← België

Koninklijk besluit tot omzetting van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wette

In het kort

Dit Koninklijk Besluit zet Europese regels om in Belgisch recht om de wettelijke controles van jaarrekeningen te verbeteren en te harmoniseren, en zo het vertrouwen in financiële informatie te herstellen. Het past de wet van 22 juli 1953 aan die het Instituut der Bedrijfsrevisoren oprichtte.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

21 APRIL 2007. - Koninklijk besluit tot omzetting van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit waarvan wij de eer hebben het Uwe Majesteit voor te leggen heeft tot doel om de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997

(2)sluiten0 houdende oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren aan te passen in het kader van de omzetting van de bepalingen van de Europese Richtlijn 2006/43/EG, goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad op 17 mei 2006, betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad die werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 9 juni 2006 (hierna « de Richtlijn »). Het opschrift van onderhavig koninklijk besluit werd aangepast overeenkomstig het advies 42.226/1 van de Raad van State van 23 maart
  1. De overwegingen van onderhavig koninklijk besluit werden aangepast overeenkomstig voormeld advies van de Raad van State. Zoals door de Raad van State onderlijnd in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007 zullen sommige bepalingen van de Richtlijn, zoals degenen betreffende het auditcomité, later omgezet worden, en die geen rechtstreekse invloed hebben op het systeem dat door onderhavig besluit opgezet wordt. Zoals door de Raad van State onderlijnd, is het passend de aandacht te vestigen op het feit dat de rechten die de Richtlijn toekent aan wettelijke auditors en auditkantoren, die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn toegelaten, worden uitgebreid naar de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER) zodra de Richtlijn, ingevolge een beslissing van het Gemengd Comité opgericht krachtens de EER-Overeenkomst van 2 mei 1992, op de laatstgenoemde categorie van lidstaten van toepassing wordt verklaard.
  2. Overeenkomstig overweging 32 betreffen de doelstellingen van de Richtlijn de toepassing van één enkele set van internationale controlestandaarden, de actualisering van de scholingseisen, de definitie van de beroepsethiek en de technische tenuitvoerlegging van de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten onderling en tussen deze autoriteiten en de autoriteiten van derde landen, met het oog op de verdere verbetering en harmonisatie van de kwaliteit van de wettelijke controle van jaarrekeningen in de Gemeenschap en de bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten onderling en met derde landen met de bedoeling het vertrouwen in de wettelijke controle van jaarrekeningen te versterken. De Richtlijn bestaat er derhalve in het vertrouwen in de financiële informatie te herstellen in het kader van de schandalen die in het verleden een aantal vennootschappen hebben getroffen. Zij beoogt zodoende de functie van wettelijke controle binnen de hele Europese Unie te versterken en te harmoniseren. Zij definieert de principes die van toepassing zijn op het publieke externe toezicht in alle lidstaten, ze bepaalt ook een systeem van kwaliteitscontrole dat onafhankelijk is van de gecontroleerde entiteiten en ze verduidelijkt de plichten van de wettelijke auditor betreffende onafhankelijkheid. Zij voorziet eveneens in het gebruik van internationale controlestandaarden (International Standards on Auditing) (ISA's) voor de wettelijke controles in de Europese Unie. De goedkeuring van deze standaarden zal gepaard gaan met strikte voorwaarden met betrekking tot hun kwaliteit en hun vermogen om het Europees openbaar belang te bevorderen. De Richtlijn legt tevens de fundamenten voor een doeltreffende en evenwichtige samenwerking tussen de regulatoren van de Europese Unie en die van derde landen, onder andere de Public Company Accounting Oversight Board (PCAOB) van de Verenigde Staten.
  3. Het voorontwerp van koninklijk besluit bestaat uit wijzigingen van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 houdende oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren De wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen maken het voorwerp uit van een ander voorontwerp van koninklijk besluit.4. De voornaamste aspecten van de omzetting van de Richtlijn op de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 zijn de volgende :
  1. a)De erkenningsvoorwaarden voor wettelijke auditors en auditkantoren worden gewijzigd, in het bijzonder wat de stemrechten en de samenstelling van het leidinggevende of bestuursorgaan van een auditkantoor betreft. In België moeten tegenwoordig 100 % van de stemrechten in handen zijn van leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren (hierna « het Instituut ») of van personen met een gelijkwaardige hoedanigheid in het buitenland. Bovendien dient de meerderheid van de stemrechten in handen te zijn van leden van het Instituut. Ten slotte dient de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan van een auditkantoor te bestaan uit leden van het Instituut. De Richtlijn strekt ertoe wettelijke auditors uit om het even welke lidstaat toe te laten in alle andere lidstaten de controle in handen te hebben over een auditkantoor en het te besturen. Dit moet de verdere integratie van Europese auditkantoren bevorderen en de markt helpen openen. Andere dan de wettelijke auditors zullen over een minderheid van de aandelen kunnen beschikken en mandaten van lid van een bestuursorgaan kunnen uitoefenen.
  2. b)Alle wettelijke auditors, evenals de auditkantoren, moeten in een openbaar register worden ingeschreven in hun land van oorsprong.Voor de auditkantoren zal dit register in het bijzonder de rechtsvorm van het kantoor, de vennoten en de bestuurders, alsook het netwerk vermelden waartoe het auditkantoor behoort.
  3. c)De wettelijke auditors en de auditkantoren moeten strenge ethische beroepsregels naleven.De Europese Commissie is de mening toegedaan dat er met de beginselen vastgelegd in de « Code of Ethics » van de International Federation of Accountants (IFAC) en in de Europese aanbeveling van 16 mei 2002 zou kunnen worden rekening gehouden. De wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002009820 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen type wet prom. 02/08/2002 pub. 05/09/2002 numac 2002009809 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot aanvulling van artikel 33, § 1, eerste lid van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis sluiten, genaamd « corporate governance », heeft in grote mate reeds rekening gehouden met deze aanbeveling. De regels met betrekking tot de vertrouwelijkheid en het beroepsgeheim mogen ook niet beletten dat pertinente informatie wordt uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.
  4. d)De invoering van internationale controlestandaarden voor jaarrekeningcontrole (ISA'
  5. s)moet ertoe leiden dat de controle van jaarrekeningen overal in de Europese Unie van een gelijkwaardige kwaliteit is. De verplichte permanente vorming van de personen belast met de wettelijke controle van jaarrekeningen moet een goede kennis van deze standaarden in de hand werken. Sinds 29 juni 1979 bestaat er in België een norm over de permanente vorming van bedrijfsrevisoren. Deze norm werd in 1991 vervangen door een nieuwe norm. De controlenormen en -aanbevelingen van het Instituut zijn gebaseerd op de bestaande internationale standaarden en derhalve zijn vele elementen uit de ISA's niet vernieuwend. Om te voorkomen dat lidstaten nieuwe of aanvullende eisen stellen aan de controle die verder gaan dan de procedures waarin de ISA's voorzien, voorziet de Richtlijn dat de lidstaten alleen controleprocedures of -vereisten, buiten de internationale controlestandaarden, of in uitzonderlijke gevallen de uitsluiting van delen ervan mogen verplicht stellen, indien deze voortvloeien uit specifieke nationale wettelijke voorschriften in verband met het voorwerp van de wettelijke controle van jaarrekeningen.
  6. e)De Richtlijn legt duidelijk de verantwoordelijkheden vast in geval van controle van de geconsolideerde jaarrekening van een groep van ondernemingen.De groepsauditor draagt de volledige verantwoordelijkheid voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening in kwestie. De groepsauditor voert een beoordeling uit en houdt documenten bij over zijn of haar beoordeling van de controlewerkzaamheden uitgevoerd door auditors uit derde landen.
  7. f)De lidstaten hebben als opdracht het installeren van een doeltreffend kwaliteitscontrolesysteem.Er wordt een onderscheid gemaakt in de frequentie van de kwaliteitscontroles naargelang de aard van de gecontroleerde entiteit. Auditors die de jaarrekeningen van instellingen van openbaar belang controleren, dienen om de drie jaar aan een kwaliteitscontrole te worden onderworpen, terwijl auditors die andere entiteiten controleren slechts om de zes jaar onderworpen worden aan een kwaliteitscontrole. In 1984 heeft de Raad van het Instituut de eerste norm inzake confraternele controle aangenomen, die aldus de eerste grondslagen legde van een controlesysteem van de opdrachten van de bij het Instituut ingeschreven revisoren. Door dit initiatief werd het Instituut beschouwd als één van de pioniers ter zake. Na een periode van zeven jaar werd, op basis van de verworven kennis, een eerste versie van de norm inzake confraternele controle in 1991 aangenomen (Norm van 5 juli 1991 inzake confraternele controle, IBR, Jaarverslag, 1991, p. 193-198). Vanaf 2001 ten slotte heeft de Raad van het Instituut het initiatief genomen om de norm van 1991 aan te passen in het bijzonder in het licht van de Europese aanbeveling van 15 november 2000, in verband met de minimumvereisten inzake waarborging van de kwaliteit van de wettelijke rekeningencontrole in de Europese Unie.
  8. g)De lidstaten dienen erop toe te zien dat er een doeltreffend onderzoeks- en sanctioneringssysteem bestaat ten aanzien van wanpraktijken en plichtsverzuim vanwege beroepsbeoefenaars.De lidstaten moeten eveneens erin voorzien dat de maatregelen en sancties genomen ten aanzien van een wettelijke auditor of een auditkantoor op passende wijze openbaar worden gemaakt.
  9. h)Wettelijke auditors en auditkantoren die instellingen van openbaar belang controleren, zouden op hun website binnen de drie maanden volgend op ieder boekjaar een transparantieverslag moeten publiceren dat inzicht biedt in de structuur van het auditkantoor, het internationaal netwerk waartoe het behoort en de financiële informatie die wijst op het belang van het auditkantoor.Dit verslag moet onder meer de volgende elementen bevatten : 1) een verklaring betreffende de praktijken van het auditkantoor inzake onafhankelijkheid;2) een beschrijving van het interne kwaliteitscontrolesysteem;en 3) een verklaring van het bestuursorgaan van het auditkantoor betreffende de doeltreffendheid van het functioneren van dit interne kwaliteitscontrolesysteem.5. De Richtlijn versterkt tevens het publiek toezicht op de wettelijke auditor.Het systeem van publiek toezicht moet derhalve worden geleid door niet-vakmensen die de materies beheersen die betrekking hebben op de wettelijke controle. De lidstaten kunnen evenwel toelaten dat een minderheid van vakmensen deelnemen aan het bestuur van het systeem. De Richtlijn stipt aan dat de eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op het stelsel van publiek toezicht rust op :
  10. a)de toelating en registerinschrijving van wettelijke auditors en auditkantoren;en
  11. b)de goedkeuring van normen op het gebied van beroepsethiek en kwaliteitsbeheersing, alsook van controlestandaarden;en
  12. c)permanente vorming, kwaliteitscontrole en onderzoeks- en tuchtregelingen. De Richtlijn bevat een wederzijdse erkenning van de reglementaire mechanismen tussen lidstaten. Het toezicht wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst. Dat betekent dat de lidstaat die de wettelijke auditor of het auditkantoor heeft erkend en waar het auditkantoor zijn statutaire zetel heeft, de volledige verantwoordelijkheid draagt voor het publiek toezicht op het betrokken kantoor, dat op grond daarvan in de hele Europese Unie activiteiten zou kunnen ontplooien. Om een betere samenwerking met de bevoegde autoriteiten uit derde landen, zoals de PCAOB, in de Verenigde Staten, mogelijk te maken, staat de Richtlijn toe dat ook met derde landen wordt samengewerkt op basis van het beginsel dat het publiek toezicht wordt uitgeoefend door het land van herkomst. 6. Wat het publiek toezicht op het beroep van de bedrijfsrevisor betreft, had de wetgever in België reeds in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 (hervormd door de wet van 21 februari 1985) voorzien in een systeem van :
  1. a)machtiging aan de Koning voor de bepalingen verbonden aan tucht, deontologie, stage en huishoudelijk reglement;
  2. b)publiek extern toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, via de oprichting van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen (tussen 1985 en 1999 de Hoge Raad voor het Revisoraat genoemd),
  3. c)tuchtorganen samengesteld uit magistraten en revisoren met een meerderheid van magistraten in hoger beroep.Het publiek toezicht inzake beroepstucht bestaat in België in het feit dat de Minister van Justitie de leden van de tuchtorganen benoemt. In 2003 werd tevens het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris opgericht. Dit comité verstrekt op verzoek van de commissaris een voorafgaandelijk advies over de verenigbaarheid van een prestatie met zijn onafhankelijke taakuitoefening. Dit comité kan tevens met betrekking tot de onafhankelijke taakuitoefening van een commissaris een zaak aanhangig maken bij het bevoegde tuchtorgaan van het Instituut der Bedrijfsrevisoren. Het comité is samengesteld uit leden die niet behoren tot het beroep van bedrijfsrevisor. 7. In zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007 onderstreept de Raad van State dat het nieuwe systeem complex kan lijken, rekening houdend met het aantal organen die deel uitmaken van het systeem van publiek toezicht. In dit opzicht is het passend om in herinnering te brengen dat de Richtlijn voorziet in de verplichting om een « systeem » van publiek toezicht te installeren, teneinde precies de installatie van een systeem toe te laten dat ofwel één ofwel meerdere organen omvat. In het voorgesteld systeem, wordt ervoor geopteerd om de optie te nemen om meerdere organen bevoegd te maken. De logica van het opgezette systeem beoogt belangenconflicten te vermijden en de fundamentele democratische beginselen van de scheiding der machten na te leven tussen :
  4. a)enerzijds, de toezichtfunctie op het aannemen van de normen met algemene draagwijdte (normatieve functie of quasi-« wetgevende » functie), en
  5. b)anderzijds, de toezichtfunctie op de toepassing van deze normen (controlefunctie of quasi-« rechtsprekende » functie). Men heeft geopteerd voor een transparant en duidelijk systeem krachtens dewelke afzonderlijke organen afzonderlijke bevoegdheden uitoefenen, die duidelijk overkomen ten opzichte van alle belanghebbende partijen evenals ten opzichte van het publiek in het algemeen. Dit systeem werd verkozen boven een ander systeem dat zou voorzien dat één enkel orgaan alle toezichtbevoegdheden vereist door de Richtlijn (normatieve en controlefuncties) uitoefent. Teneinde belangenconflicten tussen de normatieve functie en de controlefunctie te vermijden, zou het andere systeem het installeren van firewalls' noodzaken tussen de verschillende departementen en zou het nadeel meebrengen minder transparant te zijn. Daarom werd er gekozen voor een systeem dat meerdere organen omvat tussen dewelke er, overeenkomstig de bepalingen van de Richtlijn, een samenwerking werd georganiseerd. Het voorgestelde nieuwe systeem van publiek toezicht is gericht op de volgende principes :
  6. a)een onderscheid wordt gemaakt tussen de bevoegdheden met algemene draagwijdte (goedkeuring van de normen;adviezen over ontwerpen van koninklijk besluit; enz...) voorbehouden aan de Hoge Raad voor de Economische Beroepen (HREB) en de bevoegdheden over individuele dossiers (toezicht, kwaliteitscontrole, tucht) voorbehouden aan een nieuwe instelling « de Kamer van verwijzing en instaatstelling » en samengesteld uit personen extern aan het beroep en aangeduid door de Koning;
  7. b)de Kamer van verwijzing en instaatstelling zal van een totale autonomie genieten en zal rechtspersoonlijkheid bezitten;de rechtspersoonlijkheid van de Kamer beoogt, overeenkomstig artikel 32, leden 1, 3, 6 en 7, van de Richtlijn : 1°) de operationele en financiele onafhankelijkheid van deze ten aanzien van het beroep van bedrijfsrevisor te versterken; 2°) de transparantie te versterken; en 3°) rekening te houden met de doelstelling van doeltreffendheid vereist door de Richtlijn. De afzonderlijke rechtspersoonlijkheid van de Kamer beantwoordt aldus aan de bemerking van de Raad van State in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007 daaromtrent. De Kamer zal haar eigen begroting hebben; deze zal alle verslagen van de Raad van het Instituut inzake toezicht en kwaliteitscontrole ontvangen en zal beslissen al dan niet de tuchtinstanties te adiëren; de Kamer kan hetzij de Raad gelasten om bijkomende onderzoeken uit te voeren, hetzij daartoe een expert aan te duiden onder de leden van de Kamer of een (ere-) bedrijfsrevisor.
  8. c)de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep (de tuchtinstanties) blijven de beroepstucht van de bedrijfsrevisor verder handhaven;
  9. d)het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris (ACCOM) behoudt zijn huidige bevoegdheden en wordt bevoegd om een advies te verlenen teneinde een bedrijfsrevisor toe te laten om in bepaalde omstandigheden revisorale opdrachten uit te voeren;
  10. e)de Procureur-generaal ontvangt een bijkomende bevoegdheid, namelijk een beroep tegen iedere beslissing van de Raad in verband met het bijhouden van het openbaar register;
  11. f)de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) kan worden geraadpleegd door de HREB voor elke ontwerpnorm en moet worden geraadpleegd voor de aspecten van de normen betreffende de kwaliteitscontrole in verband met ondernemingen van openbaar belang;
  12. g)elke geïnteresseerde derde mag een klacht indienen tegen een bedrijfsrevisor, hetzij bij de Raad van het Instituut, hetzij bij de Kamer van verwijzing en instaatstelling;
  13. h)het Instituut, dat beschikt over een expertise van meer dan vijftig jaar, behoudt zijn bevoegdheden op het gebied van het houden van het openbaar register, het voorstellen van normen, de voorafgaande raadpleging van reglementaire ontwerpteksten, het onderzoek van dossiers van toezicht en kwaliteitscontrole, de opvolging van de permanente vorming van de leden, enz.; deze bevoegdheden maken voortaan het voorwerp uit van een toezicht dat meer de stempel draagt van het systeem van « public oversight ». De volgende instanties worden zodoende beschouwd als orgaan van publiek toezicht :
  14. a)de Minister bevoegd voor Economie (normen en controlestandaarden);
  15. b)de Procureur-generaal (toelating en registerinschrijving);
  16. c)de Hoge Raad voor de Economische Beroepen (normen en controlestandaarden);
  17. d)het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris (adviezen inzake onafhankelijkheid van de commissaris in afwijking van de « one-to-one regel » en verwijzing naar de tuchtinstanties omtrent de onafhankelijkheid van de commissaris);
  18. e)de Kamer van verwijzing en instaatstelling (permanente vorming, kwaliteitscontrole en onderzoeksregelingen);
  19. f)de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep (tuchtregelingen).8. Wat de toegang tot het beroep betreft, vereist de Richtlijn geen aanpassingen aan de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten
  1. De nieuwigheden met betrekking tot de te voorziene vakken van het ingangsexamen, evenals de stagemodaliteiten buiten België worden voorzien in het koninklijk besluit betreffende de stage. Het koninklijk besluit zal overigens maatregelen voorzien met het oog op de versterking van de aanwezigheid van aan het beroep externe leden in de schoot van de bekwaamheidsjury's. Gezien de ontwikkeling de laatste jaren van een tuchtrecht eigen aan de stagiairs, wordt voorgesteld om essentiële principes van dit recht in de wet op te nemen, daar waar deze bepalingen op dit moment zijn voorzien in een reglementaire tekst. Er wordt eveneens voorgesteld om de bepalingen met betrekking tot de stagevermindering in de wet aan te passen om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe Richtlijn.
  2. Het bijhouden van het publiek register blijft een bevoegdheid van het IBR.Artikel 3.2 van de Richtlijn laat daadwerkelijk toe een beroepsorganisatie aan te duiden die verantwoordelijk is voor het bijhouden van dat register. Wat het een publiek toezicht op het openbaar register betreft, is er voortaan beroep mogelijk door de belanghebbende en door het orgaan van publiek toezicht (de Procureur-generaal) bij de Commissie van Beroep tegen de beslissing van de Raad van het Instituut tot inschrijving of tot weigering of intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor.
  3. Wat het publiek toezicht betreft op de aanpassing van de normen, wordt voorgesteld om in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 de Hoge Raad voor de Economische Beroepen uitdrukkelijk te belichten als de instantie die samen met de Minister die bevoegd is voor Economie de verordenende bevoegdheid heeft om nieuwe normen en aanbevelingen van het Instituut goed te keuren. Het voorgestelde systeem gaat verder dan de vereisten van de Richtlijn, daar het alle normen en aanbevelingen beoogt, daar waar de Richtlijn enkel doelt op statutaire audits van handelsvennootschappen. Aangezien de Raad van het Instituut daarenboven niet meer over de beslissingsbevoegdheid beschikt bij het opstellen van de normen, wordt voorzien dat de Hoge Raad voor de Economische Beroepen een vertegenwoordiger van de Raad van het Instituut hoort alvorens over ontwerpnormen of -aanbevelingen te delibereren. Dit kadert trouwens in de wens tot transparantie zoals voorzien door artikel 32, 6° van de Richtlijn.
  1. Teneinde de transparantie van de procedure inzake nieuwe normen of aanbevelingen te verhogen, wordt de inhoud van elke ontwerpnorm of aanbeveling door de Raad openbaar gemaakt.
  2. In het kader van de versterking van het « public oversight » in het bijzonder op de toelatingen, registerinschrijvingen en tuchtbeslissingen wordt een wettelijke basis gegeven aan een vaststaande praktijk dat jaarlijks door de Raad van het Instituut het verslag over de werkzaamheden van het Instituut tijdens het verlopen jaar, de jaarrekening op 31 december en het verslag van de commissarissen worden overgemaakt aan de Minister die bevoegd is voor Economie alsook aan de Hoge Raad voor de Economische Beroepen.
  3. Wat de maatregelen voorzien door de Richtlijn inzake onafhankelijkheid (art.21 en 22 en overweging 11) betreft, was onze wetgever reeds zeer ruimschoots vooruitgelopen op de om te zetten bepalingen via de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002009820 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen type wet prom. 02/08/2002 pub. 05/09/2002 numac 2002009809 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot aanvulling van artikel 33, § 1, eerste lid van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis sluiten genaamd « corporate governance ». Het koninklijk besluit van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren zal overigens het voorwerp uitmaken van wijzigingen gericht op de aanpassing van het geheel van de wijzigingen van de wet van 1953 die de omzetting van de Richtlijn met zich meebrengt. Zo zullen bijvoorbeeld de artikelen 4 en 5 van hoofdstuk II (bepalingen inzake de onverenigbaarheden), evenals de artikelen 33 tot 36 van hoofdstuk VII (bepalingen inzake de tuchtprocedure) van voormeld koninklijk besluit van 10 januari 1994 moeten worden opgeheven. De bepalingen inzake de onverenigbaarheden zijn immers opgenomen in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0, meer in het bijzonder in het nieuwe artikel
  1. De bepalingen inzake de tuchtprocedure zijn voortaan voorzien in het nieuwe koninklijk besluit tot organisatie van het toezicht en de kwaliteitscontrole en houdende het tuchtreglement voor de bedrijfsrevisoren.
  2. In het kader van het publiek toezicht op de activiteiten van toezicht en kwaliteitscontrole, voorziet het ontwerp in de oprichting van een « Kamer van verwijzing en instaatstelling » die rechtspersoonlijkheid bezit, beschikt over een eigen begroting en die is samengesteld uit leden die extern zijn aan het beroep van bedrijfsrevisor en benoemd door de Koning. Deze Kamer is o.m. bevoegd voor de instaatstelling van tuchtdossiers ingeleid door de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, voor de opvolging van klachten tegen een bedrijfsrevisor, voor het toezicht op de conclusies aangenomen door de Raad van het Instituut ten gevolge van uitgevoerde kwaliteitscontroles, en eveneens om hetzij de Raad van het Instituut te verzoeken bijkomende onderzoeksdaden uit te voeren die deze nuttig acht, hetzij daartoe een deskundige aan te duiden onder de leden van de Kamer of (ere-)bedrijfsrevisoren. De oprichting van de Kamer van verwijzing en instaatstelling vertegenwoordigt een belangrijke innovatie die het mogelijk maakt dat een instelling die onafhankelijk is van het Instituut uitspraak doet, na afloop van het vooronderzoek van een dossier en omtrent het voorhanden zijn van tenlasteleggingen die de al dan niet verwijzing van een bedrijfsrevisor naar de tuchtinstanties rechtvaardigt. Naast het aspect van het publiek toezicht op de activiteiten van toezicht en kwaliteitscontrole, laat de oprichting van de Kamer van verwijzing en instaatstelling toe om de drie wezenlijke fasen van de tuchtprocedure op te splitsen, te weten het vooronderzoek van dossiers, de beslissing tot verwijzing van een bedrijfsrevisor naar de tuchtinstanties en de eigenlijke tuchtprocedure.
  3. De procedures inzake toezicht en kwaliteitscontrole zijn eveneens aanzienlijk versterkt. Eerst en vooral zijn de Commissie van Toezicht en de Commissie Kwaliteitscontrole ingevoerd door de wet (hetgeen voordien niet het geval was) en krijgen ze een grote autonomie ten aanzien van de Raad van het Instituut. Verder wordt in een machtiging aan de Koning voorzien om de bevoegdheden van deze commissies te organiseren, evenals van de na te leven procedure in het bijzonder tijdens het verhoor van confraters door deze commissies. Deze nieuwe procedures inzake toezicht en kwaliteitscontrole zullen het voorwerp uitmaken van een evaluatie binnen de drie jaar na hun inwerkingtreding zodat hun conformiteit met de door de Richtlijn nagestreefde doelstellingen wordt gewaarborgd.
  4. Inzake het publiek toezicht op de permanente vorming, voorziet de wet dat de permanente vorming deel uitmaakt van de kwaliteitscontrole en dat de besluiten van alle kwaliteitscontroles op trimestriële basis worden overgemaakt aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling.
  5. Wat het publiek toezicht op het tuchtsysteem betreft, is dit reeds in voege sinds de oprichting van het Instituut, daar op het niveau van beroep personen zetelen in meerderheid in de tuchtorganen die extern zijn aan het beroep (magistraten benoemd door de Koning).
  6. De Richtlijn verleent een bijzondere aandacht (art.30, 3°) aan de openbaarmaking van de tuchtbeslissingen. De Raad van het Instituut heeft steeds op anonieme wijze alle tuchtbeslissingen openbaar gemaakt, zowel via het jaarverslag als de website. Er wordt voorgesteld om een wettelijke basis aan deze handelswijze te verlenen.
  7. Bepaalde aanpassingen worden eveneens voorgesteld op tuchtrechtelijk vlak in uitvoering van artikel 102, § 2 van de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2006 pub. 28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten. Bepaalde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek werden in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 ingevoerd. Zo zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de tucht van de magistraten van toepassing op de leden en de plaatsvervangende leden van de Tuchtcommissie en van de Commissie van Beroep.
  1. Op het vlak van het opleggen van tuchtsancties aan rechtspersonen wordt de volgende nieuwigheid ingevoerd.Een bedrijfsrevisorenkantoor, die wordt vertegenwoordigd door een bedrijfsrevisor natuurlijke persoon die naar de Tuchtcommissie is verwezen, kan enkel worden verwezen naar de Tuchtcommissie in de veronderstelling dat dit bedrijfsrevisorenkantoor een onderscheiden fout heeft begaan.
  2. Een andere innovatie op tuchtrechtelijk vlak betreft de mogelijkheid voor de Raad om, zonder de Tuchtcommissie te adiëren een bedrijfsrevisor terecht te wijzen, wanneer de Raad van mening is dat de feiten die de revisor kunnen worden verweten, hoewel deze vaststaan, niettemin geen enkele van de voorziene tuchtsancties verantwoorden.Tegen een dergelijke terechtwijzing is er door de bedrijfsrevisor beroep mogelijk bij de Tuchtcommissie.
  3. Wanneer een wettelijke auditor uit een lidstaat van de Europese Unie in het kader van artikel 14 van de Richtlijn in België de wettelijke controle van de jaarrekening wenst uit te voeren, wordt hij onder andere onderworpen aan het verbod om geen functie van bediende uit te oefenen, behoudens bij een andere bedrijfsrevisor of een ander bedrijfsrevisorenkantoor.Dit verbod geldt voor al zijn activiteiten zowel voor deze in België als deze in het buitenland, behoudens individuele afwijking door de Raad van het Instituut na gunstig advies van het Advies- en Controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris.
  4. De Richtlijn voorziet (art.49) eveneens in bijzondere bepalingen betreffende de transparantie van de ontvangen honoraria door de commissaris of zijn netwerk.
  5. Verder werd de pensioensleeftijd van 67 jaar zowel bij de notarissen als bij de magistraten van de hoven en rechtbanken, met uitzondering van deze bij het Hof van Cassatie, ook op de bedrijfsrevisor toegepast.
  6. Artikel 22 van de wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten4 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, zoals gewijzigd door de wet van 12 januari 2004, voorziet in de mogelijkheid om de bevoegdheid aan de tuchtinstanties toe te kennen om de bedrijfsrevisor administratieve geldboetes op te leggen bij niet-naleving van de artikelen 4 tot 19 van voormelde wet.Deze bevoegdheid wordt toegekend aan de Tuchtcommissie. 26. Ter aanvulling van de wijzigingen ten gronde werd een hernummering en een volledige reorganisatie van de hoofdstukken en artikelen van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 doorgevoerd. Toelichting van de artikelen Hoofdstuk I. - Wijzigingen van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 houdende oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren Het opschrift van de wet wordt op die manier gewijzigd dat de nadruk wordt gelegd op het publiek toezicht, met name : « wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor ». Artikel 1 Wijziging van artikel 1 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 Teneinde het woord « Reviseurs » in de Franstalige benaming « Institut des Reviseurs d'Entreprises » af te stemmen op de terminologie gehanteerd in het Wetboek van vennootschappen (« réviseurs »), wordt voorgesteld om in het opschrift van de wet en in de wet een accent aigu te zetten op de « e' » van « Reviseurs ». Het is tevens opportuun om in het opschrift en overal in de wet het oud-Nederlandse woord « der » in de benaming « Instituut der Bedrijfsrevisoren » te vervangen door het woord « van de ». De woorden « van de » duiden immers op alle bedrijfsrevisoren en worden ook gehanteerd in de benaming van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. Het Instituut is te assimileren met een openbare instelling. Artikel 1 van onderhavig koninklijk besluit werd aangepast aan de bemerkingen van de Raad van State. Art. 2 Er wordt een nieuw artikel 2 toegevoegd dat de definitie bevat van enkele in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 voorkomende termen. De definities komen overeen met de definities in de Richtlijn : 1° bedrijfsrevisor natuurlijke persoon : een natuurlijke persoon die ingeschreven is in het openbaar register van het Instituut;2° bedrijfsrevisorenkantoor : een rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtspersoon die ingeschreven is in het openbaar register van het Instituut andere dan een natuurlijke persoon; 3° bedrijfsrevisor : de door de Raad van State in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007 voorgestelde definitie werd ingevoegd in artikel 22, 3°, van de wet van 1953; 4° wettelijke auditor : een natuurlijke persoon, die de toelating heeft om in een lidstaat van de Europese Unie het beroep van wettelijke auditor in de zin van de Richtlijn 2006/43/EG uit te oefenen;in antwoord op de vraag gesteld door de Raad van State, herneemt het begrip wettelijke auditor het begrip voorzien in de Richtlijn en beoogt alle wettelijke auditors in de lidstaten van de Europese Unie, terwijl het begrip bedrijfsrevisor natuurlijke persoon enkel de wettelijke auditors ingeschreven bij het Instituut in België betreft; 5° auditkantoor : een entiteit, andere dan een natuurlijke persoon, die de toelating heeft om in een lidstaat van de Europese Unie het beroep van wettelijke auditor in de zin van de Richtlijn 2006/43/EG uit te oefenen;in antwoord op de vraag gesteld door de Raad van State, herneemt het begrip auditkantoor het begrip voorzien in de Richtlijn en beoogt alle auditkantoren in de lidstaten van de Europese Unie, terwijl het begrip bedrijfsrevisorenkantoor enkel de auditkantoren ingeschreven bij het Instituut in België betreft; 6° auditor of auditorganisatie van een derde land : een natuurlijke persoon of een entiteit andere dan een natuurlijke persoon, van een land dat geen deel uitmaakt van de Europese Unie, die de controle uitvoert van de enkelvoudige jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming met statutaire zetel in een derde land;7° organisaties van openbaar belang : de Raad van State onderlijnt dat beleggingsondernemingen in de zin van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten3 niet onder de definitie van organisaties van openbaar belang vallen.Dit volgt uit de definitie voorzien in artikel 2, 13° van de Richtlijn, die slechts de genoteerde vennootschappen, de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen beoogt. Artikel 2,13° in fine van de Richtlijn laat de lidstaten toe (maar verplicht hen niet) om deze definitie uit te breiden; 8° netwerk : de definitie van het netwerk, ingevoegd in artikel 2 van de wet van 1953, herneemt de in artikel 2.7 van de Richtlijn vermelde definitie. Voor de rechtszekerheid, zal het passend zijn de definities van beroepshalve samenwerkingsverbanden voorzien in de koninklijke besluiten van 10 januari 1994 en van 30 januari 2001 te herzien, in het licht van de nieuwe definitie van het netwerk. Een bedrijfsrevisorenkantoor is derhalve een auditkantoor in de zin van de Richtlijn 2006/43/EG dat ingeschreven is in het openbaar register van het Instituut. De term « revisorenvennootschap » of « leden rechtspersonen » wordt niet langer gehanteerd, aangezien Richtlijn 2006/43/EG niet vereist dat een auditkantoor de vorm aanneemt van een vennootschap of een rechtspersoon. De auditor of de auditorganisatie van een derde land kunnen controleverslagen opstellen van vennootschappen die buiten de Europese Unie zijn gelegen, maar waarvan bepaalde effecten bijvoorbeeld op Euronext zijn genoteerd. Overeenkomstig artikel 45 van de Richtlijn zijn deze auditors in België aan bepaalde formaliteiten onderworpen. De definitie van netwerk die trouwens voorkomt in het nieuwe artikel 2, 8° is een overname van artikel 2, 7 van de Richtlijn 2006/43/EG. Die definitie van netwerk stemt overeen met de in de Ethische Code van de IFAC vermelde definitie. Er kan niet worden beschouwd dat er sprake is van een « netwerk » op basis van het enkele feit dat een bedrijfsrevisor een gemeenschappelijke merknaam hanteert zonder dat er een structuur bestaat die op samenwerking is gericht. Zoals voorgesteld door de Raad van State in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007, werd een definitie van het begrip verbonden entiteit aan een bedrijfsrevisorenkantoor ingevoegd in artikel 2, 21°, van de wet van 1953, overeenkomstig artikel 2, 6°, van de Richtlijn. Zoals voorgesteld door de Raad van State in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007, werd een definitie van het begrip groepsauditor ingevoegd in artikel 2, 22° van de wet van 1953, overeenkomstig artikel 2, 6° van de Richtlijn. Bovendien worden de definities van « vennoot » en « aandeelhouder » toegevoegd met het oog op de omzetting van artikel 17, eerste lid,
(2)van Richtlijn 2006/43/EG. Zoals voorgesteld door de Raad van State, werd de verwijzing naar artikel 17, eerste lid, e), van de Richtlijn, als overbodig beschouwd, weggelaten uit de definitie van « vennoot » en « aandeelhouder ». Naar aanleiding van de bemerking van de Raad van State, werd er verduidelijkt in het nieuwe artikel 2, 16,° van de wet van 1953 dat de wettelijke controle van de jaarrekening wordt bedoeld in titel VII van Boek IV van het Wetboek van vennootschappen betreffende « de controle van de jaarrekening en van de geconsolideerde jaarrekening ». Tenslotte is de definitie van « revisorale opdracht » geïnspireerd op de definitie zoals opgenomen in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren. Art. 3 Hernummering van artikel 2 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 in artikel 3 van die wet. Het woord « ten » wordt vervangen door het woord « als », het dubbelpunt na het woord « doel » wordt geschrapt en het woord « leden » wordt vervangen door het woord « bedrijfsrevisoren ». De woorden « artikel 3 » worden vervangen door de woorden « artikel 4 ». Art. 4 Wijziging van het opschrift van hoofdstuk II van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0. Art. 5 Wijziging van artikel 3 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 4 van die wet. Het woord « controleopdrachten » wordt vervangen door de woorden « revisorale opdrachten » teneinde uniform te zijn met andere wettelijke of reglementaire bepalingen waar er sprake is van revisorale opdrachten. Het is aangewezen om hier en overal in de wet de verouderde terminologie « boekhoudkundige staten van ondernemingen » te vervangen door de woorden « financiële overzichten ». Laatstgenoemde terminologie is ruimer dan « boekhoudkundige staten ». Zoals voorgesteld door de Raad van State, is het passend te verduidelijken dat de financiële overzichten niet alleen de jaarrekening (boekhoudkundige staten, die in het bijzonder de balans en de resultatenrekening bevatten) bevatten, maar ook, bijvoorbeeld, een kasstroomoverzicht (zie de definitie van de componenten van de « financial statements » voorzien in International Accounting Standard 1 - Presentation of financial statements, art. 8). Art. 6 Wijziging van artikel 4 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 5 van die wet. De benaming van het Instituut wordt aangepast overeenkomstig de verantwoording gegeven in artikel 1. Art. 7 Wijziging van artikel 4, 1° van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 5, 1° van die wet, gezien het in de context van de internationalisering van het beroep niet langer vereist is dat een bedrijfsrevisor, in de veronderstelling dat hij niet zijn woonplaats in België heeft, de Belgische nationaliteit dient te hebben, zoals dat het geval was in de huidige versie van de wet. In het geval een bedrijfsrevisor natuurlijke persoon geen woonplaats in België heeft, dient hij niettemin in België over een vestiging te beschikken teneinde toe te laten dat het Instituut zijn opdrachten inzake toezicht en kwaliteitscontrole daadwerkelijk kan uitoefenen. In antwoord op de vraag van de Raad van State, is het passend te verduidelijken dat deze verplichting om een vestiging te hebben in België niet strijdig is met de vrijheid van vestiging die voortvloeit uit artikel 49 van het EG-Verdrag, aangezien deze vestigingsvereiste :
  1. a)de doelstelling van algemeen belang nastreeft om een doeltreffende toezicht en kwaliteitscontrole (trouwens vereist door artikelen 29 en 30 van de Richtlijn) te garanderen;
  2. b)is proportionneel ten opzichte van de voormelde doelstelling van algemeen belang;en
  3. c)deze vestigingsvereiste de doelstelling van algemeen belang (Belgische openbare orde) nastreeft om de naleving van het beroepsgeheim van de vertrouwelijke informatie in de dossiers van de bedrijfsrevisoren, rekening houdend met het feit dat de regels betreffende het beroepsgeheim niet geharmoniseerd zijn in de Europese Unie. Bovendien voorziet artikel 9.3. van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt dat het stelsel voorzien door deze Richtlijn inzake de vrijheid van vestiging niet van toepassing is op de stelsels voorzien door andere communautaire instrumenten, hier inbegrepen de Richtlijn 2006/43/EG van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen. Trouwens voorziet artikel 17.13. van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt dat artikel 16 van dezelfde Richtlijn betreffende vrij verkeer van diensten niet van toepassing is op aangelegenheden die vallen onder Richtlijn 2006/43/EG van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen. Art. 8 Wijziging van artikel 4, 2° van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 5, 2° van die wet. In punt 2° worden de woorden « en ten hoogste 65 jaar oud » geschrapt. Er wordt voorgesteld deze woorden hier te schrappen en in een nieuw punt 7° in hetzelfde artikel 5 de woorden « ten hoogste vijfenzestig jaar » in te schrijven. Deze scheiding wordt doorgevoerd, aangezien de leeftijd van vijfenzestig jaar geen voorwaarde is om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te bekomen. Vermits een commissarismandaat een minimum- en maximumduur heeft van drie jaar en op zevenenzestig jaar de hoedanigheid van bedrijfsrevisor automatisch wordt ingetrokken, heeft het derhalve geen zin om een natuurlijke persoon op de leeftijd van vijfenzestig nog de hoedanigheid van bedrijfsrevisor toe te kennen. Tevens wordt in het nieuwe artikel 8, § 2 het bereiken van de leeftijd van zevenenzestig jaar als één van de omstandigheden ingevoegd die de automatische intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor meebrengt. Het vaststellen van een leeftijdsbeperking is in overeenstemming met zowel artikel 383, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek als artikel 2, eerste lid van de wet van 16 maart 1803Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1803 pub. 28/10/2009 numac 2009000678 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het notarisambt Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van het notarisambt, die bepalen dat respectievelijk de magistraten - met uitzondering van de leden van het Hof van Cassatie - en de notarissen hun ambt uitoefenen tot de leeftijd van zevenenzestig jaar. Art. 9 Wijziging van artikel 4, 3° van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 5, 3° van die wet. Overeenkomstig artikel 4 van de Richtlijn mogen alleen betrouwbare natuurlijke personen door een lidstaat als wettelijke auditor worden toegelaten. In de loop van de jaren is de titel van de vermelde wetgeving deels of geheel gewijzigd. Zo werd de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten1 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen hernoemd in de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten1 op de boekhouding van de ondernemingen aangezien door de codificatie van het vennootschapsrecht door het Wetboek van vennootschappen - waardoor de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen werden opgeheven - het jaarrekeningenrecht integraal werd opgenomen in het Wetboek van vennootschappen. Dit is de reden waarom de verwijzingen naar de wettelijke of reglementaire bepalingen werden gepreciseerd. Bovendien wordt er in het kader van de internationalisering verwezen naar buitenlandse bepalingen met hetzelfde onderwerp. Art. 10 Wijziging van artikel 4, 4° van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 5, 4° van die wet. Dit artikel moet worden samen gelezen met artikel 81 van die wet. De nieuwe tekst is in overeenstemming met de Bolognaverklaring en met artikel 6 van de Richtlijn inzake de toegang tot het beroep, met name dat, om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te kunnen hebben, men in het bezit moet zijn van een masterdiploma afgeleverd door een universiteit of een economische hogeschool van het lange type. De Bolognaverklaring heeft het voorwerp uitgemaakt van een omzetting in Belgisch recht door het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten in de Franse Gemeenschap. Art. 11 Wijziging van artikel 4, 5° van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 5, 5° van die wet. De tweede zin van het punt 5° met betrekking tot de vrijstelling van de stage, zowel voor personen met een buitenlandse nationaliteit als voor accountants, wordt geschrapt. De voorwaarden bepaald in artikel 11 van de Richtlijn inzake de mogelijkheden van verkorting van de stageduur zijn opgenomen in het koninklijk besluit betreffende de toegang tot het beroep. Art. 12 Wijziging van artikel 4, 6° van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 5, 6° van die wet. Er wordt in een termijn van één jaar voorzien als maximale termijn tussen de beslissing tot toelating tot de eed en de eigenlijke eedaflegging. Een persoon die tot de eed is toegelaten moet zich immers snel schikken naar de verplichtingen inzake permanente vorming, indien deze het beroep wenst uit te oefenen. In punt 6° worden de woorden « rechtbank van eerste aanleg van zijn woonplaats » vervangen door de woorden « Hof van Beroep van Brussel » voor de eedaflegging in het Nederlands of het Frans en door de woorden « het Hof van Beroep van Luik » voor de eedaflegging in het Duits. Deze wijziging, die in de Europeanisering kadert, beoogt de plaats van eedaflegging eenvormig te maken voor de Belgen en de buitenlanders, die niet noodzakelijk een vestiging in België hebben. Bijgevolg hangt de plaats van eedaflegging niet meer af van de woonplaats. In antwoord op de vraag van de Raad van State werden de vierkante haakjes rond de woorden « [und ehrlich] » in de gebruikelijke Duitse eedformule weggelaten. Art. 13 Toevoeging van een punt 7° aan artikel 4 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 5, 7°. Het nieuwe punt 7, dat voorziet dat de hoedanigheid van bedrijfsrevisor wordt toegekend aan iedere natuurlijke persoon die onder meer ten hoogste 65 jaar oud is, herneemt de gelijkluidende bepaling zoals voorzien in het huidige artikel 4, punt 2°, van de wet van 1953. Deze toelatingsvoorwaarde ondergaat geen enkele wijziging ten opzichte van de vorige wet. Toevoeging van een punt 8° aan artikel 4 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 5, 8°. In de geest van artikel 3, 4 a) van de Richtlijn, waarnaar in artikel 14 hieronder wordt verwezen, lijkt het gepast om een organisatievoorwaarde toe te voegen die door natuurlijke personen moet worden vervuld om zich de hoedanigheid van bedrijfsrevisor toegekend te zien. Art. 14 Wijziging van artikel 4bis van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 6. Overeenkomstig artikel 3 en overweging 6 van de Richtlijn kunnen de lidstaten niet meer verlangen dat de meerderheid van de stemrechten in een auditkantoor in het bezit moet zijn van of dat de meerderheid van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van een auditkantoor moet bestaan uit wettelijke auditors die aldaar zijn toegelaten. Artikel 3.4. van de Richtlijn betreft de voorwaarden waaronder entiteiten als een auditkantoor kunnen worden erkend door de lidstaten. Artikel 6, § 1 geeft een opsomming van de voorwaarden waaraan een rechtspersoon of elke andere entiteit ongeacht haar rechtsvorm, die bedrijfsrevisor wenst te worden dient te voldoen. Artikel 3.4.
  1. b)van de Richtlijn bepaalt dat een meerderheid van de stemrechten in het bezit dient te zijn van auditkantoren die toegelaten zijn in een lidstaat of van natuurlijke personen die ten minste voldoen aan de in de artikelen 4 en 6 tot en met 12 gestelde voorwaarden. Punt
  2. c)van artikel 3.4. van de Richtlijn schrijft voor dat een meerderheid van ten hoogste 75 % van de leden van het leidinggevend of het bestuursorgaan auditkantoren zijn die erkend zijn in een lidstaat en/of natuurlijke personen die ten minste voldoen aan de in de artikelen 4 (betrouwbaarheid) en 6 tot en met 12 (scholing, theoretische opleiding en praktijkopleiding) gestelde voorwaarden. Hier is het tekstueel duidelijk dat de lidstaten in geen geval een drempel van meer dan 75 % mogen opleggen. Verder bepaalt dit punt dat in de veronderstelling dat het bestuursorgaan slechts uit twee leden bestaat, minstens één van hen een wettelijke auditor of een auditkantoor is. Met het oog op de omzetting van voormeld artikel 3.4.
  3. b)en
  4. c)wordt er voorgesteld om in artikel 6, § 1 punten 1°, 2° en 3° in te voegen die als volgt luiden : 1° de natuurlijke personen die de wettelijke controle van de jaarrekeningen namens het auditkantoor uitvoeren, moeten de hoedanigheid van bedrijfsrevisor hebben.2° de meerderheid van de stemrechten is in het bezit van auditkantoren en/of wettelijke auditors.De vereiste dat de meerderheid van de stemrechten in het bezit moeten zijn van auditkantoren heeft als gevolg dat de aandelen derhalve aandelen op naam dienen te zijn; 3° de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan is samengesteld uit auditkantoren en/of wettelijke auditors in een lidstaat.Wanneer het bestuursorgaan slechts uit twee leden bestaat, moet ten minste één van hen een wettelijke auditor zijn. Overeenkomstig het advies van de Raad van State, werd het nieuwe artikel 6, § 1, 3°, van de wet van 1953 aangevuld ten einde te preciseren dat, wanneer het bestuursorgaan slechts uit twee leden bestaat, moet ten minste één van hen « een auditkantoor of » een wettelijke auditor zijn, overeenkomstig artikel 3.4.
  5. c)van de Richtlijn. Wanneer een auditkantoor lid is van het bestuursorgaan, wordt dit kantoor vertegenwoordigd door een natuurlijke persoon die erkend is als wettelijke auditor. Overeenkomstig het advies van de Raad van State, verduidelijkt het nieuwe artikel 6, § 1, 3°, van de wet van 1953 dat deze vaste vertegenwoordiger diegene is bedoeld in artikel 132 van het Wetboek van vennootschappen. Onder bestuursorgaan wordt in geval van een Europese Vennootschap of een Europese Coöperatieve vennootschap met een dualistisch stelsel de directieraad verstaan (cf. artikelen 901 en 970 W. Venn.) Er valt op te merken dat de Richtlijn niet vereist dat auditkantoren rechtspersoonlijkheid bezitten. Overeenkomstig de artikelen 3.4.
  6. d)en 4 van de Richtlijn mogen alleen betrouwbare kantoren door een lidstaat als auditkantoor worden toegelaten. Artikel 6, § 2 bevat een opsomming van de omstandigheden waardoor de betrouwbaarheid van een rechtspersoon of van een entiteit in het gedrang wordt gebracht en op grond waarvan, naar het oordeel van de Raad, de hoedanigheid van bedrijfsrevisor zal worden ingetrokken. Het gaat hier om rechtspersonen die failliet werden verklaard, een gerechtelijk akkoord verkregen, gerechtelijk werden ontbonden of het voorwerp hebben uitgemaakt van een gelijkaardige gerechtelijke of administratieve maatregel in België of in het buitenland. Een rechtspersoon of een entiteit die het voorwerp heeft uitgemaakt van een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan omtrent de uitoefening van het beroep kan onder bepaalde voorwaarden ook worden geacht haar betrouwbaarheid in het gedrang te hebben gebracht. Het bedrag van 1.500 euro is overgenomen uit het Strafwetboek in het bijzonder uit de bepalingen met betrekking tot sancties die worden opgelegd in het kader van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen. Het Strafwetboek zet inderdaad de gevangenisstraffen in boetes om voor de rechtspersonen. Bovendien dient er te worden vermeden dat een bedrijfsrevisor die tevens externe accountant is en wiens éénpersoonsvennootschap bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten tuchtrechtelijk geschrapt is van de ledenlijst, dezelfde vennootschap als bedrijfsrevisorenkantoor kan laten inschrijven. Benamingen, doelsomschrijvingen of andere statutaire clausules die verwarring stichten omtrent de hoedanigheid van bedrijfsrevisor tasten eveneens de betrouwbaarheid aan. Overeenkomstig het vroegere artikel 33 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 zijn de namen van vennoten of oud-vennoten in de maatschappelijke benaming van rechtswege toegelaten. Men merkt op dat het vorige artikel 33 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat het doel beperkte tot de uitoefening van de controleopdrachten wordt geschrapt. De Richtlijn (art. 5) staat slechts beperkingen aan het doel toe voor zover het doel schade berokkent aan de betrouwbaarheid van het beroep. De betrouwbaarheid komt eveneens in het gedrang wanneer één van de vennoten of één van de leden van het bestuursorgaan zich in één van de voorvermelde situaties bevindt. De intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in dit laatste geval kan worden vermeden wanneer binnen de maand van de ingebrekestelling, die door de Raad van het Instituut wordt gedaan, de betrokken persoon ontslag neemt als vennoot en/of als lid van het bestuursorgaan. In alle omstandigheden waarin de betrouwbaarheid van de rechtspersoon in het gedrang wordt gebracht, geschiedt er geen automatische intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor. De Raad van het Instituut beschikt immers over een appreciatiebevoegdheid om de intrekkingprocedure te initiëren. Tegen de beslissing van de Raad is er beroep mogelijk door de betrokken rechtspersoon bij de Commissie van Beroep. Art. 15 Wijziging van artikel 4ter van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 7 van die wet. In uitvoering van de artikelen 44 tot 46 van de Richtlijn beoogt dit artikel de toelating door de Koning van auditors van derde landen en de registratie van auditorganisaties van derde landen, dit wil zeggen landen gelegen buiten de Europese Unie. Hoewel het niet voorzien is in artikel 44 van de Richtlijn dat ook rechtspersonen naar het recht van een land buiten de Europese Unie de hoedanigheid van auditkantoor kunnen bekomen, werd reeds in het koninklijk besluit van 14 februari 1989 tot vaststelling van de voorwaarden voor toekenning van de hoedanigheid van lid van het Instituut der Bedrijfsrevisoren aan de natuurlijke personen en de rechtspersonen bedoeld in artikel 4ter van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 tot oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren, voorzien dat rechtspersonen naar het recht van een land buiten de Europese Unie de hoedanigheid van bedrijfsrevisor konden bekomen. Er wordt voorgesteld dat de Koning het voorafgaand advies van de Raad van het Instituut en van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen verzoekt. Overeenkomstig de artikelen 44 tot 46 en overweging 27 van de Richtlijn is het als gevolg van de verwevenheid van de kapitaalmarkten tevens noodzakelijk dat auditors van derde landen degelijk werk afleveren wanneer dit van belang is voor de Europese kapitaalmarkt. De betrokken auditors dienen bijgevolg in een register te worden ingeschreven, zodat zij onderworpen zijn aan kwaliteitsbeoordelingen en aan de onderzoeks- en sanctieregeling. Vrijstellingen op basis van wederkerigheid dienen mogelijk te zijn na een door de Commissie in samenwerking met de lidstaten verrichte gelijkwaardigheidstoetsing. Een instelling die effecten heeft uitgegeven die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 14, van Richtlijn 2004/39/EG, dient evenwel altijd te worden gecontroleerd door een auditor die hetzij is ingeschreven in een lidstaat, hetzij onder toezicht staat van de bevoegde autoriteiten van het derde land waaruit hij komt, indien de Commissie of een lidstaat heeft erkend dat dit derde land voldoet aan vereisten die gelijkwaardig zijn aan de in de Gemeenschap gehanteerde vereisten inzake toezichtbeginselen, kwaliteitsborgingsstelsels en onderzoeks- en sanctieregelingen, en indien de erkenning op wederkerigheid berust. Indien een lidstaat een kwaliteitsborgingsstelsel van een derde land als gelijkwaardig aanmerkt, betekent dit niet dat andere lidstaten verplicht zijn tot het aanvaarden van deze nationale gelijkwaardigheidsbeoordeling, en doet dit ook geen afbreuk aan het besluit van de Commissie. Overeenkomstig het advies van de Raad van State, werden de bepalingen betreffende de toelatingsvoorwaarden van de hoedanigheid van bedrijfsrevisoren voor natuurlijke personen en voor organisaties van derde landen ingevoegd in paragrafen 1 en 2 van het nieuwe artikel 7 van de wet van 1953, veeleer dan het behouden van de machtiging aan de Koning die oorspronkelijk was voorzien voor het uitwerken van deze bepalingen. Artikel 15 van onderhavig besluit, dat artikel 7, § 1, (geinspireerd door het huidig artikel 4ter van dezelfde wet) invoegt in de wet van 1953, werd aangepast aan het advies van de Raad van State 42.261/1 van 23 maart
  1. Overeenkomstig artikel 44.
  2. van de Richtlijn, voorziet artikel 7, § 3, dat de erkenningen van auditors van derde landen slechts plaatsvinden « op voorwaarde van wederkerigheid » met het betrokken derde land. Overeenkomstig artikel 45 van de Richtlijn gaan de lidstaten over tot de inschrijving in het openbaar register van auditors en auditorganisaties van derde landen die een controleverklaring afleveren betreffende de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een vennootschap die haar statutaire zetel buiten de Europese Gemeenschap heeft en waarvan de effecten in een lidstaat van de Europese Unie zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt. Tenzij auditors van derde landen overeenkomstig artikel 44 van de Richtlijn op grond van wederkerigheid als wettelijke auditor worden toegelaten en in België derhalve de hoedanigheid van bedrijfsrevisor bekomen, worden auditors en auditorganisaties van derde landen enkel ingeschreven in het openbaar register van het Instituut met het oog op het kunnen afleveren van voormelde controleverklaring betreffende de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een vennootschap wiens effecten op een Belgische beurs zijn genoteerd. Art. 16 Wijziging van artikel 4quater van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 8 van die wet. Artikel 5.1 en
  1. van de Richtlijn behandelt de intrekking van de toelating wanneer de betrouwbaarheid ernstig in het gedrang is gekomen. De hoedanigheid van bedrijfsrevisor wordt ingetrokken wanneer diens betrouwbaarheid ernstig in het gedrang is gekomen overeenkomstig de artikelen 5, 3° en 6, § 2 van de wet of wanneer niet meer aan de voorwaarden voor de toekenning (artikelen 5 en 6, § 1, 2° en 3°), met uitzondering van de voorwaarde opgenomen in artikel 5, 7°, is voldaan. In deze veronderstelling kan de Raad de hoedanigheid van bedrijfsrevisor slechts intrekken na de belanghebbende te hebben uitgenodigd om zijn opmerkingen binnen een termijn van minstens vijftien dagen over te maken. De Raad motiveert zijn beslissing. Tegen die beslissing kan beroep worden ingesteld bij de Commissie van Beroep. Verder is één van de omstandigheden van automatische intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor het bereiken van de leeftijd van zevenenzestig jaar voor de bedrijfsrevisoren natuurlijke personen. Deze maximumleeftijd is afgestemd op deze van de magistraten en de notarissen. (cf. supra, artikel 5, 7°). Het in gebreke blijven van het betalen van het geheel of een deel van de bijdrage of van het indienen van de documenten tot vaststelling van de bijdrage of nog van het meedelen van inlichtingen of documenten die de bedrijfsrevisoren gehouden zijn aan het Instituut mee te delen, is ook een omstandigheid die tot een automatische intrekking leidt drie maanden na het versturen van een terechtwijziging. Aangezien de automatische intrekking door de Raad bij het bereiken van de leeftijd van zevenenzestig jaar of bij het in gebreke blijven van het betalen van de bijdragen of het meedelen van inlichtingen of documenten een beslissing is van een administratieve overheid, bestaat de mogelijkheid om tegen deze beslissing een annulatieberoep bij de Raad van State in te stellen. In toepassing van artikel 5.
  2. van de Richtlijn wordt de definitieve in kracht van gewijsde gegane intrekking van de hoedanigheid van lid en de redenen daarvoor door het Instituut meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de persoon, wiens hoedanigheid wordt ingetrokken, is toegelaten als wettelijke auditor of auditkantoor. Art. 17 Wijziging van artikel 5 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 9 van die wet. Artikel 9 voorziet in de mogelijkheid tot beroep bij de Commissie van Beroep tegen iedere beslissing van de Raad waardoor een kandidaat als bedrijfsrevisor wordt toegelaten, of geweigerd, of waardoor hij wordt heringeschreven, of waardoor zijn herinschrijving wordt geweigerd. De eerste paragraaf is een nieuwe bevoegdheid van het orgaan van publiek toezicht, in onderhavig geval de Procureur-generaal. Deze nieuwe paragraaf is in overeenstemming met artikel 32.4. a) van de Richtlijn en vertrouwt de ultieme verantwoordelijkheid inzake het bijhouden van het openbaar register toe aan de publieke externe toezichthouder. In de tweede paragraaf wordt dezelfde bevoegdheid betreffende de herinschrijving in het publiek register aan de Procureur-generaal toegekend. De derde paragraaf preciseert dat tegen de beslissing van de Raad tot weigering van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor er beroep mogelijk is door de belanghebbende bij de Commissie van Beroep. In de vierde paragraaf wordt hetzelfde beroep voorzien betreffende de herinschrijving in het openbaar register. Art. 18 Wijziging van artikel 6 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat gedeeltelijk wordt hernummerd in artikel 10 van die wet. Het vroegere eerste lid van artikel 6 werd opgeheven. In artikel 15 en overweging 8 van de Richtlijn wordt benadrukt dat ter bescherming van derden alle toegelaten wettelijke auditors en auditkantoren dienen te worden ingeschreven in een register dat toegankelijk is voor het publiek en dat alle essentiële gegevens over wettelijke auditors en auditkantoren bevat. Het vroegere tweede lid van artikel 6, dat voorzag in het opmaken van de lijst eenmaal per jaar op 31 december, wordt gewijzigd in de zin dat eenieder te allen tijde de gegevens kan raadplegen op de website van het Instituut. Het openbaar register zal permanent bijgewerkt worden en niet meer uitsluitend op 31 december. Het openbaar register bevat het individueel nummer, de naam en het adres van de bevoegde autoriteiten die belast zijn met de registratie, de kwaliteitsborging, de onderzoeken en sancties, en het publiek toezicht. Onder onderzoeken verstaat men het toezicht. De bevoegde autoriteit belast met de registratie, de kwaliteitswaarborgen en de onderzoeken is de Raad, de bevoegde autoriteiten belast met de sancties zijn de tuchtinstanties en deze belast met het publiek toezicht zijn de Minister bevoegd voor Economie, de Procureur-generaal, de Kamer van verwijzing en instaatstelling, de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris. De auditors en auditorganisaties van derde landen komen in deze hoedanigheid op een onderscheiden wijze voor in het openbaar register. De modaliteiten inzake actualisering en toegang worden door de Koning bepaald. Het vroegere derde lid van artikel 6 betreffende de stagiairs werd terminologisch aangepast en verplaatst naar het nieuwe artikel 11, § 3. Art. 19 Wijziging van artikel 7 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 11 van die wet. In de eerste paragraaf wordt gepreciseerd dat alleen natuurlijke personen of entiteiten ingeschreven in het openbaar register de titel van bedrijfsrevisor mogen dragen. Auditors of auditorganisaties van derde landen kunnen derhalve niet deze titel dragen. De tweede paragraaf geeft aan de Raad de mogelijkheid om de titel van erebedrijfsrevisor die werd toegekend aan oud-bedrijfsrevisoren, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het door de Koning erkende Huishoudelijk Reglement, in te trekken. Deze nieuwe bevoegdheid is wenselijk vermits op dit moment de eretitel definitief wordt verworven, ongeacht het gedrag van de betrokkene. Tegen de intrekking van de eretitel is beroep mogelijk voor de Commissie van Beroep. Art. 20 Wijziging van het opschrift van hoofdstuk III van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0. Art. 21 De eerste paragraaf van artikel 12 van de wet van 1953 is geïnspireerd op het eerste lid van het vroegere artikel 6, met name dat de bedrijfsrevisoren en auditors en auditorganisaties van derde landen die in België geregistreerd zijn een jaarlijkse bijdrage dienen te betalen binnen de grenzen en volgens de modaliteiten bepaald in het huishoudelijk reglement. Deze auditors die de wettelijke controles verrichten van vennootschappen die op Euronext genoteerd zijn, moeten in België in het openbaar register zijn ingeschreven en zijn, overeenkomstig artikel 45, 3° van de Richtlijn, onderworpen aan een kwaliteitscontrole. Bijgevolg zullen ze bijdragen in de werkingskosten van het Instituut. Art. 22 De punten 1° tot 3° van artikel 7bis van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 worden opgeheven. Enkel de formulering van punt 4° van het vroegere artikel 7bis werd behouden aangezien, in het licht van de Richtlijn, het de bedrijfsrevisor toegelaten is de taken bedoeld in de punten 1° tot 3° van het vroegere artikel 7bis van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 uit te oefenen. De Richtlijn voorziet enkel in het verbod om activiteiten uit te oefenen die de betrouwbaarheid van de wettelijke auditor in gevaar brengen. Art. 23 Artikel 7bis, 4° van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 wordt hernummerd in artikel 13, § 1 van die wet. Er wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd dat het verbod inhoudt voor bedrijfsrevisoren om controleopdrachten uit te voeren in bepaalde omstandigheden : - het uitoefenen van de functie van bediende, behoudens bij een andere bedrijfsrevisor of een ander bedrijfsrevisorenkantoor; - het rechtstreeks of onrechtstreeks uitoefenen van een handelsactiviteit, behoudens de uitoefening van het mandaat van bestuurder in burgerlijke vennootschappen; het nieuwe artikel 13, § 2, b), van de wet van 1953 werd verduidelijkt, overeenkomstig het advies van de Raad van State, wat de mandaten van bestuurder in een handelsvennootschap betreft; - het bekleden van de functie van Minister of Staatssecretaris. Het punt
  1. a)is niet van toepassing op een taak in het onderwijs. Wat punt
  2. a)en punt
  3. b)bedoeld in de tweede paragraaf betreft, kan een afwijking worden toegekend door de Raad van het Instituut, na gunstig advies van het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris. Gelet op het Belgisch openbaar belang, de integriteit en de objectiviteit, overeenkomstig artikel 21 van de Richtlijn, alsmede de vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, mag van een bedrijfsrevisor worden geëist dat hij het beroep van bedrijfsrevisor in België uitoefent op zelfstandige basis en als niet-handelaar. De Raad van het Instituut heeft evenwel de bevoegdheid om individuele afwijkingen toe te staan. Hieruit mag evenwel niet worden afgeleid dat een wettelijke auditor in een lidstaat van de Europese Unie die in België is toegelaten, bij het uitvoeren van een wettelijke controle van de jaarrekening in België niet meer in dienstverband werkzaam kan zijn in het buitenland. Gezien de maatschappelijke rol van het commissarismandaat onder meer ten aanzien van de ondernemingsraad, is in het licht van het Belgisch openbaar belang ieder dienstverband of handelaarschap in België hiermee onverenigbaar. Art. 24 Wijziging van artikel 8 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 14 van die wet. De paragrafen twee tot vier van het huidige artikel 8 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 worden opgeheven. Immers, in het licht van in het bijzonder artikel 3 van de Richtlijn die uitdrukkelijk toelaat dat andere personen dan auditors in het kapitaal participeren en deelnemen aan het bestuur van een bedrijfsrevisorenkantoor en van artikel 4 die de onverenigbaarheden aanzienlijk beperkt, lijken de vereisten inzake de oprichtingsmodaliteiten evenals de voorafgaande toelating van de Raad van het Instituut voor de oprichting van professionele of interprofessionele middelenvennootschappen de facto overbodig te zijn. Daarom worden de paragrafen twee tot vier van het huidige artikel 8 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 geschrapt. De oprichtingsmodaliteiten van professionele of interprofessionele middelenvennootschappen zijn derhalve in grote mate versoepeld en ze zijn niet meer onderworpen aan de voorafgaande toelating van de Raad van het Instituut. Paragraaf 1 van het artikel 14 van de wet (voorheen artikel 8) poneert het principe van de onafhankelijkheid. Het woord « controleopdrachten » wordt vervangen door de woorden « revisorale opdrachten » teneinde uniform te zijn met andere wettelijke bepalingen waar er sprake is van revisorale opdrachten. Het principe van onafhankelijkheid zal nauwkeuriger gedefinieerd kunnen worden in een uitvoeringsbesluit van de wet van 1953, zoals het koninklijk besluit van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren, rekeninghoudend onder andere met de laatste internationale ontwikkelingen op dit gebied. De notie van onafhankelijkheid in schijn, dat slechts een aspect is van het algemeen principe van onafhankelijkheid, is vastgelegd in artikel 22, 2°, eerste lid van de Richtlijn. Zowel in zijn advies 2005/5 van 27 oktober 2005 als in zijn advies 2006/1 van 17 maart 2006 is het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris van mening dat de onafhankelijkheid in schijn een essentieel aspect uitmaakt van het meer algemene principe van onafhankelijkheid, zoals reeds benadrukt in het Verslag aan de Koning van het koninklijk besluit van 10 januari 1994. De bijlage bij de Aanbeveling van de Europese Commissie van 16 mei 2002 inzake de onafhankelijkheid van de met de wettelijke controle belaste accountant in de EU (P.B.E.G., L, 191 van 19 juli 2002, p. 34) verduidelijkt dat de notie van onafhankelijkheid van de auditor vanuit twee gezichtspunten dient te worden bekeken, met name enerzijds de onafhankelijkheid qua geesteshouding en anderzijds de onafhankelijkheid in schijn. De nieuwe versie van de Ethische Code van de IFAC (juni 2005) (sectie 290.8), in werking getreden op 30 juni 2006, preciseert eveneens dat de onafhankelijkheid een onafhankelijkheid qua geesteshouding en een onafhankelijkheid in schijn vereist. Het onafhankelijkheidsbeginsel, dat in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 en in de internationale teksten voorkomt, omvat verschillende aspecten. De onafhankelijkheid in schijn is één van deze aspecten. Een tweede paragraaf heeft tot doel in een wettelijke bepaling het principe te hernemen dat thans reeds is opgenomen in artikel 1, 3° van het koninklijk besluit van 10 januari 1994 volgens hetwelk elke situatie die de onafhankelijkheid van een bedrijfsrevisor in het gedrang brengt ook van toepassing is op zijn vennoten. Dit principe beoogt alle op de bedrijfsrevisor van toepassing zijnde deontologische verplichtingen, hetzij via wettelijke bepalingen of reglementaire overheidsbepalingen, op federaal-, gemeenschaps- of gewestelijk niveau, hetzij via normatieve bepalingen. Het is van toepassing op elke revisorale opdracht en niet enkel op het mandaat van commissaris en het beoogt tevens het bedrijfsrevisorenkantoor waarvan de betrokkene vennoot, lid van het bestuursorgaan of vaste vertegenwoordiger is evenals de leden van het bestuursorgaan van het betrokken bedrijfsrevisorenkantoor en de bedrijfsrevisoren leden van een netwerk waarvan de bedrijfsrevisor lid is. De derde paragraaf geeft een niet-exhaustief overzicht van de verplichtingen van de bedrijfsrevisoren in het kader van de uitoefening van hun opdrachten. De punten 2° tot 5° van het oude artikel 18ter, § 1 worden hernummerd. Een nieuw punt 5° wordt ingevoegd in de eerste paragraaf teneinde artikel 22.3 van de Richtlijn om te zetten in de Belgische wetgeving. Dit artikel schrijft voor dat de lidstaten erop toezien dat een wettelijke auditor of een auditkantoor alle aanzienlijke bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die zijn genomen om deze bedreigingen in te perken, onderbouwt in de werkdocumenten. De nieuwe vierde paragraaf beoogt de doelstellingen van de voortzetting van de permanente vorming voor de bedrijfsrevisor natuurlijke persoon te preciseren teneinde de formulering van de verplichtingen inzake permanente vorming af te stemmen op artikel 13 van de Richtlijn betreffende de permanente vorming. Ten slotte heeft de vijfde paragraaf van het nieuwe artikel 14, die de omzetting van artikel 24 van de Richtlijn beoogt, betrekking op de bemoeienis die wordt uitgeoefend door een aandeelhouder of een lid van het bestuursorgaan van een auditkantoor die de onafhankelijkheid en objectiviteit van de vennoot die belast is met de controle van de jaarrekening in het gedrang kan brengen. Deze bepaling beoogt hoofdzakelijk de vennoten of leden van het bestuursorgaan die niet de hoedanigheid van wettelijke auditor bezitten. Overeenkomstig het advies van de Raad van State, werden de termen « entreprise liée » vervangen door de termen « personne liée » in de tekst in het Frans van het nieuwe artikel 14, § 5, van de wet van 1953, overeenkomstig de tekst in het Nederlands die voortvloeit uit artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen. Art. 25 Invoeging van een nieuw artikel 15 in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten
  1. In toepassing van artikel 40.1 van de Richtlijn maken de bedrijfsrevisoren natuurlijke personen en bedrijfsrevisorenkantoren die wettelijke controles van de jaarrekeningen bij organisaties van openbaar belang uitvoeren, uiterlijk drie maanden na het eind van elk boekjaar (en niet noodzakelijk op 31 maart van ieder jaar), zoals onderlijnd door de Raad van State, op hun websites jaarlijkse transparantieverslagen bekend. Overeenkomstig het advies van de Raad van State, werden de termen « de bedrijfsrevisor » vervangen door de termen « het bedrijfsrevisorenkantoor » in het nieuwe artikel 15, § 2, f) van de wet van
  2. Art. 26 Opheffing van artikel 9 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 en invoeging van een nieuw artikel 16 dat artikel 132 van het Wetboek van vennootschappen herneemt. Het oude artikel 9 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat aan het Instituut toelaat om de modaliteiten van bezoldiging te controleren wordt zonder voorwerp, aangezien de evolutie van de Europese rechtsleer inzake mededinging verbiedt om barema's op te leggen. Het wordt derhalve opgeheven. Een nieuw artikel 16 wordt in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 ingevoegd, dat artikel 132, eerste lid van het Wetboek van vennootschappen herneemt. Het feit dat de bepalingen van artikel 132, eerste lid van het Wetboek van vennootschappen worden ingevoegd in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 wordt verantwoord door het feit dat deze bepalingen reeds op dit moment alle revisorale opdrachten beogen en niet enkel het commissarismandaat. Het nieuwe artikel 16 bevat de volgende aanpassingen ten opzichte van het oude artikel 132 van het Wetboek van vennootschappen : 1°) de terminologie werd aangepast in het licht van de Richtlijn en in het bijzonder van artikel 28; 2°) enkel een bedrijfsrevisor mag verslagen ondertekenen in naam van het bedrijfsrevisorenkantoor - zonder de mogelijkheid van mede-ondertekening door een niet-bedrijfsrevisor; 3°) de vertegenwoordiger bedrijfsrevisor natuurlijke persoon dient als vennoot of anderszins met het bedrijfsrevisorenkantoor verbonden te zijn. Het beginsel van de hoofdelijke aansprakelijkheid tussen de vertegenwoordiger en het bedrijfsrevisorenkantoor blijft behouden. Art. 27 Wijziging van artikel 9bis van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 17 van die wet. Dit artikel werd gewijzigd door artikel 62 van de wet van 23 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005021170 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten houdende diverse bepalingen. Art. 28 Wijziging van het opschrift van hoofdstuk IV van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0. Art. 29 Wijziging van artikel 10 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 18 van die wet. Dit artikel is een overname van het vroegere artikel 10, met uitzondering van de toevoeging van het woord « andere » voor het woord « reglementen ». Deze toevoeging wordt voorgesteld teneinde te preciseren dat de Koning ook andere reglementen dan het stagereglement, het tuchtreglement en het huishoudelijk reglement bij koninklijk besluit kan uitvaardigen. In het tweede lid wordt de oude benaming van de Hoge Raad voor het Bedrijfsrevisoraat vervangen door de huidige Hoge Raad voor de Economische Beroepen. Art. 30 Wijziging van artikel 11 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 19 van die wet. Artikel 19 beschrijft de samenstelling van de algemene vergadering en haar beslissingen. Het is een overname van het vroegere artikel 11, met uitzondering van het eerste lid waarin werd gepreciseerd dat alle bedrijfsrevisoren natuurlijke personen in de algemene vergadering een beslissende stem hebben, terwijl de bedrijfsrevisorenkantoren slechts een raadgevende stem hebben. Deze differentiatie wat het stemrecht betreft tussen bedrijfsrevisoren natuurlijke personen en bedrijfsrevisorenkantoren is ingegeven door het feit dat overeenkomstig artikel 3.
  1. c), van de Richtlijn ook niet-wettelijke auditors deel kunnen uitmaken van het bestuursorgaan van een bedrijfsrevisorenkantoor. Het is moeilijk aanvaardbaar dat personen, die geen bedrijfsrevisor zijn en evenmin een gelijkwaardige hoedanigheid in het buitenland bezitten, op de algemene vergadering kunnen deelnemen aan beslissingen over aspecten die het beroep van bedrijfsrevisor aanbelangen. Deze differentiatie is eveneens verbonden met de omzetting van artikel 3.
  2. b) van de Richtlijn krachtens dewelke slechts een meerderheid (en geen 100 %) van de stemrechten van een auditkantoor in het bezit dient te zijn van auditkantoren of wettelijke auditors. Hieruit volgt dat bedrijfsrevisorenkantoren kunnen worden ingeschreven zonder dat een bedrijfsrevisor stemrecht uitoefent, bijvoorbeeld in de veronderstelling dat 51 % van de stemrechten in het bezit zijn van wettelijke auditors (niet-bedrijfsrevisoren maar met een gelijkwaardige hoedanigheid in andere lidstaten) en 49 % van de stemrechten in het bezit zijn van personen die noch bedrijfsrevisoren, noch wettelijke auditors zijn. Bijgevolg is het passend om enkel een raadgevende stem toe te staan aan bedrijfsrevisorenkantoren, waarvan bepaalde zouden kunnen worden gecontroleerd door niet-revisoren en op de algemene vergadering van het Instituut vertegenwoordigd worden door personen die noch revisoren, noch wettelijke auditors zijn. In antwoord op de vraag van de Raad van State, blijkt uit hetgeen voorafgaat dat het opgezette stelsel voortvloeit uit de Richtlijn en valt binnen de machtiging aan de Koning bedoeld in de artikelen 102 en 103, § 1, van de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2006 pub. 28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten houdende diverse bepalingen. In de Nederlandstalige tekst worden een aantal verouderde termen zoals « jaarlijkse rekening der ontvangsten » en « ontlast de Raad van diens beheer » gemoderniseerd. Tenslotte wordt de in het licht van de wijziging in 2002 van de wet op de vzw's verouderde bevoegdheid, om giften en legaten te aanvaarden of te weigeren alsook de vervreemding van onroerende goederen, weggelaten. Artikel 30 van onderhavig besluit werd aangepast aan de andere bemerkingen van wetgevingstechnische aard van de Raad van State. Art. 31 Wijziging van artikel 12 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 20 van die wet. Letterlijke overname van het vroegere artikel 12, met uitzondering van het tweede lid betreffende de rekeningen van het Instituut, waarvan de inhoud werd opgenomen in het nieuwe artikel 26, § 1 en het wijzigen van het woord « leden » in de woorden « bedrijfsrevisoren natuurlijke personen ». Art. 32 Wijziging van artikel 13 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 21 van die wet. Letterlijke overname van het vroegere artikel 13 met uitzondering van de toevoeging in punt 2° waarbij wordt beoogd om het moment van de beëindiging van het mandaat van de andere leden van de Raad dan de voorzitter en de ondervoorzitter in overeenstemming te brengen met het moment van beëindiging van dat van de voorzitter en de ondervoorzitter, met name de dag van de jaarlijkse algemene vergadering. Het woord « leden » wordt gewijzigd in de woorden « bedrijfsrevisoren natuurlijke personen ». Art. 33 Wijziging van artikel 14 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 22 van die wet, gestructureerd in vier paragrafen in plaats van vier leden. Overname van de tekst van het vroegere artikel 14 inzake de vertegenwoordiging van het Instituut door de Raad, met uitzondering van de schrapping van de zinsnede « hetzij aan een van de leden, die de titel van administrateur zal voeren » in de vierde paragraaf. Er wordt uitdrukkelijk gestipuleerd dat de voorzitter of de ondervoorzitter kunnen optreden namens de Raad. Bovendien wordt gepreciseerd dat de Raad het dagelijks bestuur toevertrouwt aan het Uitvoerend Comité onder de voorwaarden voorzien in het huishoudelijk reglement. Deze schrapping wordt voorgesteld omdat in het verleden het Uitvoerend Comité naast de voorzitter steeds uit meer dan twee leden bestond en de leden van dit Comité geenszins de titel van administrateur droegen. Tevens wordt een nieuwe vijfde paragraaf toegevoegd die stipuleert dat het Instituut, de leden van zijn organen en zijn personeelsleden niet burgerlijk aansprakelijk zijn voor hun beslissingen, handelingen of gedragingen in de uitoefening van de wettelijke opdrachten van het Instituut behalve in geval van bedrog of zware fout. Deze tekst is een overname van artikel 68 (inzake de werking van de CBFA) van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 20/11/2002 numac 2002009820 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen type wet prom. 02/08/2002 pub. 05/09/2002 numac 2002009809 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot aanvulling van artikel 33, § 1, eerste lid van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis sluiten betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. Voor de rechtszekerheid en omwille van de bezorgdheid tot een zorgvuldige besluitvorming te komen, wordt verduidelijkt dat de schending van het geheime karakter van het tuchtonderzoek, evenals de beslissing tot het geven van een injunctie die kennelijk een misbruik is. Om het kennelijk abusief karakter van een injunctie te bepalen, wordt in het bijzonder rekening gehouden met een proportionaliteitstoetsing, volgens dewelke geen andere minder verregaande injunctie toelaat om hetzelfde doel te bereiken. Naar aanleiding van de bemerking van de Raad van State, is het passend te onderlijnen dat dit aansprakelijkheidsregime het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel respecteert, in de zin dat het geïnspireerd is op het regime dat van toepassing is op de CBFA, dewelke eveneens belast is met toezichtopdrachten op de entiteiten die onder haar bevoegdheid vallen (kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en genoteerde vennootschappen). Art. 34 Wijziging van artikel 15 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 23 van die wet. Overname van de tekst van het vroegere artikel 15 met uitzondering van de vervanging van het woord « lid » door het woord « bedrijfsrevisor » en de precisering dat enkel leden natuurlijke personen kunnen worden benoemd als lid van de Raad of van een orgaan dat door of krachtens de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 wordt opgericht. Art. 35 Opheffing van het tweede tot en met het vijfde lid van het vroegere artikel 24 dat betrekking heeft op het vermogen van het Instituut. Sinds de wijziging in 2002 van de wet op de vzw's zijn deze bepalingen in het bijzonder betreffende het beschikken van onroerende goederen verouderd. Art. 36 In artikel 25 worden de woorden « der leden » vervangen door de woorden « van de bedrijfsrevisoren en de auditors of auditorganisaties die in België geregistreerd zijn ». Art. 37 Wijziging van artikel 26 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten0 Teneinde de leesbaarheid te bevorderen wordt in de eerste paragraaf de woorden « de vorige 31 december » vervangen door de woorden « 31 december van het vorig jaar ». Wijziging van de tweede paragraaf in de zin dat, naar analogie met artikel 17, § 7 van de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/08/1998 pub. 30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997
(2)sluiten5 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen inzake de commissaris van toepassing zijn op het Instituut. Gezien het Instituut bijdraagt (in overeenstemming met artikel 32.7 van de Richtlijn) tot de financiering van het toezichtsysteem, lijkt het noodzakelijk om de wettelijk controle van de rekeningen van het Instituut te versterken door de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen, in het bijzonder inzake de onafhankelijkheid van de commissaris, van toepassing te maken op de wettelijke controle van de rekeningen van het Instituut. In antwoord op de vraag van de Raad van State, vloeit deze bepaling voort uit de Richtlijn et valt ze binnen de machtiging aan de Koning bedoeld in de artikelen 102 en 103, § 1, van de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2006 pub. 28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten houdende diverse bepalingen. Tevens wordt er in de laatste paragraaf met het oog op de versterking van het publiek toezicht een wettelijke basis gegeven aan een vaststaande praktijk dat jaarlijks door de Raad van het Instituut het verslag over de werkzaamheden van het Instituut tijdens het verlopen jaar, de jaarrekening op 31 december en het verslag van de commissarissen wordt overgemaakt aan de Minister die bevoegd is voor Economie alsook aan

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.