← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake

Kort samengevat

Dit besluit wijzigt verschillende bestaande Vlaamse regeringsbesluiten over milieuhygiëne, bodemsanering, milieubeleid, en het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het doel is onder meer om Europese richtlijnen, zoals die over de vermindering van kunststofproducten, om te zetten in Vlaamse wetgeving.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst

22 DECEMBER

  1. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het VLAREL van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen De Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Raad van State, afdeling Wetgeving Advies 74.551/1 van 25 oktober 2023 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het VLAREL van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen' Op 25 september 2023 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het VLAREL van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen'. Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 19 oktober
  2. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Brecht STEEN en Tim CORTHAUT, staatsraden, Michel TISON en Johan PUT, assessoren, en Greet VERBERCKMOES, griffier. Het verslag is uitgebracht door Kristine BAMS, eerste auditeur-afdelingshoofd. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 25 oktober
  3. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.

(1)STREKKING VAN HET ONTWERP
  1. Het om advies voorgelegde ontwerp komt neer op een verzamelbesluit waarin diverse wijzigingen worden aangebracht in een vijftal besluiten van de Vlaamse Regering op het vlak van milieubeleid, afvalverwerking en bodemsanering.Daarbij wordt voorzien in de omzetting in het interne recht van bepaalde Europese richtlijnen, zoals richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 `betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu'. RECHTSGROND 3.
  2. De ontworpen regeling vindt in beginsel rechtsgrond in de decretale bepalingen die worden opgesomd in de rubriek "Rechtsgronden", in de aanhef van het ontwerp.
(2)Wel dient die opsomming te worden vervolledigd met de vermelding van de artikelen 6, § 2, 9, § 3, 12 en 33/11, van het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 23/12/2011 pub. 28/02/2012 numac 2012035118 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen type decreet prom. 23/12/2011 pub. 27/01/2012 numac 2012035076 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en van diverse bepalingen van andere decreten die betrekking hebben op het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 23/12/2011 pub. 20/07/2012 numac 2012035647 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2012 sluiten `betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen' (Materialendecreet). Artikel 6, lid 1, eerste alinea, e), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 `betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)' strekt het ontwerp, of bepaalde onderdelen ervan, niet tot rechtsgrond. Van deze laatste bepaling wordt derhalve het best geen melding gemaakt in de rubriek "Rechtsgronden". Indien dergelijke vermelding nuttig worden geacht wordt deze beter opgenomen in de rubriek "Juridisch kader" in de aanhef van het ontwerp. Voor sommige van de hierna genoemde bepalingen van het ontwerp is de aangehaalde rechtsgrond evenwel problematisch. 3.2.1. De wijzigingen die de artikelen 115 tot 120 van het ontwerp beogen aan te brengen in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten2 `tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen' (VLAREMA), hebben betrekking op respectievelijk de registers van afvalstoffen en de registers van materialen die geen afvalstoffen zijn. De betrokken bepalingen van het ontwerp impliceren een verwerking van persoonsgegevens.
(3)Krachtens artikel 22 van de Grondwet geldt voor elke verwerking van persoonsgegevens en, meer in het algemeen, voor elke inmenging in het recht op het privéleven, dat het formeel legaliteitsbeginsel dient te worden nageleefd. Doordat artikel 22 van de Grondwet aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehoudt om vast te stellen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven, waarborgt het aan elke burger dat geen enkele inmenging in dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettelijkheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de "essentiële elementen" voorafgaandelijk door de bevoegde wetgever vastgesteld zijn.
(4)Bijgevolg moeten de "essentiële elementen" van de verwerking van persoonsgegevens in het decreet zelf worden vastgelegd. In dat verband is de afdeling Wetgeving van oordeel dat ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, de volgende elementen in beginsel "essentiële elementen" uitmaken: 1° ) de categorie van verwerkte gegevens;2° ) de categorie van betrokken personen;3° ) de met de verwerking nagestreefde doelstelling;4° ) de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens;en 5° ) de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens.
(5)Het staat niet aan de Vlaamse Regering om, zonder voldoende decretale basis, door middel van een besluit essentiële regels inzake het verwerken van persoonsgegevens te regelen, zoals te dezen de categorie van verwerkte gegevens. Het door de gemachtigde aangehaalde artikel 6 van het reeds genoemde Materialen decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 23/12/2011 pub. 28/02/2012 numac 2012035118 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen type decreet prom. 23/12/2011 pub. 27/01/2012 numac 2012035076 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en van diverse bepalingen van andere decreten die betrekking hebben op het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 23/12/2011 pub. 20/07/2012 numac 2012035647 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2012 sluiten, dat betrekking heeft op de opmaak en het beheer van het afvalstoffen- en materialenregister, en op het materialeninformatiesysteem, regelt onvoldoende de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens opdat het voor de Vlaamse Regering mogelijk zou zijn om zelf dergelijke regeling op te nemen in de artikelen 115 tot 120 van het ontwerp. Er zou derhalve op dat punt vooraf een voldoende uitgewerkt decretaal kader moeten worden tot stand gebracht waarop de Vlaamse Regering zich vervolgens kan steunen bij het vaststellen van de voorschriften inzake verwerking van persoonsgegevens die zijn vervat in de voornoemde bepalingen van het ontwerp. 3.2.
  1. Ook artikel 138 van het ontwerp, dat in VLAREMA een hoofdstuk 9/1 beoogt in te voegen, heeft betrekking op een verwerking van persoonsgegevens en, meer bepaald, op verwerkingen die worden verricht door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM). De essentiële elementen van de betrokken gegevensverwerking zijn opgenomen in artikel 4/2 van het Materialen decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 23/12/2011 pub. 28/02/2012 numac 2012035118 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen type decreet prom. 23/12/2011 pub. 27/01/2012 numac 2012035076 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en van diverse bepalingen van andere decreten die betrekking hebben op het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 23/12/2011 pub. 20/07/2012 numac 2012035647 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2012 sluiten. Het in artikel 4/2 van het Materialendecreet tot stand gebrachte decretale kader inzake gegevensverwerking volstaat evenwel niet opdat sommige andere bepalingen van het ontwerp er een voldoende rechtsgrond in zouden kunnen vinden voor de erin opgenomen regeling inzake gegevensverwerking. Artikel 100 van het ontwerp beoogt een wijziging aan te brengen in de persoonsgegevens die moeten worden vermeld op het identificatieformulier dat aanwezig moet zijn tijdens het vervoer. Deze gegevens worden niet verwerkt door OVAM. Voor dergelijke verwerking zou een meer duidelijke decretale rechtsgrond moeten worden tot stand gebracht. De vervanging van artikel 6.1.5.4, vijfde lid, van VLAREMA, door artikel 107, 2°, van het ontwerp, in verband met digitale identificatieformulieren, betreft eveneens een regeling van de uitwisseling van persoonsgegevens. Daarbij kan niet worden afgeweken van de regeling die is opgenomen in artikel 4/2 van het Materialendecreet in die zin dat er in deze laatste bepaling niet wordt gerefereerd aan de toegankelijkheid van de betrokken gegevens in hoofde van "andere bevoegde inspectiediensten", noch aan het na te streven doeleinde inzake handhaving. Tenzij een andere afdoende rechtsgrond voor de gegevensverwerking zou bestaan, zouden de voornoemde twee elementen vooraf decretaal moeten worden vastgelegd, wat in voorkomend geval kan door middel van een aanvulling van artikel 4/2 van het Materialendecreet. ALGEMENE OPMERKINGEN
  2. Wat de omzetting in het interne recht betreft van de onder de "Strekking van het ontwerp" vermelde richtlijn (EU) 2019/904 is bij het verslag aan de Vlaamse Regering een concordantietabel gevoegd.Met het ontwerp lijken evenwel ook bepalingen van andere EU-richtlijnen te worden geïmplementeerd, ook al wordt daarvan geen melding gemaakt in artikel 1 van het ontwerp, waarin enkel wordt gerefereerd aan richtlijn (EU) 2019/
  3. Zo moet bijvoorbeeld artikel 31 van het ontwerp worden gesitueerd tegen de achtergrond van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 `betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen'.
(6)Het verdient aanbeveling om, waar nodig, de bij het verslag aan de Vlaamse Regering gevoegde concordantietabel nader uit te werken en uit te breiden tot andere (EU) richtlijnen en om bij die gelegenheid tevens de verhouding te verduidelijken van de betrokken bepalingen van het ontwerp tot de desbetreffende richtlijnen. 5. Diverse bepalingen van het ontwerp bevatten wijzigingen van bestaande erkenningsregelingen of certificatieregelingen.Dergelijke regelingen dienen in overeenstemming te zijn met de vrijheid van vestiging en met het vrije verkeer van diensten, zoals vervat in respectievelijk de artikelen 49 en 56 van het Verdrag `betreffende de werking van de Europese Unie' en met richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 `betreffende diensten op de interne markt' (dienstenrichtlijn). Zo zal bijvoorbeeld moeten worden verantwoord waarom de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in minstens de artikelen 82, 4°, en 83, 2°, van het ontwerp, afhankelijk worden gemaakt van, onder andere, "vaste minimum- en/of maximumtarieven waaraan de dienstverrichter zich moet houden" (artikel 15, lid 2, g), van de dienstenrichtlijn) en zal er moeten worden op toegezien dat wordt voldaan aan de kennisgevingsverplichting naar de Europese Commissie toe op grond van artikel 15, lid 7, van dezelfde dienstenrichtlijn. Het verdient aanbeveling om in het verslag aan de Vlaamse Regering te verduidelijken op welke wijze de ontworpen regeling zich verhoudt tot de voornoemde Europeesrechtelijke regelgeving en hoe daaraan wordt tegemoetgekomen.
(7)6.
  1. Het ontwerp bevat tal van delegaties van verordenende bevoegdheid aan de minister. Zoals de Raad van State in het verleden al meermaals heeft opgemerkt, kan het toekennen van een verordenende bevoegdheid door de Vlaamse Regering aan een van haar leden, enkel toelaatbaar worden geacht in zoverre die delegatie slechts regels van bijkomstige aard of van beperkt belang betreft. De hiernavolgende bepalingen roepen wat dat betreft vragen op. 6.
  2. In het ontworpen artikel 2.3.2.1, § 1/1, vierde en vijfde lid, van VLAREMA (artikel 24, 6°, van het ontwerp), wordt de minister opgedragen om de lijst van beoogde grondstoffen waarvoor geen onderzoek naar reinigbaarheid nodig is te bepalen, en wordt hem de bevoegdheid verleend om "nadere regels" vast te stellen betreffende het bepalen van de reinigbaarheid van een beoogde grondstof. Het bepalen van een lijst van grondstoffen die worden vrijgesteld van de algemene regeling inzake het onderzoek naar reinigbaarheid, kan niet worden beschouwd als een aangelegenheid van bijkomstige aard of van beperkt belang. Dergelijke regeling komt aan de Vlaamse Regering zelf toe. De machtiging aan de minister om "nadere regels" vast te stellen betreffende de reinigbaarheid is te onbepaald: ofwel is het de bedoeling dat de minister uitsluitend nadere invulling geeft aan de door de Vlaamse Regering op dat vlak bepaalde regels, ofwel kan de minister bijkomende regels vaststellen inzake reinigbaarheid. De draagwijdte van de betrokken delegatiebepaling zou duidelijker tot uitdrukking moeten worden gebracht in de tekst van het ontwerp, waarbij het uitgangspunt evenwel dient te blijven dat aan de minister enkel verordenende bevoegdheden kunnen worden gedelegeerd met betrekking tot aangelegenheden van bijkomstige aard of van beperkt belang. 6.
  3. In het ontworpen artikel 5.2.7.2, vijfde lid, van VLAREMA (artikel 58 van het ontwerp), wordt aan de minister de bevoegdheid verleend om "nadere regels" te bepalen voor de opslag en verwerking van afgedankte batterijen en accu's.
(8)De door de gemachtigde verstrekte voorbeelden van de beoogde "nadere regels" zijn vooral gericht op het voorkomen en de bestrijding van de gevolgen van verhitting en brand (zoals het opvangen van bluswater). De ontworpen bevoegdheidsdelegatie ten behoeve van de minister zou nader moeten worden afgebakend mits naleving van hetgeen onder de randnummers 6.1 en 6.2 werd opgemerkt. 6.4. In het ontworpen artikel 5.2.16.6, § 1, derde lid, van VLAREMA (artikel 60 van het ontwerp), wordt aan de minister de bevoegdheid verleend om de bepalingen waaraan de verwerker voor tussenopslag moet voldoen inzake de acceptatie en de terugkoppeling van non-conformiteiten overeenkomstig artikel 5.2.16.5, het opslagbeheer en de opvolging van de correcte afvoer van de verschillende fracties en van de massabalans en een onafhankelijke opvolging van deze bepalingen "verder [uit te] werken". Dergelijke bevoegdheidsdelegatie is tegelijk ruim, gediversifieerd en ten dele onbepaald
(9). Het verdient aanbeveling om de draagwijdte van de delegatiebepaling in het verslag aan de Vlaamse Regering toe te lichten en om deze zo nodig nader af te bakenen in de tekst van het ontwerp, rekening houdend met de onder randnummer 6.1 vermelde principes. 6.
  1. In het ontworpen artikel 5.4.8, tweede lid, van VLAREMA (artikel 82, 4°, van het ontwerp), wordt de minister bevoegd gemaakt om de taken die worden vermeld in het eerste lid van die bepaling en de daarvoor gevraagde tarieven verder uit te werken in een certificatiereglement. Ook met betrekking tot deze bevoegdheidsdelegatie ten behoeve van de minister kan worden betwijfeld of ze beperkt blijft tot het vaststellen van regels van bijkomstige aard of van beperkt belang. Het betreft hier veeleer aangelegenheden waarvan de regeling aan de Vlaamse Regering zelf toekomt.
  2. In de ontworpen bepaling onder artikel 20, 2°, van het ontwerp, wordt bepaald dat OVAM de nodige leidraden kan opstellen en publiceren op haar website ingeval een materiaal niet voldoet aan de toepasselijke specifieke criteria en het materiaal toch toegelaten kan worden als er vanuit milieuoogpunt valabele argumenten zijn en daarvoor een grondstofverklaring kan worden verkregen (zie het bestaande artikel 2.3.1.3, vijfde lid, van VLAREMA). Om toelichting verzocht met betrekking tot de aldus door OVAM op te stellen en te publiceren leidraden deelde de gemachtigde het volgende mee: "De leidraden zijn momenteel in een ontwerpfase en geven een inzicht in hoe de toetsing aan artikelen 36 en 37 van het materialendecreet moet gebeuren voor specifieke stromen in deze specifieke omstandigheden: `Als een materiaal niet voldoet aan de toepasselijke specifieke criteria, vermeld in afdeling 2.3, kan ze alleen toegelaten worden als er vanuit milieuoogpunt valabele argumenten zijn en daarvoor een grondstofverklaring wordt verkregen'. Die leidraden zijn op zich niet juridisch bindend. Ze zijn bedoeld om aan de aanvrager een inzicht te geven in welke aspecten de OVAM kan meenemen in haar beoordeling, welke informatie en analyses best aanwezig kunnen zijn in het dossier over de afvalstof en mogelijke toepassing, ... . Gezien echter het uitzonderlijk karakter van deze dossiers, is het onmogelijk om dit generiek in de wetgeving te verankeren." De gemachtigde wijst op het gegeven dat de door OVAM op te stellen leidraden juridisch niet-bindend zijn. Vraag is nochtans of uit te sluiten valt dat in dergelijke leidraden mogelijk toch elementen kunnen opgenomen worden die zich richten tot de aanvragers en die voor deze laatsten niet vrijblijvend zijn. Bovendien bepaalt de Vlaamse Regering in afdeling 2.3 van VLAREMA specifieke criteria om een grondstofverklaring te kunnen afgeven, met als voorwaarde dat "de toepassing over het geheel genomen geen ongunstige effecten op het milieu en de menselijke gezondheid heeft" (zie het reeds bestaande artikel 2.3.1.3, vierde lid). Hiermee spoort niet dat OVAM in een leidraad zelf bijkomende criteria zou kunnen bepalen op grond waarvan zij zelf een grondstofverklaring zou kunnen afgeven, noch dat zij regels zou vaststellen om op een algemene wijze in een afwijking te voorzien waardoor op het domein zou worden getreden van de Vlaamse Regering om op grond van artikel 2.3.1.3, vierde lid, van VLAREMA, "specifieke criteria" vast te stellen. ONDERZOEK VAN DE TEKST Aanhef
  3. Rekening houdend met wat in dit advies wordt opgemerkt in verband met de rechtsgrond voor de ontworpen bepalingen dient in de rubriek "Rechtsgronden", na het derde streepje, ook nog te worden melding gemaakt van de artikelen 6, § 2, 9, § 3, 12 en 33/11, van het Materialendecreet. Artikel 1
  4. In zover met de ontworpen regeling nog andere EU-richtlijnen worden omgezet dan richtlijn (EU) 2019/904 (zie de algemene opmerking onder randnummer 4), zal ook van deze andere richtlijnen melding moeten worden gemaakt in artikel 1 van het ontwerp. Artikel 18
  5. Aan de gemachtigde werd gevraagd waar de afkorting "SVHC", die voorkomt in het ontworpen artikel 2.3.1.1, § 2, van VLAREMA, wordt gedefinieerd. De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt: "SVHC of Substances of Very High Concern wordt niet afzonderlijk gedefinieerd in het Materialendecreet of Vlarema. Het begrip wordt wel meermaals gebruikt binnen de REACH verordening (nr. 1907/2006) en is als dusdanig voldoende gekend. Het is echter niet nodig dit begrip expliciet te vermelden in Vlarema. Met behoud van betekenis kunnen we de paragraaf ook als volgt formuleren: ` §
  6. De producent brengt de OVAM op de hoogte als hij beschikt over aanwijzingen of informatie dat het gebruik wel ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid heeft. Hij beperkt zich hierbij tot de aanwezigheid van stoffen vermeld in de kandidaatslijst, autorisatielijst of restrictielijst van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen, of stoffen vermeld in bijlage I van de Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen.' Het is voldoende om te verwijzen naar de stoffen die vermeld staan in de kandidaatslijst, autorisatielijst of restrictielijst van REACH. De informatie dat sommige van deze stoffen SVHC (substances of very high concern) stoffen zijn en kandidaat zijn om op de autorisatielijst te komen is overbodige informatie in dit artikel." Met dit voorstel van de gemachtigde kan worden ingestemd. Artikel 22
  7. Aan het einde van het ontworpen artikel 2.3.1.3/2, § 3, eerste lid, van VLAREMA (artikel 22, 4°, van het ontwerp), wordt het volgende bepaald: "Voor de materialen die beschouwd worden als grondstoffen, waarbij meer dan één erkend laboratorium analyses uitvoert in het kader van dezelfde analyse, bepaalt het erkende laboratorium welke laboratoria de resultaten rapporteren aan de OVAM." Aan de gemachtigde werd gevraagd welk erkend laboratorium bepaalt welke laboratoria de resultaten rapporteren aan OVAM, ermee rekening houdend dat er verschillende erkende laboratoria betrokken kunnen zijn bij de analyse. De gemachtigde antwoordde: "Dit is een terechte opmerking. Bedoeling is dat de houder van de grondstofverklaring kan kiezen met welk laboratoria hij/zij wenst samen te werken. Dit laboratorium is dan de opdrachtnemer voor de zelfanalyse en eindverantwoordelijke dat alle gevraagde analyses worden uitgevoerd en opgeladen in digilab. Het MB Zelfanalyse bepaalt hierover het volgende: `... 4) Elk erkend laboratorium voor analyse kan parameters uitbesteden aan andere erkende laboratoria met vermelding van de unieke OVAM-opdrachtreferentie. 5) Elk analyselaboratorium is inhoudelijk verantwoordelijk voor zijn analyses en kan de resultaten zelf in XML opladen bij de OVAM. Dat kan manueel of via API - beide systemen worden aangeboden - gekoppeld aan de unieke OVAMopdrachtreferentie. Als de analyses uitbesteed worden aan een ander erkend labo, kunnen de analyseresultaten eventueel ook doorgegeven worden aan het erkende labo dat de analyse uitbesteed heeft. Dat laatste labo kan de analyseresultaten die in onderaanneming zijn uitgevoerd, in zijn eigen XML-bestand invoegen, of kan ervoor opteren om het door de onderaannemer opgemaakte XML-bestand integraal bij de OVAM op te laden. Bemerk wel dat bij de analyseresultaten eenduidig het labo vermeld moet worden dat de analyse effectief heeft uitgevoerd. ...' We stellen voor om de Vlarema bepaling in lijn te brengen met deze bepaling." Met dat voorstel kan worden ingestemd. Artikel 23
  8. In het ontworpen artikel 2.3.1.4, tweede lid, van VLAREMA, wordt bepaald dat het betrokken artikel niet van toepassing is op hoeveelheden grondstoffen die eenmalig ontstaan. Aan de gemachtigde werd gevraagd of steeds op een voldoende rechtszekere wijze zal kunnen worden vastgesteld dat "hoeveelheden grondstoffen eenmalig ontstaan". De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt: "Eenmalig hoeveelheden ontstaan bijv. [bij] saneringswerken. Dit is een éénmalig proces, beperkt in de tijd, waarbij men tijdelijk een grondstof produceert om te gebruiken in een specifieke handeling, bijv. ter plaatse inzetten van uitgegraven funderingsmaterialen bestaande uit metaalslakken." Het ontworpen artikel 2.3.1.4, tweede lid, van VLAREMA, heeft tot gevolg dat de producent van "hoeveelheden grondstoffen die eenmalig ontstaan" althans wat die grondstoffen betreft, wordt vrijgesteld van de bewijslast die wordt omschreven in het ontworpen artikel 2.3.1.4, eerste lid, van VLAREMA. Ter wille van de rechtszekerheid zou derhalve duidelijker moeten blijken wat precies wordt verstaan onder "hoeveelheden grondstoffen die eenmalig ontstaan". Het ontworpen artikel 2.3.1.4, tweede lid, van VLAREMA, zou daartoe op dat punt moeten worden verduidelijkt en aangevuld. In voorkomend geval zal, in het licht van het grondwettelijk gewaarborgde gelijkheidsbeginsel, ook het verschil in behandeling op het vlak van de bewijslast tussen verschillende categorieën producenten, al naargelang de ene categorie grondstoffen heeft die "eenmalig" ontstaan en de andere niet, moeten kunnen worden verantwoord. Artikel 31
  9. In de ontworpen artikelen 2.3.7.1 tot 2.3.7.4 van VLAREMA worden de criteria vastgesteld voor grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik als blendcomponent in scheepsbrandstof. In de mate dat in die bepalingen meer dan louter het opwerkingsproces wordt geregeld en erin eisen worden gesteld aan de desbetreffende eindproducten om in de handel te worden gebracht, lijken die bepalingen neer te komen op het vaststellen van productnormen in de zin van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten `tot hervorming der instellingen' waarvoor de federale overheid bevoegd is.
(10)Hieromtrent om nadere toelichting verzocht, deelde de gemachtigde het volgende mee: "Het is geen productnormering maar het zijn milieueisen die noodzakelijk zijn in het kader van de opwerking van afval tot een grondstof. Indien dit niet zou gebeuren, wordt het risico gelopen dat er stoffen worden gebruikt die een negatievere impact hebben dan de primaire grondstof. Het blijf binnen de bevoegdheden van het afvalbeleid conform artikel 36 materialendecreet. Die criteria zijn erop gericht om de milieu-impact te verlagen. In de scheepvaart is het blenden van brandstoffen en diverse inputstromen een algemeen gebruik. De brandstofproducenten zorgen pas na het blendproces dat hun finale brandstof voldoet aan de internationale brandstofnormen. Er zijn geen normen voor de inputstromen of blendmiddelen. De sector hanteert daarvoor eigen mengregels. Dit VLAREMA 9 voorstel geeft net duidelijke milieunormen waaraan de opgewerkte afvalolie en brandstofresten moeten voldoen als deze worden ingezet als blendmiddel in scheepsbrandstof. Op die manier kan een producent van scheepsbrandstoffen geen stromen afvalolie weg mengen met te hoge verontreiniging. Dit voorstel verlaagt de milieu-impact van scheepsbrandstoffen door de lat voor blendcomponenten op basis van afvalolie, hoog te leggen. Er bestaan geen EU EOW-criteria voor afvalolie. De Vlaamse EOW-normen komen steeds bovenop andere brandstofnormen die al van kracht zijn. Deze normen (uit de VITO studie) zijn gebaseerd op de algemene EU regels voor het bepalen van EOW criteria. Ja, er is nog steeds een grondstofverklaring nodig. Dit artikel geeft verdere invulling voor de beoordeling hiervan. In de vorige VLAREMA-wijziging (art. 2.6.5.) werd reeds opgelegd dat voor het gebruik van een afvalstof/materiaal als brandstof, steeds een grondstofverklaring verplicht is." De aangehaalde verduidelijking door de gemachtigde ten spijt doet de redactie van sommige van de ontworpen bepalingen er niettemin ernstig aan twijfelen of de stellers van het ontwerp, naar aanleiding van de uitoefening van de gewestbevoegdheid inzake afvalstoffen, niet tevens bepaalde aspecten regelen waarmee zij het federale bevoegdheidsdomein inzake het vaststellen van productnormen betreden.
(11)De stellers van het ontwerp doen er dan ook goed aan om ofwel de redactie van sommige van de ontworpen bepalingen aan te passen teneinde de mogelijke weerslag of beïnvloeding van het voornoemde federale bevoegdheidsdomein weg te werken, ofwel in het verslag aan de Vlaamse Regering te verduidelijken hoe de ontworpen bepalingen zich verhouden tot de federale bevoegdheid inzake het vaststellen van productnormen. Artikel 36
  1. In het ontworpen artikel 2.4.2.6, vierde lid, van VLAREMA, wordt bepaald dat in de grondstofverklaring kan afgeweken worden van de verplichting bedoeld in het ontworpen artikel 2.4.2.6, derde lid, van hetzelfde besluit. Het is evenwel niet duidelijk door wie over de betrokken afwijking zal worden beslist, noch om welke reden of in welke gevallen dergelijke afwijking mogelijk is. Hieromtrent om nadere toelichting verzocht, deelde de gemachtigde het volgende mee: "De OVAM aangezien zij de grondstofverklaring opstelt en aflevert. Voor bepaalde grondstofverklaringen zijn er weinig risico's voor het milieu bv. kalkkorrels uit drinkwaterwinning en ferroslakken die voldoen aan alle milieucriteria. Deze kunnen onvermengd toegepast worden. In dergelijke gevallen is het overbodig om de gebruiksvoorwaarden in de overeenkomst nog eens op te nemen." In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt artikel 36 van het ontwerp als volgt becommentarieerd: "Deze aanvulling heeft als doel dat elke gebruiker ten allen tijde op de hoogte is van de voorwaarden voor het gebruik van de grondstof, waarbij dit ook schriftelijk kan worden aangetoond. Op deze manier wordt foutief gebruik van de grondstof en betwisting hierover maximaal vermeden." Vastgesteld moet worden dat de bedoeling die blijkens het verslag aan de Vlaamse Regering blijkbaar ten grondslag ligt aan de ontworpen aanvulling van artikel 2.4.2.6 van VLAREMA, ruimer is verwoord in de tekst van het ontwerp. Deze discordantie tussen de tekst van het ontwerp en de commentaar in het verslag aan de Vlaamse Regering zal moeten worden weggewerkt. Tevens zal in de tekst van het ontwerp moeten worden geëxpliciteerd door wie en onder welke voorwaarden kan worden afgeweken van de verplichting bedoeld in het ontworpen artikel 2.4.2.6, derde lid, van VLAREMA. Op die wijze zal dan de discretionaire bevoegdheid van OVAM op het vlak van het nemen van de beslissing tot afwijking beter kunnen worden afgebakend. Artikelen 40 en 41
  2. Het ontworpen artikel 3.1.1, § 1, eerste lid, van VLAREMA (artikel 40 van het ontwerp), en het ontworpen artikel 3.2.1.6, van VLAREMA (artikel 41 van het ontwerp), voorzien in een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die niet eenzijdig zonder enige vorm van overleg met de andere gewesten kan worden aangenomen.
(12)Hierover om nadere duiding verzocht, deelde de gemachtigde met betrekking tot artikel 40 van het ontwerp het volgende mee: "Het verslag aan de Vlaamse Regering is inderdaad verwarrend. Gebruikte vezelcementen bouwmaterialen worden opgenomen in de lijst omdat het de bedoeling is hiervoor een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in te stellen. Het tweede lid van artikel 3.1.1 bepaalt dat `De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, wordt bepaald in afdeling 3.4.'. Momenteel is er in deze afdeling nog geen afvalstofspecifieke uitwerking van de UPV opgenomen voor gebruikte vezelcementen bouwmaterialen, maar het is wel de bedoeling om dit in de toekomst uit te werken. Voorstel aanpassing Verslag Vlaamse Regering: "Gebruikte vezelcementen bouwmaterialen wordt toegevoegd aan de lijst van afvalstoffen waarvoor een vorm van uitgebreide producenten-verantwoordelijkheid geldt. De UPV voor voormelde materialen zal verder uitgewerkt worden in afdeling 3.4 op een later tijdstip, ter uitvoering van de opname van dit materiaal in de lijst van afvalstoffen waarvoor een vorm van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geldt." Met betrekking tot artikel 41 van het ontwerp deelde de gemachtigde het volgende mee: "Over de invoering van dit artikel in Vlarema werd geen rechtstreeks overleg gepleegd met de andere gewesten. Het is evenwel zo dat een soortgelijke bepaling is ingeschreven in het Interregionaal Samenwerkingsakkoord betreffende het kader voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor bepaalde afvalstromen en voor zwerfvuil (artikel 11). Dit Interregionaal Samenwerkingsakkoord is op 5 oktober 2023 voor advies overgemaakt aan de Raad Van State. Dit wijst duidelijk op het gegeven dat de Gewesten naar een gemeenschappelijk beleid streven." Het procedé waarbij wordt vooruitgelopen op een nog met de andere gewesten te plegen overleg door alvast al in de regelgeving te voorzien in het principe van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die weliswaar nog nader moet worden uitgewerkt (artikel 40 van het ontwerp), of waarbij al soortgelijke bepalingen worden aangenomen als die welke zijn opgenomen in een nog tot stand te brengen interregionaal samenwerkingsakkoord (artikel 41 van het ontwerp), verdient geen aanbeveling. Er wordt immers rechtsonzekerheid mee geschapen omtrent de onmiddellijke toepasbaarheid van de betrokken bepalingen die nog het voorwerp dienen uit te maken van een overleg of samenwerking met de andere gewesten. Dergelijk procedé kan bovendien vragen doen rijzen in verband met de overeenstemming ervan met beginselen zoals die inzake de federale loyauteit en de exclusieve verdeling van de bevoegdheden. Het laten voorafgaan van de regelgeving door een effectief overleg met de andere gewesten of een tot stand gekomen samenwerking door middel van een samenwerkingsakkoord zou dergelijke vragen kunnen vermijden. Het staat aan de stellers van het ontwerp om, gelet op het voorgaande, na te gaan of de artikelen 40 en 41 ongewijzigd in het ontwerp moeten worden gehandhaafd. Artikel 44
  1. Het begrip "uitbater van een inrichting", in het ontworpen artikel 4.3.1/1 van VLAREMA, kan de indruk wekken dat het in casu dient te gaan om ingedeelde of vergunde inrichtingen. Daarenboven kan de vraag rijzen of bijvoorbeeld ook foodtrucks op festivals onder de toepassing van de betrokken bepaling vallen. Het personeel toepassingsgebied van deze laatste is immers niet duidelijk afgebakend. Ter wille van de rechtszekerheid wordt deze bepaling het best aan een bijkomend onderzoek onderworpen en zo nodig aangepast. Artikel 48
  2. Aan het einde van het ontworpen artikel 4.3.3/1, § 2, eerste lid, van VLAREMA, worden ook "renovatiewerken" vermeld. Hetzelfde lid vangt evenwel aan met een vermelding van uitsluitend sloopwerken en nieuwbouwwerken. De gemachtigde werd om uitleg gevraagd met betrekking tot dit verschil. Hij antwoordde: "Dat moet inderdaad hetzelfde zijn. Art. 4.3.3 vermeldt `sloop-, renovatie- of ontmantelings-werken'. Het is juridisch dus inderdaad beter om altijd deze volledige benaming te gebruiken ipv `sloopwerken' of `sloop- en renovatiewerken'. Die opmerking is dus terecht." Met deze tekstaanpassing kan worden ingestemd. Artikel 51
  3. Aan de gemachtigde werd gevraagd waarom in het ontworpen artikel 4.4.6 van VLAREMA niet wordt vermeld dat de houder op bevredigende wijze moet aantonen dat zuivering van het afval niet haalbaar is en dat vernietiging of onomkeerbare omzetting van de POP's (persistent organic pollutants) in overeenstemming met de beste milieutechnische prakijken of de beste beschikbare technieken niet de uit milieuoogpunt wenselijke optie is. De gemachtigde antwoordde: "De houder zal dit wel degelijk moeten aantonen. Dit maakt deel uit van § 2 4° `motivering voor afwijkingsaanvraag'. Een case by case beoordeling is hier noodzakelijk. Eventueel stellen we voor om een verwijzing op te nemen naar artikel 7..4.b) i) van de POP-verordening." Met dit voorstel kan worden ingestemd. Artikel 53
  4. Zoals door de gemachtigde werd bevestigd, moet in artikel 53 van het ontwerp, de zinsnede "wordt aan paragraaf 2" worden vervangen door de zinsnede "wordt aan het tweede lid". Artikel 59
  5. Aan de gemachtigde werd gevraagd wat in het ontworpen artikel 5.2.15.2, tweede lid, van VLAREMA, moet worden verstaan onder het begrip "voorlopige opslag" en of het ter zake gaat om een verplichting die ook wordt opgelegd aan de kinderdagverblijven, groepsopvangen, woonzorgcentra en huishoudens, vermeld in het ontworpen artikel 5.2.15.1 van VLAREMA. De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt: "Met `voorlopige opslag' wordt de inzameling en bijhorende verschillende stappen van opslag bedoeld, bv een luieremmer in kinderdagverblijf of container in vrachtwagen. Voorstel van aanpassing: We kunnen de term `voorlopige opslag' vervangen door de term `inzameling'. Deze is gedefinieerd in het MD (Artikel 3, § 1, 18° ) als `het verzamelen van afvalstoffen, inclusief de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie'." Hiermee kan worden ingestemd.
  6. In onder meer het ontworpen artikel 5.2.15.4, § 3, van VLAREMA, wordt melding gemaakt van "de verantwoordelijke van het recyclageproces". Naar het zeggen van de gemachtigde wordt daarmee gedoeld op het terugwinningsbedrijf dat het recyclageproces uitvoert en wordt het begrip "verantwoordelijke van het recyclageproces" beter vervangen door het begrip "het bedrijf dat de recyclage uitvoert". Met dit voorstel kan worden ingestemd. Artikel 60
  7. De gemachtigde verstrekte in verband met het begrip "bevoegde autoriteiten", in het ontworpen artikel 5.2.16.1, derde lid, van VLAREMA,
(13)de volgende toelichting: "Deze uitzondering is voorzien omwille van heel specifieke omstandigheden waarin het beheer van de afvalstoffen zoals voorzien in de volgende artikels een gevaar kan opleveren voor de veiligheid, volksgezondheid, hygiëne, ... Het kan bijvoorbeeld gaan om gemengd bouw- en sloopafval dat vrijkomt bij natuurrampen, terroristische aanslagen, explosies, ... In dergelijke situaties is het soms belangrijk dat het afval zo snel mogelijk wordt opgeruimd en is maximale materiaalrecyclage ondergeschikt. In dergelijke situaties is het zinvol dat de politie, maar ook andere "bevoegde autoriteiten" daarover een beslissing kunnen nemen. Naast de politie kan het bijvoorbeeld ook gaan om de brandweer, defensie (bv. DOVO), FOD volksgezondheid, ... Net omdat het om moeilijk te voorziene situaties gaat, is het niet evident een limitatieve lijst van instanties te bepalen. In het verslag aan de Vlaamse Regering kan wel meer duiding gegeven worden bij deze uitzondering en gewezen worden op het zeer beperkte aantal situaties waarover het gaat." Zoals de gemachtigde voorstelt, wordt het verslag aan de Vlaamse Regering op dit punt het best aangevuld. Artikel 61 23. In het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 2, van VLAREMA, wordt bepaald dat het gebruik van een niet-vormgegeven bouwstof moet gebeuren volgens de lijst van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik, vermeld in artikel 171 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, "tenzij het anders bepaald is in de grondstofverklaring"
(14). Overeenkomstig het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 3, tweede lid, van VLAREMA, moeten bouwstoffen die gebruikt worden in tijdelijke werfconstructies voor het toegankelijk maken of het inrichten van de werf worden verwijderd voor de oplevering van de werken als ze hun functie hebben vervuld, tenzij ze binnen de werf als bouwstoffen kunnen gebruikt worden. Uit de laatst aangehaalde bepaling zou kunnen worden afgeleid dat bodemmaterialen in aanmerking zouden komen om door een grondstofverklaring het einde van de afvalfase te bereiken. Artikel 138, § 1, van het Bodem decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/10/2006 pub. 22/01/2007 numac 2006037062 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming type decreet prom. 27/10/2006 pub. 19/12/2006 numac 2006204028 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de beroepsprocedure in het onderwijs voor sociale promotie sluiten draagt de Vlaamse Regering op nadere regelen vast te stellen betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 van dat decreet hierbij vervult. De Vlaamse Regering heeft de uitvoeringsbepalingen hiervoor opgenomen in VLAREBO als Titel III, "Bodemsanering", Hoofdstuk XIII, "Het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen". De regeling is van toepassing op het gebruik van bodemmaterialen als bodem, voor bouwkundig bodemgebruik en in een vormvast product (artikel 159 van VLAREBO). Nu artikel 38 van het Materialendecreet in een specifieke regeling voorziet voor het bereiken van het einde van de afvalfase, die verwijst naar het Bodemdecreet waarin artikel 138, § 1, de Vlaamse Regering opdraagt om de voorwaarden vast te stellen waaronder bodemmaterialen het einde van de afvalfase kunnen bereiken, kan dit niet gebeuren door een grondstofverklaring, laat staan dat OVAM in een grondstofverklaring andere voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen zou kunnen bepalen dan de voorwaarden die zijn vastgesteld in VLAREBO.
  1. Afgezien van de problematische verhouding van het ontworpen artikel 5.3.3.5 van VLAREMA tot het Bodemdecreet, moet specifiek wat het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 3, eerste lid, van VLAREMA, betreft, nog het volgende worden opgemerkt. Volgens de laatstgenoemde bepaling komen bouwstoffen niet in aanmerking voor het ophogen van terreinen en het aanvullen van bouwputten, tenzij het anders bepaald is in de grondstofverklaring. In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt deze bepaling van de volgende commentaar voorzien: "Het ophogen van terreinen en aanvullen van bouwputten moet met bodemmaterialen gebeuren. Deze toepassingen vallen onder het gebruik als bodem. Een bouwstof komt volgens paragraaf 3 voor deze toepassingen niet in aanmerking. Het aanvullen van bouwputten van rioleringen, gebouwen en kunstwerken zijn toepassingen die toegelaten zijn in het SB
  2. Bij deze toepassingen is het gebruik van gestabiliseerd zand dat zeefzand bevat mogelijk." Deze toelichting ten spijt blijft onduidelijk op welke wijze de regeling in het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 3, zich verhoudt tot het bepaalde in artikel 2.3.1.3, derde lid, van VLAREMA, waarin als principe wordt vooropgesteld dat het gebruik van een grondstof als bodem niet is toegelaten. Het verslag aan de Vlaamse Regering zou op dat punt met de nodige duiding kunnen worden aangevuld. Tevens valt op te merken dat het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 3, eerste lid, van VLAREMA, blijkbaar betrekking heeft op alle bouwputten, terwijl het in de commentaar in het verslag aan de Vlaamse Regering uitsluitend lijkt te gaan om bouwputten van rioleringen, gebouwen en kunstwerken. Het aanvullen van bouwputten komt bovendien niet voor in de lijst vermeld in artikel 171 van het VLAREBO.
(15)Uit wat voorafgaat blijkt dat artikel 61 van het ontwerp niet enkel op gespannen voet staat met het Bodemdecreet, maar dat er tevens een aantal onduidelijkheden uit voortvloeien. Om die reden zal artikel 61 van het ontwerp nog aan een bijkomend onderzoek moeten worden onderworpen en zullen in voorkomend geval bepaalde onderdelen ervan moeten worden aangepast of weggelaten. Artikel 67
  1. Het ontworpen artikel 5.3.14.1, van VLAREMA luidt: "Het is verboden om stickers rechtstreeks aan te brengen op groenten en fruit, tenzij de stickers industrieel composteerbaar of thuiscomposteerbaar zijn". In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt in dat verband het volgende vermeld: "Om de conformiteit van de gebruikte stickers met de vereiste inzake composteerbaarheid te bewijzen, worden enkel stickers aanvaard die voldoen aan de vereisten van de volgende normeringen: - EN 13432 voor industrieel composteerbare stickers. - AS 5810, NF T 51-800 of OK Compost Home voor thuiscomposteerbare stickers." De vraag rijst waarom ervoor wordt geopteerd om de betrokken normen enkel in het verslag aan de Vlaamse Regering en niet in de ontworpen bepaling zelf op te nemen. De gemachtigde deelde wat dat betreft het volgende mee: "Wij begrijpen de aangehaalde bezorgdheid om deze normen mee op te nemen in het artikel zelf. Om een onafgebroken continuïteit te voorzien lijkt ons dit evenwel niet de meest aangewezen piste. Wij onderzoeken nog welke andere pistes mogelijk zijn." Er zou kunnen worden overwogen om aan de minister de bevoegdheid te delegeren om de desbetreffende normen vast te leggen en om deze zo nodig telkens ook te actualiseren.
  2. In de mate dat het ontworpen artikel 5.3.14.1, van VLAREMA, een marktuitsluitend effect zou hebben ten aanzien van producten die niet beantwoorden aan de opgelegde eisen inzake het gebruik van stickers en bijvoorbeeld tot gevolg zou kunnen hebben dat erdoor geïmporteerde groenten en fruit die al in het buitenland werden gelabeld met de verboden stickers op de interne markt worden verboden, zou hierdoor de uitoefening van de federale bevoegdheid inzake productnormering ernstig kunnen worden bemoeilijkt, hetgeen niet bestaanbaar zou zijn met het door artikel 143, § 1, van de Grondwet, gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit. Het uit het ontworpen artikel 5.3.14.1, van VLAREMA, voortvloeiende verbod mag evenmin afbreuk doen aan het Europeesrechtelijke beginsel inzake het vrij verkeer van goederen. Zo nodig kan in het verslag aan de Vlaamse Regering enige commentaar worden gewijd aan de overeenstemming van het ontworpen artikel 5.3.14.1, van VLAREMA, met de voornoemde beginselen. Artikel 68
  3. In het ontworpen artikel 5.3.15.1, van VLAREMA, worden de voorwaarden vastgesteld voor het gebruik van houtsnippers als bodembedekker. Aan de gemachtigde werd gevraagd of die bepaling geen marktuitsluitend effect kan hebben voor houtsnippers die niet beantwoorden aan de opgelegde voorwaarden. De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee: "Deze regeling stelt niet dat houtsnippers niet op de markt gebracht mogen worden en legt geen directe productnormeringen op, maar regelt wel het gebruik ervan. Er is dus geen direct marktuitsluitend effect en de regeling valt binnen de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest. Er bestaan reeds vergelijkbare gebruiksverboden in het VLAREMA, zoals voor het gebruik van gratis plastic draagtassen, het gebruik van eenmalig cateringmateriaal, het gebruik van stickers op groenten en fruit en het gebruik van kunststoffen afvalzakken zonder gerecycleerd materiaal. Het ontwerp van VLAREMA is ook Europees aangemeld en er zijn hierover geen opmerkingen gekomen van andere Europese lidstaten. Het voorliggende voorstel is gebaseerd op onderzoeksresultaten inzake het gebruik van houtsnippers op landbouwgronden en is daarom qua toepassingsgebied beperkt tot landbouwgronden. Het rechtstreeks gebruik van houtsnippers als bodemverbeteraar op gronden die andere gebruiken kennen, is niet onderzocht en vindt in de praktijk ook niet plaats. Ook in die zin heeft het artikel geen marktuitsluitend effect voor deze toepassing. Het toedienen van houtsnippers met een hoge C/N verhouding legt stikstof tijdelijk vast en zal zo bijdragen aan het beperken van de uitspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater, een problematiek die zich quasi uitsluitend manifesteert op landbouwgronden. Dit is ook de reden waarom artikel 28 duidelijke samenstellingsvereisten inzake C/N verhouding, C/P verhouding en organische stof bevat. Artikel 68 laat wel toe dat houtsnippers op andere gronden mogen worden gebruikt als bodembedekker. Tijdens hun functie als bodembedekker zullen deze houtsnippers door biologische en fysische processen gradueel in de bodem worden omgevormd tot effectieve organische stof, en dus op termijn hetzelfde bodemverbeterende effect genereren als het rechtstreeks onderwerken van de houtsnippers." Er moet worden vastgesteld dat in het ontworpen artikel 5.3.15.1, § 1, van VLAREMA, niet enkel melding wordt gemaakt van het "gebruik" van de houtsnippers, maar dat erin ook melding wordt gemaakt van het "aanbieden" van houtsnippers. In de mate dat effectief het "aanbieden" op de markt zou worden beoogd, kan niet zonder meer worden aangenomen dat de ontworpen bepaling geen marktuitsluitend effect zou kunnen hebben en dat erdoor de uitoefening van de federale bevoegdheid inzake productnormering ernstig zou kunnen worden bemoeilijkt, hetgeen niet bestaanbaar zou zijn met het door artikel 143, § 1, van de Grondwet, gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit.
  4. Aan de gemachtigde werd gevraagd hoe het ontworpen artikel 5.3.15.1 (artikel 68 van het ontwerp), zich verhoudt tot het ontworpen artikel 2.3.3.5 van VLAREMA (artikel 28 van het ontwerp), temeer daar de eerstgenoemde bepaling betrekking heeft op het "[het] aanbieden en het gebruiken van houtsnippers buiten landbouwgebieden" en het in het ontworpen artikel 2.3.3.5 van VLAREMA gaat om de gebruik van houtsnippers als bodembedekker op "landbouwgrond". De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee: "Artikel 28, § 1 voorziet dat houtsnippers, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 28, als bodembedekker kunnen worden gebruikt in landbouwgebieden. De koppeling tussen het gebruik als bodembedekker en de voorwaarden van artikel 28 is noodzakelijk omdat in de praktijk bodembedekkers op landbouwgronden bij het eerstvolgende teeltseizoen zullen worden ondergeploegd in de bodem en bijgevolg dan een functie als bodemverbeteraar zullen hebben. Deze koppeling maakt het ook mogelijk om alle voordelen van beide toepassingen van houtsnippers (i.c. bodembedekker en bodemverbeteraar) maximaal te exploiteren (...). Artikel 68 geldt inderdaad buiten landbouwgronden. De term landbouwgrond moet worden gelezen als een grondperceel dat in gebruik is voor de teelt van gewassen. In gebieden die overeenkomstig de ruimtelijke uitvoeringsplannen als agrarisch gebied zijn aangeduid, mogen houtsnippers overeenkomstig de voorwaarden van artikel 68 als bodembedekker worden toegepast op percelen die niet in gebruik zijn voor de teelt van gewassen." Ter wille van de transparantie van de regelgeving zou in het verslag aan de Vlaamse Regering de onderlinge verhouding tussen de artikelen 28 en 68 van het ontwerp nader moeten worden toegelicht. Artikelen 69 tot 72
  5. De artikelen 69 tot 72 van het ontwerp beogen een aantal nieuwe onderafdelingen toe te voegen aan VLAREMA met daarin voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen compostvaten en compostbakken (artikel 69), kunststoffen rolcontainers voor afval (artikel 70), kunststoffen kweekpotten, kweektrays en plantentrays (artikel 71) en meubilair met kunststoffen onderdelen in de openbare buitenruimte (artikel 72). Het gebruik van deze goederen die niet beantwoorden aan de opgelegde voorwaarden is verboden vanaf 1 januari
  6. Er wordt in een overgangsregeling voorzien voor elk van de ontworpen maatregelen. Het ontworpen gebruiksverbod in de artikelen 69 tot 71 van het ontwerp lijkt neer te komen op een algemeen gebruiksverbod in het Vlaamse Gewest voor goederen die niet aan de gestelde voorwaarden beantwoorden. Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel geoordeeld dat een algemeen gebruiksverbod voor, in casu, bepaalde pesticiden op het ganse grondgebied van een gewest, voor de betrokken pesticiden een marktuitsluitend effect zou sorteren, hetgeen de uitoefening van de bevoegdheid inzake productnormen door de federale wetgever in de praktijk onmogelijk zou maken.
(16)Op grond van die redenering heeft het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 165/2020 een bepaling vernietigd die onder meer in een verbod voorzag om wensballonnen op te laten. Het Hof oordeelde betreffende dat verbod het volgende: "Zonder dat het te dezen nodig is te onderzoeken of een algemeen verbod op het gebruik van wensballonnen op het ganse grondgebied van het Vlaamse Gewest ingepast kan worden in een of meer aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de gewesten, volstaat het vast te stellen dat een dergelijk verbod een marktuitsluitend effect sorteert, hetgeen de uitoefening van de bevoegdheid inzake productnormen door de federale wetgever, in de praktijk, onmogelijk maakt. In zoverre het betrekking heeft op het oplaten van wensballonnen schendt het bestreden decreet het door artikel 143, § 1, van de Grondwet gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit."
(17)Op basis van het voorgaande kan worden besloten dat de regeling onder de artikelen 69 tot 71 van het ontwerp niet bestaanbaar is met het door artikel 143, § 1, van de Grondwet gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit en in het licht daarvan aan een grondige herziening toe is. Het ontworpen gebruiksverbod in artikel 72 van het ontwerp geldt daarentegen enkel voor de "openbare buitenruimte" wat inhoudt dat geen algemeen gebruiksverbod geldt voor meubilair met kunststoffen onderdelen dat niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De regeling in artikel 72 van het ontwerp kan derhalve wel verenigbaar worden geacht met het door artikel 143, § 1, van de Grondwet gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit. Wat het in artikel 72 van het ontwerp, vermelde begrip "openbare buitenruimte" betreft, verstrekte de gemachtigde bovendien de volgende toelichting: "[H]et toepassingsgebied [blijft] beperkt tot meubilair in openbare parken, in natuurgebieden, op straten, pleinen, openbare speelpleinen, openbare parkeerplaatsen en openbare sportterreinen overeenkomstig de nieuwe definitie in het wijzingsartikel 17, 21°. Verder zijn de voorziene artikels enkel van toepassing op vast meubilair en hebben deze geen betrekking op meubilair van een tijdelijke of seizoensgebonden aard." Het verdient aanbeveling om deze toelichting in het verslag aan de Vlaamse Regering te integreren. Artikelen 73 tot 76
  1. In deze artikelen worden de gebruiksvoorwaarden geregeld bij aanbestedingen door de "overheid".Naar het zeggen van de gemachtigde omvat dat begrip "de gemeentelijke, provinciale en Vlaamse overheden" en kan dit in voorkomend geval worden verduidelijkt in de tekst van het ontwerp. Met dergelijke verduidelijking kan worden ingestemd. Artikel 82
  2. In het ontworpen artikel 5.4.8, eerste lid, 5°, van VLAREMA (artikel 82, 3°, van het ontwerp), wordt in geen sanctieregeling voorzien ten aanzien van de procesgecertificeerde asbestdeskundigen die worden vermeld in de ontworpen bepaling onder artikel 85, 1°, van het ontwerp. Hieromtrent om nadere toelichting verzocht, deelde de gemachtigde het volgende mee: "De verwijzing naar artikel 5.4.12 is hier verkeerdelijk niet opgenomen. De tekst zelf spreekt immers over `De sanctieregeling voor de bij haar aangesloten persoons- en procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10,...'. Het meenemen van de procesgecertificeerde asbestdeskundigen in de sanctieregeling is dus steeds de bedoeling geweest. Voorstel om de tekst aan te passen naar: `De sanctieregeling voor de bij haar aangesloten persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10 en de procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.12,...'." Met dit voorstel kan worden ingestemd.
  3. In het ontworpen artikel 5.4.8, tweede lid, van VLAREMA (artikel 82, 4°, van het ontwerp) en in de ontworpen aanvulling van artikel 5.4.10, derde lid, van VLAREMA (artikel 83, 2°, van het ontwerp), wordt melding gemaakt of wordt verwezen naar een tarief van "minimaal vijftien euro". De gemachtigde lichtte dit toe als volgt: "Voormeld minimumtarief bestaat reeds sinds de invoering van de bepaling. Dit zorgt ervoor dat CI's onderling niet `oneerlijk' kunnen concurreren door het vragen van een te laag jaarlijks tarief. Dit tarief dekt de vaste kosten van de CI omtrent: - het schorsen en opheffen van een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 5.4.10; - het schorsen en opheffen van een procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie vermeld in artikel 5.4.12; - het aanbieden van een eerstelijns telefonisch en digitale helpdesk voor de bij haar aangesloten procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie en de daartoe behorende persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10, en het beheren en opvolgen van klachten over hun werking; - het waarborgen van het kwaliteitsvolle gebruik van de certificaten van de bij haar aangesloten procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie en de daartoe behorende persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10, in het bijzonder informatieverstrekking aan de certificaathouders. Voor alle andere taken die de CI uitoefent, kan ze een bijkomende kost vragen zoals opgenomen in het artikel. Voorstel tot aanpassing tekst ter verduidelijking: 'De certificatie-instelling asbest vraagt jaarlijks minstens vijftien euro vaste kosten aan de persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie per door hem opgemaakte asbestinventaris waarvoor een asbestinventarisattest is afgeleverd in het jaar van aansluiting. De certificatie-instelling asbest kan bijkomende kosten vragen voor de behandeling van de aanvraag van een persoons- of procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie en het organiseren van controle en audits en de jaarlijks verplichte bijscholing. De minister kan de taken, vermeld in het eerste lid, en de daarvoor gevraagde tarieven verder uitwerken in een certificatiereglement.' " In aansluiting op het aangehaalde antwoord werd aan de gemachtigde ook nog gevraagd hoe de bijkomende kosten die kunnen worden gevraagd, juridisch vallen te kwalificeren. De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt: "De bijkomende kosten die kunnen gevraagd worden horen bij de tarieven die de CI aanrekent voor het uitvoeren van de taken andere dan de vaste kosten. De CI beslist zelf of men een bijkomende kost wenst aan te rekenen en de hoogte van deze kost (zolang dit niet begrensd is door bepalingen in het certificatiereglement). Het gaat hier dus om werkingskosten." De door de gemachtigde gedane suggestie tot verduidelijking van de tekst van de betrokken bepalingen kan worden bijgetreden.
  4. Met toepassing van het ontworpen artikel 5.4.8, tweede lid, van VLAREMA (artikel 82, 4°, van het ontwerp), kunnen blijkbaar ook kosten worden aangerekend voor de sanctionering. De gemachtigde deelde in dat verband evenwel het volgende mee: "Het is een vergissing geweest om dit bij de mogelijke bijkomende kosten te plaatsen. Het organiseren van de sanctionering valt onder de minstens vijftien euro vaste kosten. Daarenboven is in het certificatiereglement bepaald in het kader van sanctionering dat de deskundige zelf de kosten draagt voor de uit te voeren aanpassingen aan het door hem opgesteld asbestinventaris in kader van de sanctionering." De tekst van de betrokken bepaling zal moeten worden aangepast in het licht van de door de gemachtigde verstrekte toelichting. Artikel 87
  5. Artikel 87 van het ontwerp strekt tot het wijzigen van artikel 5.4.15 van VLAREMA. Deze laatste bepaling is evenwel niet ingedeeld in paragrafen. De inleidende zin van artikel 87, 1°, van het ontwerp, moet derhalve worden gecorrigeerd als volgt: "Tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd".
(18)In artikel 87, 2°, van het ontwerp, moet dan worden geschreven "in het tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden ...". Artikel 136
  1. De analyses op afvalstoffen en andere materialen in het kader van het Materialendecreet, VLAREMA, en de titels II en III van het VLAREM worden uitgevoerd volgens de methodes die in het Compendium voor Monsterneming en Analyse (CMA) zijn vastgesteld of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard (ontworpen artikel 8.2, § 1, van VLAREMA). Indien OVAM zich niet binnen een termijn van negentig dagen na de ontvangst van het verzoek uitspreekt over de gelijkwaardigheid, wordt de methode geacht niet gelijkwaardig te zijn (ontworpen artikel 8.2, § 3, van VLAREMA). De Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft reeds herhaaldelijk opgemerkt dat aan stilzwijgende besluitvorming een aantal nadelen zijn verbonden, inzonderheid wanneer, zoals hier het geval is, de stilzwijgende beslissing in het nadeel van de betrokkene is. Zo is een dergelijk procedé in de eerste plaats niet bevorderlijk voor de rechtszekerheid, al was het maar omdat een schriftelijke beslissing ontbreekt, wat tot bewijsproblemen aanleiding kan geven, en de stilzwijgende beslissing in beginsel niet op dezelfde wijze zal worden meegedeeld of bekendgemaakt als uitdrukkelijk genomen beslissingen, met alle gevolgen van dien voor de kenbaarheid en de aanvechtbaarheid van dergelijke stilzwijgende beslissingen. Meer bepaald houdt het procedé van de stilzwijgende beslissing hierdoor ook grotere risico's in voor een schending van de belangen van derden die op een impliciete, doch daarom niet minder verstrekkende wijze, in het gedrang kunnen komen. In de tweede plaats kan het procedé van de stilzwijgende beslissing in strijd komen met het algemeen belang, in zoverre een dergelijk procedé tot gevolg kan hebben dat impliciet beslissingen worden genomen zonder dat daarmee een zorgvuldige voorbereiding en afweging van alle betrokken belangen gepaard gaat. Ten slotte zijn die beslissingen uiteraard niet formeel gemotiveerd, wat de wettigheidscontrole erop kan bemoeilijken. De opgesomde nadelen van het procedé van een stilzwijgende weigering kunnen ook worden betrokken op het bepaalde in het ontworpen artikel 8.2, § 3, van VLAREMA. Om die reden zou die bepaling op dat punt moeten worden herzien. Artikel 138
  2. De milieuheffingen komen in VLAREMA aan bod in hoofdstuk 9 ervan. Voor zover zulks strookt met de bedoeling van de stellers van het ontwerp, zou in het ontworpen artikel 9/1.2, § 1, van VLAREMA, ook melding moeten worden gemaakt van het voornoemde hoofdstuk 9 en niet uitsluitend van hoofdstuk 7 ervan, zoals nu het geval is. Artikel 149
  3. Artikel 149 van het ontwerp strekt tot het vervangen van bijlage 10.7 bij VLAREMA, door "bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd". De ontworpen bijlage 5 heeft evenwel geen betrekking op de vervanging van bijlage 10.7 bij VLAREMA, doch wel op de vervanging van bijlage VIII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten0 `tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid'. De vervanging van de voornoemde bijlage VIII maakt evenwel al het voorwerp uit van artikel 8 van het ontwerp. Artikel 149 van het ontwerp is derhalve overbodig en moet worden geschrapt. Artikelen 150 tot 166
  4. De artikelen 150 tot 166 van het ontwerp regelen in hoofdzaak de inwerkingtreding van talrijke specifieke bepalingen van het ontwerp. Er zal bij deze gedifferentieerde regeling van inwerkingtreding uiteraard moeten worden op toegezien dat de inwerkingtreding van bepalingen die inhoudelijk met elkaar samenhangen op een coherente en overeenstemmende wijze wordt geregeld.
(19)Bovendien hoeft bij het vaststellen van de datum van inwerkingtreding van artikelen van het ontwerp niet telkens tussen haakjes ook melding te worden gemaakt van de met die artikelen in het VLAREMA ingevoegde, vervangen of gewijzigde bepalingen. Dergelijke vermelding is niet enkel ongebruikelijk, maar houdt ook het risico in dat er verkeerde verwijzingen gebeuren.
(20)Bovendien zullen dergelijke vermeldingen worden bemoeilijkt ingeval slechts een gedeelte van de bepaling in kwestie wordt gewijzigd. De desbetreffende vermeldingen tussen haakjes worden derhalve telkens beter weggelaten. Artikel 154
  1. Artikel 154 van het ontwerp bevat een overgangsbepaling voor grondstofverklaringen voor bepaalde grondstoffen die geldig blijven "voor één jaar na de inwerkingtreding van artikel 154" en somt de voorwaarden op waaronder de maximale geldingsduur van één jaar niet van toepassing is. Aan de gemachtigde werd gevraagd of de verwijzing naar "artikel 154" wel correct is en welke de uiteindelijke duur is van de geldigheid van grondstofverklaringen waarop de maximale geldigheidsduur niet van toepassing is. Ook werd aan de gemachtigde gevraagd op welke wijze de vrijstelling van de maximale geldigheidsduur van één jaar zinvol kan worden toegepast op grondstofverklaringen die "werden opgeheven" (artikel 154, tweede lid, 2°, van het ontwerp). De gemachtigde beantwoordde deze vragen als volgt: "In het wijzigingsartikel staat een typfout. Hierin is momenteel opgenomen dat: `Grondstofverklaringen voor grondstoffen bestemd voor gebruik als bouwstof en verleend voor de inwerkingtreding van artikel 24, 3°, 4°, 5° en 6° van dit besluit blijven geldig voor één jaar na de inwerkingtreding van artikel 154.' De verwijzing naar artikel 154 is incorrect en moet [een] verwijzing [zijn] naar artikel
  2. Artikel 154 heeft betrekking op grondstofverklaringen die verleend zijn voor de inwerkingtreding van de nieuwe wijzigingen aan artikel 2.3.2.1 van het Vlarema over de samenstellingscriteria van deze materialen. Met dit wijzigingsbesluit worden nieuwe criteria ingevoegd en deze komen in werking 3 maanden na publicatie van het wijzigingsbesluit (artikel 153 van het wijzigingsbesluit). Afgeleverde grondstofverklaringen voor grondstoffen bestemd voor gebruik als bouwstoffen en verleend voor de inwerkingtreding van deze nieuwe criteria, vervallen automatisch na een periode van 1 jaar. In totaal is dit dus een overbruggingsperiode van 1 jaar en 3 maanden voordat deze grondstofverklaringen vervallen." Gelet op de door de gemachtigde verstrekte uitleg zal de redactie van artikel 154 van het ontwerp moeten worden aangepast. Tevens zou het nuttig zijn om de draagwijdte van artikel 154 op een meer substantiële wijze te duiden in het verslag aan de Vlaamse Regering. De door de gemachtigde verstrekte uitleg kan daartoe al een aanzet uitmaken. Bijlagen
  3. In de tabel die voorkomt in bijlage 1 bij het ontwerp, wordt, wat de vermelding "asbest" betreft, verwezen naar een voetnoot 3 die evenwel ontbreekt.De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee: "Dit is een vergetelheid. Onderaan de tabel zou moeten staan `
(3)berekende totaalgehalte asbest'. Dit verwijst dan naar het CMA waarin staat hoe de berekening moet gebeuren: `Het asbestgehalte wordt afgetoetst aan een gewogen norm, waarbij de asbestconcentratie wordt berekend als de som van hechtgebonden asbestconcentratie (Ct,h) vermeerderd met tien maal de niet-hechtgebonden asbestconcentratie'." Er kan worden ingestemd met de door de gemachtigde gesuggereerde toevoeging van voetnoot 3 onder de tabel van bijlage 1 bij het ontwerp. 41. Bijlage 5 bij het ontwerp moet aan een grondig nazicht worden onderworpen.Zo kan worden betwijfeld of de wettelijke verplichting van het ontworpen artikel 3.2.1.6, § 1, van VLAREMA, behouden kan blijven (zie de opmerking bij artikel 41 van het ontwerp). Daarenboven kan de vraag worden opgeworpen waarom de inbreuk op artikel 3.2.1.6, § 1, van VLAREMA, in de ontworpen lijst van milieu-inbreuken wordt opgenomen: het ontworpen artikel 3.2.1.6, § 1, heeft immers geen betrekking op een informatieplicht aan OVAM. Voorts is ook de regeling van inwerkingtreding problematisch op dat punt. Artikel 8 van het ontwerp, dat betrekking heeft op bijlage 5, treedt in werking volgens de gebruikelijke regels inzake de inwerkingtreding van besluiten, terwijl de regeling in artikel 41 van het ontwerp, in werking treedt één jaar na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad (zie artikel 157 van het ontwerp). De griffier De voorzitter Greet VERBERCKMOES Marnix VAN DAMME _______ Nota's
(1)Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit bevat een groot aantal inhoudelijk-gedifferentieerde bepalingen van hoofdzakelijk technische aard.Uit de vaststelling dat over een bepaling in dit advies geen of weinig opmerkingen worden gemaakt, mag niet worden afgeleid dat er niets over die bepaling valt te zeggen of dat er niet meer valt over op te merken.
(2)Het onderzoek van de rechtsgrond is mede gebeurd op basis van de rechtsgrondentabel die door de gemachtigde aan de Raad van State is bezorgd.
(3)De gemachtigde drukte het als volgt uit: "Deze artikelen gaan over de afvalstoffen en materiaalregisters die moeten bijgehouden worden door de betrokken beheerders van afvalstoffen.In deze informatie [kunnen] persoonsgegevens aanwezig zijn maar zij worden niet op een structurele basis uitgewisseld met de OVAM." Deze verduidelijking houdt evenwel niet in dat er een voldoende rechtsgrond zou zijn op het vlak van de verwerking van persoonsgegevens.
(4)Vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof: zie inzonderheid GwH 18 maart 2010, nr.29/2010, B.16.1; GwH 20 februari 2020, nr. 27/2020, B.17.
(5)Adv.RvS 68.936/AV van 7 april 2021 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 14 augustus 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten `betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie', opmerking 101 (Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 55-1951/001, 119). Zie ook GwH 10 maart 2022, nr. 33/2022, B.13.1; GwH 22 september 2022, nr. 110/2022, B.11.2; GwH 16 februari 2023, nr. 26/2023, B.74.1; GwH 17 mei 2023, nr. 75/2023, B.55.2.1.
(6)Artikel 31 van het ontwerp heeft betrekking op de einde-afvalcriteria voor de inzet van opgewerkte afvalolie en opgewerkte brandstofresten als blendcomponent voor de productie van scheepsbrandstof.
(7)De gemachtigde heeft daartoe reeds een aanzet gegeven voor sommige bepalingen.Zo deelde hij in verband met artikel 47 van het ontwerp, dat betrekking heeft op de sloopdeskundigen "gebouwen" en de sloopdeskundigen "infrastructuur", het volgende mee: "De verplichting om als sloopdeskundige te beschikken over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie bestaat sinds het Besluit Vlaamse Regering van 2 juli
  1. Dit besluit is getoetst met de dienstenrichtlijn en heeft deze doorstaan. Nieuw is de bepaling dat de sloopdeskundige infrastructuur moet beschikken over een erkenning als bodemsaneringsdeskundige type 1, zoals bepaald in artikel 25/1 van het VLAREL besluit van 19 november 2010 OF een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 5.4.
  2. De verplichting om te beschikken over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie blijft onveranderd, men heeft nu enkel de mogelijkheid om in plaats hiervan te werken met een erkenning als bodemsaneringsdeskundige type 1." In verband met artikel 79 van het ontwerp, dat betrekking heeft op de erkenning als certificatie-instelling asbest, verstrekte de gemachtigde nog de volgende verduidelijking: "De eis om te beschikken over voldoende gekwalificeerde auditeurs en lesgevers is reeds ingevoerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2021Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 03/10/2019 numac 2019014629 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat betreft de formulieren in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 17/05/2019 numac 2019012250 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de subsidie voor ruimere openingsmomenten, de subsidie voor dringende kinderopvang en de plussubsidie in 2019 type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 08/04/2019 numac 2019030341 bron ministerie van de franse gemeenschap Ministerieel besluit tot benoeming van de leden en de voorzitter van de raad van beroep voor de studietoelagen van de Franse Gemeenschap sluiten
  3. Deze bepaling is toen aangemeld bij de dienstenrichtlijn en hiervoor is de toets doorstaan. De huidige wijziging houdt enkel het expliciete neerschrijven in van wat OVAM beschouwt als `gekwalificeerd' om de erkenning als certificatie-instelling (CI) toe te staan. Deze kwalificatie-eisen zijn steeds gebruikt vanaf de inwerkingtreding van de oorspronkelijke bepaling om een erkenning al dan niet toe te kennen. Het is op vraag van de CI zelf dat deze kwalificatie eisen expliciet mee opgenomen worden in de wetgeving." Zie eveneens de artikelen 82 en 83 van het ontwerp en de onder randnummer 32 aangehaalde toelichting door de gemachtigde.
(8)De gemachtigde verstrekte de volgende verduidelijking in verband met het ontworpen artikel 5.2.7.2, vijfde lid, van VLAREMA: "De `nadere regels' die de minister kan bepalen zijn regels voor de opslag en verwerking van afgedankte batterijen. Voorbeelden van mogelijke regels zijn: - opslag van afgedankte batterijen in speciale recipiënten, aangepast voor weerstand tegen brand; - voorzien van een systeem voor de vroegtijdige detectie van verhitting en brand; - voorzien van een aangepast blussysteem dat in staat is een lithium brand in een beginstadium te blussen; - beschikken over een opvangsysteem voor bluswater zodat het bluswater niet in de riolering of het milieu kan terechtkomen; - ...".
(9)Hoe zal bijvoorbeeld "een onafhankelijke opvolging" van de betrokken bepalingen worden uitgewerkt?
(10)Volgens het Grondwettelijk Hof zijn productnormen "regels die op dwingende wijze bepalen aan welke eisen een product moet voldoen bij het op de markt brengen, onder meer ter bescherming van het milieu. Zij bepalen met name welk niveau van verontreiniging of hinder niet mag worden overschreden in de samenstelling of bij de emissies van een product, en kunnen specificaties bevatten over de eigenschappen, de beproevingsmethoden, het verpakken, het merken en het etiketteren van producten". Het voorbehouden van de bevoegdheid inzake productnormen aan de federale overheid is volgens het Grondwettelijk Hof verantwoord door de noodzaak om de Belgische economische en monetaire unie te vrijwaren (Parl.St. Senaat 1992-93, nr. 558/1, p. 20; Parl.St. Kamer 1992-93, nr. 1063/7, p. 37) en om obstakels voor het vrije verkeer van goederen tussen de gewesten uit de weg te ruimen (Parl.St. Senaat 1992-93, nr. 558/5, p. 67). Zie o.m. GwH 15 januari 2009, nr. 2/2009, B.5.4; GwH 28 februari 2019, nr. 32/2019, B.17.1; GwH 28 februari 2019, nr. 38/2019, B.13.2; GwH 17 december 2020, nr. 165/2020, B.17.1; GwH 10 november 2022, nr. 147/2022, B.8.1.
(11)Zo wordt in het ontworpen artikel 2.3.7.2 van VLAREMA verwezen naar het "totale PCB-gehalte" dat "lager is dan 50 ppm" en wordt in het ontworpen artikel 2.3.7.4, van VLAREMA, bepaald dat de betrokken samenstellingsvoorwaarden altijd boven op productnormen komen die al bestaan en grenswaarden die al van kracht zijn.
(12)Zie GwH 22 maart 2018, nr.37/2018, B.10.3.
(13)De indeling in paragrafen van het ontworpen artikel 5.2.16.1, van VLAREMA, moet vervallen aangezien die bepaling uit slechts één paragraaf bestaat.
(14)In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt met betrekking tot de afwijkingsmogelijkheid in het ontworpen artikel 5.3.3.5, § 2, van VLAREMA, enkel vermeld dat "het mogelijk [moet] zijn om bouwstoffen ook in andere toepassingen dan voormelde limiterende lijst te gebruiken". Dergelijke algemene vermelding maakt niet duidelijk waarom en in welk soort gevallen van de limiterende lijst kan worden afgeweken. Het verslag aan de Vlaamse Regering zou op dat punt met een meer substantiële verduidelijking of verantwoording moeten worden aangevuld.
(15)Zie het ministerieel besluit van 27 maart 2019Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 03/10/2019 numac 2019014629 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat betreft de formulieren in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 17/05/2019 numac 2019012250 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de subsidie voor ruimere openingsmomenten, de subsidie voor dringende kinderopvang en de plussubsidie in 2019 type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 08/04/2019 numac 2019030341 bron ministerie van de franse gemeenschap Ministerieel besluit tot benoeming van de leden en de voorzitter van de raad van beroep voor de studietoelagen van de Franse Gemeenschap sluiten `tot vaststelling van de lijst van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik en van de lijst van toepassingen van bodemmaterialen in een vormvast product in het kader van de regeling van het Bodem decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/10/2006 pub. 22/01/2007 numac 2006037062 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming type decreet prom. 27/10/2006 pub. 19/12/2006 numac 2006204028 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de beroepsprocedure in het onderwijs voor sociale promotie sluiten en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007'.
(16)GwH 28 februari 2019, nr.32/2019, B.20.3; GwH 28 februari 2019, nr. 38/2019, B.16.2.
(17)GwH 17 december 2020, nr.165/2020, B.18.3.
(18)Een "zinsnede" kan weliswaar worden toegevoegd aan een lid, maar kan niet worden ingevoegd tussen twee leden.In dit laatste geval moet de betrokken zinsnede als een apart lid worden geconcipieerd.
(19)Zie het onder randnummer 41 gegeven voorbeeld van de artikelen 8 en 41 van het ontwerp.
(20)Zie artikel 156 van het ontwerp waarin verkeerdelijk melding wordt gemaakt van "artikel 2.4.2.6 nieuw lid van VLAREMA". 22 DECEMBER 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het VLAREL van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen Rechtsgronden Dit besluit is gebaseerd op: - het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 5.4.1, 5.6.2 en 5.6.3, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 26/06/2014 numac 2014203085 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 80 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zoals gewijzigd bij decreet van 30 april 2009 type decreet prom. 25/04/2014 pub. 11/06/2014 numac 2014203012 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 185 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie sluiten, artikel 10.3.4, § 6, ingevoegd bij het decreet van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/12/2008 pub. 04/02/2009 numac 2009035086 bron vlaamse overheid Decreet houdende diverse bepalingen inzake energie, leefmilieu, openbare werken, landbouw en visserij type decreet prom. 12/12/2008 pub. 13/01/2009 numac 2008029672 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie type decreet prom. 12/12/2008 pub. 13/03/2009 numac 2009029108 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot bevordering van de organisatie van de eerste graad en houdende diverse maatregelen inzake onderwijs sluiten, artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/12/2007 pub. 29/02/2008 numac 2008035341 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » type decreet prom. 21/12/2007 pub. 12/02/2008 numac 2008035231 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade type decreet prom. 21/12/2007 pub. 31/12/2007 numac 2007037369 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2008 sluiten en gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 30 april 2009 en 8 juni 2018; - het Bodem decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/10/2006 pub. 22/01/2007 numac 2006037062 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming type decreet prom. 27/10/2006 pub. 19/12/2006 numac 2006204028 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de beroepsprocedure in het onderwijs voor sociale promotie sluiten, artikel 138, § 1, gewijzigd bij de decreten van 28 maart 2014 en 8 december 2017; - het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 23/12/2011 pub. 28/02/2012 numac 2012035118 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen type decreet prom. 23/12/2011 pub. 27/01/2012 numac 2012035076 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en van diverse bepalingen van andere decreten die betrekking hebben op het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 23/12/2011 pub. 20/07/2012 numac 2012035647 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2012 sluiten betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, artikel 3, § 1, 13°, artikel 4/1, ingevoegd bij het decreet van 30 juni 2017, artikel 4/2, ingevoegd bij het decreet van 20 mei 2022, artikel 5, 6, § 1, tweede lid, gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, artikel 6, § 2, gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, artikel 6, § 5, tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 20 mei 2022, artikel 7, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 26/06/2014 numac 2014203085 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 80 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zoals gewijzigd bij decreet van 30 april 2009 type decreet prom. 25/04/2014 pub. 11/06/2014 numac 2014203012 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 185 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie sluiten, artikel 9, § 1, artikel 13, artikel 13/1, ingevoegd bij het decreet van 28 februari 2014, artikel 9, § 3, gewijzigd bij het decreet van 26 februari 2021, artikel 12, gewijzigd bij de decreten van 29 maart 2019 en 20 mei 2022, artikel 14, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, artikel 21, gewijzigd bij de decreten van 26 februari 2021 en 20 mei 2022, artikel 22, 32, 33/6, derde lid, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019 en gewijzigd bij het decreet van 20 mei 2022, artikel 33/9, § 1, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019 en gewijzigd bij de decreten van 26 februari 2021 en 20 mei 2022, artikel 33/10, § 3 en § 4, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019 en gewijzigd bij de decreten van 26 februari 2021 en 20 mei 2022, artikel 33/11, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019, artikel 33/14, § 5, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019, artikel 33/16, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019 en gewijzigd bij het decreet van 26 februari 2021, artikel 33/17, ingevoegd bij het decreet van 20 mei 2022, en artikel 35, 39 en 40, gewijzigd bij het decreet van 26 februari 2021, artikel 66, § 1, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2019. Vormvereisten De volgende vormvereisten zijn vervuld: - De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 24 juni 2022. - De Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens heeft advies nr. 2022/106 gegeven op 8 november 2022. - De Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen heeft advies gegeven op 14 december 2022. - De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen heeft advies gegeven op 19 december 2022. - Dit ontwerp is op 12 juli 2023 meegedeeld aan de Europese Commissie, met toepassing van artikel 5 van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij. - De Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) voor de verwerking van persoonsgegevens heeft haar advies gegeven op 14 september 2023. - De Raad van State heeft advies 74 551/1 gegeven op 25 oktober 2023, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Juridisch kader Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving: - het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; - het VLAREBO-besluit van 14 december 2007; - het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; - het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten1 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu; - het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; - de Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming, artikel 6, punt 1, e). Initiatiefnemer Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme. Na beraadslaging, DE VLAAMSE REGERING BESLUIT: HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Art. 2.In artikel 5.2.2.6.4, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht: 1° in punt 2° wordt het woord "koelmiddelen" vervangen door het woord "koudemiddelen"; 2° een punt 6° /2 wordt ingevoegd, dat luidt als volgt: "6° /2 aftappen van dieselemissievloeistof;". Art. 3.In artikel 5.2.4.1.7, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/05/2006 pub. 30/06/2006 numac 2006036000 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne ter doorvoering van correcties van errata en verdere omzetting van EG-regelgeving type besluit van de vlaamse regering prom. 12/05/2006 pub. 08/06/2006 numac 2006035851 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2001 tot uitvoering van artikel 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning sluiten en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten6, wordt punt 2° vervangen door wat volgt: " 2° Grenswaarden voor het totaalgehalte van organische parameters Behalve aan de grenswaarden voor uitloging, vermeld in punt 1°, moeten inerte afvalstoffen aan de volgende aanvullende grenswaarden voldoen: Parameter Waarde mg/kg droge stof TOC (totaal organische koolstof) 30000 (*) BTEX Benzeen Ethylbenzeen Styreen Tolueen Xyleen BTEX som 0,5 5 1,5 6 6 Som PCB's (polychloorbifenylen, 7 congeneren) 1 Minerale olie (C10 t/m C40) 500 PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen): Benzo(a)antraceen Benzo(a)pyreen Benzo(ghi)peryleen Benzo(b)fluoranteen Benzo(k)fluoranteen Chryseen Fenantreen Fluoranteen Indeno(1,2,3cd)pyreen Naftaleen Acenafteen Acenaftyleen Antraceen Dibenzo(a,h)antraceen Fluoreen Pyreen 30 7.2 10 4.4 10 20 30 30 15 6 6.2 1.2 10 3.2 20 46 (*) In geval van grond kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een hogere grenswaarde worden toegestaan als voor DOC een waarde van 500 mg/kg niet overschreden wordt bij L/S 10 l/kg en de pH-waarde van de grond zelf dan wel een pH tussen 7,5 en 8 heeft.". Art. 4.In artikel 5.2.4.1.8, § 7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/05/2006 pub. 30/06/2006 numac 2006036000 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne ter doorvoering van correcties van errata en verdere omzetting van EG-regelgeving type besluit van de vlaamse regering prom. 12/05/2006 pub. 08/06/2006 numac 2006035851 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2001 tot uitvoering van artikel 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning sluiten en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, 27 november 2015 en 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in punt 1° wordt de zinsnede "met als aanbevolen analysemethode CMA/3/C" opgeheven;2° in punt 2° wordt de zinsnede "met als aanbevolen analysemethode CMA/3/Q" opgeheven;3° in punt 3° wordt de zinsnede "met als aanbevolen analysemethode CMA/3/N" opgeheven; 4° in punt 4° wordt de zinsnede "met als analysemethode: gewichtsverlies na extractie volgens CMA/2/II/A.12" opgeheven; 5° in punt 5° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1. a)de zinsnede ": CMA/2/II/A.2" wordt opgeheven;
  2. b)de zinsnede ": CMA/2/II/A.7" wordt opgeheven;
  3. c)de zinsnede "DOC wordt bepaald volgens de analysemethode CMA/2/I/D.7." wordt opgeheven; 6° in punt 6° wordt de zinsnede ", met als methode CMA/2/II/A.4" opgeheven; 7° in punt 7° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  4. a)de zinsnede "analysemethode, beschreven in de norm CMA/2/II/A.12" wordt vervangen door de woorden "enkelvoudige schudtest";
  5. b)de kolom met kolomhoofd analysemethode wordt opgeheven. Art. 5.In artikel 5.2.4.1.12, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/05/2006 pub. 30/06/2006 numac 2006036000 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne ter doorvoering van correcties van errata en verdere omzetting van EG-regelgeving type besluit van de vlaamse regering prom. 12/05/2006 pub. 08/06/2006 numac 2006035851 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2001 tot uitvoering van artikel 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning sluiten, wordt de zin "Voor tests en analyses waarvoor (nog) geen CEN-methoden beschikbaar zijn, dienen de gebruikte methoden overeen te stemmen met een code van goede praktijk." opgeheven. Art. 6.In artikel 5.2.5.3.2, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, 27 november 2015 en 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in punt 1° wordt de zinsnede "met als analysemethode CMA/3/C" opgeheven;2° in punt 2° wordt de zinsnede "met als analysemethode CMA/3/Q" opgeheven;3° in punt 3° wordt de zinsnede "met als analysemethode CMA/3/N" opgeheven; 4° in punt 4° wordt de zinsnede "met als analysemethode: gewichtsverlies na extractie volgens CMA/2/II/A.12" opgeheven; 5° in punt 5° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  6. a)de zinsnede ": CMA/2/II/A.2" wordt opgeheven;
  7. b)de zinsnede ": CMA/2/II/A.7" wordt opgeheven; 6° in punt 6° wordt de zinsnede ", met als methode CMA/2/II/A.4" opgeheven; 7° in punt 7° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  8. a)de zinsnede "analysemethode, beschreven in de norm CMA/2/II/A.12" wordt vervangen door de woorden "enkelvoudige schudtest";
  9. b)de kolom met kolomhoofd analysemethode wordt opgeheven. HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 Art. 7.Bijlage VI bij het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 03/10/2019 numac 2019014629 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat betreft de formulieren in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 17/05/2019 numac 2019012250 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de subsidie voor ruimere openingsmomenten, de subsidie voor dringende kinderopvang en de plussubsidie in 2019 type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 08/04/2019 numac 2019030341 bron ministerie van de franse gemeenschap Ministerieel besluit tot benoeming van de leden en de voorzitter van de raad van beroep voor de studietoelagen van de Franse Gemeenschap sluiten1, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Art. 8.Bijlage VIII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2021Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 03/10/2019 numac 2019014629 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat betreft de formulieren in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 17/05/2019 numac 2019012250 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de subsidie voor ruimere openingsmomenten, de subsidie voor dringende kinderopvang en de plussubsidie in 2019 type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 08/04/2019 numac 2019030341 bron ministerie van de franse gemeenschap Ministerieel besluit tot benoeming van de leden en de voorzitter van de raad van beroep voor de studietoelagen van de Franse Gemeenschap sluiten4, wordt vervangen door bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd. Art. 9.In bijlage XXIII bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 03/10/2019 numac 2019014629 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat betreft de formulieren in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 17/05/2019 numac 2019012250 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de subsidie voor ruimere openingsmomenten, de subsidie voor dringende kinderopvang en de plussubsidie in 2019 type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 08/04/2019 numac 2019030341 bron ministerie van de franse gemeenschap Ministerieel besluit tot benoeming van de leden en de voorzitter van de raad van beroep voor de studietoelagen van de Franse Gemeenschap sluiten0 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het punt "Bijzondere gebruikseisen voor technici" worden de rijen 40/3, 1° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°,
  10. g)tot en met i): 1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning; 40/3, 4° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°,
  11. g)tot en met i): 4° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven; vervangen door de volgende rijen: 40/3, § 1, 1° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°,
  12. g)tot en met i): 1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning; 40/3, § 1, 4° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°,
  13. g)tot en met i): 4° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven; 40/3, § 2, eerste zin De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, i), die werkt in een centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen als vermeld in artikel 5.2.4.4, 3°, van het VLAREMA, volgt vijfjaarlijks de bijscholing, vermeld in artikel 43/10, § 1, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, l), of een gelijkwaardige bijscholing die aanvaard is door de bevoegde afdeling, tenzij aan het erkende centrum voor minstens drie van de vijf afgelopen jaren een opvolgingskeuring is opgelegd zoals vermeld in artikel 5.2.4.7, § 3, van het VLAREMA, en slaagt voor het bijscholingsexamen of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door de bevoegde afdeling. 40/3, § 2, tweede zin Als het certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 17/5, 2°, of artikel 32, § 2, eerste lid, 11°, b), ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat, of als het meest recente certificaat van bijscholing ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, moet de technicus de bijscholing gevolgd hebben, tenzij aan het erkende centrum voor minstens drie van de vijf afgelopen jaren een opvolgingskeuring is opgelegd zoals vermeld in artikel 5.2.4.7, § 3, van het VLAREMA, en voor het bijscholingsexamen geslaagd zijn vóór hij de erkenning kan gebruiken. 2° in het punt "Bijzondere gebruikseisen voor opleidingscentra" worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  14. a)de rij 43/10, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen.Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en het examen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008. wordt vervangen door de volgende rij: 43/10, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijscholingsexamen en, in voorkomend geval, het bijscholingsexamen voor personen die het certificaat van bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen. Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en het bijhorende examen, en de bijscholing en het bijscholingsexamen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008.
  15. b)de rij 43/10, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen uit nadat een persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1. wordt vervangen door de volgende rij: 43/10, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen of bijscholingsexamen, of, in voorkomend geval, geslaagd is in het bijscholingsexamen, vermeld in paragraaf 1.
  16. c)de rij 43/10, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de opleiding en het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren. wordt vervangen door de volgende rij: 43/10, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de opleiding, de bijscholing en de examens, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
  17. d)de rijen 43/10, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de bevoegde afdeling minstens een maand voor een opleiding van start gaat of het examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de opleiding of het examen. 43/10, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de bevoegde afdeling personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen. worden vervangen door de volgende rijen: 43/10, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de bevoegde afdeling minstens een maand voor een opleiding of bijscholing van start gaat op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding en bijhorende examen, de bijscholing en het bijscholingsexamen of het bijscholingsexamen. 43/10, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de bevoegde afdeling personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. ". HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het VLAREL van 19 november 2010 Art. 10.Aan artikel 4, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2021Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 03/10/2019 numac 2019014629 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat betreft de formulieren in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 17/05/2019 numac 2019012250 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de subsidie voor ruimere openingsmomenten, de subsidie voor dringende kinderopvang en de plussubsidie in 2019 type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 08/04/2019 numac 2019030341 bron ministerie van de franse gemeenschap Ministerieel besluit tot benoeming van de leden en de voorzitter van de raad van beroep voor de studietoelagen van de Franse Gemeenschap sluiten5, wordt een punt 69° toegevoegd, dat luidt als volgt: "69° VLAREMA: het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.". Art. 11.In artikel 6 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 03/10/2019 numac 2019014629 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat betreft de formulieren in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 17/05/2019 numac 2019012250 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de subsidie voor ruimere openingsmomenten, de subsidie voor dringende kinderopvang en de plussubsidie in 2019 type ministerieel besluit prom. 27/03/2019 pub. 08/04/2019 numac 2019030341 bron ministerie van de franse gemeenschap Ministerieel besluit tot benoeming van de leden en de voorzitter van de raad van beroep voor de studietoelagen van de Franse Gemeenschap sluiten3, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in punt 2°, i), wordt de zinsnede " besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen" vervangen door de zinsnede "VLAREMA";2° in punt 4°, l), worden tussen de woorden "van bekwaamheid" en de woorden "voor klimaatregelingsapparatuur" de woorden "en bijscholing" ingevoegd en wordt de zinsnede " besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten2 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen" vervangen door de zinsnede "VLAREMA". Art. 12.In artikel 24/7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de inleidende zin worden tussen de woorden "van bekwaamheid" en de woorden "voor klimaatregelingsapparatuur" de woorden "en bijscholing" ingevoegd;2° in punt 1° worden de woorden "de opleiding en het bijhorende examen" vervangen door de woorden "de opleiding en het bijhorende examen, de bijscholing en het bijscholingsexamen of het bijscholingsexamen". Art. 13.Aan artikel 40/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten7, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt: " § 2. De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, i), die werkt in een centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen als vermeld in artikel 5.2.4.4, 3°, van het VLAREMA, volgt vijfjaarlijks de bijscholing, vermeld in artikel 43/10, § 1, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, l), of een gelijkwaardige bijscholing die aanvaard is door de bevoegde afdeling, tenzij aan het erkende centrum voor minstens drie van de vijf afgelopen jaren een opvolgingskeuring is opgelegd zoals vermeld in artikel 5.2.4.7, § 3, van het VLAREMA, en slaagt voor het bijscholingsexamen of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door de bevoegde afdeling. Als het certificaat van bekwaamheid, vermeld in artikel 17/5, 2°, of artikel 32, § 2, eerste lid, 11°, b), ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat, of als het meest recente certificaat van bijscholing ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, moet de technicus de bijscholing gevolgd hebben, tenzij aan het erkende centrum voor minstens drie van de vijf afgelopen jaren een opvolgingskeuring is opgelegd zoals vermeld in artikel 5.2.4.7, § 3, van het VLAREMA, en voor het bijscholingsexamen geslaagd zijn vóór hij de erkenning kan gebruiken. De bijscholingen en examens die als gelijkwaardig worden beschouwd, worden gepubliceerd op de website van de bevoegde afdeling.". Art. 14.In artikel 43/10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten7 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, 3 mei 2019 en 29 januari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing en het bijscholingsexamen of, in voorkomend geval, het bijscholingsexamen voor personen die het certificaat van bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen.Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en de bijscholing en het examen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008."; 2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt tussen de woorden "van bekwaamheid" en de woorden "voor klimaatregelingsapparatuur" de zinsnede "of, in voorkomend geval, van bijscholing" ingevoegd, wordt tussen de woorden "de opleiding" en de woorden "gevolgd heeft" de zinsnede "of, in voorkomend geval, de bijscholing" ingevoegd en wordt tussen de woorden "voor het bijhorende examen," en "vermeld in paragraaf 1" de zinsnede "of, in voorkomend geval, het bijscholingsexamen" ingevoegd;3° in paragraaf 5 worden de woorden "de opleiding en het examen" vervangen door de zinsnede "de opleiding, de bijscholing en de examens";4° in paragraaf 7 wordt de zinsnede "voor een opleiding van start gaat of het examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de opleiding of het examen" vervangen door de zinsnede "voor een opleiding of bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding en het bijhorend examen, bijscholing en het bijscholingsexamen of, in voorkomend geval, het bijscholingsexamen" en wordt tussen de woorden "mogelijkheid bieden om de opleidingen" en de woorden "en examens bij te wonen" de zinsnede ", bijscholingen" ingevoegd. Art. 15.In bijlage 3, punt 5°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een e

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.