12 NOVEMBER 2010. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welz
§ 5
, van het OCMW-decreet voor het specifieke personeel vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet, een rechtstreekse uitwerking voor alle aspecten van de rechtspositieregeling die niet in dit uitvoeringsbesluit geregeld worden. De raden moeten daarvoor de regels in de plaatselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel overnemen. De raden moeten dus met beide rechtsnormen rekening houden : dit besluit en de overnameregel in artikel 104, §
§ 5, van het OCMW-decreet.
Artikel 104 van het OCMW-decreet laat er geen misverstand over bestaan dat de raden de rechtspositieregeling voor de beoogde personeelsgroepen in artikel 104, § 2 en § 6, moeten vaststellen, en wel voor alle aangelegenheden, opgesomd in artikel 104, § 3, 1° en 2°, in § 4, 1° tot en met 6°, en in § 5, 1°, 3° en 4°. Het volstaat dus niet meer om, zoals dat in het verleden met toepassing van artikel 42 van de organieke OCMW- wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten0 gebeurde, alleen maar een aantal aanvullingen of afwijkingen op de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel vast te stellen. Het personeel, vermeld in artikel 104, § 2, en in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet heeft recht op een volledige rechtspositieregeling. Wat het specifieke personeel, vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet, betreft, voldoet de raad aan die verplichting op de volgende wijze : 1° voor de aspecten van de rechtspositieregeling die in dit besluit geregeld worden, door de plaatselijke vertaling en uitvoering daarvan;2° voor alle aspecten van de rechtspositieregeling waarover dit besluit zwijgt' en waarvoor dit besluit dus helemaal niets regelt, door de overname van de overeenstemmende bepalingen in de plaatselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel.Dat volgt, zoals vermeld, rechtstreeks uit artikel 104, §
§ 5, van het OCMW-decreet.
Wat het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet, betreft, voldoet de raad aan die verplichting : 1° voor bepaalde aspecten van de rechtspositieregeling die in dit besluit geregeld worden, door de plaatselijke vertaling en uitvoering daarvan;2° door overname van de regels in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel voor de materies waarvoor de Vlaams Regering dat in dit besluit opdraagt.Die gelijkstelling met het gemeentepersoneel voor specifieke aspecten van de rechtspositieregeling moet inderdaad beschouwd worden als een minimale voorwaarde. Voor die personeelsgroep beperkt de marge voor afwijking van de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel of van het specifieke personeel waarvan sprake in artikel 104, § 6, derde lid, zich dus tot aangelegenheden die niet in dit besluit geregeld zijn. Dat laatste brengt ons bij een fundamenteel uitgangspunt voor de rechtspositieregeling voor de diverse personeelsgroepen bij het OCMW : het algemene referentiepunt daarvoor blijft inderdaad de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel van de gemeente die door het OCMW wordt bediend. Dat wordt formeel ook verankerd in de definities bij dit besluit (artikel 1, 9°). Die rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel is overigens ambtshalve van toepassing op het personeel in een betrekking die ook bestaat bij de gemeente (artikel 104, § 1, OCMW-decreet). De OCMW-raden zijn niet bevoegd om voor die personeelsgroep rechtspositieregels vast te stellen. De zorgvuldigheid en de fair play veronderstellen echter dat het personeel geïnformeerd is over de toepasselijke arbeidsvoorwaarden, rechten en plichten. Ten aanzien van de contractuele personeelsleden mag er geen misverstand zijn over de elementen van de rechtspositieregeling die deel uitmaken van de aangegane arbeidsverbintenis. Om die reden is het belangrijk dat de toepasselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel meegedeeld wordt aan het personeel van het OCMW in een betrekking die ook bestaat bij de gemeente. Wel zal de OCMW-raad, rekening houdend met de definities in artikel 1, 3° en 4°, en in artikel 26, 1° en 2°, moeten aangeven welk bestuursorgaan in de plaats treedt van het gemeentelijke bestuursorgaan dat vermeld wordt in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. De bevoegdheid van de raden voor de rechtspositieregeling van de genoemde personeelsgroepen is niet delegeerbaar aan een ander OCMW-orgaan. Artikel 52, 6°, van het OCMW-decreet vertrouwt de vaststelling van de rechtspositieregeling exclusief toe aan de OCMW-raad. De OCMW-raden geven in vele gevallen ook uitvoering aan regels die de federale overheid in het kader van haar bevoegdheden heeft vastgesteld. Voorbeelden daarvan zijn : - voorwaarden voor toegang tot de functies bij de overheid; - arbeidsrechtelijke voorschriften (Arbeidsovereenkomstenwet, Arbeidswet en Arbeidstijdwet, Feestdagenwet, Wetgeving over het welzijn van werknemers op het werk enzovoort); - sommige verloven, zoals loopbaanonderbreking; - vereisten op het gebied van beroepstitels en kwalificaties voor de toegang tot beroepen in de gezondheidssector; - de uitvoeringsbesluiten van de sectorale akkoorden voor de federaal gefinancierde gezondheidssectoren en de financieringsbesluiten voor de federaal gefinancierde gezondheidssectoren; - de wetgeving op de maatschappelijke integratie; - de wetgeving over bepaalde tewerkstellingsmaatregelen (gesubsidieerde contractuelen, dienstenchequebedrijven, initiatieven in de sociale inschakelingseconomie of SINE en andere). Dit besluit doet daar uiteraard geen afbreuk aan. Hetzelfde geldt overigens voor de decreten en besluiten van de Vlaamse Regering die bepalingen over het personeel bevatten in het kader van erkenning en subsidiëring van instellingen en diensten. 1.
- Tijdspad voor de plaatselijke uitvoering van de nieuwe rechtspositieregeling Artikel 145 bepaalt dat de raden tot 1 juli 2011 de tijd hebben om de rechtspositieregeling van het betrokken OCMW-personeel in overeenstemming te brengen met dit besluit en strijdigheden ermee op te heffen. Zolang dat niet gebeurd is, blijven de plaatselijke rechtspositieregelingen voor de beoogde personeelsgroepen van toepassing, met uitzondering van bepalingen die met een andere wetgeving in strijd zouden zijn. De uitvoeringstermijn tot 1 juli 2011 geldt echter niet voor de bepalingen in artikel 138 over het aantal dagen jaarlijkse vakantie en over de feestdagen, vermeld in artikel
- Die bepalingen zijn van dwingend recht en hebben in elk geval rechtstreeks uitwerking op 1 januari 2011.Dat is ook het geval voor de overgangsbepalingen in artikel
- De OCMW's zullen aan het betrokken personeel (artikel 104, § 6) moeten meedelen dat de bepalingen over het aantal dagen jaarlijkse vakantie in artikel 138 en over de feestdagen, vermeld in artikel 139, mits toepassing van de overgangsbepaling in artikel 156, al op 1 januari 2011 van toepassing zijn. De raden die tussen de datum van inwerkingtreding van dit besluit, namelijk 1 januari 2011, en 1 juli 2011 gedeeltelijke wijzigingen aan de plaatselijke rechtspositieregeling van het betrokken OCMW-personeel aanbrengen, zullen dat moeten doen met respect voor de bepalingen van dit besluit. Artikel 42 van de organieke OCMW- wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten0 zal op dat ogenblijk immers opgeheven zijn als mogelijke rechtsbasis voor afwijkingen' en vervangen zijn door artikel 104 van het OCMW-decreet. Als bovendien blijkt dat een plaatselijke rechtspositieregeling van een OCMW voor de betrokken personeelsgroepen na 1 juli 2011 niet of niet volledig in overeenstemming is met de bepalingen van dit besluit, dan heeft dat tot gevolg dat de dwingende bepalingen van dit besluit wel degelijk een rechtstreekse uitwerking hebben. Voor zover het besluit specifieke rechten aan het personeel toekent, zal het personeel bij een stilzitten van het bestuur die rechten ook kunnen afdwingen. Het tijdspad tot 1 juli 2011 geldt ook voor de overname van de overeenstemmende bepalingen uit de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel' in de nieuwe rechtspositieregeling voor het specifieke personeel en voor de secretaris en de financieel beheerder van het OCMW. Artikel 104 van het OCMW-decreet treedt in zijn geheel in werking op 1 januari 2011, maar voor de overname, vermeld in artikel 104, §
§ 5
, krijgen de OCMW-raden dezelfde uitvoeringstermijn als voor de implementatie van dit uitvoeringsbesluit. 2. Inhoud van de minimale voorwaarden 2.1. Bestaande toestand als inhoudelijk aanknopingspunt Inhoudelijk sluiten de minimale voorwaarden in dit besluit in grote mate aan bij de bestaande realiteit in de OCMW's. Artikel 42 van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten0 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn gaf aan de OCMW-raden de ruimte om af te wijken van de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen dat nodig maakte. Daarnaast stelde de OCMW-raad - al dan niet met gemotiveerde afwijking - het administratief en geldelijk statuut' vast van het personeel in betrekkingen die specifiek waren voor het OCMW. We benadrukken dat artikel 42 van de organieke OCMW-wet door dit besluit wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2011 en vanaf dan vervangen wordt door de bepalingen van artikel 104 van het OCMW-decreet. Tot eind 2010 kunnen de OCMW-raden in principe gebruikmaken van artikel 42 van de organieke OCMW-wet. De Vlaamse Regering heeft immers nagelaten artikel 280, § 5 van het OCMW-decreet in werking te stellen. Dat artikel voorzag in een bevriezing van de plaatselijke rechtspositieregeling van het specifieke OCMW-personeel tussen 19 december 2008 (datum van bekendmaking van het OCMW-decreet in het Belgisch Staatsblad ) en de volledige opheffing van artikel 42 van de organieke OCMW-wet. Uit ervaring blijkt dat de afwijkingen van de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel, die tot nu toe met toepassing van genoemd artikel 42 van de organieke OCMW-wet vastgesteld werden in de rechtspositieregeling van het specifieke OCMW-personeel, hoofdzakelijk betrekking hebben op : - de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor de specifieke OCMW-functies; - de selectieprocedure en de selectieprogramma's voor die specifieke functies; - de functionele loopbanen en salarisschalen voor sommige betrekkingen die niet bestaan bij de gemeente (verplegend, verzorgend en paramedisch personeel, rusthuisdirecteur, verpleegkundig dienstchef, dienstencentrumleider, verzorgende in de thuiszorg, enzovoort); - de valorisatie van ervaring in de privésector; - specifieke regelingen voor het personeel van de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen zoals arbeidsduurvermindering of premie, salarisbijslag en uurtoeslagen voor onregelmatige prestaties, attractiviteitspremie, enzovoort; - bepaalde verloven en afwezigheden. Dit besluit houdt in grote mate rekening met die bestaande toestand. De afwijking is, hoewel belangrijk, niet de algemene regel en heeft in hoofdzaak betrekking op de hierboven opgesomde materies. De gelijkheid tussen OCMW- en gemeentepersoneel is een fundamenteel beleidsuitgangspunt voor dit besluit, maar waar dat aangewezen is vanwege de specificiteit van functies, diensten en instellingen, biedt dit besluit ook ruimte voor een eigen humanresourcesbeleid. Dat laatste speelt zich wel af binnen een raamkader van regels dat gelijk is voor gemeente en OCMW. Zoals dat ook het geval was voor het gemeentepersoneel, zijn de plaatselijke rechtspositieregelingen van het OCMW-personeel in grote mate beïnvloed door opeenvolgende sectorale afspraken sinds 1993. Die sectorale afspraken stemden overeen met die voor het gemeente- en provinciepersoneel en bevatten daarnaast een aantal specifieke regelingen voor de OCMW's. Daartoe moeten bijvoorbeeld gerekend worden : de salarisschalen voor het verplegend, verzorgend en paramedisch personeel, het loopbaanstelsel voor graden die typisch zijn voor de verzorgingsinstellingen. Ook dat gegeven vormt een vertrekpunt bij de vaststelling van de minimale voorwaarden in dit besluit. Als bouwstenen van de bestaande plaatselijke rechtspositieregelingen mogen de koninklijke of ministeriële besluiten en omzendbrieven van de federale overheid niet over het hoofd gezien worden, meer bepaald voor het personeel van de federaal gefinancierde gezondheidssectoren. Een aantal bepalingen in dit besluit houden dan ook rekening met de maatregelen van de federale overheid ter uitvoering van het sectoraal akkoord van 18 juli 2005 voor de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen die vertaald werden in koninklijke besluiten of ministeriële besluiten. Ook het loopbaanstelsel en de graden voor het verplegend, verzorgend en paramedisch personeel zijn grotendeels afgestemd op de federale wetgeving over de gezondheidsberoepen en over de financiering van de gezondheidsinstellingen. Onder federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen moeten, rekening houdend met het toepassingsgebied van dit besluit, worden verstaan : de rustoorden voor bejaarden (ROB) en de rust- en verzorgingstehuizen (RVT), de psychiatrische verzorgingstehuizen (PVT), de dagverzorgingscentra, de revalidatiecentra en de diensten voor thuisverpleging die door het OCMW zelf beheerd worden. 2.2. Het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007 als voorbeeld 2.2.1. Overname beleidsuitgangspunten Daarnaast worden de inhoudelijke uitgangspunten en de inhoudelijke vormgeving van de minimale voorwaarden in het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten6 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (verder te noemen : besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007) in dit besluit direct of indirect overgenomen of verwerkt. Die uitgangspunten worden naar aanleiding van dit besluit niet ter discussie gesteld. Het besluit volgt op dat vlak bovendien de logica van de organieke decreten : ook in het Gemeentedecreet en het OCMW-decreet primeert het parallellisme in de bepalingen over personeel. De regels voor de secretaris en de financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden, op enkele uitzonderingen na, gelijkgeschakeld met die voor het specifieke OCMW-personeel, vermeld in artikel 104, § 2 (zie artikel 27, § 1, tweede lid). Er is dus een inbedding in de rechtspositieregeling van het specifieke OCMW-personeel, die op haar beurt overwegend refereert aan de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. Op het gebied van aanwervingsvoorwaarden en evaluatie geldt een specifieke regeling die overeenstemt met die voor de gemeentesecretaris en de financieel beheerder van de gemeente. Het geheel komt neer op een structurele verwantschap met de rechtspositieregeling van de gemeentesecretaris en de financieel beheerder van de gemeente, wat in het licht van de noodzakelijke samenwerking tussen gemeente en OCMW wenselijk is. Het Gemeentedecreet en het OCMW-decreet worden bovendien gekenmerkt door een verregaand parallellisme betreffende de taakstelling voor de functiehouders van de decretale graden. Waar het arbeidsrecht of het socialezekerheidsrecht dat niet verhinderen en voor zover de Vlaamse Regering daartoe bevoegd is, is het beleid gericht op een gelijkschakeling tussen het personeel in statutair dienstverband en het personeel in contractueel dienstverband, ook wat het loopbaanstelsel betreft. De regeling volgt op dat vlak volledig die voor het gemeentepersoneel. Dat doet geen afbreuk aan het primaat van het arbeidsrecht voor de contractanten op bepaalde vlakken, zoals de proeftijd, de specifieke arbeidsovereenkomsten bij tewerkstelling in bepaalde tewerkstellingsprogramma's, de ziektecontrole, de ontslagregeling enzovoort. Op het gebied van de salarisschalen overheerst de beleidscontinuïteit. Om de concurrentie tussen besturen op basis van de primaire arbeidsvoorwaarden van hun personeel in de hand te houden, blijven de salarisschalen en de berekeningswijze ervan uniform geregeld. De OCMW's werken al in een vrij concurrentiële omgeving. Het is niet de bedoeling dat verschillen in basisverloning tussen OCMW's die concurrentie nog zouden verscherpen, of dat armere OCMW's als gevolg van een lager loonniveau geen personeel meer zouden kunnen rekruteren in knelpuntberoepen of hun personeel zouden verliezen aan rijkere besturen. Een dergelijke situatie zou ook niet ten goede komen aan de kwaliteit van de externe dienstverlening. Vermelden we nog dat het loonniveau in de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen van de OCMW's vergelijkbaar is met dat in gelijkaardige private instellingen. 2.2.2. Beleid inzake toelagen en vergoedingen De toelagen en vergoedingen in dit besluit zijn volledig geïnspireerd op de uitwerking van de toelagen en vergoeding voor het gemeentepersoneel in het bovengenoemde besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007. De modernisering en vereenvoudiging van bepaalde toelagen en vergoedingen voor het gemeentepersoneel wordt hier dan ook overgenomen, net als het onderscheid tussen verplichte toelagen enerzijds en de andere toelagen anderzijds. Afgezien daarvan behoren de extralegale voordelen met een specifieke fiscale regeling of socialezekerheidsregeling die niet in dit besluit geregeld zijn, tot het autonome domein van de OCMW's, onder voorbehoud uiteraard van artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet. Artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet impliceert dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn daarover alleen kan beslissen na een gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen omdat een dergelijke beslissing een financiële weerslag heeft of voor zover er met die beslissing wordt afgeweken van de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. Het beleid op het gebied van toelagen en vergoedingen in dit besluit is ingegeven door zorg om de beheersing van de OCMW-financiën en de beheersing van de exploitatiekosten van sommige gezondheidsinstellingen. Daarnaast houdt het beleid rekening met het feit dat de OCMW's in grote mate afhankelijk zijn van de gemeentelijke bijdrage. In dit besluit krijgen die uitgangspunten op de volgende wijze vorm. 1° Het OCMW-personeel heeft onder dezelfde voorwaarden als het gemeentepersoneel recht op de verplichte toelagen, meer bepaald op de haard- en standplaatstoelage, het vakantiegeld voor het vast aangestelde statutaire personeel en de gesco's, en de eindejaarstoelage.Voor de eindejaarstoelage formuleert artikel 98, laatste lid, wel een voorbehoud voor de verhogingen van het forfaitaire gedeelte voor het personeel van de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen dat recht heeft op een premie en attractiviteitspremie. 2° Als een bepaalde toelage (bijslag, complement of premie) door de federale overheid gefinancierd wordt, dan wordt die toelage aan het personeelslid ook toegekend, en dat onder de voorwaarden en voor de bedragen vastgesteld door de federale financierende overheid.Die federale middelen worden dus aangewend waarvoor ze bedoeld zijn. De regelingen mogen niet gunstiger zijn dan wat in de financiering bepaald is en mogen niet gecumuleerd worden met andere regelingen (attractiviteitspremie, salarisbijslag voor onregelmatige prestaties en uurtoeslagen voor prestaties op bepaalde uren, tijdens het weekend en op feestdagen). 3° Voor de andere toelagen geldt het volgende.
- a)Als de gemeente een dergelijke facultatieve toelage niet heeft ingevoerd, hoewel de bijzondere arbeidsomstandigheden waarop ze betrekking heeft ook bestaan bij de gemeente, dan kan de OCMW-raad daarvoor evenmin een toelage invoeren.Die optie steunt op het principe dat de OCMW-raad geen personeelsuitgaven kan doen, die de gemeente voor haar eigen personeel ook niet wenst te doen. Dat geldt in casu voor de waarnemingstoelage, de gevarentoelage, de permanentietoelage, de mandaattoelage, de toelage voor opdrachthouderschap.
- b)De OCMW-raad kan in bepaalde gevallen wel een toelage invoeren, meer bepaald als de bijzondere arbeidsomstandigheden waarop ze betrekking heeft wel bestaan bij het OCMW, maar niet bij de gemeente. De invoering van de toelage is dan facultatief : het OCMW kan ze invoeren, maar is daartoe niet verplicht. Bij eventuele invoering geldt overigens artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet. Deze principes zijn van toepassing op de gevarentoelage, de permanentietoelage en de mandaattoelage. Ze gelden niet voor de waarnemingstoelage en voor de toelage voor opdrachthouderschap, die in elk geval slechts kunnen ingevoerd worden als ze ook bestaan bij de gemeente.
- c)De OCMW-raad voert een functioneringstoelage en een managementstoelage in als positief gevolg van de evaluatie als de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel daarin eveneens voorziet, anders niet.Het besluit gaat ervan uit dat de personeelsleden van gemeente en OCMW gelijk zijn voor de gevolgen die aan de evaluatie tijdens de loopbaan verbonden worden.
- d)De OCMW-raad beslist, onder voorbehoud van het bovenvermeld artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet, autonoom over de eventuele toekenning van een verstoringstoelage.4° Voor de toekenning van vergoedingen, die conform de definitie in artikel 26, 11°, van dit besluit het karakter hebben van een geldelijke compensatie van door het personeelslid gemaakte kosten', wordt het OCMW-personeel volledig gelijkgeschakeld met het gemeentepersoneel.Er is geen motief voor een verschil in behandeling op dit punt. Dat uitgangspunt slaat op de vergoeding voor reis- en verblijfskosten, de vergoeding van de kosten voor het woon-werkverkeer en de begrafenisvergoeding. 5° Voor de sociale voordelen als maaltijdcheques en hospitalisatieverzekering geldt het volgende.De toekenning van maaltijdcheques vormt tot nu toe op grond van de bestaande sectorale akkoorden geen verplichting voor het personeel van de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen. De maaltijdcheques worden immers niet gefinancierd door het RIZIV. Bovendien worden er in die instellingen inzake de maaltijden vaak andere faciliteiten verleend. Dat bestaande instellingsspecifieke standpunt blijft behouden. Bij een eventuele invoering van maaltijdcheques voor het personeel van de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen zal het OCMW toepassing moeten maken van artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet. Voor de hospitalisatieverzekering gaat dit besluit echter wel uit van een gelijkstelling van gemeente- en OCMW-personeel. Een en ander geldt zowel voor het specifieke personeel, vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet, als voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet. Er wordt dus geen verschil gemaakt tussen beide personeelsgroepen voor de toepassing van de toelagen en vergoedingen. Wel is het duidelijk dat sommige bepalingen louter en alleen betrekking hebben op het personeel van de federaal gefinancierde gezondheidssectoren, zoals hierboven omschreven. 2.2.3. Beleidsuitgangspunten met betrekking tot verloven en afwezigheden De nieuwe regeling en de modernisering van de verloven en afwezigheden voor het gemeentepersoneel werken door op het specifieke personeel, vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet, dat gebonden is aan de regels voor het gemeentepersoneel door overname van de overeenstemmende bepalingen in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. Voor het voltallige personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet stelt dit besluit enkele belangrijke afwijkingen van het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007 vast. Voor dat personeel wordt het aantal dagen jaarlijkse vakantie strikt geregeld, evenals het aantal feestdagen en de data daarvan. Daarnaast beschikken de raden voor die personeelsgroep over afwijkingsruimte ten opzichte van de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel voor enkele niet-verplichte stelsels van verlof of afwezigheid en in verband met de dienstvrijstellingen. Dat moet de OCMW's in staat stellen de beschikbaarheid van het personeel te organiseren met het oog op de continuïteit van de dienstverlening (continudiensten) en met het oog op de beheersing van de exploitatiekosten van de diensten en instellingen in een concurrentiële context. Uit vergelijkingen blijkt namelijk dat de exploitatiekosten van bepaalde instellingen of diensten vaak merkelijk groter zijn bij de OCMW's dan bij gelijkaardige diensten in de privésector. Bovendien blijkt uit macro-economische analyses op Vlaams niveau dat de loonkosten binnen de exploitatiekosten van de OCMW's veruit de zwaarste uitgavenpost vormen. Gemiddeld maken ze iets meer dan 60 % van de totale werkingskosten uit. Bij de OCMW's die residentiële voorzieningen en instellingen voor ouderenzorg beheren, is de invloed van de personeelsgerelateerde kosten op de exploitatiekosten en de algemene kostenstructuur van de OCMW's nog heel wat groter. In de sector van de openbare rusthuizen vertegenwoordigen de personeelskosten bijna 75 % van de totale werkingskosten van de instellingen. Uiteraard wordt een deel van de personeelskost gerecupereerd via Riziv-forfaits en de dagprijs die de bewoners van de voorziening betalen. Een belangrijk deel van de personeelskost blijft echter ten laste van het OCMW zelf (en bijgevolg van de gemeente). De personeelskosten vormen dus een belangrijke factor in de globale kostenstructuur van het OCMW en de toename van de gemeentelijke bijdrage aan het OCMW. Op basis van de gegevens in de budgetten over het boekjaar 2009 blijkt immers een gemiddelde stijging van de gemeentelijke bijdrage aan het OCMW met meer dan 4 %. De hogere personeelsgerelateerde exploitatiekost, en bijgevolg ook de verhoging van de gemeentelijke bijdrage aan het OCMW, zijn zeker niet alleen, maar toch deels het gevolg van het inzetten van een groter aantal personeelsleden ter compensatie van een geringere personeelsbeschikbaarheid. Het geheel van verloven en afwezigheden speelt daarin een duidelijke rol. Door meer vrije dagen toe te kennen aan personeelsleden in een continudienst hebben OCMW's dus meer personeel nodig om de continuïteit van de zorg te kunnen verzekeren. Anderzijds worden bepaalde instellingen en diensten geconfronteerd met de schaarste aan verpleegkundigen en verzorgenden op de arbeidsmarkt. De organisatie van de beschikbaarheid van het personeel moet dus ook garanderen dat steeds aan de wettelijke, minimale bezettingsnorm en aan de kwaliteitseisen voldaan kan worden. De Vlaamse Regering stelt vast dat de hoge personeelsgerelateerde exploitatiekosten van genoemde diensten en instellingen in de zorgsectoren een bedreiging kunnen vormen voor het behoud ervan en voor de uitbreiding die nodig is om aan toekomstige behoeften tegemoet te komen. Tegelijkertijd benadrukt de Vlaamse Regering dat ze een kwaliteitsvolle publieke dienstverlening op dat vlak wil vrijwaren en ondersteunen, ook voor de toekomst. Haar beleid inzake verloven en afwezigheden voor het betrokken personeel moet in dat licht bekeken worden. Het komt aan de raden toe om op basis van de regeling over het aantal dagen jaarlijkse vakantie en de feestdagen en met de afwijkingsruimte die de OCMW's in dit besluit krijgen voor andere verloven en afwezigheden, een totaalbeleid inzake verloven en afwezigheden te voeren dat de OCMW's in staat stelt een kwalitatieve dienstverlening te garanderen aan een redelijke kostprijs. Overgangsmaatregelen in dit besluit zorgen ervoor dat geen enkel personeelslid in dienst door dit besluit benadeeld wordt, mocht de plaatselijke regeling voor het aantal dagen jaarlijkse vakantie of van de feestdagen reeds gunstiger zijn. Het beleid geldt voor het geheel van het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet, dus voor alle diensten en instellingen die onder het toepassingsgebied van die paragraaf 6 vallen. Met het voltallige personeel' wordt wel degelijk het volledige personeelsbestand van die diensten en instellingen bedoeld, dus met inbegrip van administratieve en technische functies die eigen zijn aan die diensten en instellingen. Er is geen marge voor afwijking ten aanzien van dat beleid. 2.2.4. Beleid inzake loopbaan en vorming De regels en procedures betreffende aanwerving, interne personeelsmobiliteit en bevordering in dit besluit zijn volledig ontleend aan die voor het gemeentepersoneel in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007. De OCMW-raden nemen de regels van dit besluit OCMW-personeel over, maar geven er geheel autonoom uitvoering aan. Dat komt erop neer dat de OCMW's op dat vlak autonoom hun HR-bevoegdheid kunnen uitoefenen en aan competentiemanagement kunnen doen binnen een wettelijk' raamkader dat identiek is aan dat van de gemeente. Dat gemeenschappelijk raamkader vergemakkelijkt in een volgende fase ook de organisatie van een verruimde externe mobiliteit tussen de gemeente en het OCMW, waaraan de Vlaamse Regering uitvoering zal geven. De regels over de personeelsvorming in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007 worden in dit besluit als algemeen geldend wettelijk raamkader overgenomen voor het OCMW-personeel, vermeld in artikel 104, § 2 en § 6, van het OCMW-decreet. Dat moet de OCMW's in de mogelijkheid stellen een vormingsbeleid te ontwikkelen dat afgestemd is op de specificiteit van de OCMW-functies en, wat het vormingsreglement betreft, op de eigenheid van de organisatie. 2.2.5. Beleid per personeelsgroep inzake overname of afwijking van enkele andere aspecten van de rechtspositieregeling dan de hierboven genoemde De motivering voor het beleid wordt vermeld bij de betreffende artikelen in de commentaar artikelsgewijs. 1° voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet Dit besluit bepaalt expliciet dat de regels in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel met betrekking tot de volgende aangelegenheden overgenomen worden voor die personeelsgroep :
- a)de regels over de evaluatie tijdens de loopbaan en de mogelijkheid van ontslag wegens beroepsongeschiktheid na ongunstige evaluatie;de regels over het beroep tegen de evaluatie en over de werking van de beroepsinstantie;
- b)de regels over het verlies van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid en de definitieve ambtsneerlegging van het statutaire personeelslid;
- c)de overgangsbepalingen voor het statutaire personeelslid in dienst. Dit besluit biedt daarnaast uitdrukkelijk afwijkingsruimte voor de regels over de administratieve anciënniteiten, meer bepaald voor de mogelijkheid van valorisatie van diensten in de privésector of als zelfstandige. 2° voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet, en het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet Dit besluit biedt voor beide groepen een afwijkingsruimte voor :
- a)de regels over de proeftijd, meer bepaald voor de mogelijkheid van verlenging van de proeftijd;
- b)de regels over de ambtshalve herplaatsing van het vast aangestelde statutaire personeelslid, meer bepaald voor de ambtshalve herplaatsing om gezondheidsredenen en voor de ambtshalve herplaatsing op verzoek.3° voor het specifieke personeel vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet We herhalen dat de raden voor het specifieke personeel, vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet op grond van het OCMW-decreet de overeenstemmende bepalingen in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel onverkort moeten overnemen voor alle aspecten van de rechtspositieregeling die in dit besluit niet voor dat personeel geregeld worden, maar die de raden op grond van artikel 104, §
§ 5
, van het OCMW-decreet, wel moeten vaststellen.Het betreft :
- a)de regels over de vaste aanstelling in statutair verband;
- b)de regels over de evaluatie tijdens de loopbaan en de mogelijkheid van ontslag wegens beroepsongeschiktheid na ongunstige evaluatie;de regels over het beroep tegen de evaluatie en over de werking van de beroepsinstantie;
- c)de regels over de administratieve anciënniteiten;
- d)de regels over het verlies van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid en de definitieve ambtsneerlegging van het statutaire personeelslid;
- e)de overgangsbepalingen voor het statutaire personeelslid in dienst. 2.2.6. Herkenbaarheid De OCMW's zullen in de bovenstaande beleidskeuzes zowel regels uit de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel herkennen, als al bestaande afwijkingen. Ook tot nu moesten de OCMW-raden zich oriënteren op de plaatselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. Veel bepalingen voor het gemeentepersoneel hebben logischerwijze via artikel 42 van de organieke OCMW-wet, dat nog van kracht was, hun weg gevonden in de rechtspositieregeling van het specifieke OCMW-personeel, onder voorbehoud van de uitzonderingen die de OCMW-raden geformuleerd hebben of behouden hebben. Een en ander heeft voor gevolg dat de impact van dit besluit op de OCMW's eerder relatief is. De mate waarin de OCMW's de rechtspositieregeling nog zullen moeten conformeren aan dit besluit en aan de overnameplicht van artikel 104, §
§ 5, van het OCMW-decreet, zal van OCMW tot OCMW verschillen.
3. Samenwerking gemeente-OCMW en artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet De OCMW-raden moeten zich in eerste instantie spiegelen aan de plaatselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel zoals vastgesteld met toepassing van het genoemde besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007.Daartoe is samenwerking tussen de gemeentesecretaris en de OCMW-secretaris noodzakelijk. De synergie tussen gemeente en OCMW krijgt overigens ook gestalte door de aanwezigheid van de OCMW-voorzitter in het college van burgemeester en schepenen, die vanaf 2013 dwingend is, en door de bepaling van artikel 270, § 1, 3°, van het Gemeentedecreet en 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet. Artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet bepaalt ondermeer : « Over de volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alleen beslissen als ze vooraf voor advies zijn voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen : ... 2° het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie;3° het vaststellen of wijzigen van de rechtspositieregeling van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging een financiële weerslag kan hebben of erdoor van de rechtspositieregeling van het gemeentelijk personeel wordt afgeweken;» Voor de toepassing van artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet geldt het volgende. Dit besluit biedt een rechtsgrond voor bepaalde afwijkingen van de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel, waarover de OCMW-raad autonoom beslist. Anderzijds sluit dit besluit bepaalde aangelegenheden van afwijking uit. Artikel 104, §
§ 5
, van het OCMW-decreet bepaalt dat de rechtspositieregeling van het specifieke personeel, vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet wordt vastgesteld door overname van de overeenstemmende bepalingen in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel, rekening houdend met de eventuele afwijkende bepalingen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld. De rechtspositieregeling van het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet kan daarvan, aldus het OCMW-decreet, gemotiveerd afwijken, behalve voor de bezoldigingsregels en de salarisschalen en behalve voor de aangelegenheden waarvoor de Vlaamse Regering verder de minimale voorwaarden in dit besluit heeft vastgesteld. De Vlaamse Regering regelt in dit besluit effectief de meeste andere aspecten van de rechtspositieregeling. Ze maakt uitvoerig gebruik van de machtiging die artikel 115 van het OCMW-decreet haar geeft om ook voor de personeelsgroep vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet minimale voorwaarden vast te stellen in de andere aangelegenheden dan bezoldigingsregeling en salaris. Artikel 270, § 1, 3°, moet dus samen gelezen worden met artikel 104 en artikel 115 van het OCMW-decreet én met de uitvoering daarvan in dit besluit. Daar waar dit besluit de OCMW-raden voor bepaalde personeelsgroepen machtigt tot een afwijkende regeling in de rechtspositieregeling, kan het college van burgemeester en schepenen, dat een advies moet geven over de betreffende OCMW-raadsbesluiten, in zijn advies geen afbreuk doen aan die machtiging en dus aan de autonomie van de OCMW-raad op zich. Het college kan wel toetsen of de afwijking eventueel binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde grenzen blijft. Artikel 270, § 1, 3°, bepaalt ook dat het vaststellen of wijzigen van de rechtspositieregeling van het betrokken OCMW-personeel onderworpen is aan advies van het college voor zover die vaststelling of wijziging een financiële weerslag heeft. Dat laatste zal soms het geval zijn, bijvoorbeeld bij de facultatieve toekenning van sommige toelagen, vergoedingen en sociale voordelen (cfr. supra). Ter herinnering : het voorafgaandelijk advies van het college vermeld in artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet is ook verplicht bij wijziging of hervaststelling van de personeelsformatie.
- Vormgeving van de minimale voorwaarden 4.
- Formele keuzes Formeel krijgen de minimale voorwaarden op dezelfde wijze vorm als in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december
- Dat is : - door dwingende bepalingen; - door de vaststelling van wat de raad (minstens) moet regelen; - door de vaststelling van een welomschreven set van mogelijkheden; - door de vaststelling van een maximumgrens, van een bedrag of van een onder- of bovengrens; - door de vaststelling van ruimte voor afwijking of aanvulling van een dwingende bepaling; - voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet, door de verplichting om de regels in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel over te nemen. Die uiteenlopende werkwijzen sluiten aan bij de hierboven geschetste inhoudelijke uitgangspunten. Een en ander leidt er ook toe dat regels, op een wetgevingstechnische aanpassing na, letterlijke overgenomen werden uit het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december
- De vormgeving van het besluit gebeurt daarnaast met behulp van een reeks definities die als leeswijzer fungeren. Het besluit is thematisch ingedeeld in vier delen. Deel 1 bevat een aantal definities, die gemeenschappelijk zijn voor heel het besluit en die dus gelden voor alle delen. Deel 3 bevat een set van definities die op dat deel zelf van toepassing zijn. Sommige definities en het besluit zelf verwijzen naar een bevoegde instantie zoals de raad, de aanstellende overheid, het uitvoerend orgaan van het bestuur, het hoofd van het personeel. Met die verwijzing wordt toepassing gemaakt van de bevoegdheidsverdelende bepalingen in het OCMW-decreet zelf. Ze strekken dus helemaal niet tot regeling van die bevoegdheden. Aan de bevoegdheidsverdeling tussen de organen in het OCMW-decreet kan overigens niets toegevoegd worden, noch kan er afbreuk aan gedaan worden. De bevoegdheid voor de vaststelling van de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel wordt in artikel 52, 6° van het OCMW-decreet toegewezen aan de OCMW-raad. Die bevoegdheid is niet delegeerbaar. De rol van het hoofd van het personeel' in aangelegenheden van dagelijks personeelsbeheer wordt ingevuld door de OCMW-raad, conform artikel 52, 24°, van het OCMW-decreet. Die invulling kan niet strijdig zijn met artikel 52, 6°, dat alles wat te maken heeft met de vaststelling van regels op het gebied van de rechtspositieregeling, uitsluitend aan de OCMW-raad toewijst. Het dagelijks personeelsbeheer slaat dan ook uitsluitend op de toepassing van door de raad vastgestelde regels op personeelsleden. Wat in die zin niet toegewezen wordt aan het hoofd van het personeel, vormt de bevoegdheid van het uitvoerend orgaan van het OCMW (voorzitter, in voorkomend geval ondervoorzitter). 4.
- Indeling van het besluit In dit besluit worden materies geregeld die enerzijds betrekking hebben op de totaliteit van het OCMW-personeel en anderzijds betrekking hebben op het specifieke OCMW-personeel (artikel 104, § 2) en op het voltallige personeel van bepaalde instellingen en diensten (artikel 104, § 6). Afgezien daarvan zijn er specifieke bepalingen, bijvoorbeeld voor de secretaris en de financieel beheerder van het OCMW, maatschappelijk werker, het personeel van de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen Om dat geheel overzichtelijk te houden is het besluit ingedeeld in vier delen. Deel 1 bevat een aantal definities die gelden voor het geheel van het besluit. Deel 2 bevat de bepalingen die de totaliteit van het OCMW-personeel en de OCMW-organisatie in haar geheel tot voorwerp hebben. Het bevat : - de regels over de personeelsformatie; - de regels voor het mandaatstelsel; - de regels over de aanwerving van personen met een arbeidshandicap. De personeelsformatie van het OCMW vormt in termen van het OCMW-decreet één geheel. Zowel de betrekkingen die ook bestaan bij de gemeente als de betrekkingen die specifiek zijn voor het OCMW worden erin opgenomen. De regels betreffende de personeelsformatie en het dienstverband in artikel 102 en artikel 103 van het OCMW-decreet zijn volledig analoog aan die in artikel 103 en 104 in het Gemeentedecreet. De regeling van de personeelsformatie van het OCMW-personeel volgt die analogie. De regels voor de vaststelling van de personeelsformatie zijn dan ook identiek aan die voor het gemeentepersoneel, met dien verstande dat er rekening wordt gehouden met enkele rangen die eigen zijn aan het OCMW. De regels voor het mandaatstelsel zijn eveneens opgenomen in dit deel. Ze slaan immers zowel op mandaten in betrekkingen die ook bestaan bij de gemeente als op mandaten in betrekkingen die alleen voorkomen bij het OCMW. De regels voor het mandaatstelsel zijn inhoudelijk identiek aan die voor het gemeentepersoneel in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december
- Tot slot worden in dit deel ook de regels vastgesteld voor de aanwerving van personen met een arbeidshandicap. Het beleid ter zake richt zich op het totale aantal betrekkingen van het OCMW onder voorbehoud van de verplegende en verzorgende functies. De rechtsgrond hiervoor wordt geleverd door artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten over de hervorming der instellingen. Deel 3 van dit besluit behandelt de loopbaancyclus, het salaris, de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen en de verloven en afwezigheden voor de specifieke personeelsgroepen, omschreven in het toepassingsgebied van dat deel (artikel 27). Deel 3 is onderverdeeld in zes titels. Titel 1 behelst de definities en het toepassingsgebied, die eigen zijn aan dit deel. Titel 2 bevat alle bepalingen over de loopbaan en is onderverdeeld in tien hoofdstukken. Daarbij wordt soms een onderscheid gemaakt tussen verschillende personeelsgroepen. Titel 3 regelt de het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid en de definitieve ambtsneerlegging van het statutaire personeelslid dat behoort tot het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet. Titel 4 handelt over het salaris. Titel 5 regelt de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen. Titel 6 behandelt de verloven en afwezigheden voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet. De volgorde van de titels en van de verdere onderverdelingen in hoofdstukken in dit deel is gebaseerd op de indeling in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december
- Deel 4 bevat de slotbepalingen die bestaan uit opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtredingsbepalingen. Op een enkele uitzondering na, worden alle overgangsbepalingen in deel 4 gegroepeerd. Een algemene overgangsbepaling regelt de implementatie van dit besluit en van artikel 104, §
§ 5
, van het OCMW-decreet inzake de overname van bepalingen uit de plaatselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. De andere overgangsbepalingen worden opgesplitst in een overgangsbepaling bij deel 2 en overgangsbepalingen bij deel
- Waar nodig wordt aangegeven op welke personeelsgroep een bepaalde overgangsmaatregel van toepassing is.
- Andere uitvoeringsmaatregelen van het OCMW-decreet betreffende het personeel Dit besluit van de Vlaamse Regering houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is weliswaar het meest omvangrijke besluit aangaande de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel, maar het is niet het enige uitvoeringsbesluit van het OCMW-decreet met betrekking tot personeel.Het moet bovendien gelezen worden in samenhang met bepaalde inwerkingtredingsbepalingen over personeel of met een weerslag op personeel. Het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten8 houdende de uitvoering en inwerkingtreding van het decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten9 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende diverse bepalingen betreffende het personeel, de financiën en de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn regelde de inwerkingtreding van de volgende artikelen van het OCMW-decreet met betrekking tot personeel met ingang van 1 juli 2009 : - artikel 101 (toepassingsgebied) en 102 (personeelsformatie); wat de personeelsformatie betreft zijn op die datum ook artikel 42, tweede lid en de artikelen 55 en 56, § 1 en § 2, van de organieke OCMW-wet opgeheven; - artikel 103, § 1, § 2 en § 3 (dienstverband personeel). - artikel 105 (aanstelling, ontslag en eedaflegging); - artikel 106, 107, 108, 109, 110 en 111 (deontologische rechten en plichten); - artikel 112, 113, 114 (evaluatie van het personeel); - artikel 116 (toezicht personeelsformaties); - artikel 117 tot en met 143 (tucht). Ook artikel 85 van het OCMW-decreet over de rol van de OCMW-secretaris als leidend ambtenaar van het OCMW en over zijn rol in het dagelijks personeelsbeheer, is in werking getreden op 1 juli
- Dat artikel moet gelezen worden in samenhang met artikel 52, 24°, van het OCMW-decreet en met artikel
- Ook artikel 86 dat de OCMW-secretaris opdraagt om in overleg met het managementteam de voorontwerpen vast te stellen van het organogram, de personeelsformatie en de rechtspositieregeling van het personeel, trad op die datum in werking. Hetzelfde geldt voor artikel 95 over het managementteam en de rol van de OCMW-secretaris daarin. De artikelen 91 tot en met 93 betreffende de taakstelling van de financieel beheerder traden eveneens in werking op 1 juli
- Dat geldt ook voor de taakstelling van de maatschappelijk werker, waarbij artikel 94 van het OCMW-decreet artikel 47 uit de organieke OCMW- wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten0 vervangt. Artikel 75, § 1, dat bepaalt dat er in elk OCMW een secretaris, financieel beheerder en ten minste één maatschappelijk werker is, is nog niet in werking getreden. Artikel 41 (secretaris, ontvanger) van de organieke OCMW- wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten0 is nog steeds van toepassing, evenals artikel 42 wat betreft de bepaling dat er in elk OCMW ten minste één maatschappelijk werker is. Artikel 280, § 4, van het OCMW-decreet voorziet in een overgangsbepaling, waarbij de woorden « financieel beheerder » van het OCMW-decreet gelezen moeten worden als « ontvanger ». Die overgangsbepaling trad in werking op 1 juli
- Voor de toelichting hierbij verwijzen we naar de memorie van toelichting bij het OCMW- decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten9 en naar de omzendbrief BB 2009/03 van 5 juni 2009 (Belgisch Staatsblad van 16 juni 2009). De tucht van het statutaire OCMW-personeel wordt volledig geregeld door titel II, hoofdstuk V van het OCMW-decreet, en door de volgende uitvoeringsbesluiten van de Vlaamse Regering : 1° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten3 houdende vaststelling van de tuchtprocedure voor het statutaire gemeentepersoneel ter uitvoering van artikel 129, 136, en 143 van het Gemeentedecreet, voor het statutaire personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ter uitvoering van artikel 128, 135 en 142 van het decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten9 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en voor het statutaire provinciepersoneel ter uitvoering van artikel 125, 132 en 139 van het Provinciedecreet;2° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten3 houdende vaststelling van de samenstelling, de vergoeding van de leden en de werking van de Beroepscommissie voor tuchtzaken ter uitvoering van artikel 138 van het Gemeentedecreet, artikel 137 van het decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten9 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en artikel 134 van het Provinciedecreet. Daarnaast vestigen we de aandacht op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de ambten van gemeentesecretaris, gemeentelijk financieel beheerder, secretaris van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en financieel beheerder van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn deeltijds kunnen worden uitgeoefend, en houdende vaststelling van sommige gevallen waarin de ambten van gemeentelijk financieel beheerder en van financieel beheerder van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen worden uitgeoefend door een gewestelijk ontvanger. Vermelden we tot slot nog dat het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten6 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in titel X, artikel 219 en 220 de salarisschalen van respectievelijk de OCMW-secretaris en de financieel beheerder vaststelt. Artikel 226 bevat een overgangsbepaling. Die artikelen blijven van toepassing.
- Commentaar per artikel Hieronder volgt artikelsgewijs een nadere toelichting in de volgorde van de delen, titels en hoofdstukken en verdere onderverdelingen van dit besluit. Voor de artikelen die identiek zijn aan artikelen in het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten6 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt verwezen naar de commentaar in het Verslag aan de Vlaamse Regering bij het overeenstemmende artikel van dat besluit. Deze commentaar bevat dan ook hoofdzakelijk aanvullende toelichting voor aangelegenheden die specifiek zijn voor het OCMW. Deel
- Gemeenschappelijke definities Artikel 1 4° aanstellende overheid : artikel 52, 8°, geeft de bevoegdheid voor de aanstelling (en het ontslag) van de secretaris, de financieel beheerder en in voorkomend geval, van de ombudsman uitsluitend aan de OCMW-raad.Artikel 105 geeft aan de raad een algemene aanstellende bevoegdheid voor de totaliteit van het personeel, maar die bevoegdheid mag gedelegeerd worden aan het vast bureau of aan de secretaris van het OCMW, met uitzondering van de aanstelling van de secretaris, de financieel beheerder en, in voorkomend geval, van de ombudsman. Artikel 105 sluit de delegatie van de aanstellingsbevoegdheid naar het vast bureau of de secretaris niet uit voor andere personeelsleden die lid zijn van het managementteam. 9° de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel : bedoeld wordt uitsluitend de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, vastgesteld met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten6 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.De plaatselijke rechtspositieregelingen van het gemeentepersoneel moeten sinds 1 januari 2009 met dat besluit van 7 december 2007 in overeenstemming zijn. Dat is a fortiori het geval op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, namelijk 1 januari
- De dwingende bepalingen van dit besluit hebben overigens voorrang op overeenstemmende bepalingen in de plaatselijke rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel die niet in overeenstemming zouden zijn met genoemd besluit van 7 december
- De verwijzing naar het genoemde besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007 is dynamisch. Ze slaat derhalve op dat besluit zoals gewijzigd door : 1° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten7 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten6 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdend enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;2° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten8 houdende de uitvoering en inwerkingtreding van het decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten9 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende diverse bepalingen betreffende het personeel, de financiën en de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De verwijzing slaat ook op toekomstige wijzigingen van genoemd besluit. Het is immers de bedoeling dat de minimale voorwaarden voor het gemeentepersoneel en voor het in dit besluit beoogde OCMW-personeel dezelfde ontwikkeling volgen. Voor de definities in de punten 5° tot en met 8°, wordt verwezen naar de commentaar in het Verslag aan de Vlaamse Regering bij het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007, meer bepaald bij artikel 2, 14° tot en met 17°. Deel
- - Bepalingen over de personeelsformatie, het mandaatstelsel en de aanwerving van personen met een arbeidshandicap HOOFDSTUK
- - Toepassingsgebied Artikel 2 Deel 2 is van toepassing op de totaliteit van het OCMW-personeel, dus met inbegrip van het personeel in betrekkingen die ook bestaan bij de gemeente die het OCMW bedient, tenzij anders bepaald. Tenzij anders bepaald' heeft slechts een beperkte draagwijdte en slaat uitsluitend op artikel 3 in hoofdstuk
- Artikel 2, § 1, 1° Personeel in 'betrekkingen die ook bestaan bij de gemeente', bedoeld in artikel 1, 1°, treffen we aan in diensten die hoofdzakelijk gericht zijn op interne dienstverlening binnen het OCMW zelf. Enkele voorbeelden daarvan zijn : - het secretariaat; - de personeelsdienst; - de dienst financiën; - ICT en communicatie; - eventuele staffuncties ter ondersteuning van de topambtenaren; - logistieke en technische diensten, met uitzondering evenwel van logistieke en technische functies die rechtstreeks opgenomen zijn in extern werkende diensten en instellingen. Dat sluit anderzijds niet uit dat er ook in die diensten betrekkingen bestaan die niet voorkomen bij de gemeente, waardoor ze onder artikel 104, § 2 of desgevallend § 6 van het OCMW-decreet vallen. Artikel 2, § 1, 2° Het 'specifieke personeel, vermeld in artikel 104, § 2' slaat hoofdzakelijk op het personeel van de sociale diensten. Daarmee wordt een breed gamma van individuele of collectieve vormen van dienstverlening bedoeld. Voorbeelden daarvan zijn : toekenning van het leefloon en van andere vormen van financiële of materiële hulp, budgetbegeleiding, juridische bijstand, hulp bij huisvesting, toeleiding door de maatschappelijk werker van cliënten naar opleiding of tewerkstelling... Ook dit sluit niet uit dat bepaalde betrekkingen van de sociale dienst ressorteren onder artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet, bijvoorbeeld als ze activiteiten in mededinging met andere marktdeelnemers behelzen. Artikel 2, § 1, 4° Tot het voltallig personeel, vermeld in artikel 104, § 6, in diensten of instellingen waarvan de werking gebaseerd is op federale of gewestelijke financiering met bijbehorende werkings- en erkenningsregels en in activiteiten die hoofdzakelijk verricht worden in mededinging met andere marktdeelnemers, kan alvast het personeel gerekend worden in de diensten en instellingen, vermeld in het Woonzorg decreet van 13 maart 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten
- Dat is het personeel van : - de rusthuizen voor bejaarden (ROB) en de RVT; - de diensten voor thuisverpleging; - de diensten voor thuiszorg; - de dienstencentra en de serviceflats; - de dagverzorgingscentra, de centra voor kortverblijf. Ook het personeel in de volgende activiteiten wordt, in voorkomend geval, tot de personeelsgroep, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet gerekend : - de revalidatiecentra; - de psychiatrische verzorgingstehuizen (PVT); - de kinderdagverblijven, de dienst voor buitenschoolse kinderopvang, de diensten voor opvoedingsondersteuning en de diensten voor onthaalouders; - de instellingen voor gehandicapten; - de instellingen voor bijzondere jeugdbijstand; - het dienstenchequebedrijf; - het sociale inschakelingsbedrijf (SINE) - ... De volgende criteria geven uitsluitsel voor de indeling van het personeel in de groep van artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet : - de werking is gebaseerd op federale financiering met bijbehorende werkings- en erkenningsregels; - de werking is gebaseerd op gewestelijke financiering met bijbehorende werkings- en erkenningsregels; - de activiteiten worden hoofdzakelijk verricht in mededinging met andere marktdeelnemers. Aan één van die drie criteria moet voldaan zijn. De raden moeten zelf op basis van de wetgeving van de hogere overheid (erkenning en subsidiëring of financiering) of van de aard van de activiteit (concurrentie van andere marktdeelnemers) bepalen of het personeel van een instelling of dienst tot deze groep behoort. Die keuze is niet gebaseerd op een subjectieve appreciatie, maar is een feitenkwestie. 'Voltallig' houdt in dat tot het bedoelde personeel ook het administratieve, het technische of logistieke personeel en het onderhoudspersoneel van die diensten of instellingen zelf moet gerekend worden. In afwijking van artikel 104, § 1 en § 2, van het OCMW-decreet legt artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet een grondslag voor een eigenstandige regeling voor het geheel van het personeel van de diensten en instellingen die onder § 6 ressorteren. In het decreet wordt de groep van artikel 104, § 6, bovendien als een geheel beschouwd. Artikel 2, § 2 Voor alle duidelijkheid : het personeel van een ziekenhuis in eigen beheer van het OCMW met toepassing van artikel 218 van het OCMW-decreet, valt niet onder het toepassingsgebied van dit besluit. Dat wordt expliciet vermeld, zowel bij het toepassingsgebied van deel 2 van dit besluit in artikel 1, § 2, 1°, als bij het toepassingsgebied bij deel 3 van dit besluit (artikel 27, § 3). Artikel 218, § 1, van het OCMW-decreet bepaalt ondermeer : « de Vlaamse Regering kan bepaalde regels treffen in verband met de inrichting, de organisatie en werking van de ziekenhuizen met afzonderlijk beheer. » Die bepaling zou ruim geïnterpreteerd kunnen worden in die zin dat onder 'werking en organisatie' ook algemene regels betreffende het personeel (personeelsformatie, rechtspositieregeling) kunnen begrepen worden. In principe zou de Vlaamse Regering zich op die bepaling kunnen beroepen om minimale voorwaarden vast te stellen voor het ziekenhuispersoneel in OCMW-ziekenhuizen in eigen beheer. De Vlaamse Regering doet dat niet. Het omgekeerde zou namelijk niet sporen met de bepaling van artikel 104, § 6, vierde lid, van het OCMW-decreet, dat voor die ziekenhuizen een algemene afwijkingsruimte ten aanzien van het overige OCMW-personeel vaststelt. De overgrote meerderheid van de ziekenhuizen heeft bovendien de vorm aangenomen van een autonome verzorgingsinstelling (AV) volgens hoofdstuk I van titel VIII van het OCMW-decreet (voorheen hoofdstuk XII OCMW-wet) of volgens hoofdstuk II van diezelfde titel (voorheen hoofdstuk XIIbis van de OCMW-wet). Artikel 2, § 2, 2° Eveneens ter verduidelijking : dit deel is niet van toepassing op OCMW-cliënten die met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van 8 juli 1976 tijdelijk tewerkgesteld worden in een betrekking bij het OCMW. De tewerkstelling van OCMW-cliënten gebeurt bijvoorbeeld buiten de personeelsformatie. Zie hiervoor ook de commentaar bij artikel 27, § 3, 2°. HOOFDSTUK
- - De personeelsformatie De personeelsformatie bevat zowel de betrekkingen die ook bestaan bij de gemeente als de betrekkingen die niet bestaan bij de gemeente. Dat volgt uit het toepassingsgebied dat voor deel 2, waarvan dit hoofdstuk een onderdeel is, in artikel 2 wordt vastgesteld. De formatie wordt dus bezet door personeel als vermeld in artikel 104, § 1, 104, § 2 en 104, §
- Artikel 3 De uitsluiting van de secretaris en financieel beheerder uit het toepassingsgebied van dit hoofdstuk betekent het volgende. De raad stelt de betrekkingen van secretaris en financieel beheerder vast in de personeelsformatie van het OCMW. De raad doet dat echter niet op grond van de regels in dit hoofdstuk, maar met toepassing van artikel 75 tot en met 83 van het OCMW-decreet. Artikel 4 tot en met 7 Artikel 4 tot en met 7 van dit besluit stemmen overeen met artikel 4 tot en met 7 in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december
- De toelichting bij die artikelen in het Verslag aan de Vlaamse Regering geldt mutatis mutandis voor artikel 4 tot en met 7 van dit besluit. Zoals vermeld in de algemene inleiding is het concept van de personeelsformatie voor het OCMW-personeel identiek aan dat van het gemeentepersoneel, zoals ook de betreffende artikelen over de personeelsformatie in het OCMW-decreet identiek zijn aan die in het Gemeentedecreet. De OCMW-raden moeten dan ook afstand nemen van de vroegere regels over de personeelsformatie in artikel 42, tweede lid, en artikel 55 van de organieke OCMW- wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten0 die overigens al opgeheven zijn. Artikel 102, tweede lid, van het OCMW-decreet bepaalt dat de betrekkingen die in contractueel verband ingesteld worden ter uitvoering van de werkgelegenheidsmaatregelen van hogere overheden niet vastgesteld worden in de personeelsformatie. Ook betrekkingen « om aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen, voor in tijd beperkte acties of voor een buitengewone toename van het werk », al dan niet als gevolg van noodsituaties (artikel 102, § 2, 1° van het OCMW-decreet) worden niet opgenomen in de personeelsformatie. Het is niet de bedoeling om voor die onvoorspelbare en moeilijk meetbare situaties vooraf een personeelscontingent vast te stellen. In die situaties kan er personeel met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden buiten de personeelsformatie waarbij de inzet van personeel afgestemd wordt op de concrete behoeften die zich op dat moment aandienen. Ook de tijdelijke tewerkstelling van OCMW-cliënten in de diensten van het OCMW met toepassing van artikel 60, § 7, eerste en tweede lid van de organieke OCMW- wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten0 valt onder de toepassing van artikel 102, § 2, 1°. Hoewel artikel 55 van de organieke OCMW-wet opgeheven werd, constateren we dat de regels voor de vaststelling van de personeelsformatie in dit besluit nauw verwant zijn aan de regels die vroeger bestonden : ook artikel 55 bepaalde immers dat de raad in bepaalde gevallen contractuele aanstellingen kon doen, « maar binnen de perken van de personeelsformatie, die per graad het aantal contractuele betrekkingen bepaalt. » De mogelijkheden voor contractuele aanstelling zijn in het OCMW-decreet aanzienlijk verruimd, maar het basisprincipe van opname van die contractuele betrekkingen in de personeelsformatie blijft hetzelfde als voorheen in artikel
- De mate waarin de OCMW's gebruikmaken van de ruimere mogelijkheden om personeel in contractueel dienstverband aan te stellen, bepalen ze zelf. Artikel 7, tweede lid, 2°, vult de rangen in niveau B aan met de rangen van verpleegkundig diensthoofd en van rushuisdirecteur. De rang van verpleegkundig diensthoofd met salarisschaal BV6 of BV7 stemt overeen met de rang van 'dienstchef of dienstoverste nursing', waarbij de dienstchef nursing tweede klasse ingeschaald werd in de salarisschaal BV6, en de dienstchef nursing eerste klasse ingeschaald werd in de salarisschaal BV
- Die rang komt zoals bepaald in vroegere federale omzendbrieven uitsluitend voor in grote instellingen met minstens drie hoofdverpleegkundigen (BV6) of meer dan honderd bedden en een groter aantal hoofdverpleegkundigen (BV7) (Omzendbrief van 3 november 1972 van het ministerie van Volksgezondheid en het Gezin over de collectieve overeenkomst betreffende de sociale programmatie 1972-1973 - uitvoeringsmaatregelen voor het verplegend en verzorgend personeel). Graden van deze rang maken geen deel uit van de financieringsnormen van het RIZIV voor de RVT's. Voor de RIZIV-financiering worden ze integendeel slechts aangerekend als hoofdverpleegkundige. Het bestaan ervan zal dan ook eerder uitzonderlijk zijn, bijvoorbeeld als erfenis uit het verleden. De graad van rusthuisdirecteur kan in niveau B of in niveau A gesitueerd worden. Voor kleinere instellingen kan de raad bijvoorbeeld opteren voor niveau B. Aan de rangen By, Bz en Dx wordt één specifieke graad verbonden. Die rangen kunnen, in tegenstelling tot de meeste andere rangen, dus geen andere graden bevatten. De wijziging of vaststelling van de personeelsformatie is onderworpen aan het voorafgaandelijk advies van het college van burgemeester en schepenen in overeenstemming met artikel 270, § 1, 3°, van het OCMW-decreet en aan de toezichtsregels, vastgesteld in artikel 116 van het OCMW-decreet. HOOFDSTUK
- - Het mandaatstelsel De OCMW-raad heeft voor de invoering van het mandaatstelsel een autonomie die een uitzondering vormt op de decretale regels vermeld in artikel 104, § 1 en § 4, van het OCMW-decreet. De autonomie kan als volgt omschreven worden : 1° De OCMW-raad kan een mandaatstelsel invoeren;2° De OCMW-raad is niet verplicht om een mandaatstelsel in te voeren, zelfs als de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel daarin wel voorziet;3° De OCMW-raad kan een mandaatstelsel invoeren, zowel voor het personeel in betrekkingen die ook bestaan bij de gemeente, als voor betrekkingen die niet voorkomen bij de gemeente.De OCMW-raad beschikt dus ook over die autonomie voor het personeel in betrekkingen die gemeenschappelijk zijn met de gemeente. Inhoudelijk stemmen de regels over het mandaatstelsel volledig overeen met de regels over het mandaatstelsel in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december
- De commentaar in het Verslag aan de Vlaamse Regering bij artikel 80 tot en met 91 van dat besluit geldt mutatis mutandis dan ook voor artikel 8 tot en met 22 van dit besluit. De vormgeving van de artikelen wijkt hier en daar wel af. Dat is het gevolg van het feit dat de regels over het mandaatstelsel ook gelden voor een mandaat in een betrekking die ook bestaat bij de gemeente. Waar in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007 verwezen wordt naar andere artikelen in datzelfde besluit, worden die verwijzingen hier waar nodig vervangen door een omschrijving. De passus 'in een betrekking die niet bestaat bij de gemeente' is op meerdere plaatsen in dit hoofdstuk terug te vinden. Die omschrijving komt neer op een betrekking die eigen is aan het OCMW en die bekleed wordt door een personeelslid in de personeelsgroep vermeld in artikel 104, § 2 of § 6, of, zoals in dit geval, waarvoor een kandidaat solliciteert om ze te bekleden. Artikel 10 Voor de bekendmaking en de oproep tot de kandidaten voor de vervulling van een betrekking bij mandaat gelden de regels uit de rechtspositieregeling die van toepassing is op de overeenstemmende personeelscategorie. - Voor mandaten in een betrekking die ook bestaat bij de gemeente gelden de regels in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel van de gemeente die het OCMW bedient. Volgens artikel 104, § 1, is die rechtspositieregeling immers van ambtswege van toepassing op personeel in betrekkingen die ook bestaan bij de gemeente. - Voor mandaten in een betrekking die niet bestaat bij de gemeente gelden de regels in de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel. Die regels gelden ook voor een mandaat in de functies van secretaris en financieel beheerder. Het gaat om de regels die de raad heeft vastgesteld met toepassing van artikel 34, artikel 62, § 3, en artikel 70 in deel 3, titel 2, van dit besluit. De voorschriften van artikel 34, artikel 62, § 3, en artikel 70 gelden voor het specifieke personeel, vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet, voor de secretaris en financieel beheerder, en voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet. Artikel 11 Artikel 11 stemt overeen met artikel 83 in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december
- In tegenstelling tot artikel 83 van dat besluit worden hier in artikel 11 alle voorwaarden waaraan de kandidaat moet voldoen opgesomd in de plaats van ernaar te verwijzen, zoals in het overeenstemmende artikel 83 gebeurt. Met de algemene en specifieke aanwervingsvoorwaarden, bevorderingsvoorwaarden, voorwaarden voor interne personeelsmobiliteit « die gelden voor die mandaatfunctie », worden de voorwaarden voor de betreffende mandaatfunctie bedoeld. Als het om een mandaatfunctie gaat die ook bestaat bij de gemeente, dan slaat die bepaling op de voorwaarden vastgesteld in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. Als het gaat om een mandaatfunctie die niet bestaat bij de gemeente en die dus eigen is aan het OCMW, dan slaat die bepaling op voorwaarden in de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel voor de betreffende personeelsgroep (§ 2 of § 6). 'De criteria om in aanmerking te komen voor deelname aan een bevorderingsprocedure' en 'de criteria om in aanmerking te komen voor een procedure van interne personeelsmobiliteit' in dit artikel slaat op het volgende. - Als de mandaatfunctie ook bestaat bij de gemeente : de criteria vastgesteld in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel met toepassing van artikel 69, § 2, respectievelijk 75, § 2, van het besluit rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel van 7 december 2007; - Als de mandaatfunctie niet bestaat bij de gemeente en dus eigen is aan het OCMW : de criteria, vastgesteld in de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel met toepassing van artikel 63, § 1, respectievelijk 69, § 1, van dit besluit. Artikel 12 Artikel 12, § 1, tweede lid, verwijst naar de selectieprocedure die de OCMW-raad met toepassing van artikel 37 tot en met 40 van dit besluit heeft vastgesteld voor het specifieke personeel, vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet en voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet. Rekening houdend met het bepaalde in artikel 11, 1°, c) voor de mandaatfuncties, is de speciale selectieprocedure die toegepast wordt als de diplomavereiste wegvalt en waarnaar verwezen wordt in artikel 38, § 2, tweede lid, en in artikel 39, tweede lid, zonder voorwerp. Artikel 12, § 2, bepaalt dat de regels voor de aanwerving en de selectie van de secretaris van het OCMW en voor de financieel beheerder van het OCMW vastgesteld in artikel 42 en 43, van overeenkomstige toepassing zijn bij de externe vervulling van een mandaat in de functie van secretaris en financieel beheerder van het OCMW. Artikel 15 De evaluatie van de proeftijd van een mandaathouder in een decretale graad wordt uitgevoerd door de OCMW-raadscommissie, conform artikel 114 van het OCMW-decreet. De raad regelt de evaluatie van de proeftijd zoals vastgesteld in artikel 51, § 1,1°, en artikel 52 van dit besluit. Artikel 16 §
- Een mandaathouder in een betrekking die ook bestaat bij de gemeente, wordt tijdens de proeftijd geëvalueerd volgens de regels die gelden voor het statutaire personeelslid op proef in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. Er is geen verlenging van de proeftijd mogelijk. De ongunstige evaluatie leidt immers tot ontheffing van het mandaat, zoals bepaald in het tweede lid. §
- Een mandaathouder in een betrekking die niet bestaat bij de gemeente, wordt tijdens de proeftijd geëvalueerd volgens de regels die de raad heeft vastgesteld met toepassing van artikel 47, § 2, van dit besluit, met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging van de proeftijd. Het tweede lid bepaalt immers dat betrokkene na een ongunstige evaluatie van zijn mandaat wordt ontheven. Artikel 17 Dat artikel stemt overeen met artikel 86 van het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december
- De mandaathouder in een betrekking die ook bestaat bij de gemeente, is voor de inschaling aangewezen op de bepalingen daarover in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. Hij kan, als hij relevante beroepservaring heeft, met toegekende schaalanciënniteit ingeschaald worden in de overeenstemmende schaal van de functionele loopbaan als de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel in die mogelijkheid voorziet. Voor een mandaathouder in een functie die specifiek is voor het OCMW kan toepassing gemaakt worden van artikel 55, § 3, en artikel 85, tweede lid, van dit besluit als de OCMW-raad die mogelijkheid om ervaring te valoriseren in de schaalanciënniteit heeft vastgesteld. Voor de eventuele toekenning van een mandaattoelage, zie artikel 113 en de commentaar daarbij. Artikel 18 §
- De secretaris en de financieel beheerder van het OCMW met een mandaat worden geëvalueerd volgens de evaluatieregels die normaal van toepassing zijn op die functies. Artikel 18 verwijst daarvoor naar artikel 50, artikel 51, § 1, 2° tot en met 4°, en artikel 52 van dit besluit. §
- De mandaathouder in een betrekking die ook bestaat bij de gemeente wordt geëvalueerd volgens de regels in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel, die op hem van toepassing zijn. Voor de mandaathouder in een betrekking die niet bestaat bij de gemeente geldt in principe hetzelfde, omdat : - voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet, artikel 49 van dit besluit voor de periodieke evaluatie verwijst naar de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel; - voor het specifieke personeel, vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet op grond van datzelfde decreet de overname van de overeenstemmende regels in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel geldt. Voor de mandaathouders, vermeld in artikel 18, § 2, impliceert dit dat ook de regels over het beroep op hen van toepassing zijn. Een en ander geldt 'met uitzondering van de regels over het ontslag wegens beroepsongeschiktheid'. Immers, artikel 19 bepaalt dat de mandaathouder die ongunstig geëvalueerd wordt bij een periodieke evaluatie of bij de eindevaluatie van de mandaatperiode van zijn mandaat wordt ontheven. Artikel 20, 21 en 22 De commentaar bij artikel 89, 90 en 91 in het Verslag aan de Vlaamse Regering bij het besluit rechtspositieregeling van 7 december 2007 is mutatis mutandis van toepassing op artikel 20, 21 en 22 van dit besluit. HOOFDSTUK
- - De aanwerving van personen met een arbeidshandicap Algemene toelichting Hoofdstuk 4 stemt, op één punt na, volledig overeen met titel III, hoofdstuk II, afdeling VII, in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december
- Het vervangt het koninklijk besluit van 6 maart 1978 tot vaststelling van het aantal mindervaliden, die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn moeten worden tewerkgesteld. Dat koninklijk besluit wordt door artikel 144, 2° van dit besluit opgeheven. De juridische grondslag voor de regels van dit hoofdstuk berust niet in het OCMW- decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten9, maar in artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen. De algemene toelichting bij artikel 28, 29 en 30 in het Verslag aan de Vlaamse Regering bij het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007 geldt in grote lijnen ook voor dit besluit, met dat verschil echter dat het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap nog niet door België geratificeerd was. We nemen die toelichting hier dan ook mutatis mutandis over. In zijn advies 48.735/1 van 14 oktober 2010 bij dit besluit werpt de Raad van State de vraag op of het reserveren van bepaalde functies voor personen met een arbeidshandicap wel verenigbaar is met de gelijke toegang tot de functies bij de overheid. De Raad van State beveelt aan de ontworpen regeling te toetsen aan de voorwaarden die het Grondwettelijk Hof heeft verbonden aan maatregelen van positieve actie of « corrigerende ongelijkheid » en die vorm van positieve actie in dat licht te verantwoorden in het Verslag aan de Vlaamse Regering. De voorwaarden van het Grondwettelijk Hof worden in het advies opgesomd : «
(1)dat er een kennelijke ongelijkheid bestaat,
(2)dat het verdwijnen van deze ongelijkheid door de wetgever als een te bevorderen doelstelling wordt aangewezen,
(3)dat deze maatregelen van tijdelijke aard zijn en verdwijnen wanneer het door de wetgever beoogde doel is bereikt en
(4)dat deze maatregelen andermans rechten niet onnodig beperken ». De Vlaamse Regering gaat ervan uit dat aan die voorwaarden voldaan is voor de in dit besluit vastgestelde maatregel van positieve actie. Dit besluit stelt in artikel 23 vast dat ten minste 2 % van het totale aantal betrekkingen binnen het OCMW vervuld wordt door personen met een arbeidshandicap die aan bepaalde criteria voldoen. Artikel 24 bepaalt dat de betrekkingen van verplegend en verzorgend personeel niet meegerekend worden voor de toepassing van het percentage. Hetzelfde artikel bevat de mogelijkheid (de raad kan bepalen) dat functies gereserveerd worden voor personen met een arbeidshandicap om het vastgestelde aantal te bereiken. Bij elke selectie worden de hinderpalen die verbonden zijn met de handicap door redelijke aanpassingen verholpen. De enige 'dwingende' bepaling in deze aangelegenheid is het streefcijfer van 2 %. Er zijn echter geen sancties als dat percentage niet gehaald wordt. Daarom ook is er sprake van streefcijfer'. Wel is het zo dat de Vlaamse Regering via andere regelgeving diverse incentives aanreikt voor het behalen van dat streefcijfer : de toeleiding naar en begeleiding bij tewerktstelling door de VDAB, subsidiëring van diversiteitsplannen waarin personen met een arbeidshandicap tot de doelgroep behoren, de toekenning van de zogenaamde VOP-premie bij tewerkstelling van personen met een arbeidshandicap. Aangenomen wordt dat het percentage van personen met een arbeidshandicap in de beroepsbevolking dat beantwoordt aan de criteria vermeld in artikel 23, in het Vlaamse Gewest rond de 4,5 % schommelt. Het minimumpercentage van 2 % in dit besluit houdt rekening met de schaal van de meeste OCMW's (en gemeenten), die meestal ook een rekruteringsveld hebben dat beperkt is tot de eigen gemeente en de onmiddellijke regio. Het specifieke beleid voor personen met een arbeidshandicap gaat uit van de vaststelling dat die personen überhaupt een kwetsbare positie innemen op de arbeidsmarkt. Het gaat voor de Vlaamse Regering om « mensen met een aantasting van hun mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden, voor wie het uitzicht op het verwerven en behouden van een arbeidsplaats en op vooruitgang op die plaats, langdurig en in belangrijke mate beperkt is of bedreigd wordt. » Dat is de definitie in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten5 tot vaststelling van de criteria, de voorwaarden en de nadere regels voor het verlenen van subsidies ter ondersteuning en uitvoering van het beleid van evenredige arbeidsdeelname en diversiteit. Tot het juridisch kader van dit hoofdstuk moet ook het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap gerekend worden. Dat verdrag werd (na instemming bij decreet door de regio'
- s)door België bekrachtigd bij de wet van 13 mei 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/2009 pub. 08/09/2010 numac 2010000494 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende instemming met volgende Internationale Akten : - Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, - Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, aangenomen te New-York op 13 december 2006. - Duitse vertaling sluiten houdende instemming met de volgende Internationale Akten : Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, - Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, aangenomen te New York op 13 december 2006. De artikelen 4.1.
- a)en 27.1.
- a)en
- g)verbinden de overheden, waaronder de Vlaamse Regering, tot maatregelen inzake gelijke kansen op de arbeidsmarkt en meer bepaald ook bij de overheidsdiensten. De overheden worden daarbij geacht streefcijfers te bepalen. De decreetgever heeft ingestemd met het genoemde VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap en zich geëngageerd voor de uitvoering daarvan, ook wat betreft de tewerkstelling in de overheidsdiensten. Het genoemde verdrag maakt overigens gewag van de specifieke positie van personen met een handicap, waarvan de problematiek zich onderscheidt van die van bijvoorbeeld vrouwen of allochtonen. Het VN-Verdrag benadrukt dat de problemen die personen met een arbeidshandicap ondervinden inderdaad niet herleid kunnen worden tot een louter probleem van vooroordelen, maar in essentie te maken hebben met specifieke functiebeperkingen naargelang van de aard van de handicap. Het gaat dus ook om intrinsieke beperkingen die de kansen op de arbeidsmarkt drastisch verminderen en in een aantal gevallen ook inperken tot bepaalde functies die verenigbaar zijn met de handicap. De negatie van dat gegeven leidt tot discriminatie. De bepaling van een streefcijfer sluit aan bij de vaststelling van de kwetsbare positie op de arbeidsmarkt van de betrokken groep personen en moet gezien worden als een correctie daarop. Dat geldt ook voor de keuze in dit besluit om twee wegen open te laten voor de aanwerving van personen met een arbeidshandicap die aan de criteria van artikel 23 voldoen : via deelname aan de algemene procedures mits redelijke aanpassingen, of via deelname aan een functiespecifieke selectie voor gereserveerde functies. In dat laatste geval gebeurt de toeleiding van erkende kandidaten door de VDAB. De toewijzing van die taak aan de VDAB is een voorzorgsmaatregel tegen willekeur. De toeleiding gebeurt door een orgaan dat daartoe door de decreetgever aangewezen is en dat daarbij criteria en een professionele werkwijze hanteert. Personen met een arbeidshandicap zijn in bepaalde gevallen alleen maar aanstelbaar in specifieke functies die verenigbaar zijn met hun handicap. De gereserveerde functies zijn een middel om ook aan die personen een kans op tewerkstelling te bieden. Die maatregel heeft een beperkte draagwijdte maar zorgt er wel voor dat een bepaald segment van personen met functiebeperkingen niet definitief uitgesloten wordt van tewerkstelling bij de overheid. Personen zonder handicap worden door deze maatregel niet 'onnodig in hun rechten beperkt.' De ene gegadigde kan slechts voor een heel beperkt aantal functies solliciteren, de andere naar alle functies die met zijn opleiding of belangstelling in overeenstemming zijn. De maatregelen van dit besluit dienen een bepaald doel, namelijk bijdragen aan de realisatie van het inclusieve beleid ten aanzien van personen met een arbeidshandicap. Artikel 24 bepaalt dat de betrekkingen van verplegend en verzorgend personeel niet meegerekend worden voor de toepassing van het percentage van 2 % op het totale aantal betrekkingen binnen het OCMW. Die bepaling stond in het bovengenoemde koninklijk besluit van 6 maart 1978 en blijft behouden. De kans dat personen die voldoen aan de criteria die opgesomd worden in artikel 23,1° tot en met 5°, ook voldoen aan de vereisten op het gebied van de medische geschiktheid voor de toegang tot die functies, is namelijk kleiner. Het betreft namelijk lichamelijk belastende beroepen. Personen die solliciteren voor activiteiten waaraan gezondheidsrisico's verbonden zijn, zijn onderworpen aan de voorafgaande gezondheidsbeoordeling, bepaald in het koninklijk besluit van 28 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten3 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers. Voor het criterium bepaald in artikel 23, 6°, geldt dan weer de beperking van de kwalificatievereisten die opgelegd worden door de subsidiërende overheid. Daar komt nog bij dat er uitgerekend in de groep van het verplegend en verzorgend personeel nogal wat personeelsuitval is wegens definitief vastgestelde medische ongeschiktheid. Het zou dan ook contraproductief zijn om de berekening voor de aanstelling van personen met een arbeidshandicap in de OCMW's te baseren op het geheel van het personeelsbestand, terwijl de belastende functies van verplegend en verzorgend personeel uiteindelijk niet toegankelijk blijken voor personen met een arbeidshandicap als vermeld in artikel 23. Dat laatste houdt echter geen enkele uitsluiting van die functies in voor personen met een handicap die niet beantwoorden aan de criteria van artikel 23 en die voldoen aan de medische geschiktheid. Deel 3. Bepalingen betreffende de loopbaan, het salaris, de toelagen en vergoedingen en de sociale voordelen, en de verloven en afwezigheden TITEL 1. - Definities en toepassingsgebied Artikel 26 Dat artikel bevat alle definities die als leeswijzer dienst doen voor dit deel. Punt 1° en 2° behelzen een aanvulling met de bestuursorganen die in dit deel een rol spelen. Zie daarvoor ook artikel 1, 3° en 4°. De definities in punt 3° tot en met 8°,omschrijven de diverse personeelscategorieën al dan niet rekening houdend met het dienstverband : statutair personeelslid op proef en vast aangesteld personeelslid, contractueel personeelslid op proef en contractueel personeelslid. 'Het personeelslid' staat voor elk personeelslid dat onder dit besluit valt, ongeacht de aard van het dienstverband. De terminologie sluit overigens aan bij de hogere regelgeving, in casu het OCMW-decreet, dat in artikel 103 het personeel verdeelt in personeel in statutair dienstverband en personeel in contractueel dienstverband. Voor alle duidelijkheid worden hier ook telkens de personeelsgroepen aan toegevoegd waarop dit deel slaat. Die nadere bepaling vermijdt dat de indruk zou gewekt worden dat de regels die de raad met toepassing van dit besluit vaststelt, ook van toepassing zouden zijn op het OCMW-personeelslid in een betrekking die ook bestaat bij de gemeente. Voor dat personeel geldt immers van ambtswege de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. Zoals dat ook voor het gemeentepersoneel het geval is, worden de contractuele personeelsleden in dit besluit op gelijke voet behandeld met de statutaire personeelsleden, behalve voor de materies, vermeld in artikel 104, § 5, van het OCMW-decreet, die alleen gelden voor statutaire personeelsleden, en onder voorbehoud van enkele andere aangelegenheden in de rechtspositieregeling (bv. proeftijd, herplaatsing, ontslag) waarvoor de Vlaamse Regering wegens het primaat van het arbeidsrecht of het socialezekerheidsrecht geen normerende bevoegdheid heeft. De definities in punt 9° tot en met 13° stemmen overeen met de definities in artikel 2, 17° tot en met 21°, in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007. De commentaar in het Verslag aan de Vlaamse Regering bij dat besluit is dus dienstig voor het begrip van de definities in dit besluit. Artikel 27 Artikel 27 stelt het toepassingsgebied van deel 3 vast. Tenzij anders is bepaald, behelst het toepassingsgebied zowel het personeel vermeld in artikel 104, § 2, als het personeel vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet. De vermelding 'tenzij anders is bepaald' in paragraaf 1 van dat artikel slaat op een aantal regelingen in dit deel, die exclusief van toepassing zijn op het personeel vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet, te weten : - titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 9 (vaste aanstelling in statutair verband); - titel 2, hoofdstuk 3 (evaluatie tijdens de loopbaan); - titel 2, hoofdstuk 6 (administratieve anciënniteiten); - titel 3 (verlies hoedanigheid van statutair personeelslid en definitieve ambtsneerlegging); - titel 6 (verloven en afwezigheden). Daarnaast slaat die omschrijving ook op de artikelen 62 en 68 voor het personeel vermeld in artikel 104, § 1 van het OCMW-decreet. Voor de toelichting bij het personeel, vermeld in artikel 27, § 1, punt 1°, zie de commentaar bij artikel 2, § 1, 2°, van dit besluit. Artikel 27, § 1, punt 2° We herinneren aan de betekenis van 'voltallig'. Daarmee wordt ook het administratieve, technische of logistieke personeel en het onderhoudspersoneel bedoeld. Alle bepalingen in dit deel voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, zijn op het geheel van die personeelsgroep van toepassing. Anderzijds wordt in dit deel wel rekening gehouden met elementen van de rechtspositieregeling, zoals de toegang tot de gezondheidszorgberoepen of aspecten van het beloningsbeleid, die de federale overheid in koninklijke of ministeriële besluiten rechtstreeks heeft geregeld voor de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen. Daar waar dit deel een eigen invulruimte geeft aan de raad, kan de raad de regels uiteraard afstemmen op de specificiteit van de functies en diensten. Een voorbeeld daarvan zijn de procedures voor aanwerving en bevordering en de specifieke voorwaarden daarvoor in de hoofdstukken over de loopbaancyclus. Alle personeelsleden die tot de personeelsgroep van artikel 104, § 6, behoren, zijn echter onderworpen aan de verlofregeling voor die groep in titel 6. Artikel 27, § 1, tweede lid, bepaalt dat de secretaris en de financieel beheerder van het OCMW, tenzij anders bepaald, onder dezelfde rechtspositieregeling vallen als het specifieke personeel vermeld in artikel 104, § 2, van het OCMW-decreet. De motieven daarvoor werden uiteengezet in de algemene inleiding bij dit besluit. De passus 'tenzij anders is bepaald' betreft enkele specifieke regelingen : - de aanwervingsvoorwaarden voor de secretaris en de financieel beheerder; - de evaluatie van de secretaris en de financieel beheerder. Artikel 27, § 2, viseert een vijftal instellingen die beheerd worden door een OCMW, waaronder een gehandicapteninstelling en enkele instellingen in de bijzondere jeugdbijstand. De bepalingen van artikel 27, § 2, zijn gelijk aan die in artikel 1, derde lid, van het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007. Het personeel van de betrokken instellingen is OCMW-personeel en valt onder het toepassingsgebied van dit besluit, meer bepaald onder de regels die gelden voor het personeel, vermeld in artikel 104, § 6, van het OCMW-decreet. Er wordt alleen een specifieke clausule ingevoegd voor de soorten functies (die afwijken van het normale loopbaanstelsel) en voor de keuze van de salarisschalen van dit besluit, die moet aansluiten bij de subsidieregeling. Zie ook de toelichting bij artikel 1, derde lid, van het besluit rechtspositieregeling van 7 december 2007. Artikel 27, § 3, 1°, sluit het personeel van de ziekenhuizen in eigen beheer van het OCMW uit van dit deel betreffende de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel. Zie daarvoor ook de toelichting bij artikel 2, § 2, 1° van dit besluit. Artikel 27, § 3, 2°, laat er geen misverstand over bestaan dat cliënten die met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke OCMW-wet tijdelijk tewerkgesteld worden door het OCMW zelf of door het OCMW ter beschikking gesteld worden van een derde, niet onder het toepassingsgebied vallen van dit deel. De rechtspositieregeling van het OCMW-personeel is dus niet van toepassing op die OCMW-cliënten. Artikel 60 van de OCMW-wet betreft een federale bevoegdheid. De bepaling van artikel 27, § 3, 2°, sluit aan bij de vaste standpunten die ingenomen worden door de federale minister van Maatschappelijke Integratie, ondermeer in parlementaire vragen, en door de Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie. Dat standpunt komt samengevat op het volgende neer. Als het OCMW een werknemer aanwerft met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke OCMW- wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten0, met als doel de betrokkene in staat te stellen de noodzakelijke periode van tewerkstelling te bereiken nodig om het volledige voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te kunnen genieten, dan is de tewerkstelling in tijd beperkt. De periode van tewerkstelling mag niet langer zijn dan wat strikt noodzakelijk is voor de betrokkene om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen. Als het OCMW een werknemer aanwerft met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke OCMW- wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten0, met als doel de werkervaring van de betrokkene te vergroten dan is de tijdslimiet minder expliciet. Nochtans is het niet de bedoeling hier een onbeperkte dienstverlening in het leven te roepen. Dit blijkt uit de voorwaarden tot toekenning van de toelage waarop OCMW's aanspraak kunnen maken in dergelijke gevallen. De toelage wordt slechts uitgekeerd als de betrokkenen wordt aangeworven met een arbeidsovereenkomst waarvan de duur minstens één maand en maximum zes maanden bedraagt. Personen die door middel van artikel 60, § 7, van de OCMW-wet worden ingeschakeld, hetzij in het OCMW zelf, hetzij bij een van de partners, moeten in de juridische betekenis van het woord beschouwd worden als personeelsleden van het OCMW. Met andere woorden : het OCMW blijft de juridische werkgever ook als het personeelslid ter beschikking gesteld wordt van een derde. (Zie Vragen en Antwoorden, Kamer, 4de zitting van de 51ste zittingsperiode, dd 6 juni 2006). De OCMW-cliënten zijn personeelslid in de zin dat er tussen hen en het OCMW een arbeidsovereenkomst werd afgesloten conform de Arbeidsovereenkomsten wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten. Deze categorie van personeelsleden wordt echter niet opgenomen in de personeelsformatie van het OCMW en ook met betrekking tot de toepassing van de rechtspositieregeling moet zij niet beschouwd worden als OCMW-personeel. Het statuut van dergelijke werknemers is gebaseerd op het algemeen juridisch kader, zoals vastgesteld door de Arbeidsovereenkomstenwet en de Loonbeschermingswet. Dat heeft tot gevolg dat de loonbepaling tussen de werkgever en de werknemer vrij is (mits inachtneming van de algemene en sectorale minimumnormen) en dat de werknemers in overeenstemming met het geleverde werk vergoed moeten worden. Dat wil zeggen dat het OCMW niet noodzakelijk gehouden is aan dezelfde arbeids- en loonvoorwaarden die gelden voor het overige OCMW-personeel. De tewerkstelling van OCMW-cliënten is en blijft in essentie een vorm van maatschappelijke dienstverlening. De enige voorwaarden waaraan de betrokkenen moeten voldoen, is dat zij zonder OCMW-hulp niet in staat zouden zijn een menswaardig bestaan te leiden en dat hun tewerkstelling de meest aangewezen vorm van maatschappelijke dienstverlening is. TITEL 2. - Bepalingen betreffende de loopbaan HOOFDSTUK 1. - De procedures voor de vervulling van betrekkingen Artikel 28 en 29 stemmen overeen met artikel 8 en 9 in het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007. De commentaar in het Verslag aan de Vlaamse Regering bij die artikelen geldt ook voor de artikelen 28 en 29. De OCMW-raden zijn autonoom om te bepalen of ze de voorrang voor interne procedures in artikel 29 ook opnemen in de rechtspositieregeling van de personeelsgroepen die tot het toepassingsgebied van dit besluit horen. Ze zijn daarbij niet gebonden aan de keuze die de gemeenteraad daarover al dan niet heeft gemaakt in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. HOOFDSTUK 2. - De aanwerving Afdeling 1. - De algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden Artikel 30 Er is geen enkele reden om voor het OCMW-personeel af te wijken van de algemene toelatingsvoorwaarden die ook gelden voor het gemeentepersoneel, en die een afgeleide zijn van hogere wetgeving. Het betreft bepalingen over het passende gedrag, het genot van de burgerlijke en politieke rechten, de nationaliteitsvereiste en de medische geschiktheid. We verwijzen voor dat artikel verder naar de toelichting bij artikel 10 van het besluit rechtspositieregeling gemeentepersoneel van 7 december 2007. Artikel 30 legt wel het verband met een aantal dwingende regels die voor bepaalde functies in specifieke wetgeving, al dan niet van de subsidiërende overheid zijn vastgesteld in verband met het aantonen van het passende gedrag. Voorbeelden van dergelijke functies waarvoor een strikte regeling geldt, zijn die van begeleider in de kinderopvang en van verplegend, paramedisch en verzorgend personeel in de woon- en zorgcentra. Voor de toegang tot die functies moet een uittreksel uit het strafregister voorgelegd worden. De raden moeten die specifieke regels uiteraard naleven. De Raad van State stelt in het advies nr. 48.735/1 van 14 oktober vast dat dit besluit de OCMW-raden voor de nationaliteitsvereiste verplicht tot overname van de regels in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. Die gemeentelijke rechtspositieregeling « dient in overeenstemming te zijn met het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1967 pub. 24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom. 03/07/1967 pub. 23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten6, meer bepaald met artikel 10, eerste lid, 3°, dat een nationaliteitsvereiste bevat. Aldus wordt met het ontwerp, zij het op onrechtstreekse wijze, een nationaliteitsvereiste ingevoerd. » Die constatering is correct. De Raad van State herhaalt dat een regeling, waarbij voor de nationaliteitsvereiste een onderscheid wordt gemaakt naargelang van het dienstverband en waarbij de contractuele betrekkingen onttrokken worden aan het toepassingsgebied van de nationaliteitsvereiste in artikel 10 van de Grondwet, op zich niet in overeenstemming is met artikel 10 van de Grondwet. De Raad van State is van mening dat artikel 10 van de Grondwet op gelijke wijze geldt voor statutaire en contractuele betrekkingen. De analyse van de Raad van State houdt in dat contractuele betrekkingen evenmin als statutaire betrekkingen toegankelijk zijn voor niet EER-onderdanen. Een en ander betekent dat personen met bijvoorbeeld de Turkse nationaliteit die wettig in het land verblijven en een algemene toegang hebben tot de Belgische arbeidsmarkt, geen toegang zouden hebben tot een gesco-betrekking, noch tot een project, noch tot enige andere vorm van contractuele tewerkstelling. De visie van de Raad van State staat haaks op het beleid dat al sinds de jaren tachtig door de bevoegde hogere overheden gevoerd wordt en in opeenvolgende omzendbrieven aan de lokale besturen bekendgemaakt werd. De opvolging van dat advies zou dan ook een trendbreuk betekenen. Naar aanleiding van een mondelinge vraag in de Commissie voor Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Decreetsevaluatie, Inburgering en Toerisme van het Vlaamse Parlement op 5 januari 2010 benadrukte de minister van Bestuurszaken en Binnenlands Bestuur het volgende : « ...Er bestaat een al lang aanslepende discussie over de interpretatie van artikel 10 van de Grondwet. Het is dus niet zo dat er alleen maar ee