kader van het veiligheidscertificaat voor de spoorwegonderneming. Art. 108.De overeenkomstig de Richtlijn 2004/49/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (spoorwegveiligheidsrichtlijn) door andere lidstaten afgegeven certificaten zijn geldig op het Belgisch grondgebied. Art. 109.In de volgende gevallen kan de Koning bepalen dat aan de hand van alternatieve maatregelen mag worden voldaan aan de verplichting om de met het onderhoud belaste entiteit aan te wijzen en te certificeren : 1° voertuigen die in een derde land geregistreerd zijn en die worden onderhouden overeenkomstig de wetgeving van dat land;2° voertuigen die gebruikt worden op netwerken of spoorweglijnen waarvan de spoorbreedte verschilt van die van het algemene spoorwegnetwerk binnen de Unie en waarvoor aan de in artikel 106, eerste lid, 2° vermelde voorschriften wordt voldaan door middel van internationale overeenkomsten met derde landen;3° in artikel 2 bedoelde voertuigen evenals bijzonder transport of militair materieel waarvoor de nationale veiligheidsinstantie vóór de indienststelling een ad hoc-vergunning moet afleveren.In dit geval worden de afwijkingen toegestaan voor periodes van maximaal vijf jaar. Deze andere vereisten worden uitgevoerd middels door de veiligheidsinstantie toe te kennen afwijkingen : 1° op het moment van de registratie van voertuigen, wat de aanwijzing van de met het onderhoud belaste entiteit betreft;2° op het moment van de afgifte van de veiligheidsvergunning en van de veiligheidscertificaten aan de spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerders, voor wat de aanwijzing of de certificering van de met het onderhoud belaste entiteit betreft. De in het tweede lid bedoelde afwijkingen worden kenbaar gemaakt en gerechtvaardigd in het jaarlijkse veiligheidsverslag, bedoeld in artikel
- HOOFDSTUK
- - Onderzoeken naar spoorwegongevallen en -incidenten Afdeling
- - Aanwijzing van een onderzoeksorgaan Art. 110.De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het onderzoeksorgaan aan. Het onderzoeksorgaan bestaat uit ten minste één onderzoeker die bekwaam is om de functie van hoofdonderzoeker te vervullen bij een ongeval, een ernstig ongeval of een incident. Voorts is het functioneel onafhankelijk van de veiligheidsinstantie, van elk orgaan voor spoorwegregelgeving of elke andere instantie w
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.