← België

Koninklijk besluit betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk bes

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit introduceert een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en wijzigt het bestaande zeevaartinspectiereglement. Het doel is om de veiligheid van vissersvaartuigen van 24 meter of langer te waarborgen, in lijn met Europese richtlijnen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst

23 OKTOBER 2001. - Koninklijk besluit betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen, inzonderheid op artikel 4, gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999, en op artikel 9; Gelet op de wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1979 pub. 24/06/2011 numac 2011000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de radioberichtgeving, inzonderheid op artikel 3, gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 1/91 van het Arbitragehof van 7 februari 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 20 juni 1977, 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 2 mei 1984, 7 mei 1984, 12 juni 1996, 20 januari 1997, 7 januari 1998, 13 juli 1998, 13 september 1998, 23 december 1998 en 3 mei 1999; Gelet op het koninklijk besluit van 9 december 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/12/1998 pub. 25/12/1998 numac 1998014331 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende uitvoering van richtlijn 97/70/EG van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt sluiten houdende uitvoering van Richtlijn 97/70/EG van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt; Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn; Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 1999/19/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 maart 1999 tot wijziging van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt, bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 31 mei 2000 aan de Richtlijn te voldoen; Overwegende dat, aangezien België zijn verplichtingen niet tijdig is nagekomen, de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 29 januari 2001 dienaangaande een gemotiveerd advies krachtens artikel 226 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap heeft uitgebracht; dat België zich onverwijld dient te conformeren aan dit advies door omzetting van de Richtlijn in nationaal recht om alsnog een veroordeling door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te voorkomen; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 31 augustus 2001 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat Richtlijn 97/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt omgezet wordt in nationaal recht door dit besluit; Overwegende dat Richtlijn 1999/19/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 maart 1999 tot wijziging van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt omgezet wordt in nationaal recht door dit besluit; Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en Onze Minister van Telecommunicatie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit en zijn bijlagen wordt verstaan onder: 1° « vissersvaartuig » of « vaartuig » : elk vaartuig dat is uitgerust of met commercieel oogmerk gebruikt wordt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;2° « nieuw vaartuig » : elk vissersvaartuig waarvoor :

  1. a)op of na 1 januari 1999 het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing wordt gegund, of
  2. b)het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund vóór 1 januari 1999 en dat drie jaar of meer na deze datum wordt opgeleverd, of
  3. c)bij gebreke van een bouwcontract, op of na 1 januari 1999 : - de kiel wordt gelegd, of - een aanvang wordt gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vaartuig, of - een aanvang wordt gemaakt met de samenbouw die ten minste vijftig ton of één procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is;3° « bestaand vaartuig » : een vissersvaartuig dat geen nieuw vaartuig is;4° « certificaat » : het in artikel 4 bedoelde certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt dat de overeenstemming met de eisen van dit besluit vaststelt;5° « lengte » : tenzij anders bepaald, zesennegentig procent van de totale lengte op een waterlijn op vijfentachtig procent van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is;bij vaartuigen die met stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt, evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen; 6° « dienst doen » : het vangen, of vangen en verwerken van vis of andere levende rijkdommen van de zee, onverminderd het recht op onschuldige doorvaart door de territoriale wateren en de vrijheid van scheepvaart in de tweehonderd mijls exclusieve economische zone;7° « erkende organisatie » : een organisatie die is erkend overeenkomstig artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 juli 1998Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 30/07/1998 pub. 28/08/1998 numac 1998014212 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Ministerieel besluit betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties sluiten betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties;8° « gemachtigde organisatie » : een erkende organisatie die is gemachtigd overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/08/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998014213 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de machtiging van erkende organisaties ter uitvoering van de reglementaire diensten die verbonden zijn aan de afgifte van certificaten aan de in België geregistreerde schepen sluiten betreffende de machtiging van erkende organisaties ter uitvoering van de reglementaire diensten die verbonden zijn aan de afgifte van certificaten aan de in België geregistreerde schepen;9° « lidstaat » : een lidstaat van de Europese Unie;10° « derde staat » : elke staat die geen lidstaat is;11° « de Minister » : de minister die de maritieme zaken en de scheepvaart in zijn bevoegdheid heeft;12° « Belgische zeewateren » : de territoriale zee, de havens van de kust, de Beneden-Zeeschelde, zoals de grenzen ervan door de Koning zijn vastgesteld, de haven van Gent, het Belgische gedeelte van het kanaal van Terneuzen naar Gent, en de daaraan gelegen havens, en de kanalen Zeebrugge-Brugge en Oostende-Brugge;13° « zeevaartinspectiereglement » : het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement;14° « de aangestelde ambtenaar » : de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is. Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing op nieuwe en, voor zover deze onder bijlage I vallen, op bestaande zeegaande vaartuigen waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt, en die onder Belgische vlag varen of dienst doen in de Belgische zeewateren, of hun vangst in een Belgische haven aanlanden. Dit besluit is niet van toepassing op pleziervaartuigen die niet-commerciële visserij beoefenen en op passagiersschepen. § 2. Nieuwe vaartuigen die onder Belgische vlag varen, moeten voldoen aan de bepalingen van dit besluit. De bepalingen van het zeevaartinspectiereglement zijn van toepassing voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van dit besluit. Bestaande vaartuigen die onder Belgische vlag varen, moeten voldoen aan de relevante bepalingen van dit besluit. De bepalingen van het zeevaartinspectiereglement zijn van toepassing voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van dit besluit. § 3. Nieuwe vaartuigen die onder de vlag van een derde staat varen, mogen niet in de Belgische zeewateren dienst doen of hun vangst in de Belgische havens aanlanden, tenzij de administratie van hun vlaggenstaat heeft verklaard dat zij voldoen aan de voorschriften van bijlage I en aan artikel 3. Bestaande vaartuigen die onder de vlag van een derde staat varen, mogen niet in de Belgische zeewateren dienst doen of hun vangst in de Belgische havens aanlanden, tenzij de administratie van hun vlaggenstaat heeft verklaard dat zij voldoen aan de relevante voorschriften van bijlage I en aan artikel 3, eerste lid. § 4. Scheepsuitrusting die in bijlage A.1 bij het koninklijk besluit van 23 december 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/12/1998 pub. 30/12/1998 numac 1998014329 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement type koninklijk besluit prom. 23/12/1998 pub. 31/12/1998 numac 1998022865 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1989 houdende nadere omschrijving van de fusie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen sluiten inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement is opgenomen en die aan de voorschriften van dat besluit voldoet, wordt, wanneer zij aan boord van een vissersvaartuig wordt geïnstalleerd om aan de voorschriften van dit besluit te voldoen, automatisch beschouwd als zijnde in overeenstemming met deze bepalingen, ongeacht of in deze bepalingen al dan niet is bepaald dat deze uitrusting moet worden beproefd en goedgekeurd. § 5. Dit besluit laat Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, omgezet in nationaal recht door het koninklijk besluit van 14 september 1992 houdende uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk en Richtlijn 93/103/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen, omgezet in nationaal recht door het koninklijk besluit van 13 juli 1998 houdende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, onverlet. Art. 3.De normen voor het ontwerp, de bouw en het onderhoud van de romp, de hoofdmachines en hulpwerktuigen, alsmede de elektrische en automatische systemen van een vissersvaartuig zijn de voorschriften die van kracht waren ten tijde van de bouw, als vastgesteld voor de classificatie door een erkende organisatie of gebruikt door een overheidsinstantie. Voor nieuwe vaartuigen moeten de voorschriften gebruikt door een overheidsinstantie voldoen aan de bepalingen van artikel 14, lid 2, van Richtlijn 94/57/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties. Art. 4.Voor vissersvaartuigen die onder Belgische vlag varen en aan de artikelen 2 en 3 voldoen, wordt overeenkomstig voorschrift 6, § 1 onder a), van hoofdstuk I van bijlage I een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt dat de overeenstemming met de eisen van dit besluit vaststelt afgegeven, vergezeld van een inventaris van uitrusting, of, indien van toepassing, een certificaat van vrijstelling. Het certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt, de inventaris van uitrusting en het certificaat van vrijstelling dienen te beantwoorden aan de modellen die zijn opgenomen in het aanhangsel van bijlage I. De certificaten worden afgegeven door de aangestelde ambtenaar of door een daartoe door België gemachtigde organisatie na een eerste onderzoek. Dat eerste onderzoek wordt uitgevoerd door de aangestelde ambtenaar of een daartoe door België gemachtigde organisatie of lidstaat. De geldigheidsduur van de in het eerste lid bedoelde certificaten mag de termijn die is vastgesteld in voorschrift 11 van hoofdstuk I van bijlage I niet overschrijden. Verlenging van het certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt, is mogelijk na een periodiek onderzoek overeenkomstig voorschrift 6 van hoofdstuk I van bijlage I. Art. 5.Vissersvaartuigen die dienst doen in de Belgische zeewateren of die hun vangst in de Belgische havens aanlanden en die niet onder Belgische vlag varen, zijn onderworpen aan controle door de met de scheepvaartcontrole belaste dienst, overeenkomstig de bepalingen van bijlage III en zonder onderscheid naar vlag of nationaliteit van de exploitant, om na te gaan of de vaartuigen aan dit besluit voldoen. Vissersvaartuigen die niet in de Belgische zeewateren dienst doen of die hun vangst niet in de Belgische havens aanlanden en die onder de vlag van een andere lidstaat varen, zijn in de Belgische havens onderworpen aan controle door de met de scheepvaartcontrole belaste dienst, overeenkomstig de bepalingen van bijlage III en zonder onderscheid naar vlag of nationaliteit van de exploitant, om na te gaan of de vaartuigen aan de voorschriften van dit besluit voldoen. Vissersvaartuigen die onder de vlag van een derde staat varen en niet dienst doen in de Belgische zeewateren, noch hun vangst in de Belgische havens aanlanden, zijn in de Belgische havens onderworpen aan controle door de met de scheepvaartcontrole belaste dienst, overeenkomstig de bepalingen van bijlage III, teneinde na te gaan of zij voldoen aan het Protocol van Torremolinos van 1993, met betrekking tot het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen van 1977, met inbegrip van de wijzigingen daarop, zodra dit in werking is getreden. Art. 6.Artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 december 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/12/1998 pub. 30/12/1998 numac 1998014329 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit inzake uitrusting van zeeschepen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement type koninklijk besluit prom. 23/12/1998 pub. 31/12/1998 numac 1998022865 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1989 houdende nadere omschrijving van de fusie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen sluiten, wordt aangevuld met een bepaling onder 4, luidend als volgt : « 4. Vissersvaartuigen waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt moeten voldoen aan de bepalingen van dit besluit voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement. » Art. 7.In artikel 18 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 1 wordt vervangen als volgt : « 1.Een passagiersschip op internationale reizen moet een certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschip aan boord hebben. Een vissersvaartuig met een lengte van minder dan vierentwintig meter moet een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig met een lengte van minder dan vierentwintig meter, aangevuld met een inventaris van uitrusting, aan boord hebben en ieder ander schip een certificaat van deugdelijkheid. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, geeft voor elk vissersvaartuig met een lengte van minder dan vierentwintig meter een inventaris van uitrusting af die dient te beantwoorden aan het model bedoeld in bijlage XXIV, II, 3bis. » 2° in de bepaling onder 2 worden de woorden « waarvan de lengte minder dan vierentwintig meter bedraagt » ingevoegd tussen de woorden « geen vissersvaartuig » en de woorden « noch vaartuig » en wordt de tekst aangevuld als volgt : «
  4. f)indien het een vissersvaartuig is waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt, een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, ongeacht het vaartuig al dan niet een internationale reis maakt.» Art. 8.Artikel 85 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 1981, wordt vervangen als volgt : « Art. 85.De bepalingen van bijlage XII zijn van toepassing op elk schip dat niet dient te voldoen aan hoofdstuk IX van bijlage I van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement of aan hoofdstuk IV van de Bijlage van het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1979. » Art. 9.Artikel 86 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 juli 1981, wordt opgeheven. Art. 10.Artikel 87 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 juni 1975, wordt opgeheven. Art. 11.Artikel 88 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 1981, wordt opgeheven. Art. 12.Artikel 90 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 10 juli 1981, 28 maart 1984 en 2 mei 1984, wordt vervangen als volgt : « Art. 90.Algemene voorschriften Elk schip moet uit het oogpunt van de veiligheid en de bescherming van het mariene milieu voldoende en efficiënt bemand zijn. Daartoe moeten : 1° schepen die geen vissersvaartuigen zijn bemand zijn overeenkomstig artikel 91;2° vissersvaartuigen bemand zijn overeenkomstig artikel 94;3° zeevarenden die dienst doen op een schip dat geen vissersvaartuig is, voldoen aan de minimumnormen inzake bekwaamheid bepaald in Richtlijn 98/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1998 tot wijziging van Richtlijn 94/58/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden;4° de functies aan boord van vissersvaartuigen uitgeoefend worden door houders van de brevetten, certificaten, getuigschriften of dienstbewijzen bedoeld in het koninklijk besluit van 12 juni 1996 betreffende de brevetten, certificaten, getuigschriften en dienstbewijzen die vereist zijn voor de zeevisserijvaart.» Art. 13.Artikel 91 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Art. 91.Minimumbemanning op schepen die geen vissersvaartuig zijn Vooraleer aan een schip dat geen vissersvaartuig is een certificaat van deugdelijkheid wordt afgegeven, stelt de eigenaar van het schip een bemanningsplan op dat hij ter goedkeuring voorlegt aan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is. Het bemanningsplan omvat een vermelding van het minimumaantal aan boord vereiste zeevarenden en een beschrijving van hun opleidingsvereisten, rekening houdend met het soort schip, het zeegebied en het doel waarvoor het schip wordt gebruikt. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, evalueert het bemanningsplan rekening houdend met de toepasselijke aanbevelingen van de Internationale Maritieme Organisatie en gaat na of de relevante wetgeving werd nageleefd. Indien de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is het bemanningsplan goedkeurt, geeft hij een document inzake de minimumbemanning af dat dient te beantwoorden aan het model dat opgenomen is in bijlage XXIV, IV, 1, indien voorschrift 13, b, van hoofdstuk V van de Bijlage van het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1979, van toepassing is en aan het model dat opgenomen is in bijlage XXIV, IV, 2, indien dit voorschrift niet van toepassing is. » Art. 14.Artikel 92 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 15.Artikel 93 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 16.Artikel 94 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 juni 1996, wordt aangevuld met een bepaling onder 9 : « 9. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, geeft voor elk vissersvaartuig een document inzake minimumbemanning af dat in overeenstemming is met de bepalingen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en dat dient te beantwoorden aan het model dat opgenomen is in bijlage XXIV, IV, 3. » Art. 17.In hetzelfde besluit wordt een artikel 116bis ingevoegd, luidende : « Art. 116bis.Bemanning De eigenaar van een schip dat geen vissersvaartuig is, ziet erop toe dat het minstens wordt bemand overeenkomstig het van toepassing zijnde document inzake de minimumbemanning bedoeld in artikel 91, vierde lid. De eigenaar van een vissersvaartuig ziet erop toe dat het minstens wordt bemand overeenkomstig het document inzake de minimumbemanning bedoeld in artikel 94, 9. De eigenaar van een schip ziet erop toe dat elk lid van de bemanning in het bezit is van een certificaat van lichamelijke geschiktheid als bedoeld in artikel 102. » Art. 18.Bijlage XII bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975 en 10 juli 1981, wordt vervangen overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij dit besluit. Art. 19.De artikelen 8 en 9 van bijlage XX bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 november 1978, worden vervangen overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij dit besluit. Art. 20.Bijlage XXIV bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 24 november 1978, 10 juli 1981 en 28 maart 1984 wordt gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij dit besluit. Art. 21.Het koninklijk besluit van 9 december 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/12/1998 pub. 25/12/1998 numac 1998014331 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende uitvoering van richtlijn 97/70/EG van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt sluiten houdende uitvoering van Richtlijn 97/70/EG van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt, wordt opgeheven. Art. 22.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 23.Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en Onze Minister van Telecommunicatie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 23 oktober 2001. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT De Minister van Telecommunicatie, R. DAEMS Bijlage I VOORSCHRIFTEN VOOR DE CONSTRUCTIE EN UITRUSTING VAN VISSERSVAARTUIGEN HOOFDSTUK I - Algemene voorzieningen Voorschrift 1 Toepassing De voorzieningen van deze bijlage zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op nieuwe vaartuigen waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt. Voorschrift 2 Omschrijvingen 1) Onder « nieuw vaartuig » wordt verstaan een vissersvaartuig waarvoor :
  5. a)op of na 1 januari 1999 het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund;of
  6. b)het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund vóór 1 januari 1999 en dat drie jaar of meer na deze datum wordt opgeleverd;of
  7. c)bij gebreke van een bouwcontract, op of na 1 januari 1999 : - de kiel is gelegd;of - een aanvang is gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vaartuig; of - een aanvang is gemaakt met de samenbouw die ten minste vijftig ton of één procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is. 2) Onder « bestaand vaartuig » wordt verstaan een vissersvaartuig dat geen nieuw vaartuig is.3) « Goedgekeurd » betekent goedgekeurd door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, hierna genoemd « de aangestelde ambtenaar ».4) Onder « bemanning » wordt verstaan de schipper en alle personen die, in welke hoedanigheid dan ook, dienstdoen of te werk gesteld zijn aan boord van een vaartuig ten behoeve van de exploitatie van dat vaartuig.5) « Lengte », tenzij anders bepaald, 96 procent van de totale lengte op een waterlijn op 85 procent van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is;bij vaartuigen die met stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt, evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen. 6) « De voorloodlijn en de achterloodlijn » worden gerekend aan het voor- en achtereinde van de lengte (L).De voorloodlijn moet samenvallen met de voorzijde van de voorsteven op de waterlijn waarop de lengte gemeten wordt. 7) « De breedte van het vaartuig (B) » is de grootste breedte van het vaartuig, midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een vaartuig met een metalen huid en op de buitenkant van de romp bij een vaartuig met een huid van een ander materiaal.8)
  8. a)« De holte naar de mal » is de verticale afstand, gemeten vanaf de kiellijn tot de bovenkant van de balken van het werkdek in de zijde.
  9. b)Bij vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, wordt de holte naar de mal gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte onderzijde van de dekbeplating en de binnenzijde van de huidbeplating.
  10. c)Waar het werkdek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte naar de mal moet worden vastgesteld, wordt de holte naar de mal gemeten tot een referentielijn die vanaf het lage gedeelte van het dek evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt getrokken.9) « De holte (D) » is de holte naar de mal midscheeps gemeten.10) « De hoogst gelegen lastlijn » is de lastlijn die betrekking heeft op de maximaal toegestane diepgang tijdens de reis.11) « Midscheeps » is gelegen op het midden van de lengte (L).12) « Grootspant » is de doorsnede van de romp die bepaald wordt door de snijding van het oppervlak van de romp naar de mal met een verticaal vlak dat midscheeps loodrecht staat op het vlak van de waterlijn en het vlak door kiel en stevens.13) « De kiellijn » is de lijn die evenwijdig loopt aan de schuinte van de kiel, en die midscheeps gaat door :
  11. a)de bovenkant van de kiel of de aansnijding van de binnenzijde van de huidbeplating met de kiel in gevallen waarin een stafkiel boven die lijn uitsteekt bij een vaartuig met een metalen huid;of
  12. b)de onderkant van de kielsponning van een houten vaartuig of van een composietvaartuig;of
  13. c)het snijpunt van de passend verlaagde lijnen van de buitenomtrek van de romp ter hoogte van de bodem met de hartlijn van een vaartuig met een huid van een ander materiaal dan hout of metaal.14) « De basislijn » is de horizontale lijn die de kiellijn midscheeps snijdt.15) « Het werkdek » is in het algemeen het laagste doorlopende dek boven de hoogst gelegen lastlijn, van waaraf de visserij plaatsvindt. Bij vaartuigen die zijn voorzien van twee of meer doorlopende dekken, kan de aangestelde ambtenaar een lager dek als werkdek aanvaarden, mits dit dek boven de hoogst gelegen lastlijn ligt. 16) « De bovenbouw » is de overdekte constructie op het werkdek, die zich van boord tot boord uitstrekt of waarvan de zijbeplating zich op een kleinere afstand dan 4 procent van de breedte (B) vanaf de huid naar binnen bevindt.17) « Gesloten bovenbouw » is een bovenbouw met :
  14. a)eindschotten van deugdelijke constructie;
  15. b)eventuele toegangsopeningen in de schotten voorzien van vast aangebrachte deuren die dicht zijn tegen weer en wind en van gelijke sterkte zijn als de aangrenzende constructie die niet doorboord is en die aan beide zijden kunnen worden geopend en gesloten;en
  16. c)andere openingen in de zijden of eindschotten van de bovenbouw voorzien van deugdelijke middelen tot afsluiting die dicht zijn tegen weer en wind. Een brug of kampanje wordt niet beschouwd als gesloten, tenzij de bemanning de machinekamer, en andere, in deze bovenbouw gelegen ruimten waar gewerkt wordt, kan bereiken via toegangswegen die te allen tijde, wanneer de openingen in de schotten zijn gesloten, ter beschikking moeten zijn. 18) « Het bovenbouwdek » is dat doorlopende dek of dekgedeelte dat de bovenkant van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw vormt en dat ten minste 1,8 meter boven het werkdek 1igt.In gevallen waarin de hoogte minder is dan 1,8 meter wordt de bovenkant van zodanige dekhuizen of andere zodanige opbouw gelijkgesteld met het werkdek. 19) « De hoogte van een bovenbouw of andere opbouw » is de kleinste verticale afstand gemeten in de zijde vanaf de bovenkant van de balken van het dek van een bovenbouw of een opbouw tot aan de bovenkant van de balken van het werkdek.20) « Dicht tegen weer en wind » betekent dat er onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen, geen water het vaartuig binnendringt.21) « Waterdicht » betekent dat de doorgang van water door de constructie in enige richting kan worden voorkomen bij een waterdruk waartegen de omgevende constructie volgens het ontwerp bestand is.22) « Aanvaringsschot » is een waterdicht schot dat tot het werkdek in het voorste deel van het vaartuig doorloopt en dat aan de volgende voorwaarden voldoet :
  17. a)Het schot moet zodanig zijn geplaatst, dat de afstand tot de voorloodlijn :
  18. i)niet kleiner is dan 0,05 L en niet groter is dan 0,08 L bij vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer.
  19. ii)niet kleiner is dan 0,05 L en niet groter is dan 0,05 L + 1,35 meter, bij vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter, behoudens uitzonderingen toegestaan door de aangestelde ambtenaar. iii) in geen geval kleiner is dan 2 meter.
  20. b)Ingeval enig deel van het onderwatergedeelte van het vaartuig zich uitstrekt tot voor de voorloodlijn, b.v. een bulbsteven, moet de afstand zoals bepaald is onder lid
  21. a)worden gemeten vanaf een punt halverwege het deel dat zich voor de voorloodlijn uitstrekt of vanaf een punt dat 0,015 L voor de voorloodlijn ligt, al naar gelang welke afstand kleiner is.
  22. c)Het schot mag voorzien zijn van trapsgewijze sprongen en nissen, mits deze binnen de beperkingen vallen zoals in lid
  23. a)voorgeschreven. Voorschrift 3 Vrijstellingen 1) Elk vaartuig met nieuwe kenmerken kan door de aangestelde ambtenaar worden vrijgesteld van die vereisten van de hoofdstukken II, III, IV, V, VI en VII, waarvan de toepassing het onderzoek naar de ontwikkeling van zulke kenmerken en de verwerking daarvan in vaartuigen op ernstige wijze zou kunnen belemmeren.Een dusdanig vaartuig dient evenwel te voldoen aan de veiligheidsvoorschriften, die naar het oordeel van de aangestelde ambtenaar, voldoende zijn voor de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en die zodanig zijn dat zij de algemene veiligheid van het vaartuig waarborgen. 2) Vrijstellingen van de vereisten van hoofdstuk IX worden behandeld in voorschrift IX/3 en vrijstellingen van hoofdstuk X worden behandeld in voorschrift X/ 2.3) Niet van toepassing 4) Niet van toepassing Voorschrift 4 Gelijkwaardige voorzieningen Niet van toepassing Voorschrift 5 Herstellingen, veranderingen en wijzigingen 1) Een vaartuig dat herstellingen, veranderingen of wijzigingen ondergaat, alsmede de daarmee verband houdende uitrustingen, moet blijven voldoen aan de bepalingen die voordien voor dat vaartuig golden.2) Herstellingen, veranderingen of wijzigingen van ingrijpende aard, alsmede de daarmede verband houdende uitrustingen, moeten voldoen aan de eisen voor een nieuw vaartuig voor zover de aangestelde ambtenaar zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar acht. Voorschrift 6 Onderzoeken 1) Elk vaartuig moet de onderstaande onderzoeken ondergaan :
  24. a)Een eerste onderzoek voordat het vaartuig in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist krachtens voorschrift 7 voor de eerste maal wordt afgegeven, dat een volledig onderzoek moet omvatten van de constructie, de stabiliteit, de machine-installaties, de algemene inrichting en het materiaal, met inbegrip van de buitenzijde van de romp van het vaartuig en het in- en uitwendige van de ketels en uitrusting in zoverre het vaartuig valt onder de bepalingen van deze bijlage.Dit onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de algemene inrichting, het materiaal en de verbanddelen van de romp, ketels en andere drukvaten met toebehoren, hoofd- en hulpwerktuigen, elektrische installaties, radio-installaties inbegrepen deze gebruikt in de reddingsmiddelen, beschermings- en beveiligingssystemen tegen brand, brandblusapparaten, reddingsmiddelen en -voorzieningen, navigatieapparaten, nautische publicaties en andere uitrusting, ten volle voldoen aan de voorschriften van deze bijlage. Het onderzoek moet ook zodanig zijn, dat gewaarborgd wordt dat de technische uitvoering van alle delen van het vaartuig en zijn uitrusting in alle opzichten bevredigend is en dat het vaartuig is voorzien van de lichten, middelen voor het geven van geluidsseinen en noodseinen zoals vereist door deze bijlage en de geldende Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee. In het geval inrichtingen voor het aan boord brengen van loodsen worden meegevoerd, moeten deze eveneens onderzocht worden teneinde zeker te stellen dat zij veilig werken en voldoen aan de desbetreffende bepalingen van het geldend Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee.
  25. b)Periodieke onderzoeken met onderstaande tussenpauzen :
  26. i)vier jaar waar het de constructie, inbegrepen de buitenzijden van de romp, en machine-installaties van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken II, III, IV, V en VI.De periode kan echter met een jaar worden verlengd, zoals bepaald in voorschrift 11, 1), onder voorwaarde dat het vaartuig inwendig of uitwendig aan een onderzoek wordt onderworpen, in zoverre zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar is;
  27. ii)twee jaar waar het de uitrusting van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken II, III, IV, V, VI, VII en X; en iii) een jaar waar het de radio-installaties, inbegrepen die gebruikt in de reddingsmiddelen, en de radiorichtingzoeker van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken VII, IX en X. De periodieke onderzoeken moeten zodanig zijn, dat gewaarborgd wordt dat de betrokken onderdelen, bedoeld in lid
  28. a)ten volle voldoen aan de toepasselijke voorschriften van deze bijlage, dat de uitrusting goed functioneert en dat de gegevens betreffende de stabiliteit aan boord onmiddellijk beschikbaar zijn. In het geval de geldigheidsduur van het certificaat dat krachtens voorschrift 7 of 8 is afgegeven, wordt verlengd op grond van voorschrift 11, 2) of 4), kan de tussenpauze van de onderzoeken overeenkomstig worden verlengd.
  29. c)Naast het periodiek onderzoek vereist volgens lid b), i), tussentijdse onderzoeken met betrekking tot de constructie en de machine-installaties van het vaartuig, verricht met inachtneming van door de aangestelde ambtenaar vastgestelde tussenpauzen.Het onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat er geen wijzigingen die de veiligheid van het vaartuig of zijn bemanning nadelig zouden beïnvloeden, worden uitgevoerd.
  30. d)Periodieke onderzoeken, zoals bepaald in leden b),
  31. ii)en b), iii), en tussentijdse onderzoeken, zoals bepaald in lid c), worden aangetekend op het certificaat voorzien in voorschrift 7 of 8.2)
  32. a)De certificaten worden afgegeven door de aangestelde ambtenaar of door een daartoe door België gemachtigde organisatie na een eerste onderzoek.Dat eerste onderzoek wordt uitgevoerd door de aangestelde ambtenaar of een daartoe door België gemachtigde organisatie of lidstaat.
  33. b)De machtigingen bedoeld in lid a), moeten ten minste machtigen om :
  34. i)herstellingen aan een vaartuig te kunnen eisen;
  35. ii)onderzoeken en inspecties uit te voeren die door de bevoegde overheid van de havenstaat worden gevraagd.
  36. c)Wanneer een gemachtigde organisatie of een gemachtigde lidstaat vaststelt dat de toestand van het vaartuig of van zijn uitrusting wezenlijk afwijkt van de gegevens op het certificaat, of zodanig is dat het vaartuig niet in staat is om in zee te gaan zonder gevaar voor het vaartuig of voor de opvarenden, dan moet die organisatie of die lidstaat er onmiddellijk voor zorgen dat aan die toestand wordt verholpen, en zij moeten te gepasten tijde de aangestelde ambtenaar op de hoogte brengen.Indien er niet wordt verholpen aan die toestand moet het relevante certificaat worden ingetrokken en moet de aangestelde ambtenaar daarover onverwijld worden ingelicht; en, als het vaartuig zich in een vreemde haven bevindt, moeten tevens de bevoegde autoriteiten van de havenstaat worden verwittigd. Wanneer met betrekking tot een vaartuig dat onder de vlag vaart van een lidstaat en dat zich in een Belgische haven bevindt, de aangestelde ambtenaar zo wordt verwittigd door een gemachtigde organisatie of een gemachtigde lidstaat, dan zal hij hun alle nodige bijstand verlenen opdat ze hun verplichtingen overeenkomstig dit voorschrift kunnen nakomen. Wanneer het nodig is zal de aangestelde ambtenaar ervoor zorgen dat het vaartuig niet afvaart totdat het naar zee kan, of de haven kan verlaten om naar een geschikte herstelwerf te varen, zonder gevaar voor het vaartuig of zijn opvarenden. 3)
  37. a)De staat van het vaartuig en zijn uitrusting zal worden onderhouden conform de voorschriften van deze bijlage om te verzekeren dat het in alle opzichten geschikt zal blijven om zee te kiezen zonder gevaar voor het vaartuig en de personen aan boord.
  38. b)Nadat een onderzoek van het vaartuig krachtens dit voorschrift is voltooid, mag geen wijziging worden aangebracht aan de constructie, de machine-installaties, de uitrusting of enig ander onderdeel gedekt door het onderzoek, zonder goedkeuring van de aangestelde ambtenaar.
  39. c)Wanneer er zich een ongeval voordoet met het vaartuig of een defect wordt ontdekt, dat de veiligheid van het vaartuig of de volledigheid of de goede werking van de reddingsmiddelen of van de andere uitrusting in het gedrang brengt, moet de schipper of de eigenaar dit bij de eerste gelegenheid melden aan de aangestelde ambtenaar, of aan de gemachtigde organisatie of lidstaat verantwoordelijk voor de afgifte van het betrokken certificaat, dewelke zullen laten nagaan of een onderzoek zoals bepaald in dit voorschrift noodzakelijk is. Wanneer het vaartuig in een vreemde haven ligt zal de schipper of de eigenaar dit ook onmiddellijk melden aan de bevoegde autoriteit van de havenstaat en de gemachtigde organisatie of de gemachtigde lidstaat zullen erop toezien dat zulke melding gebeurt. Voorschrift 7 Afgifte van en aantekeningen in certificaten 1)
  40. a)Een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt wordt, nadat een onderzoek heeft plaatsgevonden, afgegeven aan een vaartuig dat voldoet aan de toepasselijke bepalingen van dit besluit.
  41. b)Wanneer een vrijstelling wordt verleend ten behoeve van een vaartuig op grond van en in overeenstemming met de bepalingen van deze bijlage, moet een certificaat van vrijstelling voor vissersvaartuigen worden afgegeven naast het in lid
  42. a)voorgeschreven certificaat.2) Het certificaat, bedoeld in § 1) wordt afgegeven of aangevuld met aantekeningen door de aangestelde ambtenaar, een gemachtigde organisatie of een gemachtigde lidstaat. Voorschrift 8 Afgifte van en aantekeningen in certificaten op verzoek van een andere lidstaat 1) Op verzoek van een andere lidstaat mag de aangestelde ambtenaar een vaartuig laten onderzoeken;als hij oordeelt dat de voorschriften van deze bijlage nageleefd worden, moet hij aan het vaartuig certificaten afgeven of de afgifte ervan toelaten en, in voorkomend geval, aantekeningen maken of machtigen tot het maken van aantekeningen in de certificaten waarover het vaartuig beschikt, overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage. 2) Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het verslag van het onderzoek moeten zo spoedig mogelijk aan de lidstaat die het verzoek indiende, afgegeven worden.3) Een aldus afgegeven certificaat moet een verklaring bevatten waaruit blijkt dat het op verzoek van de andere lidstaat afgegeven werd;dit certificaat heeft dezelfde waarde en wordt tegen dezelfde voorwaarden aanvaard als een certificaat dat overeenkomstig voorschrift 7 afgegeven werd. Voorschrift 9 Model van certificaten en van inventaris van uitrusting De certificaten en de inventaris van uitrusting moeten worden opgesteld in de vorm die overeenkomt met het model, zoals opgenomen in het aanhangsel. Indien de gebruikte taal noch de Engelse, noch de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in één van deze talen bevatten, tenzij de aangestelde ambtenaar dit onnodig acht, gezien het werkgebied van het vaartuig. Voorschrift 10 Beschikbaarheid van certificaten Alle op grond van voorschrift 7 of 8 afgegeven certificaten moeten te allen tijde onmiddellijk beschikbaar zijn aan boord. Voorschrift 11 Looptijd en geldigheid van certificaten 1) Een certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt wordt voor een tijdsduur van niet langer dan vier jaar afgegeven en wordt niet langer verlengd dan voor één jaar, afhankelijk van de periodieke en tussentijdse onderzoeken zoals voorgeschreven in voorschrift 6, 1),
  43. b)en
  44. c)behalve in de gevallen bepaald in §§ 2), 3) en 4).Een certificaat van vrijstelling voor vissersvaartuigen heeft een geldigheidsduur die niet langer mag zijn dan die van het certificaat van deugdelijkheid voor vissersvaartuig waarvan de lengte vierentwintig meter of meer bedraagt. 2) Indien een vaartuig ten tijde van het aflopen of ophouden van de geldigheidsduur van zijn certificaat zich niet bevindt in een Belgische haven, mag de geldigheidsduur van het certificaat door de aangestelde ambtenaar worden verlengd, doch een dergelijke verlenging mag slechts worden verleend om het vaartuig in staat te stellen zijn reis naar een Belgische haven of naar een haven waar het aan een onderzoek zal worden onderworpen, te voltooien en dan nog alleen in gevallen, waarin het gepast en redelijk voorkomt dit te doen.3) De geldigheidsduur van een certificaat mag op deze wijze ten hoogste voor vijf maanden worden verlengd.Een vaartuig, dat zulke verlenging heeft bekomen, is niet gerechtigd na aankomst in een Belgische haven of de haven waar het aan een onderzoek wordt onderworpen, krachtens een dergelijke verlenging deze haven te verlaten zonder een nieuw certificaat te hebben verkregen. 4) Wanneer de geldigheidsduur van een certificaat ingevolge de bepalingen van § 2) niet is verlengd, mag de geldigheidsduur door de aangestelde ambtenaar worden verlengd voor een tijdsduur van hoogstens één maand, aanvangende op de op het certificaat vermelde vervaldatum.5) Een certificaat afgegeven krachtens voorschrift 7 of 8 verliest zijn geldigheid in elk van de volgende gevallen :
  45. a)indien de toepasselijke onderzoeken niet zijn uitgevoerd binnen de periodes bepaald in voorschrift 6;
  46. b)indien de aantekeningen bepaald bij deze voorschriften niet zijn gemaakt op het certificaat;
  47. a)op het ogenblik dat een vaartuig onder een andere vlag gaat varen. Een nieuw certificaat zal worden afgegeven door de nieuwe vlaggenstaat nadat deze zich ervan heeft vergewist dat het vaartuig voldoet aan de voorwaarden van voorschrift 6, 3),
  48. a)en b). In het geval naar een vlag van een andere staat wordt overgegaan, en indien die vlaggenstaat binnen drie maanden na het overgaan zulks vraagt, moet de aangestelde ambtenaar zo spoedig mogelijk aan die andere vlaggenstaat afschriften van de certificaten die het vaartuig vóór de overdracht aan boord had, doen toekomen alsmede afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten, indien deze beschikbaar zijn. HOOFDSTUK II - Constructie, waterdichtheid en uitrusting Voorschrift 1 Constructie 1) De sterkte en constructie van de romp, bovenbouwen en dekhuizen, schachten van machinekamers, toegangskappen en elke andere constructie en scheepsuitrusting moeten alle voldoende bestand zijn tegen omstandigheden die zich kunnen voordoen tijdens de werkzaamheden waarvoor het vaartuig bestemd is en moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn.2) De romp van vaartuigen bestemd om in ijs dienst te doen, moet versterkt worden overeenkomstig de te verwachten bedrijfsomstandigheden en het werkgebied.3) Schotten, sluitmiddelen en afsluitingen van openingen in deze schotten, evenals methoden om deze te beproeven, moeten voldoen aan de eisen die door de aangestelde ambtenaar worden gesteld.Vaartuigen vervaardigd van ander materiaal dan hout, moeten voorzien zijn van een aanvaringsschot en ten minste van waterdichte schotten die de ruimte voor machines omsluiten. Deze schotten moeten worden opgetrokken tot aan het werkdek. Zodanige schotten, die zover zulks praktisch uitvoerbaar is, waterdicht moeten zijn, moeten tevens zijn aangebracht in houten schepen. 4) Pijpen die het aanvaringsschot doorboren, moeten voorzien zijn van geschikte afsluiters, die boven het werkdek kunnen worden bediend en de kleppenkast moet tegen het aanvaringsschot in de voorpiek zijn bevestigd.Geen deur, mangat, ventilatiekoker of andere opening mag in het aanvaringsschot onder het werkdek zijn aangebracht. 5) Ingeval een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, moet het aanvaringsschot doorlopen tot het dek boven het werkdek en aldaar dicht zijn tegen weer en wind.Deze voortzetting van het aanvaringsschot behoeft niet onmiddellijk boven het er onder geplaatste schot te worden aangebracht, mits zij binnen de in voorschrift I/2, 22), gegeven afstanden wordt geplaatst en het gedeelte van het dek, dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en wind. 6) Het aantal openingen in het aanvaringsschot boven het werkdek moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de bestemming en de normale werkzaamheden van het vaartuig.Zulke openingen moeten tegen weer en wind kunnen worden afgesloten. 7) In vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moet voor zover dit uitvoerbaar is tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot een waterdichte dubbele bodem zijn aangebracht. Voorschrift 2 Waterdichte deuren 1) Het aantal openingen in waterdichte schotten, zoals deze vereist zijn ingevolge voorschrift 1, 3), moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de algehele inrichting en de noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden op het vaartuig; openingen moeten zijn voorzien van waterdichte sluitmiddelen, zulks ten genoegen van de aangestelde ambtenaar. Waterdichte deuren moeten van gelijke sterkte zijn als de aangrenzende constructie die niet is doorboord. 2) In vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kunnen zulke deuren van het type draaideuren zijn, die ter plaatse aan beide kanten van de deur moeten kunnen worden geopend en gesloten en die gewoonlijk onder normale omstandigheden op zee gesloten moeten blijven.Aan beide kanten van de deur moet een aanduiding zijn bevestigd dat de deur op zee gesloten moet blijven. 3) In vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten waterdichte deuren van het type schuifdeuren zijn in :
  49. a)ruimten, waar deze deuren op zee geopend moeten kunnen worden en hun drempels onder de hoogst gelegen lastlijn liggen, tenzij de aangestelde ambtenaar van oordeel is dat zulks praktisch onuitvoerbaar is of niet noodzakelijk is, daarbij het type en de bestemming van de vaartuigen in aanmerking nemend;en
  50. b)het lagere gedeelte van een ruimte voor machines, van waaruit een schroefastunnel kan worden bereikt. In alle andere gevallen kunnen waterdichte deuren van het type draaideuren zijn. 4) Waterdichte schuifdeuren moeten geopend en gesloten kunnen worden wanneer het vaartuig een helling heeft van 15 graden over welke zijde ook.5) Ongeacht of waterdichte schuifdeuren met de hand of anderszins worden geopend en gesloten, moeten deze ter plaatse aan beide zijden van de deur geopend en gesloten kunnen worden;in vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt moeten deze deuren tevens door middel van afstandsbediening geopend en gesloten kunnen worden vanaf een bereikbare plaats boven het werkdek, behalve wanneer de deuren zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie voor de bemanning. 6) Op plaatsen van waaruit afstandsbediening plaatsvindt, moet een inrichting aanwezig zijn, die aangeeft of een schuifdeur geopend of gesloten is. Voorschrift 3 Waterdichtheid van de romp 1) Openingen waardoor water het vaartuig kan binnendringen, moeten zo kunnen worden afgesloten dat geen water het vaartuig kan binnendringen.Dekopeningen die tijdens de visvangst geopend kunnen zijn, moeten ter plaatse van de hartlijn van het vaartuig zijn aangebracht. De aangestelde ambtenaar kan echter afwijkende voorzieningen goedkeuren, indien hij ervan overtuigd is dat daardoor de veiligheid van het vaartuig niet vermindert. 2) Luiken boven visstortopeningen op hektreilers moeten mechanisch worden aangedreven en vanaf een plaats die een vrij uitzicht biedt op de werking van deze luiken kunnen worden bediend. Voorschrift 4 Deuren dicht tegen weer en wind 1) Alle toegangsopeningen in schotten van gesloten bovenbouwen en andere uitwendige constructies waardoor, met gevaar voor het vaartuig, water zou kunnen binnendringen, moeten zijn voorzien van deuren, die blijvend aan het schot zijn bevestigd en zodanig zijn ingeraamd en verstijfd dat het gehele samenstel even sterk is als de intacte constructie en moeten in gesloten toestand dicht zijn tegen weer en wind.De middelen om deze deuren tegen weer en wind dicht te maken, moeten bestaan uit pakkingen, knevels of andere gelijkwaardige middelen en moeten blijvend aan het schot of aan de deuren zelf zijn bevestigd en zodanig zijn ingericht dat zij aan elke zijde van het schot kunnen worden bediend. De aangestelde ambtenaar mag alleen voor koelruimten toelaten, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van de bemanning, dat zulke deuren slechts aan één zijde kunnen worden bediend, vooropgesteld dat een geschikt alarm is voorzien om te voorkomen dat personen opgesloten blijven in die ruimten. 2) De hoogte boven het dek van drempels in deze deuropeningen, in gangboorden, opbouwen en schachten van machinekamers, die rechtstreeks toegang geven tot gedeelten van het blootgestelde dek, moet ten minste 600 millimeter op het werkdek en ten minste 300 millimeter op het bovenbouwdek bedragen.Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen en na goedkeuring van de aangestelde ambtenaar, mag deze hoogte worden verlaagd tot ten hoogste respectievelijk 380 millimeter en 150 millimeter, met uitzondering van de hoogte van de deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot de ruimten voor machines. Voorschrift 5 Luikopeningen gesloten door middel van houten luiken 1) De hoogte boven het dek van luikhoofden moet op blootgestelde gedeelten van het werkdek ten minste 600 millimeter en op het bovenbouwdek ten minste 300 millimeter bedragen.2) Met betrekking tot de dikte na afwerking van houten luiken voor luikopeningen moet rekening worden gehouden met slijtage ten gevolge van ruw gebruik.In elk geval moet de dikte na afwerking van deze luiken per 100 millimeter ongesteunde lengte ten minste 4 millimeter bedragen met een minimum van 40 millimeter en moet de breedte van hun draagvlak ten minste 65 millimeter bedragen. 3) Voorzieningen waarmee de houten luiken voor luikopeningen dicht tegen weer en wind kunnen worden vastgezet, moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn aangebracht. Voorschrift 6 Luikopeningen gesloten door luiken van een ander materiaal dan hout 1) De hoogte boven het dek van luikhoofden moet dezelfde zijn als die, welke in voorschrift 5, 1) is vastgesteld.Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen en na goedkeuring van de aangestelde ambtenaar, mag de hoogte van de luikhoofden worden verlaagd of mogen de luikhoofden geheel worden weggelaten, mits daardoor de veiligheid van de vaartuigen niet vermindert. In dat geval moeten de luikopeningen zo klein als praktisch uitvoerbaar is, worden gehouden en moeten de luiken blijvend zijn bevestigd door middel van scharnieren of gelijkwaardige middelen en snel gesloten en geborgd kunnen worden, of middels even effectieve voorzieningen ten genoegen van de aangestelde ambtenaar. 2) Voor de berekening van de sterkte moet worden aangenomen, dat luiken voor luikopeningen zijn onderworpen aan het gewicht van de lading die daarop wordt vervoerd of aan de hierna vermelde statische belasting, al naar gelang welke waarde groter is :
  51. a)10,0 kilonewton/vierkante meter voor vaartuigen, waarvan de lengte 24 meter bedraagt;
  52. b)17,0 kilonewton/vierkante meter voor vaartuigen, waarvan de lengte 100 meter of meer bedraagt. Voor tussenliggende waarden van de lengte moeten de waarden voor de belasting door lineaire interpolatie worden vastgesteld. De aangestelde ambtenaar kan toestaan dat de belastingen tot maximaal 75 procent van bovenvermelde waarden worden verlaagd, indien het luiken van luikopeningen betreft, die zich op het bovenbouwdek bevinden achter een punt, dat op 0,25 L vanaf de voorloodlijn ligt. 3) Wanneer luiken van staal zijn vervaardigd, mag de overeenkomstig § 2) berekende grootste trekspanning vermenigvuldigd met de factor 4,25 niet groter zijn dan de minimumtreksterkte van het materiaal.Bij de aangenomen belastingen mogen de doorbuigingen niet meer bedragen dan 0,0028 maal de overspanning. 4) Luiken van een ander materiaal dan staal moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan de sterkte van stalen luiken en hun constructie moet van zodanige stijfheid zijn, dat de dichtheid tegen weer en wind onder de belastingen zoals deze zijn vastgesteld in § 2), is verzekerd.5) Luiken moeten voorzien zijn van knevels en pakkingen, of andere, ten genoegen van de aangestelde ambtenaar gelijkwaardige voorzieningen, teneinde voldoende zeker te stellen dat de luiken dicht tegen weer en wind zijn. Voorschrift 7 Openingen boven de ruimte voor machines 1) Openingen boven ruimten voor machines moeten rondom versterkt en omsloten zijn door schachten van een sterkte gelijkwaardig aan de aangrenzende bovenbouw.De toegangsopeningen aan de buitenzijde daarin moeten zijn voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van voorschrift 4. 2) Openingen, andere dan toegangsopeningen, moeten zijn voorzien van deksels met een sterkte die gelijkwaardig is aan de intacte bovenbouw en moeten blijvend daaraan zijn bevestigd en dicht tegen weer en wind kunnen worden gesloten. Voorschrift 8 Andere openingen in het dek 1) Wanneer zulks voor de visserijwerkzaamheden van belang is, mogen in het dek verzonken stortranden van het schroef- of bajonettype of een soortgelijk type en mangaten worden aangebracht, mits deze waterdicht gesloten kunnen worden;zodanige voorzieningen moeten blijvend bevestigd zijn aan de aangrenzende constructie. Met inachtneming van afmetingen en plaats van de openingen alsmede de uitvoering van de sluitmiddelen, mogen metaal op metaal afsluitingen zijn aangebracht, indien deze ten genoegen van de aangestelde ambtenaar afdoende waterdicht zijn. 2) Openingen die geen luikhoofden, geen openingen boven de ruimte voor machines, geen mangaten of verzonken stortranden in het werk- of bovenbouwdek zijn, moeten worden beschermd door gesloten constructies, voorzien van deuren die dicht zijn tegen weer en wind of daaraan gelijkwaardige afsluitingen.Toegangskappen moeten zo dicht als praktisch uitvoerbaar is ter hoogte van het vlak van kiel en stevens van het vaartuig geplaatst zijn. Voorschrift 9 Luchtkokers 1) Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten de luchtkokerpotten, die geen luchtkokerpotten van de ruimte voor machines zijn, een hoogte van ten minste 900 millimeter boven het werkdek en ten minste 760 millimeter boven het bovenbouwdek hebben. Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moet de hoogte van deze potten respectievelijk 760 millimeter en 450 millimeter bedragen. De hoogte boven dek van luchtkokeropeningen van de ruimte voor machines moet ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. 2) De sterkte van luchtkokerpotten moet gelijkwaardig zijn aan de aangrenzende constructie en door middel van sluitinrichtingen die blijvend zijn aangebracht aan de luchtkoker of aangrenzende constructie, dicht tegen weer en wind gesloten kunnen worden.Wanneer een luchtkoker hoger is dan 900 millimeter moet hij bijzonder gesteund worden. 3) Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, dienen luchtkokers waarvan de potten meer dan 4,5 meter boven het werkdek of meer dan 2,3 meter boven het bovenbouwdek uitsteken, niet te zijn voorzien van sluitinrichtingen, tenzij de aangestelde ambtenaar zulks uitdrukkelijk vordert.Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, dienen luchtkokers waarvan de potten meer dan 3,4 meter boven het werkdek of meer dan 1,7 meter boven het bovenbouwdek uitsteken niet te zijn voorzien van sluitinrichtingen. Indien ten genoegen van de aangestelde ambtenaar het niet waarschijnlijk is dat water het vaartuig via luchtkokers van de ruimte voor machines binnenkomt, kunnen zodanige sluitinrichtingen aan luchtkokers vervallen. Voorschrift 10 Luchtpijpen 1) Wanneer luchtpijpen van tanks en lege ruimten benedendeks boven werk- of bovenbouwdekken reiken, moeten de blootgestelde delen van de pijpen van een sterkte zijn die gelijkwaardig is aan de aangrenzende constructies en in voldoende mate beschermd zijn.Er moeten middelen, die blijvend zijn bevestigd aan de pijp of aangrenzende constructie, aanwezig zijn voor het afsluiten van de openingen van de luchtpijpen. 2) De hoogte van luchtpijpen bovendeks tot het punt waar water naar beneden kan binnendringen, moet ten minste 760 millimeter zijn op het werkdek en ten minste 450 millimeter op het bovenbouwdek.De aangestelde ambtenaar kan een geringere hoogte van een luchtpijp aanvaarden teneinde te voorkomen dat de visserijwerkzaamheden worden belemmerd. Voorschrift 11 Peilinrichtingen 1) Peilinrichtingen moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn aangebracht in :
  53. a)de vullingen van die waterdichte afdelingen van het vaartuig die niet te allen tijde tijdens de reis gemakkelijk toegankelijk zijn;en
  54. b)alle tanks en kofferdammen.2) Wanneer peilpijpen zijn aangebracht, moeten de boveneinden daarvan gemakkelijk bereikbaar zijn en, wanneer zulks praktisch uitvoerbaar is, tot boven het werkdek zijn doorgetrokken.De openingen daarvan moeten zijn voorzien van blijvend bevestigde sluitingsinrichtingen. Peilpijpen die niet tot boven het werkdek zijn doorgetrokken, moeten zijn voorzien van zelfsluitende inrichtingen. Voorschrift 12 Patrijspoorten en ramen 1) Patrijspoorten in ruimten onder het werkdek en in ruimten binnen besloten constructies op dat dek moeten zijn voorzien van scharnierende blinden, die waterdicht gesloten kunnen worden.2) Een patrijspoort mag niet op een zodanige plaats worden aangebracht dat de onderkant van de dagopening lager ligt dan 500 millimeter boven de hoogst gelegen lastlijn.3) Patrijspoorten aangebracht op minder dan 1 000 millimeter boven de hoogst gelegen lastlijn zullen van het vaste type zijn.4) Patrijspoorten met inbegrip van de zich daarin bevindende glasschijven en daaraan bevestigde blinden moeten van een goedgekeurde constructie zijn.Diegene die kunnen beschadigd worden door vistuig dienen voldoende beschermd te worden. 5) Gehard veiligheidsglas of soortgelijk materiaal moet zijn gebruikt voor de ramen van het stuurhuis.6) Indien ten genoegen van de aangestelde ambtenaar daardoor de veiligheid van het vaartuig niet wordt aangetast, kan hij aanvaarden dat patrijspoorten en ramen niet zijn voorzien van blinden, ingeval zij in de zijschotten en achterschotten van dekhuizen, op of boven het werkdek gelegen, zijn aangebracht. Voorschrift 13 Inlaat- en afvoerpijpen 1) Door de huid gaande afvoerpijpen van ruimten beneden het werkdek of van gesloten bovenbouwen of dekhuizen op het werkdek voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van voorschrift 4 moeten zijn voorzien van toegankelijke middelen ter voorkoming van het binnendringen van water in het vaartuig.Normaal moet iedere afzonderlijke afvoerpijp een automatisch werkende terugslagklep hebben met een inrichting waardoor de klep rechtstreeks van een toegankelijke plaats kan worden gesloten. De aanwezigheid van een zodanige klep is niet noodzakelijk, indien de aangestelde ambtenaar van oordeel is dat het niet waarschijnlijk is, dat gevreesd moet worden dat water, dat via de opening het vaartuig binnenkomt, het vaartuig zal doen vollopen en wanneer de pijpen voldoende wanddikte hebben. De middelen voor de bediening van de rechtstreeks beweegbare klep moeten voorzien zijn van een indicator die aangeeft of de klep open dan wel gesloten is. 2) In bemande ruimten voor machines mogen inlaatkasten voor hoofd- en hulpwerktuigen en afvoerpijpen, die van belang zijn voor het in bedrijf houden van machines ter plaatse worden bediend.De bedieningsapparatuur moet toegankelijk zijn en voorzien zijn van indicatoren die aangeven of de kleppen open dan wel gesloten zijn. 3) De aan de romp bevestigde appendages en de door dit voorschrift vereiste kleppen moeten van staal, brons of een ander goedgekeurd smeedbaar materiaal vervaardigd zijn.Tussen de kleppen en de romp moeten alle pijpen van staal zijn; aan boord van vaartuigen die van een ander materiaal dan staal vervaardigd zijn, mag echter de aangestelde ambtenaar in ruimten waar geen machines staan het gebruik van andere materialen goedkeuren. Voorschrift 14 Waterloospoorten 1) Wanneer een verschansing op aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het werkdek kuilen vormt, moet de minimumwaterloosoppervlakte (A) in vierkante meter aan elke zijde van het schip voor elke kuil op het werkdek in verhouding tot de lengte (
  55. l)in meter en de hoogte van de verschansing in de kuil als volgt vastgesteld worden :
  56. a)A = 0,07 l (l behoeft niet groter te worden genomen dan 0,7 L)
  57. b)
  58. i)Wanneer de gemiddelde hoogte van de verschansing meer is dan 1200 millimeter moet het voorgeschreven oppervlak worden vergroot met 0,004 vierkante meter per meter kuillengte voor elke 100 millimeter verschil in hoogte.
  59. ii)Wanneer de gemiddelde hoogte van de verschansing minder is dan 900 millimeter, mag het voorgeschreven oppervlak met 0,004 vierkante meter per meter kuillengte worden verkleind voor elke 100 millimeter verschil in hoogte. 2) De waterloosoppervlakte die volgens § 1) is berekend, wordt verhoogd, wanneer de aangestelde ambtenaar van oordeel is dat de zeeg van het vaartuig niet voldoende is om een snelle en afdoende lozing van water van het dek te waarborgen.3) Afhankelijk van de goedkeuring van de aangestelde ambtenaar mag de minimumwaterloosoppervlakte voor elke kuil op het bovenbouwdek niet kleiner zijn dan de helft van het oppervlak (A) zoals dat in § 1) is voorgeschreven.4) Waterloospoorten moeten zodanig langs de lengte van de verschansingen zijn aangebracht, dat zeker gesteld is dat water zo snel en afdoende mogelijk van het dek wordt geloosd.Onderkanten van waterloospoorten moeten zo dicht mogelijk boven het dek liggen als praktisch uitvoerbaar is. 5) Lastplanken en inrichtingen waarmede vistuig wordt vastgezet, moeten zodanig aangebracht zijn dat de werking van waterloospoorten niet vermindert.Lastplanken moeten zo geconstrueerd zijn dat zij bij gebruik in de juiste stand vastgezet kunnen worden en mogen de lozing van overgekomen water niet belemmeren. 6) Waterloospoorten waarvan de hoogte meer dan 300 millimeter bedraagt, moeten voorzien zijn van staven met een onderlinge afstand van ten hoogste 230 millimeter en ten minste 150 millimeter of moeten voorzien zijn van andere geschikte beschermingsvoorzieningen.Indien waterloospoorten zijn voorzien van kleppen, moeten deze van goedgekeurde constructie zijn. Indien noodzakelijk wordt geacht dat kleppen tijdens visserijwerkzaamheden zijn voorzien van vastzetinrichtingen, moeten deze ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn en vanaf een gemakkelijk toegankelijke plaats eenvoudig te bedienen zijn. 7) Bij vaartuigen bestemd om gebruikt te worden in wateren waar ijsafzetting kan voorkomen, moeten kleppen en beschermingsvoorzieningen van waterloospoorten gemakkelijk verwijderd kunnen worden teneinde ijsafzetting te beperken.De afmetingen van openingen en inrichtingen aangebracht om deze beschermingsvoorzieningen te kunnen verwijderen, moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. Voorschrift 15 Uitrustingen voor het ankeren en voor het meren Een uitrusting voor het snel en veilig ankeren moet zijn aangebracht en moet bestaan uit ankers met toebehoren, ankerkettingen of staaldraadkabels, stoppers en een ankerspil of andere voorzieningen voor het laten vallen en het lichten van het anker en het verankerd houden van het vaartuig tijdens elke te voorziene werkomstandigheid. Vaartuigen moeten eveneens voorzien zijn van een geschikte uitrusting voor het meren, teneinde onder alle werkomstandigheden veilig te kunnen meren. De uitrusting voor het ankeren en de uitrusting voor het meren moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. Voorschrift 16 Werkdekken in een gesloten bovenbouw 1) Deze werkdekken moeten voorzien zijn van een efficiënt afvoersysteem met een voldoende draineringscapaciteit om het waswater en de ingewanden van de vis af te voeren.2) Alle voor de visactiviteit nodige openingen moeten zijn voorzien van middelen die door een persoon snel en doeltreffend kunnen worden afgesloten.3) Wanneer de vangst voor de behandeling of verwerking op die dekken wordt gebracht, dient zij in een vangkamer te worden geplaatst.De vangkamers moeten voldoen aan voorschrift III/11. Er moet een efficiënt afvoersysteem worden geïnstalleerd. Tevens moet worden voorzien in een adequate bescherming tegen onverhoeds op het werkdek stromend water. 4) De dekken moeten met ten minste twee afvoeropeningen zijn uitgerust.5) De vrije hoogte in de werkruimte moet overal ten minste twee meter bedragen.6) Er moet een vast ventilatiesysteem zijn aangebracht waarmee de lucht ten minste zes keer per uur wordt ververst. Voorschrift 17 Diepgangsmerken 1) Alle vaartuigen moeten aan beide zijden van de voor- en achtersteven zijn voorzien van diepgangsmerken.2) Deze merken moeten zich zo dicht mogelijk bij de loodlijnen bevinden. Voorschrift 18 Vistanks met gekoeld (ASW) of diepgekoeld (CSW) zeewater 1) Indien ASW- of CSW-tanks, dan wel soortgelijke tanksystemen worden gebruikt, dienen de tanks te zijn uitgerust met een afzonderlijke, vast aangehechte voorziening voor het vullen en ledigen.2) Indien de tanks eveneens voor het vervoer van droge lading worden gebruikt, dienen de tanks te zijn uitgerust met een lenssysteem en te zijn voorzien van adequate middelen om te voorkomen dat water uit het lenssysteem in de tanks terechtkomt. HOOFDSTUK III - Stabiliteit en daarmee verwante zeewaardigheid Voorschrift 1 Algemeen Vaartuigen moeten zo ontworpen en geconstrueerd zijn dat aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan in de bedrijfsomstandigheden bedoeld in voorschrift 7. Berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. Voorschrift 2 Stabiliteitscriteria 1) Aan onderstaande minimumstabiliteitscriteria moet worden voldaan, tenzij de aangestelde ambtenaar ervan overtuigd is dat, gelet op de bedrijfservaringen, daarvan afgeweken kan worden :
  60. a)het oppervlak onder de kromme van de armen van statische stabiliteit (GZ-kromme) mag niet minder zijn dan 0,055 meter-radiaal tot aan een helling van 30 graden en niet minder dan 0,090 meter-radiaal tot aan een helling van 40 graden, dan wel tot de helling O f, waarbij het vaartuig vervuld raakt, indien deze helling minder is dan 40 graden.Bovendien mag het oppervlak onder de kromme van de armen van statische stabiliteit (GZ-kromme) tussen de hellingen van 30 graden en 40 graden, dan wel tussen 30 graden en O f, indien deze helling minder is dan 40 graden, niet minder zijn dan 0,030 meter radiaal. O f, is de helling waarbij openingen in de romp, bovenbouw of dekhuizen, die niet snel dicht tegen weer en wind gesloten kunnen worden, onder water geraken. Bij toepassing van dit criterium behoeven kleine openingen, waardoor binnenstromend water niet verder in het schip kan binnendringen, niet als open te worden aangemerkt;
  61. b)de arm van statische stabiliteit GZ moet ten minste 200 millimeter zijn bij een helling van 30 graden of meer;
  62. c)de maximale waarde van de arm van statische stabiliteit GZmax moet worden bereikt bij een helling die bij voorkeur groter is dan 30 graden doch niet minder is dan 25 graden;
  63. d)de aanvangsmetacenterhoogte GM mag niet minder zijn dan 350 millimeter voor vaartuigen met één dek.In geval van vaartuigen met een volledige bovenbouw of van vaartuigen waarvan de lengte 70 meter of meer bedraagt, mag de metacenterhoogte ten genoegen van de aangestelde ambtenaar worden verminderd, doch in geen geval minder zijn dan 150 millimeter. 2) Wanneer voorzieningen, andere dan kimkielen, zijn aangebracht teneinde het slingeren tegen te gaan, moet de aangestelde ambtenaar ervan overtuigd zijn dat de stabiliteitscriteria, zoals omschreven in § 1), onder alle bedrijfsomstandigheden worden gehandhaafd.3) Wanneer ballast is aangebracht teneinde zeker te stellen dat wordt voldaan aan § 1), moet de aard en plaatsing daarvan ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. Voorschrift 3 Vervuld raken van visruimen De helling waarbij water de visruimen zou kunnen binnendringen door luiken, die tijdens het uitoefenen van visserijwerkzaamheden open blijven en die niet snel gesloten kunnen worden, moet ten minste 20 graden zijn, tenzij - met de respectievelijke visruimen gedeeltelijk of geheel vervuld geraakt - aan de stabiliteitscriteria van voorschrift 2, 1), kan blijven worden voldaan. Voorschrift 4 Bijzondere vismethoden Vaartuigen die worden gebruikt voor bijzondere vismethoden waarbij extra krachten van buitenaf tijdens de visserijwerkzaamheden op het vaartuig werken, moeten voldoen aan de stabiliteitscriteria van voorschrift 2, 1), die zo nodig ten genoegen van de aangestelde ambtenaar moeten worden uitgebreid. Voorschrift 5 Harde wind en slingeren Vaartuigen moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar weerstand kunnen bieden aan de invloed van harde wind en slingeren in de daarmede verband houdende zeegang, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden van het jaargetijde, de toestand van de zee waar het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt. Voorschrift 6 Water aan dek Vaartuigen moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar weerstand kunnen bieden aan de invloed van water aan dek, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden van het jaargetijde, de toestand van de zee waar het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt. Voorschrift 7 Ladingstoestanden 1) Het aantal en de soort ladingstoestanden waarmee rekening moet worden gehouden, moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn en moeten, voor zover van toepassing, het onderstaande omvatten :
  64. a)vertrek naar de visgronden waarbij het vaartuig volledig moet zijn uitgerust met brandstoffen, voorraden, ijs, vistuig, enz;
  65. b)vertrek van de visgronden met maximale vangst;
  66. c)aankomst in de thuishaven met maximale vangst en 10 procent van de voorraden, brandstoffen, enz.; en
  67. d)aankomst in de thuishaven met 10 procent van de voorraden, brandstoffen, enz.en een minimale vangst die normaal gelijk is aan 20 procent van de maximale vangst maar 40 procent mag bedragen als de aangestelde ambtenaar kan worden overtuigd dat de vangstpatronen dergelijke waarden rechtvaardigen. 2) Behalve dat de specifieke ladingstoestanden weergegeven in § 1) ten genoegen van de aangestelde ambtenaar moeten zijn, moet tevens ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn, dat onder alle andere werkelijk optredende ladings-toestanden, met inbegrip van die, welke de laagste waarden van de stabiliteitsparameters vervat in deze criteria voortbrengen, wordt voldaan aan de minimumstabiliteitscriteria zoals deze zijn weergegeven in voorschrift 2.Tevens moet ten genoegen van de aangestelde ambtenaar, rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden die gepaard gaan met een verandering in het gebruik van het vaartuig of de vaargebieden waar het vaartuig dienst doet, die van invloed zijn op de in dit hoofdstuk vervatte overwegingen inzake de stabiliteit. 3) Met betrekking tot de omstandigheden bedoeld in § 1) moeten de berekeningen het onderstaande omvatten :
  68. a)de invloed van het gewicht van de natte visnetten en talies, enz. op het dek;
  69. b)de invloed van ijsafzetting, indien deze te verwachten is, overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8;
  70. c)een homogene verdeling van de vangst, tenzij zulks onbestaanbaar is met de praktijk;
  71. d)deklast, indien zulks te verwachten is, in geval van ladingstoestanden bedoeld in § 1),
  72. b)en
  73. c)en § 2);
  74. e)waterballast, indien deze wordt meegevoerd, hetzij in tanks die speciaal voor dit doel zijn aangebracht, hetzij in andere tanks die tevens zijn uitgerust voor het vervoeren van waterballast;en
  75. f)de invloed van het vrije oppervlakeffect van vloeistoffen en, indien zulks van toepassing is, vervoerde vislading. Voorschrift 8 IJsafzetting 1) In het geval van vaartuigen voor bedrijfsuitoefening in vaargebieden waar het waarschijnlijk is dat ijsafzetting kan worden verwacht, moet het onderstaande met betrekking tot ijsafzetting bij het berekenen van de stabiliteit in aanmerking worden genomen :
  76. a)30 kilogram per vierkante meter op blootgestelde dekken en gangboorden;
  77. b)7,5 kilogram per vierkante meter voor het geprojecteerde zijdelingse oppervlak aan elke zijde van het vaartuig boven de waterlijn;
  78. c)het geprojecteerde zijdelingse oppervlak van niet doorlopende oppervlakken van reling, laadgerei (behalve masten) en rondhout en tuig van vaartuigen die geen zeilen voeren en het geprojecteerde zijdelingse oppervlak van andere kleine voorwerpen moeten berekend worden door het totale geprojecteerde ononderbroken oppervlak met 5 procent en de statische momenten van dit vlak met 10 procent te vermeerderen.2) Vaartuigen bestemd voor bedrijfsuitoefening in vaargebieden waarvan het bekend is dat ijsafzetting kan worden verwacht, moeten :
  79. a)zodanig zijn ontworpen dat ijsafzetting tot een minimum wordt beperkt;en
  80. b)met zodanige middelen voor het verwijderen van ijs uitgerust zijn als de aangestelde ambtenaar meent te moeten voorschrijven. Voorschrift 9 Hellingproef 1) Elk vaartuig moet na voltooiing een hellingproef ondergaan en het werkelijke gewicht en ligging van het zwaartepunt moeten worden bepaald voor de toestand van het bedrijfsklare ledige vaartuig.2) Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed zijn op de toestand van het bedrijfsklare ledige vaartuig en de ligging van het zwaartepunt, moet het vaartuig, indien zulks naar de mening van de aangestelde ambtenaar noodzakelijk is, opnieuw aan een hellingproef worden onderworpen en de stabiliteitsgegevens worden herzien.3) De aangestelde ambtenaar mag vrijstelling verlenen van het nemen van een hellingproef met een vaartuig, indien hellingproefresultaten beschikbaar zijn van een zusterschip en ten genoegen van de aangestelde ambtenaar wordt aangetoond dat voor het vrij te stellen vaartuig betrouwbare stabiliteitsgegevens aan die resultaten kunnen worden ontleend.4) De hellingproef en de vaststelling van de voorwaarden zoals vereist bij § 1 vinden ten minste om de tien jaar plaats. Voorschrift 10 Stabiliteitsgegevens 1) Passende stabiliteitsgegevens moeten ter beschikking worden gesteld teneinde de schipper in staat te stellen de stabiliteit van het vaartuig onder uiteenlopende bedrijfsomstandigheden gemakkelijk en met zekerheid vast te stellen.Deze gegevens moeten bijzondere instructies voor de schipper omvatten omtrent bedrijfsomstandigheden, die een ongunstige invloed kunnen hebben op de stabiliteit of de trimligging van het vaartuig. Een afschrift van de stabiliteitsgegevens moet ter goedkeuring aan de aangestelde ambtenaar worden voorgelegd. 2) De goedgekeurde stabiliteitsgegevens moeten aan boord aanwezig zijn, te allen tijde gemakkelijk toegankelijk zijn en tijdens de periodieke onderzoeken van het vaartuig aan een inspectie worden onderworpen teneinde zeker te stellen dat het vaartuig is goedgekeurd met betrekking tot de feitelijke bedrijfsomstandigheden.3) Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed zijn op zijn stabiliteit, moet de stabiliteit opnieuw worden berekend en de resultaten daarvan ter goedkeuring aan de aangestelde ambtenaar worden voorgelegd.Indien de aangestelde ambtenaar beslist dat de stabiliteitsgegevens moeten worden herzien, moeten de nieuwe gegevens aan de schipper worden afgegeven en de vervangen gegevens worden verwijderd. Voorschrift 11 Verplaatsbare visruimschotten De vislading moet deugdelijk worden gestuwd teneinde het overgaan van de lading tegen te gaan, waardoor een gevaarlijke trimligging of slagzij van het schip zou kunnen ontstaan. De afmetingen van verplaatsbare visruimschotten, indien aangebracht, moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn. Voorschrift 12 De boeghoogte De boeghoogte moet ten genoegen van de aangestelde ambtenaar toereikend zijn om te voorkomen dat het vaartuig buitensporige hoeveelheden water overkrijgt en moet zodanig worden vastgesteld, dat rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden van het jaargetijde, de toestand van de zee waar het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt. Voorschrift 13 Maximaal toelaatbare diepgang De maximaal toelaatbare diepgang moet door de aangestelde ambtenaar worden goedgekeurd en moet zodanig zijn dat bij de daarmede verband houdende bedrijfsomstandigheid wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria van dit hoofdstuk en aan de bepalingen van de hoofdstukken II en VI, al naar gelang welke van toepassing zijn. Voorschrift 14 Waterdichte indeling en lekstabiliteit Vaartuigen waarvan de lengte 100 meter en meer bedraagt en die 100 of meer opvarenden hebben, moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar met een voldoende stabiliteit kunnen blijven drijven, nadat een waterdichte afdeling is vervuld geraakt, waarbij beschadiging wordt aangenomen, rekening houdende met het type vaartuig, de bestemming daarvan en het vaargebied. HOOFDSTUK IV - Machines en elektrische installaties en tijdelijk onbemande ruimten voor machines DEEL A - ALGEMENE VOORZIENINGEN Voorschrift 1 Toepassing Tenzij anders bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op nieuwe vaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt. Voorschrift 2 Omschrijvingen 1) « Hoofdstuurinrichting » is de machine-installatie, het krachtwerktuig voor de stuurinrichting zo al aanwezig en hulpuitrusting, alsmede de middelen waarmee het draaimoment op de roerkoning wordt overgebracht (b.v. helmstok of kwadrant) die noodzakelijk zijn om het roer in beweging te brengen teneinde het vaartuig, onder normale bedrijfsomstandigheden te kunnen besturen. 2) « Hulpinrichtingen om het roer in beweging te brengen » zijn de installaties waarin is voorzien met het oog op het in beweging brengen van het roer teneinde het vaartuig voor het geval de hoofdstuurinrichting uitvalt, te kunnen besturen.3) « Het krachtwerktuig voor de stuurinrichting » betekent in het geval van :
  81. a)een elektrische stuurinrichting : een elektromotor en de daarbij behorende elektrische installaties;
  82. b)een elektrisch-hydraulische stuurinrichting : een elektromotor en de daarbij behorende elektrische installaties en aangesloten pomp;en
  83. c)een andere hydraulische stuurinrichting : een aandrijfmotor en aangesloten pomp.4) « De maximumdienstsnelheid vooruit » is de grootste snelheid dat het vaartuig bestemd is aan te houden op zee bij maximaal toegestane diepgang.5) « De maximumsnelheid achteruit » is de geschatte snelheid, die het vaartuig kan bereiken op grond van het ontworpen vermogen voor het achteruit varen bij zijn maximum toegestane diepgang.6) « Oliestookinrichting » is de uitrusting gebruikt voor de toebereiding van brandstofolie voor levering aan een met olie gestookte ketel, of uitrusting gebruikt voor de toebereiding voor levering van verwarmde olie aan een inwendige verbrandingsmotor, met inbegrip van alle oliedrukpompen, filters en verhitters die olie behandelen onder een druk van meer dan 0,18 newton per vierkante millimeter.7) « Normale bedrijfs- en leefomstandigheden aan boord » zijn de omstandigheden waaronder het vaartuig in zijn totaliteit, de machine-installaties, bedieningsorganen, hoofd- en hulpvoortstuwingsmiddelen, stuurinrichting en bijbehorende installaties, apparatuur bestemd voor veilige navigatie en ter beperking van de gevaren van brand en binnenstromend water, interne en externe communicatiemiddelen en seinapparaten, voorzieningen voor ontsnapping en lieren voor reddingsboten, goed functioneren en waarbij aan de minimumvoorwaarden voor een comfortabel verblijf aan boord wordt voldaan.8) « De doodschip omstandigheid » is de omstandigheid waarbij de hoofdvoortstuwingsinstallatie, ketels en hulpmotoren niet in bedrijf zijn ten gevolge van het ontbreken van drijfkracht.9) « Hoofdschakelbord » is een schakelbord dat rechtstreeks wordt gevoed door de elektrische hoofdkrachtbron en bestemd is om de elektrische energie te verdelen.10) « Tijdelijk onbemande ruimten voor machines » zijn die ruimten waar de hoofdvoortstuwingsinstallaties en daarbij behorende installaties zich bevinden alsmede alle elektrische hoofdkrachtbronnen en die niet te allen tijde onder alle werkzaamheden - met inbegrip van het manoeuvreren - zijn bemand. Voorschrift 3 Algemeen Machine-installaties 1) Hoofdvoortstuwings-, bedienings-, stoomleiding-, brandstofolie-, druklucht-, elektrische- en koelsystemen, hulpwerktuigen, ketels en andere drukvaten, pijpleidingen en pompinstallaties, stuurmachines en toebehoren, assen en koppelingen voor krachtoverbrenging moeten ontworpen, geconstrueerd, beproefd, aangebracht en onderhouden worden ten genoegen van de aangestelde ambtenaar.Deze machine-installaties en uitrusting samen met hefwerktuigen, lieren, werktuigen voor de behandeling en verwerking van vis, moeten zodanig zijn beveiligd dat de opvarenden zo min mogelijk gevaar lopen. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaren. 2) Ruimten voor machines moeten zodanig ontworpen zijn dat alle werktuigen en de daarbij behorende bedieningsinstallaties, alsmede alle andere onderdelen die onderhoud kunnen vereisen, veilig en gemakkelijk toegankelijk zijn.De desbetreffende ruimten moeten voldoende geventileerd zijn. 3)
  84. a)Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan het voortstuwingsvermogen kan worden gehandhaafd of hersteld, zelfs in het geval één van de essentiële hulpinstallaties uitvalt.Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de werking van :
  85. i)de inrichtingen die zorgen voor de brandstoftoevoer voor de hoofdvoortstuwingsinstallaties;
  86. ii)de normale middelen die de smeeroliedruk verzorgen; iii) de hydraulische, pneumatische en elektrische middelen voor de bediening van de hoofdvoortstuwingsinstallatie, met inbegrip van de verstelbare schroeven;
  87. iv)middelen om de watertoevoer ten behoeve van de koelsystemen van de hoofdvoortstuwingsinstallatie te verzorgen; en
  88. v)een luchtcompressor en een 1uchtketel voor aanzet- of bedieningsdoeleinden; met dien verstande dat de aangestelde ambtenaar, rekening houdende met de algemene veiligheidsoverwegingen, een gedeeltelijk verminderd vermogen in plaats van het totale vermogen van de bedrijfsomstandigheden kan aanvaarden.
  89. b)Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan de machine-installatie in werking kan worden gesteld vanuit een doodschip situatie zonder dat hulp van buiten wordt geboden. 4) Hoofdvoortstuwingsinstallaties en alle hulpinstallaties die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten, zoals zij zijn aangebracht, kunnen functioneren ongeacht of het vaartuig recht ligt of tot 15 graden slagzij maakt naar elke zijde onder statische omstandigheden, dan wel tot 22,5 graden slagzij naar elke zijde onder dynamische omstandigheden, d.w.z. wanneer het vaartuig naar beide zijden slingert en gelijktijdig een dynamische stampbeweging maakt tot 7,5 graden over boeg of achtersteven. De aangestelde ambtenaar kan toestaan dat van deze hoeken wordt afgeweken, rekening houdende met het type, de afmetingen en het gebruik van het vaartuig. 5) Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan het ontwerp, de constructie en de installatie van voortstuwingssystemen, opdat elke vorm van trillingen, geen abnormale spanningen in deze voortstuwingssystemen veroorzaken in de normale bedrijfsgebieden. Elektrische installaties 6) Het ontwerp en de constructie van elektrische installaties moeten zodanig zijn dat zij voorzien in :
  90. a)het nodige om de normale bedrijfs- en leefomstandigheden te verzekeren, zonder een beroep te moeten doen op een noodkrachtbron;
  91. b)het nodige om de veiligheid ingeval de elektrische hoofdkrachtbron uitvalt te verzekeren;en
  92. c)de bescherming van de bemanning en van het vaartuig tegen de gevaren van elektrische aard.7) De aangestelde ambtenaar moet overtuigd zijn dat de voorschriften 16 tot en met 18 onveranderlijk zijn nagekomen en toegepast. Tijdelijk onbemande ruimten voor machines 8) De voorschriften 19 tot en met 24 zijn van toepassing, bovenop de voorschriften 3 tot en met 18 en V/1 tot en met V/44, op vaartuigen waarvan de ruimten voor machines tijdelijk onbemand zijn.9) Ten genoegen van de aangestelde ambtenaar moeten zodanige maatregelen genomen worden teneinde zeker te stellen dat alle uitrusting onder alle bedrijfsomstandigheden, waaronder het manoeuvreren, op betrouwbare wijze functioneert en dat voorzieningen worden getroffen met het oog op regelmatige inspecties en routinetests teneinde een voortdurende betrouwbare werking te verzekeren, een en ander ten genoegen van de aangestelde ambtenaar.10) Vaartuigen moeten van documenten voorzien zijn waaruit hun geschiktheid blijkt om met tijdelijk onbemande ruimten voor machines te varen, een en ander ten genoegen van de aangestelde ambtenaar. DEEL B - MACHINE-INSTALLATIES (Zie ook voorschrift 3) Voorschrift 4 Machine-installaties 1) Hoofd- en hulpwerktuigen die noodzakelijk zijn voor de voorstuwing en veiligheid van het vaartuig, moeten zijn voorzien van doelmatige bedieningsmiddelen.2) Inwendige verbrandingsmotoren met een cilinderdoorsnede van meer dan 200 millimeter of met een carterinhoud van meer dan 0,6 kubieke meter moeten in verband met het carterexplosiegevaar zijn voorzien van ontlastingskleppen van een goedgekeurd type met een voldoende doorlaat.3) Wanneer hoofd- of hulpwerktuigen, met inbegrip van drukvaten, of delen van deze werktuigen onderhevig zijn aan inwendige druk en onderhevig kunnen zijn aan gevaarlijke overdruk, moeten, waar nodig, voorzieningen zijn getroffen die bescherming bieden tegen een te hoge druk.4) Alle tandwieloverbrengingen, assen en koppelingen die gebruikt worden voor de overbrenging van vermogen naar werktuigen, welke noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig of de veiligheid van de opvarenden, moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, dat zij bestand zijn tegen de maximaal optredende materiaalspanningen waaraan zij onder alle bedrijfsomstandigheden onderhevig kunnen zijn.Voldoende aandacht moet gegeven worden aan het type werktuigen waardoor zij worden aangedreven of waarvan zij een onderdeel zijn. 5) Hoofdvoortstuwingswerktuigen en waar toepasselijk hulpwerktuigen, moeten voorzien zijn van automatisch werkende stopinrichtingen voor het geval zich storingen voordoen, die snel aanleiding kunnen geven tot beschadiging, totaal onklaar worden of explosie, zoals bij het uitvallen van de smeerolietoevoer.Tevens moet een vooralarm zijn aangebracht opdat een waarschuwingssignaal wordt gegeven alvorens de machines automatisch worden gestopt, maar de aangestelde ambtenaar kan voorzieningen toestaan die de automatische stopinrichtingen buiten werking stellen. De aangestelde ambtenaar kan vaartuigen tevens vrijstellen van de bepalingen van deze paragraaf, rekening houdende met het type vaartuig of het bijzondere gebruik daarvan. Voorschrift 5 Middelen om achteruit te varen 1) Vaartuigen dienen voldoende vermogen te hebben om achteruit te varen, teneinde de manoeuvreerbaarheid van het vaartuig onder normale bedrijfsomstandigheden te verzekeren.2) Op zee moet worden aangetoond dat de machine-installatie in staat is de richting van de stuwdruk van de schroef om te keren binnen een redelijke tijd en hiermede het vaartuig tot stilstand te brengen binnen een redelijke afstand vanuit de maximumdienstsnelheid vooruit. Voorschrift 6 Stoomketels, voedingwatersystemen en stoomleidingen 1) Elke stoomketel en elke ongestookte stoomgenerator moet voorzien zijn van ten minste twee veiligheidskleppen van voldoende capaciteit, met dien verstande dat de aangestelde ambtenaar, rekening houdende met de capaciteit of enige andere eigenschap van stoomketels of ongestookte stoomgenerators, kan toestaan dat slechts één veiligheidsklep is aangebracht, mits hij ervan overtuigd is dat in dat geval voorzien is in een afdoende beveiliging tegen overdruk.2) Elke met olie gestookte stoomketel die is ontworpen om niet met de hand te worden bediend, moet voorzien zijn van veiligheidsinrichtingen die de olietoevoer afsluiten en alarm geven in geval van laag waterpeil, storing in de luchttoevoer of vlamdoving.3) De aangestelde ambtenaar moet bijzondere aandacht schenken aan stoomketelinstallaties teneinde zeker te stellen dat voedingwatersystemen, bedieningsapparatuur en veiligheidsvoorzieningen in alle opzichten geschikt zijn om de veiligheid van ketels, stoomdrukvaten en stoomleidingen te garanderen. Voorschrift 7 Verbinding tussen het stuurhuis en de ruimte voor machines Twee onafhankelijk werkende communicatiemiddelen moeten tussen het stuurhuis en de manoeuvreerstand in de ruimte voor machines zijn aangebracht, waarvan één een machinekamertelegraaf moet zijn, met dien verstande dat voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt en waarvan de voortstuwingswerktuigen rechtstreeks vanuit het stuurhuis worden bediend, de aangestelde ambtenaar andere communicatiemiddelen dan een machinekamertelegraaf kan aanvaarden. Voorschrift 8 Bediening van de voortstuwingsmachines vanuit het stuurhuis 1) Wanneer voorzien is in een afstandsbediening van de voorstuwingsmachines vanuit het stuurhuis is het onderstaande van toepassing :
  93. a)onder alle bedrijfsomstandigheden, waaronder het manoeuvreren, moeten snelheid, richting van de stuwdruk en - indien van toepassing - de spoed van de verstelbare schroef volledig vanuit het stuurhuis bediend kunnen worden;
  94. b)de afstandsbediening bedoeld in lid
  95. a)moet ten genoegen van de aangestelde ambtenaar, verricht worden door middel van een bedieningsapparaat, dat zo nodig voorzien moet zijn van een inrichting die voorkomt dat de voortstuwingswerktuigen worden overbelast;
  96. c)de hoofdvoortstuwingswerktuigen moeten voorzien zijn van een noodstopinrichting in het stuurhuis, die onafhankelijk moet werken van het bedieningssysteem vanuit het stuurhuis zoals bedoeld in lid a);
  97. d)de afstandsbediening van de voortstuwingswerktuigen dient slechts vanuit één bedieningsstation tegelijk te kunnen plaatsvinden;in elk bedieningsstation kunnen gekoppelde besturingsorganen worden toegestaan. In elk bedieningsstation moet een aanwijzing aanwezig zijn die aangeeft welk station de voortstuwingswerktuigen bedient. De overschakeling van de bediening van het stuurhuis naar de ruimten voor machines dient alleen mogelijk te zijn in de ruimte voor machines of in de controlekamer. Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kan de aangestelde ambtenaar toestaan dat het bedieningsstation in de ruimte voor machines alleen een noodstation is, mits de controle-inrichting en bedieningsorganen in het stuurhuis doelmatig zijn;
  98. e)aanwijsinstrumenten moeten in het stuurhuis zijn aangebracht voor :
  99. i)omwentelingssnelheid en draairichting van de schroef in het geval het vaartuig is voorzien van vaste schroeven;
  100. ii)omwentelingssnelheid en stand van de spoed in het geval het vaartuig is voorzien van verstelbare schroeven; en iii) vooralarm zoals voorgeschreven is ingevolge voorschrift 4, 5);
  101. f)indien een storing optreedt in een onderdeel van het afstandsbedieningssysteem, moeten de voortstuwingswerktuigen ter plaatse kunnen worden bediend;
  102. g)tenzij de aangestelde ambtenaar van oordeel is dat zulks praktisch niet uitvoerbaar is, moet het afstandsbedieningssysteem zodanig zijn ontworpen, dat bij uitvallen alarm wordt gegeven en de vooraf ingestelde snelheid en richting van de stuwdruk zal worden gehandhaafd totdat de bediening ter plaatse wordt overgenomen;
  103. h)bijzondere voorzieningen moeten zijn aangebracht teneinde zeker te stellen dat het automatisch starten de startinrichtingen niet uitput. Een alarm moet zijn aangebracht dat alarmeert bij te lage aanzetluchtdruk en dat zodanig moet zijn afgesteld dat toch nog starthandelingen kunnen worden verricht. 2) Wanneer de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende machine-installaties met inbegrip van de elektrische hoofdkrachtbronnen zijn voorzien van verschillende graden van automatische bediening of afstandsbediening en daarop voortdurend toezicht wordt gehouden vanuit een controlekamer, moet deze controlekamer zodanig zijn ontworpen, uitgerust en ingericht dat de werking van de machine-installaties even veilig en doeltreffend is als wanneer daarop rechtstreeks toezicht wordt gehouden.3) In het algemeen dienen automatische aanzet-, bedrijfs- en bedieningssystemen voorzien te zijn van handbedieningsmogelijkheden die ook bedienbaar moeten zijn in geval van gebreken aan deze automatische en afstandsbedieningssystemen. Voorschrift 9 Systemen voor samengeperste lucht 1) Voorzieningen moeten zijn aangebracht teneinde overdruk te voorkomen in enig deel van installaties voor samengeperste lucht en in alle gevallen waarin watermantels van cilinderblokken van compressoren en huizen van luchtkoelers onderworpen kunnen zijn aan gevaarlijke overdruk ten gevolge van lekkage daarin afkomstig van onderdelen van luchtdrukinstallaties.Geschikte ontlastvoorzieningen moeten zijn aangebracht. 2) De hoofdaanzetinstallaties voor verbrandingsmotoren voor de voortstuwing moeten voldoende beveiligd zijn tegen de gevolgen van terugslag van verbrandingsgassen en inwendige explosies in de aanzetluchtleidingen.3) Alle persleidingen van aanzetluchtcompressoren moeten rechtstreeks in verbinding staan met de aanzetluchtvaten, en alle aanzetluchtleidingen vanaf de aanzetluchtvaten naar de hoofd- en hulpmotoren moeten geheel gescheiden zijn van het persleidingsysteem van de compressoren.4) Er moeten voorzieningen zijn getroffen om het binnendringen van olie in de luchtdrukinstallaties tot een minimum te beperken en om deze olie uit de desbetreffende installaties af te voeren. Voorschrift 10 Inrichtingen voor brandstofolie, smeerolie en andere ontvlambare oliën 1) Vloeibare brandstof met een vlampunt van minder dan 60 graden Celsius (proef volgens de gesloten cup-methode) zoals bepaald met een goedgekeurd apparaat ter bepaling van het vlampunt mag niet als brandstof worden gebruikt, behalve voor noodgeneratoren, waarvoor brandstof met een vlampunt van niet lager dan 43 graden Celsius mag worden gebruikt.De aangestelde ambtenaar mag echter het algemene gebruik toestaan van brandstofolie met een vlampunt dat niet lager is dan 43 graden Celsius onder zodanige extra voorzorgen als hij nodig acht en op voorwaarde dat de temperatuur van de ruimte waarin zulke brandstof is opgeslagen of wordt gebruikt, niet zal stijgen tot minder dan 10 graden Celsius onder het vlampunt van die brandstof. 2) Veilige en doeltreffende middelen ter bepaling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank dienen aanwezig te zijn.Indien peilpijpen zijn aangebracht, moeten de boveneinden daarvan op veilige plaatsen uitkomen en voorzien zijn van passende middelen voor afsluiting. Glazen peilglazen van aanmerkelijke dikte met metalen afscherming mogen worden gebruikt indien ze voorzien zijn van automatisch sluitende afsluiters. Andere middelen ter vaststelling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank mogen worden toegestaan, mits het onklaar raken daarvan of het overvullen van de tanks het niet mogelijk maakt dat daardoor brandstofolie buiten de tank geraakt. 3) Voorzieningen moeten worden getroffen ter vermijding van overdruk in elke brandstofolietank of in elk gedeelte van het brandstofoliesysteem, met inbegrip van de vulpijpen.Ontlastkleppen en ontluchtings- of overvloeipijpen moeten op een veilige plaats en op een veilige manier uitmonden en ontlasten. 4) Ten genoegen van de aangestelde ambtenaar moeten brandstofolieleidingen waar bij beschadiging olie zou kunnen weglopen uit een boven de dubbele bodem opgestelde voorraad-, bezink- of dagtank, voorzien zijn van een kraan of afsluiter aan de tank die vanaf een veilige plaats buiten de betrokken ruimte waarin zulke tanks zijn geplaatst, kan worden gesloten in het geval dat brand zou uitbreken in de ruimte waarin deze tanks zijn gelegen.Voor het bijzondere geval van dieptanks die in een schroefas- of pijpentunnel of soortgelijke ruimte zijn gelegen, moeten afsluiters aan de tank zijn aangebracht, doch de afsluiting voor het geval er brand ontstaat, mag worden bewerkstelligd door middel van een extra afsluiter in de leiding of leidingen buiten de tunnel of soortgelijke ruimte. Indien een dergelijke extra afsluiter is aangebracht in de ruimte voor machines, moet deze buiten deze ruimte kunnen worden bediend. 5) Pompen die deel uitmaken van het brandstofleidingsysteem moeten gescheiden zijn van elk ander leidingsysteem en de aansluitingen op de betrokken pompen moeten zijn voorzien van een doelmatige ontlastklep, die deel uitmaakt van een gesloten systeem.Wanneer brandstofolietanks tevens gebruikt kunnen worden als ballasttanks, moeten passende voorzieningen zijn getroffen om het brandstofleidingsysteem en het ballastleidingsysteem van elkaar te scheiden. 6) Olietanks mogen niet zodanig zijn gelegen dat verlies of lekken van olie op hete oppervlakken een gevaar kan vormen.Voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat olie onder druk die uit een pomp, filter of verhitter zou kunnen ontsnappen, in aanraking komt met hete oppervlakken. 7)
  104. a)Brandstofleidingen en hun afsluiters en appendages moeten van staal of ander gelijkwaardig materiaal vervaardigd zijn, met dien verstande dat beperkt gebruik van flexibele leidingen kan worden toegestaan op plaatsen waar deze naar het oordeel van de aangestelde ambtenaar noodzakelijk zijn.Zulke flexibele leidingen en hun eindbevestigingen moeten van voldoende sterkte zijn en moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar vervaardigd zijn van goedgekeurd brandbestendig materiaal of voorzien zijn van een brandbestendige beschermlaag.
  105. b)Waar zulks noodzakelijk is moeten brandstofolie- en smeeroliepijpleidingen afgeschermd worden of op andere wijze passend beveiligd worden teneinde, voor zover praktisch uitvoerbaar is, olienevel of olielekkage op hete oppervlakken of in luchtinlaten van werktuigen te voorkomen.Het aantal verbindingen in pijpleidingen moet tot een minimum beperkt worden. 8) Voor zover praktisch uitvoerbaar is, moeten de brandstofolietanks deel uitmaken van de scheepsconstructie en buiten de ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn.Wanneer brandstofolietanks, die geen dubbele bodemtanks zijn, noodzakelijkerwijze naast of in ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn, moet ten minste één van hun vertikale zijden samenvallen met de begrenzingswanden van de ruimte voor machines en moeten zij bij voorkeur een gemeenschappelijke begrenzingswand hebben met dubbele bodemtanks indien deze zijn aangebracht. De oppervlakte van de begrenzingswand tussen de tank en de ruimte voor machines moet zo klein mogelijk zijn. Wanneer zulke tanks gelegen zijn binnen de begrenzingswanden van ruimten voor machines van categorie A, mogen zij geen brandstofolie bevatten met een vlampunt dat lager is dan 60 graden Celsius (proef volgens de gesloten cup-methode). Over het algemeen moet het gebruik van vrijstaande brandstofolietanks in brandgevaarlijke ruimten en in het bijzonder in ruimten voor machines van categorie A worden vermeden. Wanneer vrijstaande brandstofolietanks zijn toegestaan, moeten zij geplaatst worden in een oliedichte bak van voldoende grootte waarin gemorste olie wordt opgevangen en voorzien van een passende aflooppijp naar een olieaflooptank van behoorlijke afmetingen. 9) De ventilatie van de ruimten voor machines moet onder alle normale omstandigheden voldoende zijn teneinde een concentratie van oliedamp te voorkomen.10) De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie voor smeeroliesystemen onder druk moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn.Zulke inrichtingen die zijn aangebracht in ruimten voor machines van categorie A en, waar mogelijk, in andere ruimten voor machines, moeten ten minste voldoen aan het bepaalde in de §§ 1), 3), 6) en 7) en voor zover de aangestelde ambtenaar zulks noodzakelijk mocht achten, aan de §§ 2) en 4). Zulks sluit het gebruik van kijkglazen in smeeroliesystemen niet uit, mits door middel van proeven is aangetoond dat zij in behoorlijke mate brandbestendig zijn. 11) De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van andere ontvlambare oliën die onder druk worden gebruikt in hydraulische systemen voor het overbrengen van vermogen en die geen oliën zijn als bedoeld in § 10), zomede oliën die worden gebruikt in bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn.Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, moeten dergelijke inrichtingen ten minste voldoen aan het bepaalde in de §§ 2) en 6) en ten aanzien van sterkte en constructie aan het bepaalde in de §§ 3) en 7). 12) Brandstof, smeerolie en andere brandbare oliën mogen niet in voorpiektanks worden opgeslagen. Voorschrift 11 Lensinrichting 1) Een doelmatige lensinrichting die in staat is onder alle omstandigheden die zich in de praktijk kunnen voordoen en ongeacht of het schip recht ligt dan wel slagzij maakt, uit elke waterdichte ruimte die niet blijvend bestemd is als olie- of watertank, te pompen en te lenzen, moet aanwezig zijn.Zo nodig moeten zuigpijpen naar de zijden van de ruimten zijn aangebracht. Voorzieningen moeten zijn getroffen opdat het water gemakkelijk naar de zuigpijpen kan stromen. De lensinrichtingen behoeven in bepaalde ruimten niet te zijn aangebracht, indien naar het oordeel van de aangestelde ambtenaar de veiligheid van het vaartuig daardoor niet is verminderd. 2)
  106. a)Ten minste twee onafhankelijk mechanisch aangedreven lenspompen moeten aanwezig zijn;hiervan mag één door de hoofdmotor worden aangedreven. Een ballastpomp of andere algemene dienstpomp van een voldoende capaciteit kan als mechanisch aangedreven lenspomp worden gebruikt.
  107. b)Mechanisch aangedreven lenspompen moeten ten minste in staat zijn het water met een snelheid van 2 meter per seconde door de hoofdlensleiding te pompen, die een inwendige diameter moet hebben van ten minste : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
  108. c)Elke lenspomp die overeenkomstig dit artikel is aangebracht, moet voorzien zijn van een rechtstreekse zuigleiding, waarbij een van de zuigleidingen aan bakboordzijde van de ruimte voor machines moet kunnen zuigen en de andere aan stuurboordzijde, doch voor vaartuigen van minder dan 75 meter behoeft slechts één lenspomp met een rechtstreekse lensleiding te zijn aangebracht.
  109. d)De inwendige diameter van een lensleiding mag niet kleiner zijn dan 50 millimeter.De inrichting en afmetingen van de lensinstallatie moeten zodanig zijn, dat de totale capaciteit van de pomp zoals hierboven is omschreven, kan worden aangewend voor elk van de waterdichte ruimten die liggen tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot. 3) Een lensejector in samenwerking met een onafhankelijk aangedreven hogedrukzeewaterpomp mag zijn aangebracht ter vervanging van één van de onafhankelijk aangedreven lenspompen zoals deze zijn voorgeschreven ingevolge § 2), a), mits deze inrichting ten genoegen van de aangestelde ambtenaar is.4) Vaartuigen waarbij ten gevolge van de behandeling en verwerking van vis grote hoeveelheden water in ingesloten ruimten kunnen komen, moeten zijn voorzien van een deugdelijke afvoerinrichting.5) Lensleidingen mogen niet lopen door brandstofolie- en ballasttanks of door dubbele bodemtanks tenzij deze pijpen van een dikwandige stalen constructie zijn.6) De inrichtingen van lens- en ballastsystemen moeten zodanig zijn dat het is uitgesloten dat water rechtstreeks van buitenboord of uit waterballastruimten naar laadruimten of ruimten voor machines, of uit de ene waterdichte ruimte naar de andere kan vloeien.De aansluiting van de lensleiding aan een pomp die aanzuigt uit zee of uit een waterballastruimte moet zijn voorzien van ofwel een terugslagklep ofwel een kraan die niet tegelijkertijd geopend kan worden naar zee en naar de lensleiding of naar de waterballastruimten en de lensleiding. Kleppen in de verdeelkasten van de lensleiding moeten van het terugslagtype zijn. 7) Elke lensleiding die een aanvaringsschot doorboort, moet ter plaatse van het schot zijn voorzien van een afsluitmiddel dat vanaf het werkdek kan worden geborgd door middel van afstandsbediening die is voorzien van een standaanwijzer van de klep, behoudens dat de afstandsbediening achterwege gelaten kan worden, indien de klep is aangebracht aan de achterzijde van het schot en onder alle bedrijfsomstandigheden gemakkelijk toegankelijk is. Voorschrift 12 Bescherming tegen geluidsoverlast Maatregelen moeten getroffen zijn om de invloed van lawaai op personen in de ruimten voor machines te beperken tot een niveau dat ten genoegen van de aangestelde ambtenaar is. Voorschrift 13 Stuurinrichting 1) Elk vaartuig moet ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn voorzien van een hoofdstuurinrichting en van een hulpinrichting om het roer in beweging te brengen.Deze inrichtingen moeten zodanig zijn aangebracht dat, voor zover zulks mogelijk en praktisch uitvoerbaar is, een afzonderlijke storing in één van de inrichtingen de andere niet buiten werking stelt. 2) Wanneer de hoofdstuurinrichting twee of meer gelijke krachtwerktuigen bevat, moet geen hulpstuurinrichting zijn aangebracht indien de hoofdstuurinrichting in staat is het roer te bedienen overeenkomstig de bepalingen van § 10), wanneer één van de krachtwerktuigen buiten werking is.Elk krachtwerktuig moet door een afzonderlijke voedingleiding worden bediend. 3) De stand van een mechanisch bewogen roer moet in het stuurhuis worden aangegeven.De roerstandaanwijzing in geval van een mechanisch bewogen stuurinrichting moet onafhankelijk van het bedieningssysteem van de stuurinrichting zijn. 4) In geval van storing in een van de stuurinrichtingen moet een alarmsignaal in het stuurhuis worden gegeven.5) Het in bedrijf zijn van de motoren van elektrische en elektrischhydraulische stuurinrichtingen moet in het stuurhuis aangegeven worden.De betrokken stroomkringen en motoren moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen kortsluiting, een overbelastingsalarm en een nulspanningsalarm. Indien een beveiliging is aangebracht tegen te hoge stroomsterkte, mag deze niet eerder in werking treden dan bij tweemaal de volle belastingsstroom van de aldus beveiligde motor of de aldus beveiligde stroomkring en moet deze beveiliging zodanig zijn uitgevoerd dat de bijbehorende aanloopstroom kan worden verwerkt. 6) De hoofdstuurinrichting moet voldoende sterk gebouwd en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij maximumdienstsnelheid.De hoofdstuurinrichting en de roerkoning moeten zodanig zijn ontworpen, dat zij bij maximumsnelheid achteruit of bij het manoeuvreren tijdens het vissen niet zullen worden beschadigd. 7) Het vermogen en de inrichting van de hoofdstuurinrichting moeten bij de maximaal toegestane diepgang van het vaartuig zodanig zijn, dat het roer van 35 graden uitslag aan één zijde naar 35 graden uitslag aan de andere zijde kan worden bewogen, wanneer het vaartuig zich met maximumdienstsnelheid vooruit beweegt.Onder dezelfde omstandigheden moet het roer van 35 graden uitslag aan één zijde in 28 seconden naar 30 graden uitslag aan de andere zijde kunnen worden bewogen. De hoofdstuurinrichting moet zonodig mechanisch bewogen kunnen worden teneinde aan deze eisen te voldoen. 8) Het krachtwerktuig voor de hoofdstuurinrichting moet hetzij met de hand in het stuurhuis, hetzij automatisch gestart kunnen worden, zodra de energietoevoer is hersteld nadat zich daarin een storing heeft voorgedaan.9) De hulpinrichting om het roer in beweging te brengen, moet voldoende sterk gebouwd zijn en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij een snelheid, waarbij het nog manoeuvreerbaar is en voorts zijn ingericht om in noodgevallen snel in werking te kunnen worden gesteld.10) Het vermogen en de inrichting van de hulpinrichting om het roer in beweging te brengen, moeten zodanig zijn dat het roer van 15 graden uitslag aan één zijde in ten hoogste 60 seconden naar 15 graden uitslag aan de andere zijde kan worden bewogen, wanneer het vaartuig zich met de helft van de maximumdienstsnelheid of 7 knopen, al naar gelang welke snelheid de grootste is, vooruit beweegt.De hulpinrichting om het roer in beweging te brengen, moet zonodig mechanisch bewogen kunnen worden teneinde aan deze eisen te voldoen. In geval van elektrische aandrijving moet de noodkrachtbron in staat zijn om de hulpstuurinrichtingen gedurende ten minste tien minuten te bedienen. 11) Elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen in vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moeten door ten minste twee voedingsleidingen vanaf het hoofdschakelbord worden bediend en deze voedingsleidingen moeten zover mogelijk uit elkaar gescheiden zijn aangebracht. Voorschrift 14 Alarminstallatie voor machinisten In vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moet een alarminstallatie voor machinisten zijn aangebracht, die vanuit de machinecontrolekamer of vanaf de manoeuvreerstand, al naar gelang welke van toepassing is, in werking moet kunnen worden gesteld en die in het machinistenverblijf duidelijk hoorbaar moet zijn. Voorschrift 15 Koelinstallaties voor het conserveren van de vangst 1) Koelinstallaties moeten zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd, beproefd en geïnstalleerd, dat ten genoegen van de aangestelde ambtenaar rekening is gehouden met de veiligheid van de installaties en met emissies van chloorfluorkoolstoffen (CFCs) of andere ozon afbrekende gassen afkomstig van het gebruikte koelmedium in hoeveelheden of concentraties schadelijk voor de gezondheid of voor het milieu.2) Koelmedia voor het gebruik in koelinstallaties moeten ten genoegen van de aangestelde ambtenaar zijn.Het gebruik van methylchloride of van CFCs, wier ozon afbrekende eigenschappen hoger zijn dan van 5 procent CFC-11, als koelmedium is echter niet toegestaan. 3)
  110. a)Koelinstallaties moeten voldoende beschermd zijn tegen trillingen, schokken, uitzetting, krimping enz.en moeten voorzien zijn van een automatische veiligheidsinrichting waardoor een gevaarlijke stijging van de temperatuur en van de druk wordt voorkomen.
  111. b)Koelinstallaties waarin giftige en ontvlambare koelmedia worden gebruik moeten voorzien zijn van afvoerinrichtingen die uitmonden op een plaats waar het koelmedium geen gevaar oplevert voor vaartuigen of opvarenden.4)
  112. a)Elke ruimte waarin koelmachines die giftige koelmedia gebruiken, met inbegrip van koelers en gastanks, zijn ondergebracht, moeten door gasdichte schotten van aangrenzende ruimten gescheiden zijn.Elke ruimte waarin koelmachines met inbegrip van koelers en gastanks zijn ondergebracht, moet zijn voorzien van een lekzoeksysteem met een aanwijsinstrument aangebracht naast de ingang tot deze ruimte, die tevens voorzien moet zijn van een onafhankelijk ventilatiesysteem en van een watersproeiinstallatie.
  113. b)Indien ten gevolge van de grootte van het vaartuig het praktisch niet uitvoerbaar is, dat de koelinstallatie in een afzonderlijke ruimte wordt ondergebracht, mag deze installatie geplaatst worden in de ruimte voor machines, mits de hoeveelheid koelmedium die gebruikt wordt geen gevaar oplevert voor personen in de ruimte voor machines, in geval de totale hoeveelheid gas zou ontsnappen, en mits een alarminstallatie is aangebracht waardoor een gevaarlijke concentratie van gas kan worden gesignaleerd, in geval zich een lekkage in de ruimte voordoet.5) In ruimten voor koelmachines en in koelkamers moeten alarminrichtingen zijn aangebracht die in verbinding staan met het stuurhuis, de controlestations of nooduitgangen teneinde te voorkomen dat personen opgesloten geraken.Ten minste één uitgang van elke zodanige ruimte moet van binnenuit geopend kunnen worden. Wanneer zulks praktisch uitvoerbaar is, moeten uitgangen van de ruimten waarin koelinstallaties zijn ondergebracht die giftig of ontvlambaar gas gebruiken, niet rechtstreeks toegang geven tot ruimten voor accommodatie. 6) Wanneer een koelmedium in een koelinstallatie wordt gebruikt dat schadelijk is voor personen, moeten ten minste twee stel ademhalingstoestellen aanwezig zijn, waarvan één stel zodanig geplaatst moet zijn dat het naar verwachting steeds bereikbaar is, in geval koelmedium ontsnapt.Ademhalingstoestellen die deel uitmaken van de brandbestrijdingsmiddelen van het vaartuig kunnen worden beschouwd geheel of ten dele aan deze bepaling te beantwoorden, op voorwaarde dat de plaatsing daarvan voldoet aan beide doeleinden. Wanneer gebruik wordt gemaakt van autonome ademhalingstoestellen, moeten reservecilinders aanwezig zijn. 7) Met betrekking tot de koelinstallatie dienen duidelijk richtlijnen voor de veilige bedrijfsvoering en de handelwijze in noodgevallen in de vorm van doelmatige instructieplaten aan boord van het vaartuig te zijn aangebracht. DEEL C - ELEKTRISCHE INSTALLATIES (Zie ook voorschrift 3) Voorschrift 16 Elektrische hoofdkrachtbron 1)
  114. a)Wanneer elektrische energie het enige middel vormt tot het onderhouden van de voor de voortstuwing en de veiligheid van het schip noodzakelijke hulpdiensten, moet een elektrische hoofdkrachtbron zijn aangebracht die uit ten minste twee generatoren moet bestaan, waarvan een door de hoofdmotor mag worden aangedreven.De aangestelde ambtenaar kan andere uitvoeringen toestaan die een gelijkwaardige elektrische stroomvoorziening waarborgen.
  115. b)Het vermogen van deze generatoren moet zodanig zijn dat, met uitzondering van het vermogen dat vereist is voor het vissen, de verwerking en het conserveren van de vangst, de goede werking van de diensten, bedoeld in voorschrift 3, 6), a), wordt verzekerd, indien één generatoraggregaat buiten bedrijf is gekomen.Indien echter op vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter één generator buiten bedrijf is gekomen, is het slechts vereist dat de goede werking van de voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig noodzakelijke diensten worden verzekerd.
  116. c)De inrichting van de elektrische hoofdkrachtbron van het vaartuig moet zodanig zijn, dat de diensten bedoeld in voorschrift 3, 6), a), onderhouden kunnen worden, ongeacht het aantal omwentelingen en de draairichting van de hoofdvoortstuwingsmachines of asleidingen.
  117. d)Wanneer transformatoren een noodzakelijk onderdeel vormen van het voedingssysteem dat ten gevolge van deze paragraaf wordt voorgeschreven, moet het systeem zodanig ingericht zijn, dat de continuïteit van de voeding wordt verzekerd.2)
  118. a)De inrichting van het hoofdverlichtingssysteem moet zodanig zijn dat bij een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waar de elektrische hoofdkrachtbron, met inbegrip van eventuele transformatoren staat opgesteld, het noodverlichtingssysteem niet buiten werking wordt gesteld.
  119. b)De inrichting van het noodverlichtingssysteem moet zodanig zijn dat het hoofdverlichtingssysteem niet buiten werking wordt gesteld ten gevolge van een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waar de elektrische noodkrachtbron, met inbegrip van mogelijke transformatoren, staat opgesteld.3) Indien de navigatielichten alleen op elektrisch stroom werken, moeten zij worden gevoed via een apart schakelbord en moeten er adequate controlevoorzieningen voor die lichten worden geïnstalleerd. Voorschrift 17 Elektrische noodkrachtbron 1) Een onafhankelijke elektrische noodkrachtbron moet aanwezig zijn, die ten genoegen van de aangestelde ambtenaar, buiten de ruimten voor machines moet zijn opgesteld en die zodanig moet zijn ingericht, dat haar goede werking in geval van brand of andere oorzaken, waardoor de elektrische hoofdinstallaties uitvallen, verzekerd is.2) De elektrische noodkrachtbron moet, rekening houdend met de aanloopstroom en de variabele aard van bepaalde belastingen, gedurende een periode van ten minste drie uur in staat zijn gelijktijdig te bedienen :
  120. a)de VHF radio-installatie vereist volgens voorschrift IX/6, 1),
  121. a)en b), en indien van toepassing :
  122. i)de MF radio-installatie vereist volgens voorschrift IX/8, 1),
  123. a)en
  124. b)en voorschrift IX/9, 1),
  125. b)en c);
  126. ii)het scheepsgrondstation vereist volgens voorschrift IX/9, 1), a); en iii) de MF/HF radio-installatie vereist volgens voorschrift IX/9, 2),
  127. a)en
  128. b)en voorschr

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.